← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060918.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 18 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060918.4 Rolnummer: 46.267 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-31 Raadplegingen: 145 - laatst gezien 2026-07-01 04:46 Fiche Het bewijs van de plotse gebeurtenis kan geleverd worden door alle rechtsmiddelen. Naast de eigen verklaring van het slachtoffer kunnen andere bepaalde gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens, zoals de gelijkluidende verklaring van geïntimeerde, de onmiddellijke aangifte van haar werkgever, het snel onderbreken van het werk en de onmiddellijke medische vaststellingen van de geconsulteerde arts, tot dit bewijs bijdragen. De beweging van het omslaan van de voet bij het naar voor stappen in het vliegtuig is duidelijk aanwijsbaar in tijd en ruimte en volstaat als plose gebeurtenis. Hiervoor is geen abnormaliteit vereist zoals uitglijden of struikelen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SEKTOR - Constitutieve elementen - Bewijs van plotse gebeurtenis - Uitoefening van de gewone dagtaak kan een plotse gebeurtenis opleveren - Geen abnormaliteit vereist. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - - 2007(859-862) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 SEPTEMBER 2006. 5DE KAMER Arbeidsongeval Op tegenspraak Definitief + Verzending naar de Arbeidsrechtbank te Brussel In de zaak: N.V. W.E.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te [---]. Appellante, vertegenwoordigd door Mr S. PETEN, advocaat te Brussel. Tegen: J. S., met als laatst gekende woonplaats te [---]. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. M. VANDORMAEL loco Mr F. DE KEERSMAECKER, advocaat te Brussel.    Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 6de kamer van Arbeidsrechtbank te Brussel op 27 mei 2004 ; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 januari 2005; de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 26 juni 2006, waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken.    Feiten en procedurevoorgaanden De heer J. S. roept in dat hij op 18 mei 2001 het slachtoffer is geweest van arbeidsongeval op het ogenblik dat hij aan het werk was bij DHL, verzekerd bij appellante. De feiten in de ongevalsaangifte aan de wetsverzeke-raar worden door de werkgever als volgt omschreven : " tijdens het afladen was het slachtoffer in de achterkant van het vliegtuig en zag dat zijn collega vooraan alleen de containers naar buiten duwde en stapte naar hem toe om te helpen. Tijdens naar voor stappen heeft het slachtoffer zijn linkervoet gekanteld en bezeert hierbij de enkel." De verklaring van de heer J. S. van 18 mei 2001 aan zijn werkgever is de volgende : " op het Bovendijk van DLG spot 508 (lossen) ging ik van achter naar voor om iemand te helpen die alleen een container naar buiten aan het duwen was. Bij het naar voren gaan verstuikte ik mijn voet (omgeslagen). Op de ongevalsaangifte staat vermeld dat de heer J. S. het ongeval heeft aangegeven aan zijn werkgever op 18 mei 2001 om 2.10u en dat hij het werk had stopgezet. De behandelend geneesheer ter plaatse onderzoekt de heer J. S. op 18 mei 2001 en stelt als letsel vast verstuiking met bandscheur van de linker buitenenkel. Bij schrijven van 9 augustus 2001 deelde de N.V. W.E.V. mede dat het ongeval niet als een arbeidsongeval kan worden erkend omdat de vastgestelde letsels het gevolg waren van een zuiver intern proces eigen aan het organisme van de betrokkene en er bijgevolg geen uitwendige oorzaak was. De heer J. S. diende over te gaan tot dagvaarding op 17 april 2002 en hij vordert te zeggen voor recht dat hij het slachtoffer was van arbeidsongeval op 18 mei 2001 en bijgevolg de N.V. W.E.V. te horen veroordelen tot het betalen van de wettelijke vergoedingen rekening houdend met de tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheden en het basisloon meer de wettelijke en gerechtelijke intresten en in ondergeschikte orde de aanstelling van een deskundige te gelasten met de gebruikelijke opdracht. Met het bestreden vonnis verklaart de Arbeidsrecht-bank de plotse gebeurtenis bewezen. Het gaat wel degelijk om een apart en welomschreven element tijdens het werk met name het omslaan van zijn linkervoet bij het naar voor stappen in het vliegtuig om zijn collega te helpen. De Arbeidsrechtbank verklaart de vordering ontvanke-lijk en als volgt gegrond : Zegt voor recht dat de heer J. S. het bestaan bewijst van de plotse gebeurtenis voorgedaan op 18 mei 2001 en dat het vastgesteld letsel heeft kunnen veroorzaken, Alvorens verder recht te doen stelt aan als deskun-dige Dr. Van K. met de gebruikelijke opdracht.   Beroepsgrieven Er dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen het letsel en de plotse gebeurtenis. Geïntimeerde heeft zelf aangegeven dat hij niet struikelde of uitgleed. Tijdens het stappen, het- geen een zeer banale handeling is, heeft hij plots zonder duidelijke aanleiding zijn enkel verstuikt. Er is geen speciaal element dat in staat zou zijn geweest dit letsel te veroorzaken. De eerste rechter heeft de plotse gebeurtenis verward met het ontstaan van het letsel wanneer zij de plotse gebeurtenis omschrijft als : met name het omslaan van zijn linkervoet bij het naar voor stappen in het vlieg-tuig om zijn collega te helpen.   Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk.   Ten gronde Opdat er sprake zou zijn van een arbeidsongeval in de zin van de arbeidsongevallenwet van 10.04.1971, ( A.O.W.), dient het bewijs geleverd van het bestaan van : • een plotse gebeurtenis, • die tijdens de uitvoering van de arbeidsovereen-komst plaatsvindt, • een letsel, Eens deze constitutieve elementen bewezen, wordt vermoed, behoudens tegenbewijs : • dat het letsel door het ongeval is veroorzaakt (art 9.) en • dat het ongeval dat zich voordoet tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gebeurd is door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het slachtoffer dient dus niet te bewijzen dat de plotse gebeurtenis het letsel veroorzaakt heeft. De getroffene dient evenmin te bewijzen dat de oorzaak of één van de oorzaken van de plotselinge gebeurte-nis buiten het organisme van de getroffene liggen. De uitwendigheid van de oorzaak heeft wel haar betekenis in de aan de wetsverzekeraar toegekende mogelijkheid het tegenbewijs te leveren alsdat het letsel uitsluitend werd veroorzaakt door de inwendige gesteldheid van het slachtoffer. In casu vraagt appellante niet het tegenbewijs te mogen leveren. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie dient de plotse gebeurtenis van die aard te zijn dat zij het letsel kan veroorzaken (zie Cass 11.1.82, R.W.81-82.1872). De plotse gebeurtenis is het bijzondere, duidelijk aanwijsbare, in de tijd en ruimte te situeren element dat voorvalt tijdens de uitvoering van de overeenkomst, waarin eventueel de oorzaak te vinden is van het feit dat het letsel zich heeft voorgedaan. De plotselinge gebeurtenis mag niet verward worden met het plots optreden van het letsel, of het plots optreden van de pijn. De uitoefening van de gewone en normale dagtaak kan een plotse gebeurtenis opleveren, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt; terwijl het niet vereist is dat dit aanwijsbaar element onderscheiden is van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (zie Cass. 03.04.2000 AC 2000,219; zie Cass 18.05.1998;AC 1998, 261). De plotse gebeurtenis moet geen abnormaal karakter vertonen (zie Cass 26.05.1967 Arr Cass,1967,1179,met conclusie van de eerste advokaat generaal Ganshof van der Meersch in Pas 1967,I,1138). Het is dus niet vereist bijzondere omstandigheden aan te tonen, of een bijzondere gebeurtenis of feit waardoor de getroffene verplicht was een beweging te maken of een daad te stellen die niet tot zijn normale dagtaak behoren. Ook een banale handeling of gebeuren kan een plotse gebeurtenis uitmaken (zie Cass 20.10.1986 AC. 86-87,224). Het bewijs van de plotse gebeurtenis kan geleverd worden door alle rechtsmiddelen. Naast de eigen verklaring van het slachtoffer kunnen andere bepaalde gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens tot dit bewijs bijdragen. Het Arbeidshof stelt vast dat de Arbeidsrechtbank de feitelijke en juridische argumenten van de partijen grondig heeft onderzocht vooraleer op uitvoerige wijze overtuigend en gemotiveerd te beslissen de vordering gegrond te verklaren. De Arbeidsrechtbank heeft zowel de feitelijke als juridische analyse op voortreffelijke wijze uiteengezet en beoordeeld, evenals de opdracht van de deskundige op preciese en gedetailleerde wijze gespecifieerd. Het Arbeidshof houdt deze overwegingen van de arbeidsrechtbank hier uitdrukkelijk als herhaald. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd : De eerste rechter heeft zeer terecht uit de feitelijke omstandigheden, met name de gelijk-luidende verklaring van geïntimeerde, de onmiddel-lijke aangifte aan haar werkgever, het snel onder-breken van het werk,en de onmiddellijke medische vaststellingen van de geconsulteerde arts, m.b.t. de aard van het opgelopen letsel, aanzien als voldoende gewichtige en met elkaar overeenstem-mende vermoedens die het bewijs vormen van het ongevalsfeit nl. het omslaan van de linker voet bij het naar voor stappen in het vliegtuig. De beweging van het omslaan van de voet bij het naar voor stappen in het vliegtuig is duidelijk aanwijs-baar in tijd en ruimte en volstaat als plotse gebeurtenis. Hiervoor is geen abnormaliteit vereist zoals uitglijden of struikelen. Het omslaan van de voet is evenmin het letsel. Door het omslaan van de voet in dit geval is het letsel een verstuiking met bandscheur van de linker buitenenkel. Soms is er geen letsel wanneer men zijn voet omslaat. Het is de beweging zelf, die de uitwendige factor is die het organisme van het slachtoffer aan een agressie heeft onderworpen (AH Luik,25.04.2001,AR 29098/00). De door appellante aangehaalde rechtspraak is door recente arresten van het Hof van Cassatie aangepast. De Arbeidsrechtbank geeft reeds een volledig over-zicht van gewone handelingen of bewegingen die een plotse gebeurtenis uitmaken voor het Hof van Cassatie (bukken om toilet te reinigen, afstappen van bankje, bukken om badge op te rapen). Hieraan kan nog worden toegevoegd : "Inzake arbeidsongevallen wordt niet vereist dat het element in de gewone en normale uitoefening van de dagtaak, dat het letsel of de schade aan prothesen of orthopedische toestellen heeft kunnen veroor-zaken, en dat kan worden aangewezen, losstaat van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst

(1).
(1)Cass., 5 april 2004, AR S.02.0130.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040405.6, nr 183, met concl. O.M.; J.T.T. 2004, p. 468, met concl. O.M. en de opmerkingen van L. VAN GOSSUM.(Hof van Cassatie april 2004 p 468 inzake in een container voorover-buigen om er een stuk uit te nemen waardoor zijn bril viel en de glazen gebroken raakten). Hoewel het uitwringen van een dweil geen beweging is die losstaat van de uitvoering van de arbeidsover-eenkomst van een werkvrouw, kan die beweging, wanneer ze een ligamentscheur tot gevolg heeft, een plotselinge gebeurtenis vormen in de zin van de Arbeidsongevallenwet (Hof van Cassatie 2.1.2006 JTT 2006,53). Het Arbeidshof begrijpt het hoger beroep niet goed gezien de duidelijke en recente constante recht-spraak van het Hof van Cassatie. Het hoger beroep is ontvankelijk doch niet gegrond.   OM DEZE REDENEN : En alle hierin impliciet vervat, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al haar onderdelen; Verwijst de zaak op grond van artikel 1068 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek naar de Arbeidsrechtbank van Brussel; Legt de kosten van huidig geding ten laste van appellante; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : niet begroot, - voor geïntimeerde partij : euro 145,75 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare te­rechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 18 september 2006, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS: Raadsheer. De Heren : I. VAN DAMME, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer R. WAEYAERT, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 Ger. Wb.). P. MANS : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, D. DE RAEDT : Griffier, I. VAN DAMME, P. MANS, D. DE RAEDT, B. CEULEMANS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060918.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040405.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.