← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060922.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060922.3 Rolnummer: 45.930 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-06-01 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-07-01 04:47 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een concurrentiebeding moet niet in een individueel geschrift worden vastgesteld. Indien in het arbeidsreglement een con- currentiebeding is opgenomen en de individuele arbeidsovereenkomst bepaalt dat de voorwaarden uit het arbeidsregle- ment van toepassing zijn, is het concurrentiebeding in de individuele arbeidsovereenkomst geïntegreerd en is de werkgever door dit beding gebonden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Concurrentiebeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Concurrentiebeding - Vereiste van een geschrift - Concurrentiebeding in arbeidsreglement. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 104 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: II AAN art. 104 - Gepubliceerd in J.T.T. 2007, p.

  1. Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2007,p.130-131 JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2007, p. 130-131 Tekst van de beslissing A.R. Nr 45.930 1e Blad. Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 22 SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE N.V. MENAGELEC, met maatschappelijke zetel gevestigd te 8501 Heule, Industrielaan, 4, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter V. Cauwels loco Mter S. Vanoverbeke, advocaat te 9051 Gent; Tegen : De Heer A. V. H., G eïntimeerde , appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Ch. Vandermeulen loco Mter C. De Ganck, advocaat te 9000 Gent; ¿ ¿ ¿ Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de 2de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel in A.R. 42.786/02 op 14 juni 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 28 september 2004; A.R. Nr 45.930 2e Blad. - de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 14 februari 2005 en 9 mei 2006; - de besluiten van appellante neergelegd ter griffie op 10 februari 2006; Gehoord partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 16 juni
  2. Partijen legden hun bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. DE FEITEN. Het Hof herhaalt de zeer volledige en objectieve uiteenzetting zoals gedaan door de eerste rechter. De Heer V. H. trad op 10 augustus 1998 in dienst van appellante als ¿ key account manager ¿ (letterlijk ¿ sleutel klant beheerder ¿) krachtens een op 13 juli 1998 ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. De functie werd in artikel 1 van de overeenkomst als volgt omschreven : ¿ de verkoop van barbecues en accessoires naar de key-account klanten ¿. Bij brief van 26 maart 2002 stelde hij een einde aan de arbeidsovereenkomst mits een opzeggingstermijn van 1 maand, ingaand op 1 april
  3. Diezelfde dag sloten partijen een overeenkomst waarbij de opzeggingstermijn op vijf weken werd bepaald namelijk tot en met 3 mei
  4. Bij brief van 27 mei 2002 verzocht de Heer V. H. om de betaling van een vergoeding gelijk aan het brutoloon van 6 maanden omdat appellante geen afstand had gedaan binnen een termijn van 15 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst van het concurrentiebeding vervat in artikel 45 van het arbeidsreglement. Hij riep in dat hij zich bij het zoeken naar een nieuwe betrekking gebonden achtte door het concurrentiebeding. Bij brief van 11 juni 2002 stelde appellante dat het in het arbeidsreglement opgenomen concurrentiebeding niet op de arbeidsovereenkomst van geïntimeerde van toepassing was. Op 16 oktober 2002 liet de Heer V. H. appellante dagvaarden en vorderde haar veroordeling tot betaling t.t.v. compensatoire vergoeding concurrentiebeding van het bedrag van 31.669,13 euro , vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf de opeisbaarheid aan 7 % en de gerechtelijke A.R. Nr 45.930 3e Blad. intresten vanaf de dagvaarding dd. 16 oktober 2002 tot op de dag der effectieve betaling, evenals met de kosten van het geding. De vordering strekte er tevens toe het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande de aanwending van welk rechtsmiddel ook en zonder borgstelling met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement. II. HET VONNIS A QUO. Verklaart deze vordering gegrond als volgt ; Veroordeelt de N.V. MENAGELEC om aan de Heer V. H. te betalen een concurrentievergoeding gelijk aan 28.881,96 euro bruto verhoogd met de wettelijke intresten vanaf 27 mei 2002 en de gerechtelijke intresten, berekend op het nettobedrag; Veroordeelt de N.V. MENAGELEC tot de kosten. De eerste rechter oordeelt dat partijen verbonden waren door een geldig nietconcurrentiebeding en dat appellante gehouden is tot betaling van de bedongen vergoeding van 6 maanden brutoloon vermits zij niet binnen 15 dagen na de stopzetting van de overeenkomst afzag van de toepassing van het concurrentiebeding. De eerste rechter bepaalde het basisjaarloon van de Heer V. H. als volgt : Vast loon, vakantiegeld en eindejaarspremie 56.306,40 euro Bedrijfswagen (121,46 x 12) 1.457,52 euro 57.763,92 euro III. DE BEROEPSGRIEVEN. A. Het hoofdberoep. N.V. Menagelec verzoekt ons Hof het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw wijzende de oorspronkelijke eis van de Heer V. H. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Zij zet zeer omstandig (43 bladzijden) uiteen dat geïntimeerde zich niet kan beroepen op het concurrentiebeding aangezien hij was tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger en het betrokken concurrentiebeding (artikel 45 arbeidsreglement) enkel bestemd is voor arbeiders en bedienden. Daarenboven heeft het betrokken concurrentiebeding volgens appellante geen bindende kracht aangezien het louter verwijzen in een arbeidsovereenkomst naar het arbeidsreglement niet volstaat. Het bestaan van een geldig concurrentiebeding veronderstelt volgens appellante een individueel geschrift. A.R. Nr 45.930 4e Blad. De eerste rechter oordeelde volgens haar ten onrechte dat het concurrentiebeding geen individueel geschrift vereist. De vereiste van een individueel geschrift vloeit voort uit de Arbeidsovereenkomstenwet. a. In de eerste plaats moet de tekst van de artikelen in de Arbeidsovereenkomstenwet die betrekking hebben op concurrentiebedingen erop nagelezen worden teneinde na te gaan welke draagwijdte aan de vereiste van een geschrift moet toegekend worden. Artikel 65, § 2, eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenweg luidt als volgt : ¿ Het concurrentiebeding wordt als niet-bestaande beschouwd in de arbeidsovereenkomsten waarin het jaarloon 16.100 euro niet overschrijdt ¿. Artikel 104 van de Arbeidsovereenkomstenwet dat betrekking heeft op handelsvertegenwoordigers bepaalt dan weer het volgende : ¿ In de overeenkomsten waarin het jaarlijks loon 16.100 euro niet te boven gaat, wordt het concurrentiebeding als onbestaande beschouwd ¿. Uit de tekst van de bovenstaande artikelen blijkt dat de vereiste van een geschrift inhoudt dat een eventueel concurrentiebeding in een tussen de werkgever en de werknemer afgesloten individuele overeenkomst, bij voorkeur de arbeidsovereenkomst, wordt opgenomen. De Arbeidsovereenkomstenwet voorziet immers slechts in het wettelijk kader waarin een concurrentiebeding tussen de partijen bij een arbeidsovereenkomst kan worden opgenomen, maar vereist dat de concrete toepassingsvoorwaarden van het beding in een geschrift worden vastgesteld. Aangezien de toepassingsvoorwaarden van een concurrentiebeding in rechtstreeks verband staan tot de persoonlijke situatie van elke werknemer, spreekt het voor zich dat dit geschrift een individueel geschrift moet zijn. Dat het niet-concurrentiebeding moet opgenomen worden in een individueel geschrift, vloeit niet alleen uit de bewoordingen van de Arbeidsovereenkomstenwet, maar uit de geschiedenis van het artikel 65 voort. Dat artikel is een quasi letterlijke overname van het vroeger artikel 26, § 1, alinea 3 van de voorheen geldende Gecoördineerde Wet op de arbeidsovereenkomst. Dat artikel was gebaseerd op een advies van de Nationale Arbeidsraad van 18 april 1973, waarin door de werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers werd vermeld dat de partijen bij een arbeidsovereenkomst de toepassingsmodaliteiten van de geldigheidsvoorwaarden moeten preciseren. Dat kan slechts gebeuren in een individueel geschrift. Ten onrechte verwijst geïntimeerde in zijn conclusie naar het artikel 8 van de individuele arbeidsovereenkomst, waaruit volgens appellante in geen geval kan afgeleid worden dat het algemene concurrentiebeding uit het arbeidsreglement werd geïntegreerd en geïndividualiseerd in de arbeidsovereenkomst tussen de partijen. A.R. Nr 45.930 5e Blad. b. Volgens appellante moet ook rekening gehouden worden met de bepalingen van de Arbeidsreglementenwet. In artikel 4, tweede lid van de Arbeidsreglementenwet wordt bepaald dat de werkgever en de werknemers gehouden zijn door de bepalingen van het arbeidsreglement. In artikel 6 van de Arbeidsreglementenwet worden dan de vermeldingen opgesomd die verplicht in het Arbeidsreglement moeten opgenomen worden. Geen van die vermeldingen voorziet in de opname van verplichtingen van individuele werknemers in het arbeidsreglement, maar regelen enkel aangelegenheden die alle werknemers of minstens een categorie van werknemers aanbelangen. Hieruit blijkt dat in het arbeidsreglement enkel regels kunnen worden geformuleerd die eigen zijn aan de onderneming en die gericht zijn aan alle of aan een bepaalde categorie van werknemers. In ieder geval worden geen individuele bepalingen opgenomen in een arbeidsreglement. Appellante verwijst naar een vonnis dd. 18 november 2002 van de Arbeidsrechtbank te Gent die oordeelde dat een concurrentiebeding een individueel beding moet zijn, zodat een concurrentiebeding uit het arbeidsreglement niet als basis kan dienen voor een vordering van de werknemer. De rechtbank voegt er - volledigheidshalve, maar eigenlijk op overbodige wijze - nog aan toe dat de loutere verwijzing in artikel 8 van de individuele arbeidsovereenkomst naar de algemene bepalingen van het arbeidsreglement geen aparte clausule van concurrentiebeding in de geschreven arbeidsovereenkomst bevat. Ook in de arbeidsovereenkomst van geïntimeerde komt slechts een algemene verwijzing naar het arbeidsreglement voor, zonder dat specifiek wordt verwezen naar de voorwaarden inzake het concurrentiebeding zodat er volgens appellante geen individueel geschrift en dus geen geldig concurrentiebeding voorhanden is. B. Het incidenteel hoger beroep. De Heer V. H. verzoekt ons Hof het vonnis a quo gedeeltelijk teniet te doen in de mate waarin het heeft geoordeeld dat het basisloon op jaarbasis 57.763,92 euro bedroeg en het jaarbasisloon vast te stellen op 63.338,26 euro met dientengevolge veroordeling van appellante tot betaling aan geïntimeerde van 31.669,13 euro vermeerderd met de wettelijke intresten op dit brutobedrag vanaf de opeisbaarheid aan 7 % en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding van 16 oktober 2002 tot op de dag der effectieve betaling en appellante te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep. A.R. Nr 45.930 6e Blad. Hij bepaalt zijn basisjaarloon als volgt : Basisloon + eindejaarspremie + vakantiegeld 4.045,62 euro (maandloon) x 13,92 = 56.306,40 euro Bedrijfswagen 371,15 euro /maand x 12 = 4.453,80 euro Onkostenvergoeding = 2.578,06 euro (gedurende de laatste 12 maanden tewerkstelling) ___________ Totaal 63.338,26 euro Hij stelt dat het privégebruik van de bedrijfswagen Peugeot 406 met airco + tankkaart moet worden bepaald op 500 euro per maand en dat het verschil tussen het genoten voordeel (500 euro ) en de eigen bijdrage (128,54 euro ) dient opgenomen te worden in de berekeningsbasis voor de concurrentievergoeding, hetzij 371,15 euro per maand. Wat de forfaitaire kostenvergoeding betreft, stelt hij dat appellante nog steeds niet bewijst dat geïntimeerde in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst werkelijk kosten diende te maken die dan nog overeenstemden met het forfaitaire bedrag van 11,60 euro per dag. Trouwens appellante heeft voor de eerste rechter erkend dat de dagvergoeding wordt toegekend ¿ om de kosten die gepaard gaan met een tewerkstelling buiten de bedrijfsgebouwen, zoals een verfrissing, een maaltijd buitenshuis, parkeerkosten, enzovoort, te vergoeden ¿. Los van het feit dat hiervan geen bewijs wordt geleverd en alleen om deze reden moet worden besloten tot ¿ fictief loon ¿; het staat vast dat ¿ een verfrissing ¿ of ¿ een maaltijd buitenshuis ¿ niet als kost kan worden beschouwd, omdat dit geen kosten uitmaken die dienen te worden gedragen door de werkgever. Kent een werkgever dergelijk voordeel wel toe aan zijn werknemer onder de vorm van een forfaitaire onkostenvergoeding, dan maakt deze vergoeding volgens de Heer V. H. ¿ arbeidsrechtelijk loon ¿ uit omdat het is toegekend als tegenprestatie van arbeid. IV. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen, wat overigens niet wordt betwist. Artikel 8 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst dd. 13 juli 1998 bepaalt : ¿ Bij deze overeenkomst zijn de volgende bijzondere voorwaarden van toepassing : zie arbeidsreglement ¿. A.R. Nr 45.930 7e Blad. Geïntimeerde ontving van appellante op 13 juli 1998, samen met een exemplaar van de arbeidsovereenkomst, ook een exemplaar van het arbeidsreglement dat hij op 13 juli 1998 voor ontvangst ondertekende. Artikel 45 van het arbeidsreglement bevat volgende bepaling : ¿ Niet-concurrentiebeding De werknemer onthoudt er zich van, bij zijn vertrek uit de onderneming, gedurende een periode van 12 maanden in België soortgelijke activiteiten uit te oefenen, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever waardoor hij de mogelijkheid heeft de onderneming, die hij heeft verlaten, nadeel te berokkenen door de kennis, die eigen is aan de onderneming en die hij op industrieel of op handelsgebied in de onderneming heeft verworven, voor zichzelf of ten voordele van een concurrerende onderneming aan te wenden (artikel 65 - wet van 3 juli 1978-. In geval van toepassing van dit niet-concurrentiebeding zal de werkgever een enige en forfaitaire compensatoire vergoeding betalen, tenzij hij binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf het ogenblik van de stopzetting van de overeenkomst afziet van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding. Het bedrag van deze vergoeding is gelijk aan 6 maanden brutoloon ¿. Het Hof stelt vast dat dit beding vervat in artikel 45 van het arbeidsreglement beantwoordt zowel aan de geldigheidsvoorwaarden van het concurrentiebeding voor werklieden en bedienden voorzien in artikel 65 A.O.-wet als in deze voorzien in artikel 104 A.O.-wet voor de handelsvertegenwoordiger : het heeft betrekking op soortgelijke activiteiten, reikt niet verder dan twaalf maanden en is beperkt tot het gebied waarbinnen de handelsvertegenwoordiger zijn activiteit uitoefent. De eerste rechter benadrukte reeds en terecht dat de vermelding van de betaling van een compensatoire vergoeding door de werkgever (tenzij hij binnen 15 dagen afziet van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding) slechts wettelijk verplicht is voorgeschreven voor de geldigheid van een concurrentiebeding voor arbeiders en bedienden doch niet voor handelsvertegenwoordigers. De eerste rechter stelde tevens terecht dat geen enkele wettelijke bepaling de werkgever en de handelsvertegenwoordiger verbiedt te bedingen dat de werkgever een compensatoire vergoeding dient te betalen tenzij hij binnen 15 dagen afziet van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding. Geldig gesloten overeenkomsten strekken partijen tot wet (artikel 1134 Burgerlijk Wetboek) Pacta Sunt Servanda. A.R. Nr 45.930 8e Blad. Is het concurrentiebeding geldig gesloten ? Artikel 65, § 2, 3de laatste lid A.O.-wet bepaalt dat het beding, op straffe van nietigheid, moet worden vastgelegd in een geschrift dat de toepassingsmodaliteiten van de geldigheidsvoorwaarden bepaalt. Artikel 104 A.O.-wet bepaalt dat het concurrentiebeding op straffe van nietigheid schriftelijk moet worden gesteld. Overwegende dat de wettelijke bepalingen betreffende het concurrentiebeding de openbare orde niet raken en dat de geldigheidsvoorwaarden enkel de bescherming van de werknemer beogen zodat enkel zij zich op de nietigheid van het beding kunnen beroepen (Cassatie, 2 mei 1988, J.T.T. 1988, 280; Cassatie, 30 juni 2003, J.T.T. 2003, 398). Het Hof beaamt de eerste rechter waar deze stelt : ¿ De wet bepaalt niet dat het concurrentiebeding en de toepassingsmodaliteiten in een individueel geschrift dienen te worden vastgesteld zoals bijvoorbeeld is bepaald in artikel 67, § 1 van de wet van 3 juli 1978 met betrekking tot het proefbeding. De rechtbank is van oordeel dat uit de wettelijke bepaling ¿ Het concurrentiebeding wordt als niet-bestaande beschouwd in de arbeidsovereenkomsten waarin het jaarloon 16.100 euro niet overschrijdt ¿ (artikel 65, § 2, eerste lid), niet kan afgeleid worden dat de volledige tekst van het concurrentiebeding in een individuele overeenkomst moet worden opgenomen. Deze bepaling en de bepaling dat het concurrentiebeding moet worden vastgelegd in een geschrift dat de toepassingsmodaliteiten van de geldigheidsvoorwaarden bepaalt, betekent enkel dat de handelsvertegenwoordiger zijn individuele toestemming met het concurrentiebeding moet verlenen, zoals bijvoorbeeld het concurrentiebeding in een arbeidsreglement dat door de werknemer voor akkoord wordt ondertekend (cfr. RYCKX, D., Statuut van de handelsvertegenwoordiger, Concurrentiebeding, Or., 1989, 146) ¿. Overwegende dat partijen in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst op 13 juli 1998 uitdrukkelijk bedingen dat ¿ volgende bijzondere voorwaarden van toepassing zijn : zie arbeidsreglement ¿. Dat het door de werkgever ondertekend en aangevuld en aangepast arbeidsreglement op dezelfde dag 13 juli 1998 door de werkgever aan de werknemer werd overhandigd en dat hierin onder artikel 45 een nietconcurrentiebeding staat vermeld met een duidelijk in het vet gedrukte titel : niet-concurrentiebeding. Het Hof stelt vast dat partijen dusdoende de tekst van artikel 45 van het arbeidsreglement wetens en willens hebben geïntegreerd in de tekst van de A.R. Nr 45.930 9e Blad. individuele arbeidsovereenkomst zodat de tekst van het concurrentiebeding wezenlijk deel uitmaakt van de individuele arbeidsovereenkomst waarover beide partijen hun toestemming verleenden en dat deze tekst derhalve voldoet aan de door artikel 65, § 2 A.O.-wet voorgeschreven voorwaarde van ¿ het geschrift, dat de toepassingsmodaliteiten van het concurrentiebeding bepaalt ¿ en aan de voorwaarde van ¿ schriftelijk ¿ voorzien in artikel 104 A.O.- wet. Pacta Sunt Servanda. Appellante is ertoe gehouden het door haarzelf geldig gesloten nietconcurrentiebeding na te leven en dit, ongeacht of geïntimeerde nu al dan niet handelsvertegenwoordiger of bediende was. Zoals hoger gesteld, is het door partijen gesloten niet-concurrentiebeding in beide hypotheses geldig en toepasselijk en de verwijzing in de tekst van artikel 45 van het arbeidsreglement naar artikel 65 A.O.-wet (tussen haakjes) doet hieraan geen afbreuk. De eerste rechter oordeelde terecht dat appellante gehouden is tot betaling van de door haar in het niet-concurrentiebeding bedongen compensatoire vergoeding gelijk aan 6 maanden brutoloon. Overwegende dat de eerste rechter het brutoloon van de Heer V. H. terecht bepaalde op de som van 57.763,92 euro zijnde 56.306,40 euro vast loon, vakantiegeld, eindejaarspremie (niet betwist) en 121,46 euro per maand waarde privé-gebruik bedrijfswagen. Het is de werkelijke waarde van het voordeel dat in aanmerking moet worden genomen (Cassatie, 29 januari 1996, J.T.T. 1996, 188) en dit moet niet geraamd worden op de last die het voor de werkgever betekent doch op de besparing die het effectief voor de werknemer betekent (A.H. Luik (Neufchâteau), 6 mei 1998, J.T.T. 1999, 156). In de door partijen gesloten overeenkomst met betrekking tot autoonkostenvergoeding werd vastgesteld ¿ De N.V. MENAGELEC stelt vanaf 10 augustus 1998 een voertuig Peugeot 406 met airco (als aanloopwagen) ter beschikking van de gebruiker voor beroepsdoeleinden. Deze wagen mag ook privé gebruikt worden mits het voordeel in natura volgens de in voege zijnde fiscale wetgeving in rekening wordt gebracht. De wagen blijft slechts ter beschikking zolang het werkcontract tussen de firma en de gebruiker niet afgebroken of geschorst wordt en zolang de leasing-prijs ongewijzigd blijft. Tijdens de vakantie- en ziekteperiode is de brandstof ten laste van de gebruiker. Bij ziekte of werkonderbreking van meer dan 1 week, moet de wagen ter beschikking van de firma zijn (stuk II/9 geïntimeerde) ¿. De Heer V. H. had een- aldus beperkt - privé-gebruik van de bedrijfswagen en -tankkaart. A.R. Nr 45.930 10e Blad. Het door de eerste rechter ex aequo et bono geraamd bedrag van 250 euro per maand lijkt het Hof redelijk en gerechtvaardigd (vergelijk : 7.500 BEF/maand - Peugeot 405, A.H. Luik, 29 november 2000, J.T.T. 2001, 213; A.H. Gent, 9 februari 2004, S.R.K. 2004, 469 - 10.000 BEF/maand; A.H. Brussel, 10 januari 2001, J.T.T. 2001, 141; A.H. Brussel, 7 maart 2001, J.T.T. 2001, 207). Een kostenvergoeding is in beginsel geen loon daar zij niet de tegenprestatie is van arbeid maar de vergoeding van een uitgave en in beginsel derhalve ook geen verdienste verworven krachtens de arbeidsovereenkomst (A.H. Luik, afdeling Neufchâteau, 6 mei 1998, J.T.T. 1999, 156; A.H. Gent, 25 september 1998, T.G.R. 1998, 236). Een forfaitaire kostenvergoeding is te beschouwen als loon als zij geen reële meerkosten dekt die de werknemer werkelijk heeft en die verband houden met zijn tewerkstelling (Cassatie, 15 januari 2001, J.T.T. 2001, 135). Overwegende dat de Heer V. H. in zijn commerciële functie vaak ¿ op de baan ¿, op klantenbezoek of op beurzen was zodat hij inderdaad bijkomende reële uitgaven diende te doen (parkings - maaltijden - verfrissingen) omwille van zijn functie. Het door de werkgever betaalde forfait van een gering bedrag van 11,60 euro per dag voor deze reële uitgaven, die de Heer V. H. eigenlijk niet betwist, wordt door het Hof niet als loon beschouwd omdat de Heer V. H. niet bewijst dat dit forfait geen reële uitgaven dekte. De intresten. De Heer V. H. vordert loonintresten op grond van artikel 10 van de Loonbeschermingswet. De compensatoire vergoeding voor het concurrentiebeding is loon zoals bedoeld in artikel 10 Loonbeschermingswet. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 10 maart 1986 was het vaste rechtspraak dat voor de toepassing van voormeld artikel onder loon enkel het loon wordt begrepen waarop de werknemer aanspraak kan maken ten aanzien van zijn werkgever, of met andere woorden, het netto loon. Behoudens andersluidend beding heeft de werknemer immers niet het recht om het bedrag van bedrijfsvoorheffing of de werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid op te eisen, zodat er op beide bedragen geen intresten verschuldigd zijn aan de werknemer (zie Cassatie, 10 maart 1986, S.R.K. 1986, 101; Cassatie, 17 november 1986, S.R.K. 1987, Arr. Cass. 1986-1987, 760; Cassatie, 16 maart 1987, R.W. 1987-1988, 327; Cassatie, 8 november 1993, J.T.T. 1994, 143, noot). Overwegende dat de Sluitingswet dd. 26 juni 2002 (B.S. 9 augustus 2002) (art. 82) houdende wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet A.R. Nr 45.930 11e Blad. volgens het Hof geen interpretatieve wet is ten behoeve van interpretatie van artikel 10 van de Loonbeschermingswet doch een wet strekkende tot wijziging van artikel 10, zoals artikel 82 van de Sluitingswet zelf duidelijk stelt en zoals blijkt uit haar voorbereidende werken (Parl. Doc. Kamer 2001- 2002, doc. 50, 1687/001, p. 48-49). De memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 12 maart 2002 betreffende de sluiting van onderneming, zoals besproken in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordiging, spreekt duidelijk van een wetswijziging. Overwegende dat artikel 82 van de Sluitingswet volgens het Hof geen interpretatieve wet is doch een dwingende bepaling met onmiddellijke uitwerking voor de toekomst. Artikel 2 Burgerlijk Wetboek stelt immers uitdrukkelijk dat de wet enkel beschikt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft. Als algemene regel geldt de onmiddellijke werking van de rechtsregel. Retro-activiteit is de uitzondering, die uitdrukkelijk moet bepaald zijn of minstens duidelijk moet blijken uit de bewoordingen of de strekkingen van de norm, wat in casu volgens het Hof niet het geval is. De wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet trad in voege vanaf 1 juli 2005 volgens het K.B. van 3 juli 2005 (B.S. 12 juli 2005) tot uitvoering van de artikelen 81 en 82 van de Sluitingswet van 26 juni
  5. Artikel 90 § 1 van deze wet verleende aan de Koning de bevoegdheid om de datum te bepalen vanaf wanneer zij in werking zou treden. Een nieuwe wet is in principe van toepassing op de situaties die ontstaan na haar inwerkingtreding doch tevens op de toekomstige gevolgen van de situaties ontstaan onder de vroegere wet doch die verder duren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, voor zover dit evenwel geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten (Cassatie, 25 november 1991, J.T.T. 1992, p. 221). Volgens deze algemene regel zijn intresten verschuldigd op bruto loonbedragen vanaf 1 juli 2005, datum waarop de nieuwe wet houdende wijziging van artikel 10 van de loonbeschermingswet in werking trad. Artikel 2 van het reeds genoemde K.B. van 3 juli 2005 stelt evenwel dat artikel 1 van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
  6. Het Hof meent dat de Koning overeenkomstig artikel 90 § 1 van de Sluitingswet gemachtigd was de datum van haar inwerkingtreding te bepalen. De Koning was evenwel niet gemachtigd af te wijken van het algemene principe volgens hetwelk de nieuwe wet toepasselijk is niet alleen op toestanden die ontstaan zijn na haar inwerkingtreding doch tevens op de toestanden die ontstonden onder de toepassing van de oude wet en die verder duren onder de nieuwe wet (Cassatie, 25 november 1991 o.c.). A.R. Nr 45.930 12e Blad. Voor zover artikel 2 van het K.B. van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 slechts van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005 is dit onwettelijk en wordt het door het Hof niet toepasbaar geacht (artikel 159 Grondwet). De Heer V. H. heeft derhalve recht op wettelijke en gerechtelijke intresten op het overeenstemmend netto-bedrag vanaf 27 mei 2000 tot 30 juni 2005 en op het bruto-bedrag ervan vanaf 1 juli 2005 tot de dag der algehele betaling. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, Het hoger beroep ongegrond, Het incidenteel hoger beroep zeer gedeeltelijk gegrond enkel wat de door de eerste rechter toegekende intresten betreft, Hervormt het vonnis a quo voor zover en slechts voor zover het de N.V. Menagelec veroordeelt tot betaling van wettelijke intresten en gerechtelijke intresten op het met 28.881,96 euro bruto overeenstemmend nettobedrag en opnieuw rechtdoende op dit punt, Veroordeelt de N.V. Menagelec tot betaling aan de Heer Van H. van wettelijke en gerechtelijke intresten op het met 28.881,96 euro bruto overeenstemmend netto-bedrag vanaf 27 mei 2000 tot 30 juni 2005 en op het bruto-bedrag ervan vanaf 1 juli 2005 tot de dag der algehele betaling. Bevestigt het vonnis a quo in al zijn overige bestanddelen. Veroordeelt de N.V. Menagelec tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot op : In hoofde van appellante : Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 279,62 euro In hoofde van geïntimeerde : Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 285,57 euro A.R. Nr 45.930 13e Blad. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 22 september 2006, waar aanwezig waren : Mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer J. DE DECKER, Raadsheer in sociale zaken als werknemerbediende, De Heer L. COEN, Griffier. L. COEN, M. VERMAELEN, L. REYBROECK. J. DE DECKER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060922.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.