← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060922.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060922.4 Rolnummer: 45.465 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-11-13 Raadplegingen: 187 - laatst gezien 2026-07-01 04:47 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Vakbondssecretarissen kunnen als vertegenwoordigers van het personeel in de zin van artikel 6 CAO nr. 24 worden beschouwd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 - Werking - art. 4 -10 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - NATIONALE ARBEIDSRAAD - Arbeidsrecht - Collectief arbeidsrecht - Collectief ontslag - Niet-naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure - Collectief en individueel bezwaar - Ontvankelijkheid - Dading. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-05-1952 - 5bis - 01 ELI link Pub nr 1952052902 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 02-10-1975 - 6 - 30 Link Justel databank 19751002-30 Nota: Gerangschikt onder IV D art. 5bis (CAO nr. 24 van 2/10/1975), art.

  1. Andere gedeelten van de korte inhoud zijn gerangschikt onder V M II, art. 67, lid 2 en I B art.
  2. Fiche 2 Het bezwaar bedoeld in artikel 67 lid 2 van de wet van 13 februari 1998 moet een collectief bezwaar zijn, uitgaande van het geheel van de werknemers. Indien er geen dergelijk collectief bezwaar bestaat, is de betwisting van de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure door de individuele werknemers na hun ontslag niet meer ontvankelijk. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Collectief ontslag Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - COLLECTIEVE AFDANKINGEN - Arbeidsrecht - Collectief arbeidsrecht - Niet-naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure - Collectief en individueel bezwaar - Ontvankelijkheid - Dading. Wettelijke bepalingen: Wet - 13-02-1998 - 67,L.2 - 32 ELI link Pub nr 1998012088 Nota: Gerangschikt onder V M II, art. 67 lid
  3. Ook gerangschikt onder IV D 5bis (CAO nr. 24 van 2/10/1975), art. 6 en I B
  4. Fiche 3 Een dading, ondertekend op een ogenblik dat de termijn om bezwaar in te dienen nog niet verlopen was en de werkgever nog niet kon overgaan tot ontslag, is nietig. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Dading SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Collectief ontslag Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Arbeidrecht - Collectief arbeidsrecht - Collectief ontslag - Niet-naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure - Collectief en individueel bezwaar - Ontvankelijkheid - Dading. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2044 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Nota: Gerangschikt onder I B art.
  5. Ook gerangschikt onder IV D 5bis (CAO nr. 24 van 2/10/1975), art. 6 en V M II, art. 67 lid
  6. Annotaties Publicaties: Sociaalrechtelijke Kronieken - en noot - 2007(299-303) Chroniques de droit social - et note - 2007(299-303) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 22 SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + heropening der debatten + bijzondere rol In de zaak: HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND VAN BELGIE, (A.C.V.) representatieve werknemersorganisatie, met zetel gevestigd te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg, 579, DE LANDELIJKE BEDIENDEN CENTRALE NATIONAAL VERBOND VOOR KADERPERSONEEL (L.B.C.-N.V.K.) representatieve werknemersorganisatie, met zetel gevestigd te 2000 Antwerpen, Sudermanstraat, 5, DE BOND DER BEDIENDEN, TECHNICI EN KADERS (B.B.T.K.) met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Rouppeplein, 3, Mevrouw D. V. A. , Mevrouw M.-L. V., De Heer J. B. , Appellanten, geïntimeerden op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Dormael loco Mter F. De Keersmaecker, advocaat te 1800 Vilvoorde; Tegen : DE N.V. VERSATEL BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1780 Wemmel, Koningin Astridlaan, 166, ingeschreven in het register van rechtspersonen onder het nr. 0463.193.905, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter H. Craeninckx, advocaat te 1060 Brussel;    Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaarde afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de 2de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel in A.R. 43.138/02 op 3 oktober 2003; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 10 mei 2004; - de besluiten en aanvullende besluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 14 oktober 2005 en 14 februari 2006; - de besluiten van appellante neergelegd ter griffie op 9 december 2005; Gehoord partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 23 juni
  7. Partijen legden hun bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. DE FEITEN. De eerste rechter vatte de feiten zeer volledig en objectief samen. Het Hof neemt deze samenvatting in extenso over : De N.V. VERSATEL BELGIUM is een leverancier van spraak-, data- en internetbreedbanddiensten. In 2001 stelde VERSATEL BELGIUM 246 bedienden tewerk. Zij ressorteert onder het P.C. nr.
  8. De dames D. V. A. en M.-L. V. en de Heer J. B. (drie laatste appellanten) waren allen personeelsleden van de N.V. VERSATEL BELGIUM. Zij waren verbonden met geïntimeerde met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. In 2001 bestond er binnen de N.V. VERSATEL geen ondernemingsraad noch syndicale afvaardiging, omdat tijdens de sociale verkiezingen van het jaar 2000 er geen verplichting was tot het oprichten van een ondernemingsraad, doch wel tot de oprichting van een comité voor preventie en bescherming op het werk. Het gemiddelde personeelsbestand in 1999 bedroeg slechts 66, en niet 100 of hoger. In het jaar 2000 is bijgevolg enkel een comité voor preventie en bescherming op het werk opgericht. De N.V. VERSATEL had bovendien nooit een officiële aanvraag tot het oprichten van een syndicale afvaardiging ontvangen, in het kader van de toepassing van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 1997, gesloten binnen het P.C. nr.
  9. Op 4 en 5 september 2001 heeft de directie van de N.V. VERSATEL alle personeelsleden uitgenodigd de personeelsvergadering van 7 september 2001 bij te wonen, teneinde haar voornemen tot het overgaan tot een collectief ontslag mede te delen (stuk 1 van geïntimeerde). Op 7 september 2001 maakte geïntimeerde op een personeelsvergadering haar voornemen bekend over te gaan tot een reorganisatie en een mogelijk collectief ontslag in haar vestigingen te Antwerpen en te Wemmel stuk I.1 van appellanten, stukken 1 en 2 van geïntimeerde). Aan elk der personeelsleden werd een verslag overhandigd, in toepassing van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 van 2 oktober 1975 en van artikel 66 § 1,1° van de wet van 13 februari 1998, waarin wordt vermeld : - welke de redenen van de voorgenomen ontslagen zijn, - dat 100 werknemers deel kunnen uitmaken van de te ontslagen werknemers, verspreid over alle bestaande divisies, - welke het aantal en de categorieën werknemers zijn die gewoonlijk in dienst zijn van de onderneming, - de periode tijdens dewelke tot het ontslag zal worden overgegaan (periode van september 2001 tot december 2001), - dat de selectiecriteria voor de voor ontslag in aanmerking komende werknemers zullen worden besproken met de werknemer, - dat de eventuele ontslagvergoedingen zullen worden berekend overeenkomstig de bepalingen van het Belgisch arbeidsrecht. De toekenning van eventuele afvloeiingsuitkering die niet voortvloeit uit de wet of uit de toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst zal besproken worden met de werknemers. Op dezelfde dag werd een kopie van voornoemd verslag overgemaakt aan de Directeur van de sub-regionale Tewerkstellingsdienst van Antwerpen en Vilvoorde overeenkomstig artikel 6 van het K.B. van 24 mei 1976 overgemaakt, evenals aan de Heer Voorzitter van het P.C. nr.
  10. Een kopie van het verslag werd in de onderneming aangeplakt. Op de vergadering van 7 september 2001 werden twee nieuwe vergaderingen gepland : een eerste op 12 september en een tweede op 14 september
  11. Op 12 september zouden vragen en tegenvoorstellen van de werknemers worden gehoord. Op 14 september zou op deze vragen en voorstellen tot alternatieven antwoord worden verschaft. De aanwezigen (87,5 % van het personeel) op de vergadering van 7 september 2001 tekenden een register om hun aanwezigheid te bevestigen (stuk 5). Op de personeelsvergadering van 12 september 2001 was de Heer B. D., secretaris A.C.V.-L.B.C. aanwezig, evenals 80,1 % van het personeel. In het verslag van deze vergadering wordt gesteld : " P. S. verwelkomt tevens de Heer B. D. van L.B.C. Deze persoon vertegenwoordigt enkele personeelsleden van VERSATEL BELGIUM N.V. en heeft deze ochtend reeds een gesprek gehad met P. S. . P. S. vermeldt tevens dat het toelaten van de vakbond in deze eerste fase niet verplicht is, maar dat de directie instemt met zijn aanwezigheid ". Op deze vergadering werd het proces-verbaal van de vergadering van 7 september 2001 overhandigd. Door de werknemers werden vragen gesteld, die onmiddellijk door de directie worden beantwoord. Een lijst met 58 vragen werd aan de directie overhandigd (stuk I.1 van appellanten). Het proces-verbaal van deze vergadering maakt het stuk 7 uit van het bundel van geïntimeerde. Op de personeelsvergadering van 14 september 2001 waren Mevrouw M., secretaris B.B.T.K. en de Heer B. D., secretaris A.C.V.-L.B.C. aanwezig, evenals 76,4 % van het personeel. Op deze vergadering werd door de directie een antwoord verschaft op gestelde vragen. Uit het proces-verbaal van de vergadering van de personeelsleden dd. 14 september blijkt dat Mevrouw M. de toestemming heeft gevraagd aan de directie om overleg te plegen met het personeel om het bij te staan bij het sluiten van de eerste fase van de procedure. De Heer SANTIN (van VERSATEL) gaat niet op dit verzoek in, daar de vakbond niet uitgenodigd werd. Er blijkt tevens dat de Heer D. het antwoord van de directie m.b.t. het overleg met het personeel betreurde. Volgens hem was er niet op alle vragen ten volle geantwoord. De Heer SANTIN heeft vervolgens gesteld dat hij de aanwezigheid van de vakbond respecteert, doch dat hij de indruk heeft op alle vragen een antwoord te hebben gegeven. Hij vraagt of het personeel meent voldoende geïnformeerd te zijn geweest en akkoord gaat met de afsluiting van de eerste fase (van de procedure collectief ontslag) en over te gaan tot de volgende fase. De overgrote meerderheid van het personeel stemt hiermee in. Het personeel wordt uitgenodigd om fase 1 af te sluiten. De overgrote meerderheid van het personeel heeft voor akkoord getekend. De drie laatste appellanten, samen met enkele andere collega's, hebben dit geweigerd zoals blijkt uit stuk 11 van geïntimeerde. Op 17 september 2001 lieten L.B.C.-N.V.K. en B.B.T.K. aan VERSATEL BELGIUM N.V. een schrijven geworden waarin wordt gesteld m.b.t. de vergadering van 14 september 2001 dat de toelichting die aan de werknemers werd gegeven volgens hen totaal onvoldoende was, en dat zij betreuren dat het hen niet werd toegestaan aan de personeelsleden enige toelichting te geven over de te volgen procedure en hun individuele rechten in deze zaak. Er wordt tevens verzocht verder overleg te plegen waarbij als doel wordt gesteld enerzijds het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst die de minimale rechten van elke individu betrokken in de reorganisatie vastlegt, en anderzijds de organisatie van een collectief overleg in de toekomst via de installatie van een syndicale delegatie. Op 19 september 2001 heeft de N.V. VERSATEL BELGIUM haar voornemen tot het overgaan tot collectief ontslag aan de Heren Directeurs van de subregionale tewerkstellingsdiensten van Vilvoorde en Antwerpen bevestigd, met vermelding van de gegevens zoals voorgeschreven door artikel 7 van het K.B. van 24 mei 1976 en door artikel 5 van het K.B. van 30 maart 1998 (stuk 12 van VERSATEL). Kopie hiervan werd gestuurd naar de nationale en regionale syndicale organisaties (A.C.L.V.B., L.B.C.-N.V.K., B.B.T.K. (stuk I.7 van appellanten). Ook naar de voorzitter van het P.C. nr. 218 werd een kopie van deze brief verstuurd. Deze documenten werden aan het personeel overhandigd (stuk 14 VERSATEL). Op een vergadering van 20 september 2001 van de Raad van Bestuur van VERSATEL wordt beslist over te gaan tot het collectief ontslag van 75 personeelsleden. Vanaf 21 september 2001 wordt overgegaan tot individuele onderhandelingen met elk personeelslid betrokken bij het collectief ontslag. Er hadden nog drie vergaderingen plaats met de Heer D. en Mevrouw M. op 27 september, 2 oktober en 5 oktober
  12. Er werd onderhandeld over het eisenpakket van de vakbonden (stuk 15 van VERSATEL), die ernaar streefden een C.A.O. af te sluiten. De onderhandelingen sprongen af op de vergadering van 5 oktober 2001, waarbij de vakbondssecretarissen de vergadering verlieten. Omtrent de reden hiertoe lopen de meningen uiteen : volgens VERSATEL omdat de secretarissen geen bereidheid tot compromis toonden, en volgens de secretarissen omdat elk gesprek zinloos was omdat VERSATEL onder geen enkel beding bereid was om echt in onderhandeling te treden en zeker geen C.A.O. af te sluiten, en VERSATEL bovendien reeds volop dadingen had afgesloten. L.B.C.-N.V.K. en B.B.T.K. menen dat er nooit sprake is geweest van " onderhandelingen ", doch enkel van " informatieuitwisseling, wat door VERSATEL ten stelligste wordt tegengesproken : verweerster stelt dat zij op 5 oktober 2001 een aanvullend voorstel deed m.b.t. de uit te keren bedragen. Bij aangetekende brief dd. 5 oktober 2001 hebben L.B.C.-N.V.K. en B.B.T.K. in toepassing van artikel 67 van de wet van 13 februari 1998 de correcte naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure formeel betwist (stuk I.8 van appellanten). De vakbonden deelden ook hun bezwaren mede aan de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst van Vilvoorde. Op 10 oktober 2001 liet de Directeur van deze dienst in een aangetekende brief gericht aan de N.V. VERSATEL BELGIUM weten dat hij door de representatieve vakorganisaties werd ingelicht over de problematiek van de aan gang zijnde onderhandelingen aangaande het collectief ontslag. Hij stelt " teneinde toe te laten dat er grondige besprekingen en onderhandelingen i.v.m. dit ontslag kunnen worden gevoerd, heb ik in toepassing van artikel 10 van het K.B. van 24 mei 1976 beslist om de in artikel 9 van hetzelfde besluit bedoelde termijn van 30 dagen te verlengen tot 60 dagen. Deze periode van 60 dagen neemt een aanvang op 19 september 2001, datum van uw kennisgeving. Ik ben evenwel bereid de toegestane termijnverlenging in te trekken van zodra de partijen tot een akkoord zijn gekomen. Tenslotte vestig ik er uw aandacht op dat u tegen deze beslissing tot verlenging beroep kan instellen bij het Beheerscomité van de V.D.A.B. in toepassing van artikel 12 van het K.B. van 24 mei 1976 ". Op 8 oktober 2001 en 15 oktober 2001 werden nog personeelsvergaderingen gehouden met de werknemers die bij het collectief ontslag waren betrokken. Op 17 en 18 oktober 2001 werden door de drie laatste appellanten en geïntimeerde dadingen ondertekend. Op 19 oktober 2001 werden de meeste werknemers die onder het collectief ontslag vielen, waaronder ook de 3 laatste appellanten ontslagen. De vakbonden hebben klacht neergelegd bij het Arbeidsauditoraat wegens het niet-naleven van de wet-Renault. Deze zaak werd op 24 september 2002 zonder gevolg gerangschikt. Op 24 oktober 2001 tekende VERSATEL beroep aan tegen de beslissing van de Directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst van Vilvoorde (V.D.A.B.), bij de Administrateur-Generaal van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, Beheerscomité (stuk 23 van VERSATEL), en waarbij wordt verzocht de beslissing van 10 oktober 2001 ongedaan te maken. Bij aangetekend schrijven van 7 en 14 november 2001 hebben de 3 laatste appellanten naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure betwist en hun reïntegratie aangevraagd (stukken II.5, III.5, IV.5 van appellanten). Op 8 november 2001 werd door de V.D.A.B. aan VERSATEL medegedeeld dat het in de schoot van het Beheerscomité tot een staking van stemmen was gekomen : de werknemers-vertegenwoordigers volgen het advies van de dienst, de werkgeversvertegenwoordigers stemmen tegen het advies van de dienst. Zodoende blijft de beslissing van de directeur dd. 10 oktober 2001 gelden. Een tweede vergadering van het Beheerscomité op 21 november 2001 leverde hetzelfde resultaat op (stuk 29 van VERSATEL). Op 8 november 2001 verzoekt VERSATEL de Directeur van de subregionale Tewerkstellingsdienst van Vilvoorde om zijn beslissing van 10 oktober 2001 te willen intrekken. Deze brief werd klaarblijkelijk niet beantwoord. Op 10 december 2001 werd de reïntegratie van de drie laatste appellanten geweigerd (stukken II,6, III,6, IV,6 van appellanten). VERSATEL meende dat de informatie- en raadplegingsprocedure correct was verlopen. Na afloop van de procedure van het collectief ontslag werd op 20 december 2001 een aanvraag ingediend tot oprichting van een syndicale afvaardiging binnen de onderneming. Inmiddels is dit gebeurd. Op 16 oktober 2002 werd door appellanten tot dagvaarding van VERSATEL overgegaan. Hun eis, zoals uitgebreid in besluiten, strekt ertoe : - te horen zeggen voor recht dat VERSATEL de bepalingen van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 dd. 2 oktober 1975 evenals de bepalingen van artikel 66 en volgende van de wet van 13 februari 1998 niet nageleefd heeft en dat de ontslagen van Mevrouw D. V. A. , Mevrouw M.-L. V. en van de Heer J. B. nietig zijn. VERSATEL te horen veroordelen om bij toepassing van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 en haar diverse uitvoeringsbesluiten onverwijld daadwerkelijk raadplegingen te starten omtrent de vooruitzichten inzake tewerkstelling van het personeel, de organisatie van het werk en het tewerkstellingsbeleid in het algemeen, hiertoe de nodige inlichtingen te verstrekken, om de personeelsleden en/of hun vertegenwoordigers toe te laten, hun advies en suggesties of bezwaren te formuleren, met het oog op de mogelijkheden om een collectief ontslag te voorkomen of te verminderen, alsook op de mogelijkheid de eventuele gevolgen ervan te verzachten door het nemen van sociale begeleidingsmaatregelen. - VERSATEL te horen veroordelen tot betaling van volgende bedragen : 1) 12.500 euro aan Mevrouw D. V. A. , Mevrouw M.-L. V. en aan de Heer J. B. , elk ten titel van morele schadevergoeding ingevolge het niet respecteren van de bepalingen van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 dd 2 oktober 1975; 2) 0,02 euro provisioneel ten titel van lopend loon gedurende de periode van 19 oktober 2001 en die zal eindigen 60 dagen na de (hernieuwde) mededeling aan de subregionale tewerkstellingsdienst zoals bedoeld in artikel 66 § 2 tweede lid van de wet van 13 februari 1998 (artikel 69 § 3 van de wet van 13 februari 1998). In ondergeschikte orde, VERSATEL te horen veroordelen tot betaling van het loon voor de periode van 19 oktober 2001 tot 19 november 2001 (artikels 9 en 10 van het K.B. van 24 mei 1976), hetzij : - voor Mevrouw D. V. A. : 1.780,40 euro - voor Mevrouw M.-L. V. : 2.152,97 euro - voor de Heer J. B. : 3.183,47 euro De vordering strekt er tevens toe VERSATEL te horen veroordelen tot het betalen van de wettelijke en de gerechtelijke intresten en van de kosten, de rechtsplegingsvergoeding inbegrepen. VERSATEL stelt een tegeneis in bij besluiten die ertoe strekt : In hoofdorde : Appellanten solidair te veroordelen, de één bij gebreke van de andere, tot betaling van het bedrag van 50.000 euro ten titel van morele schadevergoeding die door hun handelingen werd veroorzaakt, alsook wegens schadevergoeding wegens het instellen van onderhavig tergend en roekeloos geding. In ondergeschikte orde : -Indien de Arbeidsrechtbank zou oordelen dat de vorderingen van appellanten ontvankelijk en gegrond zijn, waarbij zij bovendien zou oordelen dat de dadingsovereenkomsten gesloten tussen partijen nietig zijn - quod non -, de drie laatste appellanten (zijnde de vroegere werknemers van geïntimeerde) te horen veroordelen tot het terugbetalen van de ontvangen bedragen in het kader van hun ontslag, verhoogd met de wettelijke en gerechtelijke intresten sedert de datum van betaling van deze bedragen en hierbij VERSATEL het recht toe te kennen aanvullend te besluiten met betrekking tot de hoegrootheid van deze bedragen, -Indien de Arbeidsrechtbank zou oordelen dat de vorderingen van appellanten ontvankelijk en gegrond zijn, en VERSATEL bijgevolg vergoedingen aan appellanten verschuldigd zou zijn - quod non -, dient te worden geoordeeld dat deze vergoedingen niet voor de periode tussen 19 oktober 2001 en 16 oktober 2002 kunnen verschuldigd zijn, wegens nalatigheid en fout in hoofde van appellanten. II. HET VONNIS A QUO. Verklaart de hoofdvordering niet ontvankelijk wat betreft de betwisting van de informatie- en raadplegingsprocedure wegens de niet-naleving van de 4 voorwaarden van artikel 66 § 2 tweede lid van de wet van 13 februari 1998, doch wel ontvankelijk wat het overige gedeelte van de vordering betreft. Verklaart de dadingen die werden afgesloten op 17 en 18 oktober 2001 tussen de N.V. VERSATEL BELGIUM en respectievelijk Mevrouw D. V. A. , Mevrouw M.-L. V. en de Heer J. B. nietig. Alvorens recht te doen ten gronde nopens de becijfering van de hoofdeis, en alvorens recht te doen m.b.t. de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de tegeneis, Heropent de debatten, teneinde partijen toe te laten de zaak verder in staat te stellen en de vorderingen te preciseren in het licht van de principes waarover in huidig vonnis werd beslist. Verzendt de zaak naar de rol, vanwaar zij door de meest gerede partij kan worden opgeroepen. Houdt de kosten aan. III. DE BEROEPSGRIEVEN. A. Het hoofdberoep. Appellanten verzoeken ons Hof het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende hun oorspronkelijke vorderingen ontvankelijk en gegrond te verklaren. Te zeggen voor recht dat geïntimeerde de bepalingen van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 dd. 2 oktober 1975 evenals de bepalingen 66 e.v. van de wet van 13 februari 1998 niet nageleefd heeft en dat de ontslagen van Mevrouw D. V. A. , Mevrouw M.-L. V. en van de Heer J. B. nietig zijn. Geïntimeerde te veroordelen om bij toepassing van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 en haar diverse uitvoeringsbesluiten onverwijld daadwerkelijk raadplegingen te starten omtrent de vooruitzichten inzake tewerkstelling van het personeel, de organisatie van het werk en het tewerkstellingsbeleid in het algemeen, hiertoe de nodige inlichtingen te verstrekken, om de personeelsleden en/of hun vertegenwoordigers toe te laten, hun advies en suggesties of bezwaren te formuleren, met het oog op de mogelijkheden om een collectief ontslag te voorkomen of te verhinderen, alsook op de mogelijkheid de eventuele gevolgen ervan te verzachten door het nemen van sociale begeleidingsmaatregelen. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de volgende bedragen : - 12.500 euro aan Mevrouw D. V. A. , Mevrouw M.-L. V. en aan de Heer J. B. , elk ten titel van morele schadevergoeding ingevolge het niet respecteren van de bepalingen van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 dd. 2 oktober 1975; - 0,02 euro provisioneel ten titel van lopend loon gedurende de periode van 19 oktober 2001 en die zal eindigen 60 dagen na de (hernieuwde) mededeling aan de subregionale tewerkstellingsdienst zoals bedoeld in artikel 66 § 2 tweede lid van de wet van 13 februari 1998 (artikel 69 § 3 van de wet van 13 februari 1998). In ondergeschikte orde geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van het loon voor de periode van 19 oktober 2001 tot 19 november 2001 (artikel 9 en 10 van het K.B. van 24 mei 1976), hetzij : - voor Mevrouw D. V. A. : 1.780,40 euro ; - voor Mevrouw M.-L. V. : 2.152,97 euro - voor de Heer J. B. : 3.183,47 euro Tenslotte geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de wettelijke en de gerechtelijke intresten en van de kosten van beide instanties. Het hoger beroep van appellanten is gericht tegen de niet-ontvankelijkheid van de hoofdvordering wat betreft de betwisting van de informatie- en raadplegingsprocedure wegens de niet-naleving van de 4 voorwaarden van artikel 66 § 2 tweede lid van de wet van 13 februari 1998 in hoofde van de drie laatste appellanten en de niet-toepasselijkheid van de sancties van de wet dd. 13 februari 1998 in hoofde van alle appellanten. Zich steunend op het advies nr. 1.183 dd. 30 mei 1997 van de N.A.R. is de Eerste Rechter volgens appellanten ten onrechte van oordeel dat het bezwaar bedoeld in artikel 67 lid 2 van de wet dd. 13 februari 1998 een collectief bezwaar moet zijn, uitgaande van het geheel van de werknemers. Omdat van de 16 personeelsleden die weigerden een verklaring te ondertekenen, waarin gesteld werd dat zij voldoende geïnformeerd werden en zij akkoord waren omtrent de informatie-en raadplegingsprocedure, er slechts 3 nadien bezwaar uitten, achtte de Eerste Rechter dat het bezwaar dat door de vakbondssecretarissen op 5 oktober 2001 werd geuit, niet uitging van het geheel van het personeel. De Eerste Rechter oordeelde dat er in die omstandigheden geen sprake is van een collectieve betwisting en verklaarde de vordering van de 3 laatste verzoekers onontvankelijk wat betreft de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure. Hoewel de Eerste Rechter de principiële mogelijkheid van protest door de vakbond aanvaardt, is hij van mening dat in casu het protest niet rechtsgeldig geschied zou zijn. Volgens de Eerste Rechter zou het bezwaar een collectief karakter moeten hebben. Dit betekent, althans volgens de rechtbank, dat " het geheel van de werknemersvertegenwoordigers of, bij ontstentenis ervan, het geheel van de werknemers vooraf de procedure van collectief ontslag moet hebben betwist ". De rechtbank verwijst ter staving van deze stelling naar een standpunt ingenomen door de Nationale Arbeidsraad. Het is zo dat de Renaultwet grotendeels is gebaseerd op ideeën ontwikkeld in de N.A.R. (zie advies nr. 1.183 van 30 mei '97 en Parl. St. Kamer, 1997-1998, 1269/4, p. 14). Dit betekent volgens appellanten echter niet dat de N.A.R. hierdoor meteen ook even een authentieke interpretatie van de wet kan geven in een advies dat dateert van enkele jaren na de Renault-wet. Hierdoor blijft de wetgever en enkel hij bevoegd. De Renault-wet is trouwens ook van toepassing op ondernemingen waarvoor de N.A.R. absoluut niet bevoegd is. Verschillende vooraanstaande auteurs hebben er volgens appellanten de voorbije jaren op gewezen dat een collectief protest niet noodzakelijk door alle werknemersvertegenwoordigers, noch door alle werknemers moet worden ingediend om rechtsgeldig te zijn. Zelfs een individueel protest zou volstaan (RIGAUX, M., " Het recht op informatie en raadpleging van de werknemers (vertegenwoordigers) in het raam van de procedure collectief ontslag als element van het individueel ontslagrecht ", in MARIGAUX (ed.), De nieuwe procedure collectief ontslag. Naar een efficiëntere bescherming van het recht op informatie en raadpleging, Intersentia rechtswetenschappen, ANTWERPEN, 1998, 43; VAN HOOGENBEMT, H., " De sancties wegens niet-naleving van de informatie- en consultatieplicht inzake collectief ontslag ", in : M. RIGAUX (ed.), De nieuwe procedure collectief ontslag. Naar een efficiëntere bescherming van het recht op informatie en raadpleging, o.c. p. 98, CLAES D. en VAN WASSENHOVE, S. " Les licenciements collectifs : de la problématique de leur mise en oeuvre au regard de l'ancienne et de la nouvelle réglémentation « , J.T.T. 1998, 302 ; CLAEYS, T. en LENAERTS, H.F., Or., 1998, 158 en Or., 1999,6). Appellanten stellen dat de vereiste dat een rechtsgeldig protest enkel mogelijk is mits de medewerking van alle werknemers (vertegenwoordigers), in praktijk elke werknemer (vertegenwoordiger) in de onmogelijkheid plaatst om zowel de collectieve als de individuele betwisting van de naleving van de informatie- en overlegprocedure af te blokken. In de wetenschap dat de Renault-wet juist tot doel had de afdwingbaarheid van de informatie- en overlegprocedure via deze weg te garanderen, zou een dergelijke beperkte invulling van de notie ‘ collectief protest ‘ deze afdwingbaarheid terug op de helling zetten. Hiermee zou België in conflict komen met de Europese Richtlijn 98/59/EG van 20 juli
  13. C.A.O. nr. 24 en de hierin opgenomen informatie- en overlegprocedure zijn een omzetting van de richtlijn. Nu de Europese lidstaten zich verbonden hebben tot het reëel afdwingbaar maken van deze voorschriften (artikel 6 Richtlijn), zal een richtlijnconforme interpretatie dus maken dat een collectief protest nooit mag worden uitgelegd als een protest van iedereen (Parl. St. Kamer, 1997-1998, nr. 1270/1, p. 18). Gelet op wat voorafgaat kan men volgens appellanten niet anders dan tot de conclusie komen dat zelfs het bezwaar van één enkele vakbondsverantwoordelijke volstaat voor een rechtsgeldig collectief bezwaar tegen de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure. Er bestaat dan ook geen probleem om het sanctiemechanisme van de Renaultwet in werking te doen treden. B. Het incidenteel hoger beroep. VERSATEL verzoekt ons Hof bij wege van incidenteel hoger beroep het eerste vonnis teniet te doen en opnieuw rechtdoende,
  14. In hoofdorde : - Te zeggen voor recht dat de gedinginleidende dagvaarding, betekend op 16 oktober 2002, nietig is; - Indien het Hof zou oordelen dat de gedinginleidende dagvaarding niet nietig is - quod non -, de vorderingen van appellanten onontvankelijk te verklaren, zoniet minstens onontvankelijk te verklaren in hoofde van de drie eerste appellanten (zijnde de drie vakbonden) met betrekking tot de vorderingen op grond van de C.A.O. nr. 24 van 2 oktober 1975 en op grond van de ‘ Renault-wet ‘; en minstens onontvankelijk te verklaren in hoofde van de drie laatste appellanten (zijnde de vroegere werknemers van VERSATEL) met betrekking tot de vordering op grond van de ‘ Renault-wet ‘; - Te zeggen voor recht dat de " uitbreiding van vordering " een nieuwe vordering is die niet kadert binnen artikel 807 Gerechtelijk Wetboek; bijgevolg deze vordering onontvankelijk te verklaren;
  15. In ondergeschikte orde : - Indien het Hof zou oordelen de vorderingen van appellanten geheel of gedeeltelijk ontvankelijk te moeten verklaren - quod non -, de vorderingen alsook de uitbreiding van vorderingen ongegrond te verklaren, zowel in hoofdorde als in ondergeschikte orde;
  16. In meest ondergeschikte orde : - Indien het Hof zou oordelen dat de vorderingen van appellanten (gedeeltelijk) ontvankelijk en/of (gedeeltelijk) gegrond zouden zijn - quod non -, volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof :
  17. " Schenden de artikels 67 tot en met 69 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, de artikels 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk en samengelezen met artikel 23 van de Grondwet, in de mate die artikelen 67 tot en met 69 ondernemingen die meer dan 20 werknemers tewerkstellen in de loop van het kalenderjaar dat het collectief ontslag voorafgaat onderwerpen aan buitensporige financiële sancties, terwijl ondernemingen die minder dan 20 werknemers tewerkstellen niet aan gelijkaardige maatregelen zijn onderworpen, hetgeen bovendien het recht op het garanderen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil in het gedrang brengt " ?
  18. " Schendt de verplichting tot het opnieuw opstarten van de procedure tot voornemen van collectief ontslag, zoals impliciet opgenomen in artikel 69, § 3, van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, de artikels 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk en samengelezen met artikel 23 van de Grondwet, in de mate dat dit artikel 69, § 3,enerzijds, de werkgever die meer dan 20 werknemers tewerkstelt in de loop van het kalenderjaar dat het collectief ontslag voorafgaat verplicht om, na het voeren van de procedure ten gronde met betrekking tot het al dan niet respecteren van de bepalingen van artikel 66 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling tijdens dewelke volledige rechtsonzekerheid blijft bestaan, een nieuwe procedure op te starten tot voornemen van collectief ontslag, zelfs indien hij in de materiële onmogelijkheid verkeert dit te doen gelet op het feit dat de werknemers, in het kader van de procedure van het collectief ontslag, reeds werden ontslagen, en anderzijds, geen gelijkaardige verplichting oplegt aan andere werkgevers " ? - Appellanten te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding; De tegenvordering. a. In hoofdorde : - De tegenvordering ingesteld door VERSATEL ontvankelijk en gegrond te verklaren; Bijgevolg, appellanten solidair te veroordelen, de één bij gebreke van de andere, tot betaling van het bedrag van 50.000 euro ten titel van morele schadevergoeding die door de handelingen van appellanten werd veroorzaakt alsook als schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding; b. In ondergeschikte orde : - Indien het Hof zou oordelen dat de vorderingen van appellanten ontvankelijk en gegrond zijn, waarbij het Hof bovendien zou oordelen dat de dadingsovereenkomsten gesloten tussen partijen nietig zijn - quod non -, de drie laatste appellanten (zijnde de vroegere werknemers van VERSATEL) te horen veroordelen tot het terugbetalen van de ontvangen bedragen in het kader van hun ontslag, verhoogd met de wettelijke en gerechtelijke intresten sedert de datum van betaling van deze bedragen en hierbij VERSATEL het recht toe te kennen aanvullend te besluiten met betrekking tot de hoegrootheid van deze bedragen; - Indien het Hof zou oordelen dat de vorderingen van appellanten ontvankelijk en gegrond zijn en VERSATEL bijgevolg vergoedingen aan appellanten verschuldigd zou zijn - quod non -, dient te worden geoordeeld dat deze vergoedingen niet voor de periode tussen 19 oktober 2001 en 16 oktober 2002 kunnen verschuldigd zijn, wegens nalatigheid en fout in hoofde van appellanten. IV. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen, wat overigens niet wordt betwist.
  19. Over de exceptie van onontvankelijkheid van de vordering van eerste 3 appellanten. De vorderingen van alle appellanten (zie hoger) zijn gesteund op de artikelen 66 van de Renault-wet van 13 februari 1998 en 6 van de C.A.O. nr. 24 van 2 oktober
  20. VERSATEL stelt dat de eerste drie appellanten geen persoonlijk belang hebben bij de vordering (artikel 17 Gerechtelijk Wetboek), verder dat hun vordering op grond van de ‘ Renault-wet ‘ geen geschil is dat uit de toepassing van de wet van 5 december 1968 voortvloeit, met andere woorden, de ‘ Renault-wet ‘ is geen collectieve arbeidsovereenkomst. Bijgevolg kunnen de drie eerste appellanten (zijnde de drie vakbonden) zich volgens VERSATEL niet beroepen op artikel 4 van de wet van 5 december 1968 teneinde voor te houden dat de vordering in hun hoofde ontvankelijk zou zijn. Artikel 66 § 1, eerste lid van de Renault-wet van 13 februari 1998 stelt nochtans : " De werkgever die wil overgaan tot een collectief ontslag, dient de informatie- en raadplegingsprocedure inzake collectief ontslag, zoals voorgeschreven door een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, na te leven ..." Uit deze uitdrukkelijke bewoordingen blijkt dat de Renault-wet de naleving van de algemeen verbindend verklaarde C.A.O. nr. 24 in haar tekst artikel 6 heeft GEINTEGREERD. VERSATELS argument en redenering i.v.m. de voorrang van de wet van 13 februari 1998 op de C.A.O. nr. 24 in de hiërarchie van de normen (artikel 51 C.A.O.-wet) is terzake derhalve niet dienend, vermits in casu artikel 66 van de " Renault-wet " de C.A.O. nr. 24 in haar tekst heeft opgenomen en deze C.A.O. dusdoende op het niveau van de norm van de wet zelf heeft gebracht. De C.A.O. nr. 24 is niet alleen onverkort blijven bestaan en heeft nog steeds zijn volle uitwerking ná het in werking treden van de wet van 13 februari 1998 en is bovendien in de Renault-wet geïntegreerd, zodat de eerste drie appellanten wel degelijk bevoegd zijn en belang hebben om in rechte op te treden overeenkomstig artikel 4 van de C.A.O.-wet van 5 december
  21. De eerste rechter benadrukte reeds en terecht : " Bovendien betreft één van de geschilpunten juist de vraag of de vakbonden dienden te worden betrokken bij de eerste fase van de procedure van collectief ontslag. De vakorganisaties verdedigen bijgevolg in deze zaak niet enkel een collectief belang, maar zij hebben ook een persoonlijk belang ". " Terzake beweren beide eerste drie appellanten dat de verplichte overlegbepalingen niet werden nageleefd en hun tussenkomst strekt er dan ook toe de uitvoering van de aangehaalde bepalingen van de C.A.O. nr. 24 te vorderen of, in andere woorden gezegd, zij staan erop dat de inhoud van de C.A.O. nr. 24 integraal te goeder trouw wordt uitgevoerd. Alzo tonen zij het belang aan dat zij bij huidig geschil hebben " (in dezelfde zin, Arbeidshof Brussel, 16 mei 1997, S.R.K. 1997, 325).
  22. Over de exceptie van nietigheid van de dagvaarding wegens gebrek aan samenhang. Artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek stelt : " Verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen kunnen, indien zij samenhangend zijn, bij eenzelfde akte worden ingesteld ". Overeenkomstig artikel 30 Gerechtelijk Wetboek kunnen rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. In casu zijn de vorderingen van appellante partijen gesteund op dezelfde wetsbepalingen en op dezelfde feiten, hebben zij hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak en zijn ze onderling zo nauw verbonden, dat zij als samenhangend dienen behandeld te worden. Theoretisch bestaat er immers de mogelijkheid dat, indien de vorderingen door diverse kamers van een arbeidsgerecht zouden behandeld worden, de ene kamer stelt dat de bepalingen van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 dd. 2 oktober 1975 evenals de bepalingen van artikel 66 e.v. van de wet van 13 februari 1998 door geïntimeerde niet werden nageleefd terwijl een andere kamer van de arbeidsrechtbank zou kunnen stellen dat deze bepalingen door geïntimeerde wel werden nageleefd.
  23. De exceptie van onontvankelijkheid van de vorderingen van alle appellanten op grond van artikel 66 Renault-wet wegens laattijdigheid (artikel 67 Renault-wet). VERSATEL meent dat de vorderingen van de drie laatste appellanten onontvankelijk zijn daar zij de termijn voor het betwisten van de procedure op grond van de Renault-wet (wet van 13 februari 1998 voornoemd) niet hebben gerespecteerd. VERSATEL stelt dat op grond van artikel 67 van deze wet de drie laatste appellanten hun bezwaren hadden moeten kenbaar maken ten laatste op 19 oktober 2001, terwijl zij dit pas deden op 7 en 14 november
  24. Appellanten roepen in dat op 5 oktober 2001 reeds door de Heer B. D., secretaris A.C.V.-L.B.C., en door Mevrouw B. M. , secretaris B.B.T.K., bezwaren werden bekendgemaakt aan de werkgever. VERSATEL meent dat deze personen niet de bevoegdheid hadden om dergelijk bezwaar in te dienen omdat artikel 67 van de wet van 13 februari 1998 stelt dat dergelijk bezwaar slechts aan de werkgever kan worden bekendgemaakt door ofwel de leden van de ondernemingsraad, ofwel bij ontstentenis ervan, de leden van de vakbondsafvaardiging, ofwel bij ontstentenis ervan, de werknemers zelf die dienden geïnformeerd en geraadpleegd te worden. Het Hof stelt met de eerste rechter vast dat overeenkomstig artikel 67 van de wet van 13 februari 1998 de ontslagen werknemer de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure kan betwisten op grond dat de werkgever de voorwaarden, bedoeld in artikel 66, § 1, tweede lid niet heeft nageleefd. Het protest van de werknemer na zijn ontslag is volgens dit artikel slechts mogelijk indien de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, de leden van de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, de werknemers welke dienden geïnformeerd en geraadpleegd te worden, aan de werkgever geen bezwaren hebben bekendgemaakt betreffende de naleving van één of meer van de voorwaarden, bedoeld in artikel 66, § 1, tweede lid, binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van de aanplakking bedoeld in artikel 66, § 2, tweede lid. Overeenkomstig artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 dd. 2 oktober 1975 betreffende de procedure van inlichting en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers met betrekking tot het collectief ontslag, is de werkgever, wanneer hij voornemens is tot collectief ontslag over te gaan, ertoe gehouden vooraf de werknemersvertegenwoordigers in te lichten en hen daarover te raadplegen; deze inlichting en raadpleging gebeurt in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis daarvan, met de vakbondsafvaardiging, overeenkomstig de artikelen 3, 5, 6, 7, 11 en 12 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 maart 1972 houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden. Bij ontstentenis van ondernemingsraad en van vakbondsafvaardiging hebben de inlichting en raadpleging plaats met het personeel of met de vertegenwoordigers ervan. Artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 voorziet bijgevolg ook " inlichting en raadpleging " met het personeel of met de vertegenwoordigers ervan, indien er - zoals het in deze zaak het geval is - geen ondernemingsraad noch vakbondsafvaardiging binnen de onderneming bestaat. Artikel 1, 4° van het K.B. van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag preciseert wat voor de toepassing van dit K.B. onder " werknemersvertegenwoordigers " moet worden verstaan als : " de afgevaardigden van het personeel bij de ondernemingsraad of bij ontstentenis daarvan, de vakbondsafvaardiging van het personeel der onderneming of, bij ontstentenis daarvan, de vakorganisaties die in het bevoegde paritair comité zijn vertegenwoordigd ". Artikel 67 van de wet van 13 februari 1998 voorziet dergelijke vertegenwoordiging van het personeel niet uitdrukkelijk en spreekt enkel van de leden van de ondernemingsraad, ofwel bij ontstentenis ervan, de leden van de vakbondsafvaardiging, ofwel bij ontstentenis ervan, de werknemers zelf. De C.A.O. nr. 24 is echter onverkort blijven bestaan en heeft nog zijn volle uitwerking na het in werking treden van de wet van 13 februari
  25. Dit blijkt uit artikel 66 § 1, eerste lid van de wet van 13 februari 1998, zoals hoger reeds uitvoerig is uiteengezet. Het Hof beaamt de eerste rechter waar deze stelt dat de wet van 13 februari 1998 terzake niet primeert op de C.A.O. nr.
  26. Artikel 51 van de C.A.O.-wet dat de hiërarchie van de bronnen in de arbeidsverhoudingen regelt, bepaalt dat de norm van de lagere orde moet ter zijde geschoven worden wanneer twee normen met hetzelfde voorwerp onderling onverenigbaar zijn (Cassatie, 5 juni 2000, J.T.T. 2000, 420). In onderhavige zaak dient te worden besloten dat artikel 67 van de Renault-wet primo niet onverenigbaar is met artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 daar artikel 67 de vertegenwoordiging van de werknemers door hun vakorganisatie niet verbiedt, secundo dat artikel 67 geen hogere rechtsnorm is dan artikel 6 van de C.A.O. nr. 24, dat werd geïntegreerd in artikel 66 van de Renault-wet en dusdoende door de wetgever op dezelfde normhoogte wordt geplaatst als deze wet zelf. Het Arbeidshof te Luik erkende in zijn arrest dd. 23 oktober 2000 expliciet dat de vakverenigingen (in casu vertegenwoordigd door hun secretarissen) door de wet bekleed zijn met een autonome bevoegdheid in rechte op te treden zonder te moeten verwijzen naar één of ander mandaat dat hun door de werknemer zou zijn verleend (Arbeidshof Luik, 9de kamer, 23 oktober 2000, S.R.K. 2001, 72). A forfiori kunnen zij optreden in de pre-processuele fase (informatie, raadpleging en bezwaar). Het Hof beaamt de eerste rechter waar deze stelt dat het schrijven van 5 oktober 2001 een geldig protest uitmaakt van de vakbonden, erkend als representatieve werknemersorganisatie en gebruik makend van hun vertegenwoordigingsrecht. Als rechtsgeldige vertegenwoordigers van het personeel kunnen de vakbonden optreden in ondernemingen zonder vakbondsvertegenwoordiging. De Heer D. en Mevrouw M. kunnen als vertegenwoordigers van het personeel worden beschouwd in de zin van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24, in hun hoedanigheid van respectievelijk secretaris A.C.V.-L.B.C. en van secretaris B.B.T.K. Het Hof deelt de mening van de eerste rechter waar deze stelt dat uit het advies nr. 1301 van de Nationale Arbeidsraad echter blijkt dat het bezwaar bedoeld in artikel 67, lid 2 voornoemd een collectief bezwaar moest zijn. De Raad zegt in dit advies : " De Raad constateert dat volgens sommige auteurs uit de rechtsleer die wettekst zo kan worden geïnterpreteerd dat voornoemd bezwaar eventueel ook rechtsgeldig kan zijn, wanneer het slechts zou uitgaan van één lid van de werknemersafvaardiging in de ondernemingsraad of van één lid van de vakbondsafvaardiging of zelfs van één werknemer. De Raad is het erover eens dat die interpretatie niet beantwoordt aan de besprekingen die geleid hebben tot het voornoemd advies nr. 1.183 waaraan de nieuwe wettelijke bepalingen betreffende het collectief ontslag uitvoering hebben gegeven. Uit die besprekingen blijkt dat de Raad de naleving van het collectieve feit in de ontslagprocedures voor ogen heeft gehad daar het de bedoeling was te komen tot een echt overleg betreffende het collectief ontslag. ... De problematiek is eerst collectief en pas daarna individueel. De Raad vindt het dan ook gerechtvaardigd dat het individuele recht van de werknemer om de naleving van de informatie- en raadsplegingsprocedure te betwisten, wordt beperkt voor zover het overleg, zoals hierboven is vermeld, heeft plaatsgehad. Het is inderdaad de bedoeling dat het individueel recht van de werknemers slechts ontstaat voor zover uit de collectieve raadpleging blijkt dat de informatie- en consultatieprocedure niet werd nageleefd. De Raad is van oordeel dat de betwisting door de werknemer alleen ontvankelijk is als het geheel van de werknemersvertegenwoordigers of, bij ontstentenis ervan, het geheel van de werknemers vooraf de procedure van collectief ontslag hebben betwist. ...". Vermits de Nationale Arbeidsraad ook het advies nr. 1.183 van 30 mei 1997 heeft gegeven, waaraan hoofdstuk VII van de wet van 13 februari 1998 voornoemd beoogt een uitvoering te geven, is de Nationale Arbeidsraad ook best geplaatst om de wet te interpreteren en de bedoeling van de wet weer te geven. Het unaniem advies nr. 1.183 werd trouwens door de wetgever gevolgd, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de wet van 13 februari 1998 (Parl. Stukken, Kamer 1997-1998, 1270/1, p. 18 en 19). Appellanten stellen in hun beroepsakte, onder verwijzing naar de Europese Richtlijn 98/59/EG van 20 juli 1998 dat " een richtlijnconforme interpretatie dus zal maken dat een collectief protest nooit mag worden uitgelegd als een protest van iedereen " en verwijst hiervoor naar de Parlementaire Stukken van de Kamer (1997-1998, nr. 1270/1, p. 18). Evenwel wordt deze stelling van appellanten geenszins in dit document weergegeven. Integendeel wordt op de voormelde p. 18 voornamelijk de klemtoon gelegd op het collectieve karakter van de informatie en consultatie. Immers in de aanhef van het Hoofdstuk VII wordt gesteld : " De bepalingen van dit hoofdstuk hebben tot doel de effectiviteit te verbeteren van de bepalingen die het recht op informatie en raadpleging van de werknemers en van hun vertegenwoordigers waarborgen in geval van collectief ontslag en sluiting ". Beide begrippen worden in het meervoud gezet. Verder in de tekst wordt steeds het meervoud van deze begrippen gebruikt. Verder stelt de Memorie van Toelichting bij de wet (p. 22): " Om de werkgevers te beschermen die, ter goeder trouw, het geheel van de procedure hebben nageleefd, wordt er bepaald dat de naleving is gebeurd wanneer geen enkel bezwaar werd ingediend binnen de 30 dagen die volgen op de aanplakking ". Als er binnen de dertig dagen na de aanplakking bedoeld in artikel 66 § 2, 2de lid geen collectieve betwisting is gebeurd, dan is de individuele betwisting niet meer mogelijk. Wanneer noch de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad, of bij ontstentenis, de leden van de vakbondsafvaardiging, of bij ontstentenis, de werknemers die dienden geïnformeerd en geraadpleegd te worden, de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure hebben betwist, wordt die procedure als geldig beschouwd, ten opzichte van alle werknemers van de onderneming en bijgevolg ook ten aanzien van de rechter bij wie een individuele betwisting zou worden aanhangig gemaakt. Artikel 67, 2de lid voert een onweerlegbaar vermoeden in dat de informatie- en raadplegingsprocedure geacht wordt te zijn nageleefd als er binnen de termijn die wordt opgelegd door artikel 67, 2de lid, geen collectieve betwisting is gebeurd (Claeys T. en Lenaerts H.-F., De nieuwe bepalingen over collectief ontslag. Oriëntatie 1999, 5 e.v.). Dit werd eveneens benadrukt in een arrest van het Arbeidshof te Luik van 2 oktober 2002 (S.R.K. 2003, 81). Het Hof besliste dat de bepaling van artikel 67, 2de lid van de wet van 13 februari 1998 in die zin moet worden begrepen dat de afwezigheid van bezwaren vanwege de werknemersvertegenwoordigers, het bezwaar van de individuele werknemer in de weg staat. Deze bepaling die de voorrang van het collectieve boven het individuele bevestigt, goedgekeurd door de Nationale Arbeidsraad in zijn advies nr. 1301 van 2 februari 2000, impliceert dat de bezwaren van de vertegenwoordigers van het personeel een essentiële voorwaarde vormen voor het recht van de werknemers om individueel op te treden. De eerste rechter heeft volgens het Hof terecht geoordeeld dat het bezwaar bedoeld bij artikel 67, 2de lid, van de wet van 13 februari 1998, een collectief bezwaar moet zijn, uitgaande van het geheel of minstens het merendeel van de werknemers. Indien er geen dergelijk collectief bezwaar bestaat, is de betwisting van de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure door de individuele werknemers na hun ontslag niet meer ontvankelijk. Het Hof stelt vast dat het bezwaar dat door de vakbondssecretarissen op 5 oktober 2001 werd geuit niet uitging van het geheel of het merendeel van het personeel. Er blijkt uit geen enkel element dat beide vakbondssecretarissen méér werknemers vertegenwoordigden dan de drie appellanten; het overgrote deel van de aanwezige werknemers op de vergadering van 14 september 2001

(164)verklaarden voldoende geïnformeerd te zijn en akkoord te zijn omtrent de informatie- en raadplegingsprocedure zoals omschreven in de wet van 13 februari 1998 (zie stuk 11 van VERSATEL). Van de 16 personeelsleden die weigerden dergelijke verklaring te tekenen, hebben er slechts 3 (huidige appellanten) nadien bezwaar geuit. Appellanten beweren doch bewijzen niet dat de werkgever dwang of moreel geweld zou hebben gebruikt jegens zijn werknemers. Uit wat voorafgaat blijkt dat het antwoord op de twee door VERSATEL voorgestelde prejudiciële vragen niet onontbeerlijk noch nuttig is voor de oplossing van onderhavig geschil. Deze vragen werden overigens slechts gesteld in de hypothese dat het Hof de vorderingen van appellanten gesteund op de artikels 66 en 67 van de Renault-wet en strekkende tot het horen vaststellen van de nietigheid van de ontslagen en tot heropstarten van de overleg- en informatieprocedure ontvankelijk zou verklaren, quod non bij gebrek aan een tijdig collectief bezwaar zoals voorgeschreven door artikel 67, tweede lid van dezelfde wet van 13 februari
  1. De exceptie van onontvankelijkheid van de vorderingen van de 3 laatste appellanten wegens het sluiten van een dading. Op 17 en 18 oktober 2001, data van ondertekening van de dadingen door de drie laatste appellanten waren dezen nog beschermd : de arbeidsovereenkomst bestond nog, en de termijn om bezwaar in te dienen tegen het niet-naleven van informatie en raadplegingsfase was nog niet voorbij (30 dagen na aanplakking of 30 dagen ná 19 september 2001). Overeenkomstig de artikels 9 en 10 van het K.B. van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag, mocht de werkgever bovendien nog niet overgaan tot ontslag : pas vanaf 19 november 2001 was ontslag mogelijk, vermits de directeur van de V.D.A.B. een termijn van 60 dagen had bepaald waarbinnen geen ontslag mocht worden gegeven. Deze rechtsregels zijn van dwingend recht. Vermits appellanten door een wetgeving van dwingend recht werden beschermd, konden zij op 17 en 18 oktober 2001 geen rechtsgeldige dading afsluiten (Cassatie, 7 december 1992, R.W. 1992-1993, 1375). De dadingen zijn bijgevolg wel degelijk nietig, zoals de eerste rechter besliste en de vorderingen van de 3 laatste appellanten zijn derhalve niet onontvankelijk uit hoofde van de door hen gesloten dadingen.
  2. De ontvankelijkheid van de door VERSATEL gestelde tegeneis strekkende tot solidaire veroordeling van appellanten tot betaling van 50.000 euro t.t.v. morele schadevergoeding en t.t.v. schade wegens roekeloos en tergend geding alsook de vordering tot terugbetaling van de in het kader van de dading ontvangen bedragen wordt op zich niet door appellanten betwist, wel de gegrondheid ervan, waarover verder.
  3. Ten gronde. De eerste rechter stelde reeds terecht dat de sancties van de wet van 13 februari 1998 in deze zaak niet kunnen worden toegepast, vermits de vordering van appellanten niet ontvankelijk is wat de betwisting van de informatie- en raadplegingsprocedure wegens de niet-naleving van de 4 voorwaarden van artikel 66 § 1, tweede lid betreft. Het is immers enkel wegens de niet-naleving van de 4 voorwaarden van artikel 66 § 1, tweede lid dat de sancties van deze wet kunnen worden toegepast. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vakorganisaties valt onder artikel 66 § 1, eerste lid vermits het in deze bepaling is dat wordt verwezen naar de C.A.O. gesloten in de Nationale Arbeidsraad, die een bevoegdheid toekent inzake de informatie- en raadplegingsprocedure aan de " vertegenwoordigers van het personeel ". Een inbreuk hierop wordt niet door de wet van 13 februari 1998 gesantioneerd. Anderzijds voorziet de C.A.O. nr. 24 noch in artikel 6 noch elders in deze sanctie van het opstarten van de informatie- en overlegprocedure in het geval deze informatie- en overlegprocedure niet correct werd nageleefd, zodat het Hof VERSATEL wettelijk niet zou kunnen verplichten deze procedure opnieuw te starten... (Arbeidshof Luik, 2 oktober 2002, S.R.K. 2003, 81). Appellanten vorderen benevens de toepassing van de sancties voorzien door de Renault-wet (opnieuw opstarten van de overlegprocedure en bijhorende betaling van loon voor de periode tot 60 dagen na de hernieuwde mededeling aan de subregionale tewerkstellingsdienst) tevens morele schadevergoeding, met name 12.500 euro per persoon voor de 3 laatste appellanten ingevolge het niet-eerbiedigen van de bepalingen van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 alsook betaling van loon voor de periode van 19 oktober 2001 tot 19 november 2001 op grond van de artikelen 9 en 10 van het K.B. van 24 mei
  4. Wanneer de werkgever opzegging geeft vooraleer de termijn voorzien in de artikelen 9 en 10 van het genoemde K.B. van 24 mei 1976 is verstreken, is het ontslag niet nietig (Arbeidshof Antwerpen, 13 september 1985, J.T.T. 1987, 137). Wel is de werkgever tot schadeloosstelling gehouden (Arbeidsrechtbank Brussel, 24 februari 1986, J.T.T. 1987, 195). Daar de werkgever de drie laatste appellanten op 19 oktober 2001 heeft ontslagen in weerwil van een absoluut imperatief ontslagverbod dat overeenkomstig artikel 10 van het genoemde K.B. van 24 mei 1976 gold tot 60 dagen na 19 september 2001, hebben deze werknemers benevens de opzeggingsvergoeding die hun ingevolge het ontslag toekomt overeenkomstig de regels van artikel 82 § 3 en 39 A.O.-wet recht op een vergoeding gelijk aan het bedrag van het loon dat zij over deze periode derfden. VERSATEL betwist de gevorderde bedragen niet cijfermatig zodat deze kunnen worden toegekend t.t.v. schadeloosstelling wegens dit onrechtmatig ontslag.
  5. De morele schadevergoeding ingevolge het niet-eerbiedigen van de bepalingen van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 van 2 oktober
  6. Om recht te openen op morele schadevergoeding dienen appellanten te bewijzen dat VERSATEL de bepalingen van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 van 2 oktober 1975 geschonden heeft. Formeel heeft VERSATEL aan de werknemers en hun vertegenwoordigers blijkens de neergelegde stukken de in artikel 6, vierde lid opgenomen informatie verstrekt, zoals blijkt uit het P.V. van de personeelsvergaderingen van 7, 12 en 14 september
  7. Uit het P.V. van de personeelsvergadering dd. 14 september 2001 blijkt dat de directie van VERSATEL aan de vertegenwoordigers van B.B.T.K. en van L.B.C. -N.V.K. heeft geweigerd om overleg te kunnen plegen met het personeel om hen bij te staan in het sluiten van de eerste fase van de procedure " daar de Vakbond niet uitgenodigd werd " en daar zij " de indruk had op alle vragen een antwoord te hebben gegeven ". Uit dit P.V. blijkt dat de directie aan het aanwezige personeel heeft gevraagd of het meende voldoende geïnformeerd te zijn en dat de overgrote meerderheid hiermee toestemde, waarvan hun handtekeningen getuigen voor akkoord met de afsluiting van fase 1 (zie bijlage, 246 personen aanwezig, waarvan 16 weigerden te tekenen (6,5 %), 58 personen afwezig (76,4 % aanwezig). Appellanten beweren doch bewijzen niet dat de werknemers die het P.V. voor akkoord ondertekenden door VERSATEL werden bedreigd en dat zij onder morele druk van de werkgever ondertekenden. Het Hof stelt vast dat de grote meerderheid van het aanwezige personeel (93,5 %) ondertekende voor akkoord dat het meende voldoende geïnformeerd te zijn; het bezwaar van de vertegenwoordigers van de vakorganisaties m.b.t. onvoldoende informatie en hun vraag om overleg te mogen plegen, betrof derhalve minstens 6,5 % van het personeel dat zich onvoldoende geïnformeerd achtte. Het Hof meent dat de werkgever aan dit bezwaar van de werknemers -vertegenwoordigers gevolg had dienen te geven en hun minstens enkele dagen tijd had dienen toe te staan teneinde het overleg mogelijk te maken met het personeel om deze werknemersvertegenwoordigers in staat te stellen hun opmerkingen en suggesties te formuleren, zoals artikel 6, vierde lid van de C.A.O. nr. 24 voorschrijft, eerder dan de informatieprocedure in allerijl na 7 dagen af te sluiten, ook al was er geen bezwaar van de " overgrote meerderheid " van zijn personeel. Een sanctie voorziet de C.A.O. nr. 24 terzake niet doch de laatste drie appellanten stellen volgens het Hof terecht dat VERSATEL hen morele schade heeft toegebracht door een gebrek aan achting voor hun vertegenwoordigers en voor henzelf, stellende dat " de Vakbond niet uitgenodigd was ", terwijl deze vertegenwoordigers van de vakorganisaties die in het bevoegd paritair comité zijn vertegenwoordigd de werknemersvertegenwoordigers zijn die VERSATEL diende te informeren en waarmee ze diende te overleggen (artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 juncto artikel 4 van het K.B. van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag). Het Hof begroot de morele schade die de drie laatste appellanten uit deze hoofde leden op de som van 1 euro bij gebrek aan precieze elementen om deze schade te begroten.
  8. De tegeneis van VERSATEL tot vergoeding van schade ten bedrage van 50.000 euro . Uit al hetgeen voorafgaat blijkt duidelijk dat appellanten de onderhavige procedure niet roekeloos of lichtzinnig voerden met het louter oogmerk VERSATEL te tergen doch met het oog hun rechten te zien eerbiedigen en hun schade te zien vergoeden. Het geding is niet tergend en roekeloos. VERSATEL bewijst niet dat appellanten aan de vennootschap schade zou hebben berokkend door negatieve en lasterlijke berichten in de pers te hebben verspreid en door strafklacht te hebben neergelegd. De persberichten in casu (stukken 18, 19, 20 VERSATEL) zijn volgens het Hof niet leugenachtig noch lasterlijk; VERSATEL bewijst niet dat haar goede naam en eer werden geschonden. De zeer gunstige bedrijfsresultaten voor 2002 bewijzen het tegendeel. De tegeneis tot schadevergoeding is ontvankelijk doch ongegrond.
  9. De tegeneis van VERSATEL tot teruggave van de bedragen die de laatste drie appellanten ontvingen in uitvoering van de dading. Het Hof stelde reeds vast (zie hoger) dat de door de laatste drie appellanten ondertekende dadingen inderdaad nietig zijn zodat deze geen geldige rechtsgrond opleveren voor de door VERSATEL gedane betalingen. De nietigheid van deze dadingen neemt echter niet weg dat VERSATEL verplicht was en is haar werknemers de vergoedingen uit te betalen die zij wettelijk verschuldigd is bij ontslag zijnde - Het normale nog verschuldigde loon tot 19 oktober 2001, - Een opzeggingsvergoeding overeenkomstig artikel 82 § 3 A.O.-wet en 39 A.O.-wet, - De vergoeding collectief ontslag zoals voorgeschreven door de C.A.O. nr. 10 van 8 mei 1973, - De prorata 13de maand, - Het vertrekvakantiegeld. VERSATEL verzoekt het Hof om de kans te krijgen haar vordering tot teruggave van onverschuldigde bedragen door de 3 laatste appellanten nader te becijferen bij aanvullende besluiten, welke kans haar met eerbied van het recht van verdediging geboden wordt, al meent het Hof dat zij daar in 4 jaar eigenlijk wel de tijd heeft voor gehad... OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger hoofdberoep en incidenteel hoger beroep ontvankelijk, beiden ongegrond, Bevestigt het vonnis a quo in al zijn beschikkingen nl. voor zover het stelt : " Verklaart de hoofdvordering niet ontvankelijk wat betreft de betwisting van de informatie- en raadplegingsprocedure wegens de niet-naleving van de 4 voorwaarden van artikel 66 § 2, tweede lid van de wet van 13 februari 1998, doch wel ontvankelijk wat het overige gedeelte van de vordering betreft; Verklaart de dadingen die werden afgesloten op 17 en 18 oktober 2001 tussen de N.V. VERSATEL BELGIUM en respectievelijk Mevrouw D. V. A. , Mevrouw M.-L. V. en de Heer J. B. nietig ". Trekt de zaak voor het meergevorderde op hoofd- en tegeneis in haar geheel tot zich overeenkomstig artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek, A. Verklaart de vorderingen van appellanten deels gegrond in hierna bepaalde mate : - Veroordeelt de N.V. VERSATEL tot betaling aan D. V. A. , M.-L. V. en J. B. de som van 1 euro elk t.t.v. morele schadevergoeding ingevolge het niet-eerbiedigen van artikel 6 van de C.A.O. nr. 24 van 2 oktober 1975, - Veroordeelt de N.V. VERSATEL tot betaling van schadeloosstelling ten bedrage van het bedrag gederfd loon over de periode van 20 oktober 2001 tot 19 november 2001 : aan Mevrouw D. V. A. : 1.780,40 euro aan Mevrouw M.-L. V. : 2.152,97 euro aan de Heer J. B. : 3.183,47 euro bedragen te vermeerderen met compensatoire en gerechtelijke intresten vanaf 19 november 2001, Wijst appellanten van het meer gevorderde af. B. Verklaart de oorspronkelijke tegeneis van de N.V. VERSATEL in haar geheel ontvankelijk en ongegrond wat de gevorderde morele schadevergoeding van 50.000 euro betreft, Wat de vordering jegens de laatste drie appellanten tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen ontvangen in uitvoering van de met hen gesloten dadingen betreft : Heropent de debatten teneinde de N.V. VERSATEL toe te laten deze vordering nader te becijferen in besluiten rekening houdende met hetgeen het Hof dienaangaande heeft beslist namelijk dat de N.V. VERSATEL ondanks de nietigheid van de dadingen verplicht was en is haar werknemers de vergoedingen uit te betalen die zij wettelijk verschuldigd is bij ontslag zijnde - het normale nog verschuldigde loon tot 19 oktober 2001, - de vergoeding collectief ontslag zoals voorgeschreven door de C.A.O. nr. 10 van 8 mei 1973, - de prorata 13de maand, - het vertrekvakantiegeld, en appellanten toe te laten deze becijfering in besluiten te beantwoorden, Zendt de zaak te dien einde naar de bijzondere rol vanwaar zij op vraag van de meest gerede partij terug zal vastgesteld worden, Houdt inmiddels de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 22 september 2006, waar aanwezig waren : Mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer J. DE DECKER, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, M. VERMAELEN, L. REYBROECK. J. DE DECKER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060922.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.