← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061006.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061006.5 Rolnummer: KG 289 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-10-10 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-07-01 04:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De arbeidsrechtbank is bevoegd om kennis te nemen van geschillen die hun oorsprong vinden in de arbeidsovereenkomst, zoals een betwisting omtrent het al dan niet bestaan van een concurrentiebeding. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Arbeidsrechtbank - Arbeidsrecht Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Bevoegdheid - Materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank - Al dan niet bestaan van een concurrentiebeding. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 578 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Nota: Gerangschikt onder I A art.

  1. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art. 17, 3°. Fiche 2 Bij gebreke van een concurrentiebeding mag de gewezen werknemer zijn voormalige werkgever nadeel berokkenen door de kennis, die hij heeft verworven bij die werkgever, voor zichzelf of voor een nieuwe werkgever aan te wenden. De loutere mogelijkheid dat de werknemer het beroepsgeheim zou schenden of oneerlijke concurrentie zou plegen, maakt de afwerving van cliënteel niet onrechtmatig. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Rechten en plichten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Eerlijke concurrentie - Gebruik van verworven kennis - Benaderen van clienteël van de werkgever. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 17, 3° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art. 17, 3°. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I A art.
  2. Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2007(266-268) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 OKTOBER 2006 1STE KAMER Kortgeding Tegensprekelijk Definitief Inzake : CVB RECYCLING N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 1800 VILVOORDE, Radiatorstraat
  3. Appellante, vertegenwoordigd door Mr A.L. SERVAES loco Mr A. ERAUW, advocaat te Gent. Tegen : V. A. F., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr T. MESSIAEN, advocaat te Gent. ¿ ¿ Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - de dagvaarding in kortgeding ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 7 maart 2006; - het voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking gewezen op tegenspraak door de Kamer zetelend in kort geding van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 24 april 2006; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 12 mei 2006; - de besluiten van de partijen; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 15 september 2006, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Gelet op de neergelegde stukken. ¿ ¿ ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt en is derhalve ontvankelijk. ¿ ¿ VOORWERP EN PROCEDURE De door de heer V. A. , huidig geïntimeerde bij voormelde dagvaarding ingeleide vordering in kortgeding beoogt huidige appellante, de NV CVB RECYCLING, te verbieden nog brieven te sturen naar haar klanten en leveranciers waarin gesteld wordt dat de heer V. A. gebonden is door een concurrentiebeding bij verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro per brief; de NV CVB RECYCLING te verplichten een rechtzetting te versturen naar alle klanten en leveranciers die een schrijven mochten ontvangen, met uitdrukkelijke vermelding dat de heer V. A. , in tegenstelling tot hetgeen in het vorige schrijven staat, niet gebonden is door een concurrentiebeding onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per niet verstuurde rechtzetting; de NV CVB RECYCLING te veroordelen tot de begrote kosten; het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande de aanwending van welk rechtsmiddel ook zonder borgstelling met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement. Bij besluiten neergelegd op 21 maart 2006 stelt huidige appellante, de NV CVB RECYCLING, een tegeneis in en vordert onder verbeurte van een dwangsom van 1.250 euro per inbreuk : De heer V. A. verbod op te leggen gebruik te maken van de klantenlijsten van de NV CVB RECYCLING en deze klanten te contacteren en af te werven. De heer V. A. verbod op te leggen foutieve en valse informatie te verspreiden over de NV CVB RECYCLING. De heer V. A. te veroordelen tot de kosten. Bij beschikking in kortgeding d.d. 27.04.2006 op tegenspraak gewezen door de dienstdoende voorzitster van de Arbeidsrechtbank te Brussel werd bij voorraad het volgende beslist : Verklaren de hoofdvordering ontvankelijk en als volgt gegrond : - Verbieden de NV CVB RECYCLING nog brieven te sturen naar haar klanten en leveranciers waarin gesteld wordt dat de heer V. A. gebonden is door een concurrentiebeding en bij verbeurte veroordelen de NV CVB RECYCLING tot een dwangsom van 5.000 euro per brief; - Bevelen dat de NV CVB RECYCLING een rechtszetting moet versturen naar alle klanten en leveranciers die reeds een schrijven mochten ontvangen met de melding dat de heer V. A. gebonden is door een concurrentiebeding, met de uitdrukkelijke melding dat in tegenstelling tot hetgeen in de vorige brief werd gemeld, de heer V. A. niet gebonden is door een concurrentiebeding en bij verbeurte veroordelen de NV CVB RECYCLING tot een dwangsom van 1.000 euro per niet verstuurde rechtzetting; Verklaren de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond; Veroordelen verweerster tot de kosten voor de heer V. A. begroot en door de rechtbank herleid tot 109,22 euro dagvaardingskosten en 118,99 euro rechts-plegingsvergoeding. Het door appellante ingestelde hoger beroep beoogt :
  4. Het hoger beroep van de appellante tegen de beschikking van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank van 27 april 2006 ontvankelijk en gegrond te verklaren.
  5. De aangevochten beschikking teniet te doen en opnieuw wijzende, a. Rechtdoende op de hoofdvordering : - in hoofdorde, zich onbevoegd te verklaren, om over de oorspronkelijke vorderingen van de geïntimeerde uitspraak te doen - in subsidaire orde, de hoofdvordering van geïntimeerde lastens de appellante als niet-ontvankelijk, minstens ongegrond af te wijzen; b. Rechtdoende op de tegenvordering : - zich bevoegd te verklaren om te oordelen over de tegenvordering - de tegenvordering van de appellante tegenover de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren - dientengevolge de geïntimeerde, verweerder op tegeneis, verbod op te leggen om : * gebruik te maken van de klantenlijsten van appellante en deze klanten te contacteren en af te werven * onjuiste en valse informatie en geruchten over appellante te verspreiden (slechtmaking) Dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 1.250 euro per inbreuk. Geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten van het kortgeding. Geïntimeerde vordert in synthesebesluiten in hoger beroep :
  6. Het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, dienvolgens de beschikking van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank, zetelend in kortgeding, d.d. 27 april 2006 te bevestigen, met dien verstande dat de dwangsom dient te worden toegekend vanaf de betekening van het arrest;
  7. Minstens alvorens recht te doen, concludent toe te laten tot het leveren van bewijs door alle middelen van recht met inbegrip van getuigenverhoor en persoonlijke verschijning, van het feit dat concludent appellante niet heeft slechtgemaakt of onjuiste informatie heeft verspreid over appellante;
  8. Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding. De feiten De heer V. A. was sedert 1 januari 1995 als "Depot Manager" in dienst van de NV CVB RECYCLING. Bij aangetekend schrijven van 14 november 2005 betekent de NV CVB RECYCLING een opzeggingstermijn van 11 maanden, ingaand op 1 december 2005, aan de heer V. A. . Volgens de heer V. A. maakt de NV CVB RECYCLING zich schuldig aan een functiewijziging daar zijn functie beperkt wordt tot een commerciële taak regio Vlaanderen daar waar hij "Depot Manager" is. Bij aangetekend schrijven van 6 december 2005 wordt de NV CVB RECYCLING door de raadsman van de heer V. A. in gebreke gesteld zijn functie te herzien daar dit een eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst uitmaakt welke aanleiding kan geven tot een verbreking lastens de NV CVB RECYCLING. Bij aangetekend schrijven van 4 januari 2006 roept de heer V. A. , via zijn raadsman, de verbreking in lastens de NV CVB RECYCLING van de arbeidsovereenkomst ingevolge een eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst. De heer V. A. stelt dat de NV CVB RECYCLING schriftelijk onwaarheden en leugens verspreidt naar klanten en leveranciers en hem probeert zwart te maken om te verhinderen dat ze met hem zaken zouden doen en op die manier zijn reputatie onherstelbare schade toebrengt. De heer V. A. dagvaardt de NV CVB RECYCLING voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Brussel zetelend in kortgeding op 1 maart
  9. Omtrent de ontvankelijkheid : Appellante roept de onontvankelijkheid in van de vordering wegens nietigheid van de dagvaarding bij toepassing van art. 43, 2° Ger. Wb., gezien geïntimeerde hierin vermeld wordt als zijnde "zonder gekend beroep". Echter bepaalt art. 861 Ger. Wb. dat de rechter een proceshandeling alleen dan nietig kan verklaren indien het verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt (cfr. Cass. 23.04.1975, Arr. Cass. 1975, 937; Cass. 23.05.1975, Arr. Cass. 1975, 1011). Volgens appellante worden haar belangen wel degelijk zeer reëel geschaad gezien zij op het ogenblik van de dagvaarding niet kon weten uit hoofde van welke beroeps- en/of handelswerkzaamheid de hierin door geïntimeerde ingeroepen schade geleden wordt en zij zich hiertegen zodoende niet ernstig kon verdedigen. In tegenstelling tot hetgeen appellante beweert, blijkt echter uit haar brief van 09.02.2006, gericht aan de drukkerij Van De Velde, duidelijk dat zij voldoende op de hoogte was van de handelsactiviteiten van geïntimeerde, waar zij stelt dat deze "... zonder zich aan het concurrentiebeding te houden, zijn werkzaamheden bij ons zonder opzeg heeft beëindigd en ... met de concurrentie is gaan samenwerken", zodat zij niet kan volhouden zeer reëel in haar belangen te zijn geschaad in functie van haar verdediging door het louter feit van het niet vermelden door geïntimeerde van zijn beroepsactiviteit in de dagvaarding. Omtrent de bevoegdheid : Het voorwerp van de door geïntimeerde ingeleide vordering zoals voormeld, vindt zijn oorsprong in de vaststelling dat appellante onwaarheden en leugens verspreidt naar klanten en leveranciers toe, zoals door geïntimeerde gesteld wordt in de dagvaarding, met verwijzing naar de hierin vermelde respectieve brieven d.d. 08.02.2006 en 09.02.2006 van appellante respectievelijk gericht aan haar leveranciers en aan een klant in volgende bewoordingen : "Na een akkoord over wijziging van functie heeft hij uiteindelijk toch besloten te stoppen. Er is een concurrentiebeding met hem van kracht." ... "Verder maken wij U er op attent dat, daar onze ex-medewerker Fery V. A. hier betrokkene is die, zonder zich aan het concurrentiebeding te houden, zijn werkzaamheden bij ons zonder opzeg heeft beëindigd en voor de concurrentie werken c.q. met de concurrentie is gaan samenwerken. Tegen hem hebben wij een juridische procedure opgestart. Daarbij zullen wij op alle mogelijke manieren onze belangen verdedigen, desnoods met beslaglegging op het oud papier dat, als het in containers zit, eigendom is van Uw nieuwe ophaler, als ook van de containers zelf en alle andere mogelijk beschikbare materiaal van V. A. of onze concurrentie." Art. 578 Ger. Wb. bepaalt dat de Arbeidsrechtbank kennis neemt van geschillen inzake arbeidsovereen-komsten. Overeenkomstig art. 584 Ger. Wb. kan de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank bij voorraad uitspraak doen in de gevallen die hij spoedeisend acht mits het gaat om aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank behoren. Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereen-komst die tussen hen bestond, beëindigd was vóór het uitvaardigen van de dagvaarding. Terzake blijkt dat het geschil en de feiten die eraan ten grondslag liggen, ontstaan zijn na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uiteraard zullen de arbeidsgerechten bevoegd zijn kennis te nemen van geschillen die hun oorsprong vinden in de arbeidsovereenkomst die beëindigd werd, of er het rechtstreeks gevolg van zijn, zoals inder-daad in geval van betwisting omtrent het al dan niet bestaan van een concurrentie-beding in de zin van art. 65 en 85 AOW, en de gevolgen ervan. Art. 65 § 2, 8ste lid AOW bepaalt dat het concur-rentiebeding, op straffe van nietigheid, moet worden vastgesteld in een geschrift dat de toepassingsmoda-liteiten van de voorwaarden bepaalt. Geïntimeerde poneert reeds uitdrukkelijk in de dagvaarding dat hij door geen concurrentiebeding gebonden is bij gebrek aan enig geschrift hieromtrent. Appellante vermeldt in conclusie in hoger beroep dat de kwestieuze brieven, waarvan sprake, allerminst betrekking hebben op enig schriftelijk concurrentie-beding opgenomen in een geschreven arbeidsovereen-komst, die trouwens niet bestaat, maar wel op de mondelinge afspraken tijdens de overnameonderhande-lingen m.b.t. de overname-overeenkomst uit hoofde van dewelke geïntimeerde minstens impliciet gebonden is aan een concurrentiebeding, en op zijn oneerlijke handelswijze. Echter stelt geïntimeerde hieromtrent terecht vast dat uit de kwestieuze overname-overeenkomst tot verkoop en aankoop van aandelen (stuk 9 appellante) duidelijk blijkt dat hij bij deze geen partij was en ontkent hij ten stelligste de mondelinge afspraken m.b.t. het zich onthouden van het benaderen van het overgelaten cliënteel en leveranciers, die trouwens door appellante tot op heden niet worden bewezen. Gezien hetgeen voorafgaat en meer bepaald de inhoud van kwestieuze voormelde brieven ging geïntimeerde terecht over tot dagvaarding in kortgeding van appellante in toepassing van art. 65 AOW als gevolg van de arbeidsovereenkomst waarmee hij met appellante verbonden was, zodat de Arbeidsrechtbank ratione materiae wel degelijk bevoegd is in huidig geschil wat de hoofdvordering betreft, tot welke materie deze zich uitdrukkelijk beperkt, alsook betreffende de tegenvordering in zoverre deze eveneens gesteund is op de Arbeidsovereenkomstenwet (art. 17, 3°, b). Omtrent de hoogdringendheid : Art. 584 lid 2 Ger. Wb. bepaalt dat de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank bij voorraad uitspraak kan doen in de gevallen die hij spoedeisend acht. Van urgentie of spoed is sprake wanneer het risico op redelijke schade of een ernstig ongemak reëel is en het derhalve noodzakelijk is om onmiddellijk een einde te stellen aan de gepleegde feitelijkheden (Cass. 11mei 1990, R.W. 1990-91, 987, en Voorz. Luik 18 april 1995, A.J.T., 1994-95, 546). De hoogdringendheid is aanwezig wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is en het niet mogelijk is op andere wijze of door het voeren van een geding ten gronde het geschil tijdig op te lossen (Cass. 21 mei 1987, R.W., 1987-88, 1425). Gezien de door appellante in kwestieuze brieven onjuist verspreide informatie m.b.t. het bestaan van een concurrentiebeding in hoofde van geïntimeerde bestaat het reële risico op redelijke schade ten zijnen nadele zodat in casu urgentie aanwezig is. In rechte : De Hoofdvordering : Nu blijkt dat tussen partijen nooit enig concurren-tiebeding heeft bestaan op grond van de arbeidsover-eenkomst bij toepassing van art. 65 en 85 AOW heeft appellante hierover ten onrechte onjuiste informatie verspreid ten nadele van geïntimeerde zodat deze dringend moet worden stopgezet en rechtgezet teneinde zoveel als mogelijk elke schade of ongemak te voorkomen. Gezien geïntimeerde benadrukt dat zijn vordering in kortgeding steunt op het niet bestaan van een con-currentiebeding uit hoofde van de arbeidsovereen-komst en op basis van art. 65 AOW kan zijn vorde-ring, in functie van de tot deze materie beperkte bevoegdheid van het arbeidsgerecht, slechts in deze navolgende mate worden gegrond verklaard en dient de bestreden beschikking in die zin te worden hervormd. De tegenvordering : Appellante steunt haar tegenvordering deels op art. 17, 3°, b AOW waardoor zij geïntimeerde verwijt aan oneerlijke concurrentie te doen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het benaderen, contacteren en bewerken van het cliënteel "dat hij destijds zelf heeft overgelaten aan appellante ingevolge de overdracht van zijn onderneming" en door onjuiste informatie te verschaffen, doch waarvan zij tot op heden in gebreke blijft het voldoende bewijs te leveren terwijl de twee kwestieuze brieven bezwaarlijk als bewijs hiervan kunnen worden aangewend. Bovendien maken het afwerven van cliënteel, personeel of leveranciers nog geen daden van oneerlijke concurrentie uit zoals uit een constante rechtspraak blijkt : "Bij afwezigheid van een niet-concurrentiebeding kan het een gewezen werknemer niet verboden worden de klanten van zijn ex-werkgever te benaderen met het oog op het afsluiten van contracten. Het verwijzen naar de ex-werkgever is toegelaten wanneer het beoogt verwarring te vermijden en geen afbrekende of afbrekende vergelijkende reclame gemaakt wordt (Voorz. Kh. Brussel 18 januari 1995, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 1995, 361). Een werknemer mag bij afwezigheid van een concurren-tiebeding in zijn arbeidsovereenkomst, na verloop van de arbeidsrelatie, zijn gewezen werkgever nadeel berokkenen door het aanwenden, voor zichzelf of voor zijn nieuwe werkgever, van de kennis die eigen is aan zijn vorige werkgever en die hij destijds bij deze laatste verworven heeft. De loutere mogelijk-heid dat de werknemer fabrieksgeheimen, zakenge-heimen of vertrouwelijke gegevens van zijn vorige werkgever zou kenbaar maken, of daden van oneerlijke concurrentie zou verrichten, zonder dat daarvan enig bewijs wordt geleverd, maakt de afwerving van cliënteel niet onrechtmatig (Voorz. Kh. Brussel 2 november 1994, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 1994, 401)." De tegenvordering dient zodoende als ongegrond te worden afgewezen. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, zetelend in kort geding, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak en bij voorraad, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zeer ten dele gegrond; Hervormt de beschikking in kortgeding d.d. 27 april 2006 in volgende mate en opnieuw wijzend : Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond als volgt : ° verbiedt de N.V. CVB RECYCLING nog brieven te sturen naar haar klanten en leveranciers waarin gesteld wordt dat de heer V. A. gebonden is door een concurrentiebeding uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en bij verbeurte veroordeelt de N.V. CVB RECYCLING tot een dwangsom van 1.000 euro per brief vanaf de betekening van huidig arrest; ° beveelt dat de N.V. CVB RECYCLING een rechtzetting moet versturen naar alle klanten en leveranciers die reeds een schrijven mochten ontvangen met de melding dat de heer V. A. gebonden is door een concurrentiebeding, met de uitdrukkelijke vermelding dat in tegenstelling tot hetgeen in de vorige brief werd gemeld, de heer V. A. niet gebonden is door een concurrentiebeding uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en bij verbeurte veroordeelt de N.V. CVB RECYCLING tot een dwangsom van 1.000 euro per niet verstuurde rechtzetting vanaf de betekening van huidig arrest; Verklaart de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt de bestreden beschikking voor het overige; Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : voor appellante partij : euro 145,76 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, voor geïntimeerde partij : euro 145,76 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 1ste Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 oktober 2006, waar aanwezig waren: De Heer M. DE CUYPER : Raadsheer, De Heren : G. JACOBS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, A. LEURS : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer J. VERCAMST, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 Ger. Wb.). D. DE RAEDT : Griffier, G. JACOBS, A. LEURS, D. DE RAEDT, M. DE CUYPER, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061006.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.