id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061026.1 Rolnummer: 48735 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 14:34 Fiche Wanneer een partij aan de eerste rechter de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling had gevorderd en deze vordering werd toegekend, dan kan hij de appelrechter bijkomend nog vragen zich uit te spreken over een verzoek tot uitsluiting van kantonnement dat hij niet had voorgelegd aan de eerste rechter. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Kantonnement - Uitsluiting van kantonnement niet gevraagd aan de eerste rechter - Mogelijkheid voor de appelrechter de uitsluiting van kantonnement toe te staan. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1406 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES 7de KAMER Not. 580, 8° G.W. Leefloon Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + Bijzondere rol In de zaak: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ZAVENTEM, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1930 Zaventem, H. Henneaulaan 1, appellant, vertegenwoordigd door Mr. U. Caeyman, advocaat te 1930 Zaventem, Tegen: M.C., geïntimeerde, verschijnende in persoon en bijgestaan door Mr. A. Deswaef, advocaat te 1000 Brussel, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 18 mei 2006; het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 juni 2006; de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 14 september 2006, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. X X X Bij conclusie neergelegd op de inleidingzitting dd.7 september 2006 van de zevende kamer van het Arbeids-hof verzoekt geïntimeerde voor recht te zeggen dat het vonnis dd. 18 mei 2006 uitvoerbaar is bij voor-raad niettegenstaande alle verhaal en zonder borg-stelling, noch kantonnement. Geïntimeerde stelt dat de wetgever heeft gewild dat zonder verwijl de nodige steun zou worden gegeven zodat een menswaardig bestaan kan worden geleid. Appellant stelt vooreerst dat de vordering van geïntimeerde onontvankelijk is bij gebrek aan incidenteel hoger beroep en bij gebrek aan belang gezien de eerste rechter de vordering van geïntimeerde integraal heeft toegekend. Wat de grond van deze vordering betreft stelt appellant dat de voorwaarden van artikel 1401 van het Gerechtelijk Wetboek niet voorhanden zijn. Beoordeling door het Hof Niet betwist wordt dat voor de eerste rechter de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling werd gevorderd en deze vordering werd toegekend door de eerste rechter. Het verzoek ingediend bij conclusie door geïnti-meerde tot uitsluiting van kantonnement is een nieuwe eis. Artikel 1404 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, met uitzondering van schuldvordering tot levensonderhoud, het aan de schuldenaar die veroordeeld is bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing waartegen verzet of hoger beroep is ingesteld, toekomt in de Deposito- en Consignatiekas of in handen van een erkende of aangestelde sequester een bedrag in bewaring te geven, toereikend om tot waarborg te strekken voor de schuld in hoofdsom, intrest en kosten. Bij vonnis dd. 18 mei 2006 van de Arbeidsrechtbank van Brussel wordt appellant veroordeeld tot betaling van een leefloon van 368,17 Euro voor de maand oktober 2005 en een leefloon van 168,23 Euro per maand vanaf 1 november 2005. Artikel 1401 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de voorlopige tenuitvoerlegging altijd kan worden verzocht bij het hoger beroep, hetzij de partij heeft nagelaten zulks te verzoeken voor de eerste rechters, hetzij dezen verzuimd hebben over een dergelijk verzoek uitspraak te doen of het hebben afgewezen. Conform artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter die uitspraak doet over de vordering zelf beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt. Uit de samenhang van beide wetsbepalingen volgt dat de appelrechter, aan wie dezelfde appreciatie-bevoegdheid wordt toegekend als aan de eerste rechter, uitspraak mag doen zowel over de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging als over de vordering tot uitsluiting van het kantonnement (Cass. 3 januari 1992, R.W. 1991-1992, 1333). Deze vordering kan worden ingediend bij conclusie en is ontvankelijk. In casu is het Hof van mening dat, gezien appellant veroordeeld is bij een vonnis uitvoerbaar bij voorraad om een leefloon te betalen en er moet van uitgegaan worden dat geïntimeerde zelf over ontoereikende middelen beschikt en vertraging in de betaling van deze gelden geïntimeerde ernstig nadeel zou berokkenen, appellant het recht van kantonnement dient ontzegd. De vordering tot uitsluiting van het kantonnement is eveneens gegrond. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn mondeling eensluidend advies gegeven ter openbare terechtzitting van 14 september 2006; Gelet op de repliek van appellant neergelegd ter griffie op 26 september 2006; Verklaart de vordering van geïntimeerde tot uitsluiting van kantonnement in hoofde van appellant ontvankelijk en gegrond; Verzendt de zaak voor het debat ten gronde naar de bijzondere rol. Houdt de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zesentwintig oktober tweeduizend en zes. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer H. VERMEULEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer K. GACOMS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061026.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.