id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061102.2 Rolnummer: 46651 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-08 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 14:36 Fiche Zijn geen vergoedingen of voordelen verschuldigd krachtens de wet in de zin van art. 2 ,§ 1 van de wet van 30 juni 1967, de verplaatsings- en mobiliteitsvergoedingen wanneer de partijen bij een individuele arbeidsovereenkomst overeengekomen zijn dat de werkgever ze zal ten laste nemen. Vergeefs wordt verwezen naar artikel 20, 1e van de Arbeidsovereenkomstenwet waar bepaald is dat de werkgever de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking moet stellen om zulks te weerleggen. De uitsluiting uit het loonbegrip waarvan sprake in artikel 2, ,§ 1, 1e van de wet van 30 juni 1967, van de verplaatsingskosten die de werkgever ten laste neemt op grond van de individuele arbeidsovereenkomst is evenmin onverenigbaar met artikel 3 en 4 van de richtlijn 80/987 EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever aangezien in deze richtlijn o.m. bepaald is dat zij geen afbreuk doet aan het nationaal recht met betrekking tot de definitie van de term "bezoldiging". Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - SLUITING VAN ONDERNEMING - GEWAARBORGDE BETALING VAN LONEN EN VERGOEDINGEN Tussenkomst door het Fonds in de betaling van reis-en verplaatsingsvergoedingen verschuldigd door de werkgever krachtens de individuele arbeidsovereenkomst. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1967 - 2,§1,1° - 01 ELI link Pub nr 1967063005 Wet - 30-06-1967 - 2,§1,2° - 01 ELI link Pub nr 1967063005 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEE NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Sluiting van ondernemingen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: FONDS TOT VERGOEDING VAN DE IN GEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN werknemers, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, vertegenwoordigd door Mr. B. Knaeps, advocaat te 3500 Hasselt, Tegen: B.R., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. L. Christiaens loco Mr. H. Ketsman, advocaat te 1080 Brussel, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Hasselt op 8 mei 2002; het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden arrest van 11 september 2003 van het Arbeidshof te Antwerpen (afdeling Hasselt); het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie dd. 6 december 2004; de betekening van het cassatiearrest, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 3 mei 2005; de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; de aanvullende en syntheseconclusie door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 29 juni 2006, waarna de debatten gesloten werden. Voorgaanden Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Hasselt op 3 september 1998 vordert geïntimeerde de veroordeling van appellant tot betaling van de reis- en mobiliteitsvergoeding overeenkomstig de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en de arbeidswet van 16 maart 1971, voor de maanden juni en juli 1994 ten belope van 15.382 fr. (381,31 Euro). Bij vonnis dd. 8 mei 2002 van de Arbeidsrechtbank te Hasselt wordt de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en wordt appellant veroordeeld tot de betaling aan geïntimeerde van een bedrag van 381,31 Euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de neerlegging van het inleidend verzoekschrift. De eerste rechter was van oordeel dat het ruime loonbegrip van de loonbeschermingswet van 12 april 1965 waarnaar de sluitingswet van 30 juni 1967 verwijst op iedere geldsom slaat waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking ten laste van de werkgever recht heeft en dus eveneens de vergoeding voor verplaatsingskosten als een mobiliteits-vergoeding omvat. Bij arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt dd. 11 september 2003 wordt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 8 mei 2002 bevestigd. Bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 6 december 2004 wordt het bestreden arrest vernietigd en wordt de zaak naar het Arbeidshof te Brussel verwezen. Appellant verzoekt het Hof de vordering van geïntimeerde als niet gegrond af te wijzen. Appellant verwijst naar het arrest van het Hof van Cassatie dd. 6 december 2004 en stelt dat het Fonds slechts de vergoedingen en voordelen dient te betalen in zoverre die verschuldigd zijn krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten, wat in casu niet het geval is. Geïntimeerde verzoekt het Hof : " Het hoger beroep niet gegrond te verklaren; Minstens vooraleer verder recht te spreken een prejudiciële vraag te stellen betreffende de verenigbaarheid van artikel 2 ,§ 1 1° en 2° van de wet van 30 juni 1967 met artikel 3 en 4 van de richtlijn n° 80/987/EEG alwaar een ander begrip "bezoldiging (loon)" wordt gebruikt dan het begrip "bezoldiging (loon)" in de wet van 12 april 1965 op de bescherming van het loon der werknemers; Appellant tot de kosten te veroordelen". Geïntimeerde stelt dat deze vergoedingen hun juridische grondslag vinden in artikel 20 van de Arbeidsovereenkomstenwet en dat de wet van 30 juni 1967, zoals nadien herhaaldelijk gewijzigd,in het kader van de beoordeling van huidig geschil moet beantwoorden aan de E.E.G. richtlijn van 20 oktober 1980 nr. 80/987, zodat er derhalve aanleiding is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie. Feiten De feiten zoals weergegeven in het bestreden arrest zijn de volgende : Geïntimeerde was tewerkgesteld bij de N.V. I. T. I. te O. voor de periode van 1 december 1990 tot 20 juli 1994,datum waarop de voormelde firma failliet werd verklaard. Op 21 februari 1995 levert de curator van het faillissement aan geïntimeerde het formulier BC 901A af voor tussenkomst in betaling van de achterstallige lonen, eindejaarspremie, opzeggings-vergoeding, bijkomend vakantiegeld en verplaatsings-kosten (reis- en mobiliteitsvergoedingen) voor de maanden juni en juli 1994, welke laatste als volgt gespecificeerd werden: 06/94 : 16 dagen x 63 km x 7.2 fr./km = 7.246 fr. 07/94 : 4 dagen x 210 km x 7.2 fr./km = 6.048 fr. 1 dag x 290 km x 7.2 fr./km = 2.088 fr. Op 1 april 1997 maakte appellant aan de vakbond A.C.V. van geïntimeerde een schrijven over, met de volgende inhoud : "In toepassing van artikel 2, 1, 2° van de wet van 30 juni 1967 mag het FSO vergoedingen betalen wat een forfaitaire en automatische tussenkomst insluit in de kosten voorzien krachtens een CAO of arbeidsovereenkomst. De terugbetaling van de door de werknemer werkelijk gestaafde kosten op basis van kwijtingen wordt hierin echter uitdrukkelijk uitgesloten. Mijn diensten verlenen bijgevolg geen tegemoetkoming voor de gevorderde reisvergoeding". Appellant verleende haar tussenkomst, binnen de wettelijke perken, met uitzondering voor wat betreft de vraag tot tussenkomst in de reiskosten. Beoordeling door het Hof Het Hof van Cassatie overwoog in haar arrest dd. 6 december 2004 als volgt : Overwegende dat artikel 2, ,§ 1, van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers bepaalt dat wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2 bis van de wet van 28 juni 1966, de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, het fonds hen dient te betalen : 1° de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten; 2° de vergoedingen en voordelen krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten; Overwegende dat uit deze bepaling, die onderscheid maakt tussen eensdeels lonen en anderdeels vergoedingen en voordelen, volgt dat vergoedingen en voordelen niet begrepen zijn in de lonen, zoals in deze wetsbepaling bedoeld; Overwegende dat eiser slechts de vergoedingen en voordelen dient te betalen in zoverre die verschuldigd zijn krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten; Overwegende dat het arrest vaststelt dat verweerder reis- en verplaatsingsvergoedingen vordert en dat niet wordt betwist dat hij er ingevolge een individuele arbeidsovereenkomst recht op had; Dat het oordeelt dat die vergoedingen loon zijn in de zin van voormeld artikel 2, ,§ 1, en op grond hiervan eiser tot betaling ervan veroordeelt; Dat het arrest aldus voormelde bepaling schendt". Het Hof verwijst naar de beroepsconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen waarin deze stelt dat onder het paritair comité nr. 111.01 nooit een regeling voor de betaling van mobiliteitsvergoedingen heeft bestaan, noch een regeling voor de terugbetaling van de verplaatsingskosten, gemaakt voor de verplaatsingen van en naar de werven en dat volgens de bedrijfsovereenkomst dd. 10 september 1990, de personen die zich vanaf de opstapplaats naar de werf met vervoer van I. T. verplaatsen recht hebben op een vergoeding van 1,75 fr. per gereden km als inzittende en 2 fr. of 2,25 fr. (bijkomende regeling) per gereden km als chauffeur; tevens werd een kilometervergoeding voor eigen vervoer van 6 fr. voorzien. Deze verbintenis tot vergoeding vloeit niet voort uit artikel 20 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Artikel 20, 1° van de Arbeidsovereenkomstenwet verplicht weliswaar de werkgever "de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen" van de werknemer, doch deze bepaling heeft een beperkte draagwijdte en geldt slechts "behoudens strijdige bepaling". In casu zijn partijen overeengekomen wie de kosten verbonden aan de uitvoering van de arbeid zal dragen. De verplichting van de werkgever tot betaling van deze verplaatsings- en mobiliteitsvergoeding is geen verbintenis verschuldigd krachtens de wet zoals bedoeld in artikel 2 ,§ 1, 2° van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van onderneming ontslagen werknemers. Wat de door geïntimeerde voorgehouden onverenigbaarheid van artikel 2 ,§ 1, 1° en 2° van de wet van 30 juni 1967 voormeld met artikel 3 en 4 van de richtlijn 80/987 EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever betreft verwijst het Hof naar het advies van het Auditoraat-generaal dat luidt als volgt : " Richtlijnen zijn eigenlijk in de eerste plaats een instrument tot harmonisatie van de uiteenlopende wetgevingen van de lid-staten. Zulks blijkt ook hier uit de preambule van de hoger vermelde richtlijn, waarin men kan lezen : "Overwegende dat er tussen de lid-staten nog verschillen bestaan ten aanzien van de bescherming van de werknemers op dit gebied". Het Hof van Justitie heeft vervolgens reeds geruime tijd geleden geoordeeld dat wanneer de nationale rechter een tegenstrijdigheid vaststelt tussen een bepaling van het nationale recht en een richtlijn, het hem behoort het nationale recht uit te leggen in het licht van de bewoordingen en de objectieve doelstelling van de richtlijn in kwestie (HvJ 8 oktober 1987, zaak 80/86 (Kolpinghuis), Jur. 1987, 3969). Zulks veronderstelt echter wel dat er een nationaal voorschrift bestaat dat richtlijn conform kan worden uitgelegd (P.H. Kooijmans, Internationaal publiekrecht, Kluwer, 2002, 278). In de richtlijn 80/987/EEG waarnaar door geïntimeerde wordt verwezen is bepaald dat zij geen afbreuk doet aan het nationaal recht met betrekking tot de definitie van de termen "werknemer", "werkgever", "bezoldiging", "verkregen recht" of "recht in wording" (art. 2), dat de betalings-verplichting van de waarborgfondsen het loon betreft (art. 3, 1), dat lid-staten de bevoegdheid hebben om de in artikel 3 bedoelde betalingsverplichting van de waarborgfondsen te beperken (art. 4, 1) en dat zij een plafond kunnen vaststellen voor de waarborg voor het honoreren van onvervulde aanspraken van de werknemers(art. 4,3). Hieruit vloeit bijgevolg geenszins voort dat de lid-staten gehouden zouden zijn een eenvormige definitie van het begrip loon te hanteren in hun nationaal recht. Daarentegen voorziet de richtlijn uitdrukkelijk dat de verplichting de onvervulde aanspraken van de werknemers te honoreren het loon betreft, wat de terugbetaling van door de werknemer voor rekening van de werkgever gedane uitgaven etymologisch niet is. Tenslotte voorziet de richtlijn zoals reeds gezegd,uitdrukkelijk dat zij geen afbreuk wil doen aan de definitie van het begrip loon in het nationale recht en dat de betalingsverplichting beperkt kan worden. Het bepaalde van artikel 2, ,§ 1, 2° van de wet van 30 juni 1967 is bijgevolg niet strijdig met voormelde richtlijn. Het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie kan zich niet verantwoorden". Het Hof sluit zich bij deze stelling aan en maakt de hierin gevolgde redengeving de hare. OM DEZE REDENEN De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken,zoals tot op heden gewijzigd,inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk eensluidend advies van de heer André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie op 6 september 2006; Gelet op de termijn van veertien dagen verleend aan partijen om eventueel te repliceren m.b.t. dit advies; Repliek werd door geïntimeerde neergelegd ter griffie op 19 september 2006, waarna de zaak op 28 september 2006 in beraad is genomen; Verklaart het hoger beroep gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis behalve wat de beschikking omtrent de gerechtskosten betreft; Wijst geïntimeerde, oorspronkelijk eiser, van zijn initiële vordering af; Verwijst overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, appellant tot de kosten van hoger beroep, kosten tot op heden begroot op: voor appellant niet begroot voor geïntimeerde 142,80 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op twee november tweeduizend en zes. Waar aanwezig waren : Mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer H. VERMEULEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer P. DEPRETER, Raadsheer in Sociale zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). de heer J.P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061102.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.