← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061106.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061106.8 Rolnummer: 43.027 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-06-01 Raadplegingen: 152 - laatst gezien 2026-07-02 14:37 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Bij gebrek aan een definitie zowel in het koninklijk besluit van 30 maart 1967 als in de Arbeidsovereenkomstenwet dient onder het begrip « economische werkloosheid » te worden verstaan de economische oorzaken die een tijdelijk gebrek aan werk veroorzaken aangezien zij enkel aanleiding geven tot de schorsing van de arbeidsovereenkomst; de tijdelijke werkloosheid die verband houdt met de industriële reconversie van de activiteiten van een vennootschap kan worden aangezien als een economische oorzaak in de zin van art. 51 Arbeidsovereenkomstenwet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Werklieden - Andere Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - WERKLIEDEN - Vakantiegeld - Bedrag - Vermeerdering - Inactiviteitsdagen - Gelijkstelling met dagen normale werkelijke arbeid - Voorwaarde - Schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge art. 51 Arbeidsovereenkomstenwet. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 51 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: II BN art. 51 - Ook gerangschikt onder VII G art. 9 (K.B. 30.03.1967, art. 14). Gepubliceerd in J.T.T. 2007, p. 127 + noot. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Jaarlijkse vakantie - Vakantiegeld Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - JAARLIJKSE VAKANTIE - Vakantiegeld - Werklieden - Bedrag - Vermeerdering - Inactiviteitsdagen - Gelijkstelling met dagen normale werkelijke arbeid - Voorwaarde - Schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge art. 51 Arbeidsovereenkomstenwet. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 27-06-1971 - 51 - 03 Link Justel databank 19710627-03 Koninklijk Besluit - 29-03-1967 - 14 - 01 Link Justel databank 19670329-01 Nota: II BN art. 51 - Ook gerangschikt onder II BN art. 51 Gepubliceerd in J.T.T. 2007, p. 127 + noot. Annotaties Publicaties: Journal du tribunaux des travail - en noot - 2007,p.127-129 Journal des tribunaux du travail - en noot - 2007,p.127-129 Journal des tribunaux du travail - et note - 2007,p.127-129 Jornal des tribunaux du travail - et note - 2007,p.127-129 Tekst van de beslissing A.R.Nr. 43.027 1e blad. Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 NOVEMBER

  1. 7DE KAMER Not. 580 2° Ger. Wb. Jaarlijkse vakantie Op tegenspraak Definitief In de zaak: M. R. , Appellant, vertegenwoordigd door Mr A. VERMOORTELE, advocaat te Herne. Tegen: V.Z.W. CONGEMETAL BRABANT, met burelen gevestigd te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan
  2. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mrs. Z. DEMIN & H. VAN HOOGENBEMT, advocaten te Antwerpen. ¿ ¿ ¿ Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : A.R.Nr. 43.027 2e blad. Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Leuven op 29 april 2002; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 29 mei 2002; - de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging op de buitengewone openbare terechtzitting van 18 september 2006 waarna de debatten gesloten werden en de zaak overgemaakt werd aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie uiterlijk op 2 oktober
  3. Gelet op het schriftelijk advies van de heer J.J. ANDRE, Substituut-Generaal neergelegd ter griffie op 2 oktober
  4. Gelet op de termijn verleend aan partijen om eventueel te repliceren op dit advies tot 13 oktober
  5. Gelet op de schriftelijke repliek van geïntimeerde partij ontvangen ter griffie op 13 oktober
  6. De zaak werd in beraad genomen op de buitengewone openbare terechtzitting van 16 oktober
  7. ¿ ¿ ¿ RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer M. was sinds 1-4-74 als arbeider tewerkgesteld bij de NV Renault Industrie Belgique te Vilvoorde. Op 1-9-97 werden een aantal werknemers, waaronder de heer M. , tijdelijk werkloos gesteld na aanvraag van een procedure op grond van art 51 § 1 van de wet op de arbeidsovereenkomsten van 3-7-78 (WAO). A.R.Nr. 43.027 3e blad. Tijdens de periode van 1-9-97 tot en met 31-12-97 werd de heer M. 58 dagen economisch werkloos gesteld, zoals blijkt uit het formulier C 3.2 gedeeltelijke werkloosheid. De economische werkloosheid werd aanvaard door de RVA en hij ontving voor die periode werkloosheidsuitkeringen. De vzw Congémetal weigerde de periode van economische werkloosheid gelijk te stellen met effectief gewerkte dagen zodat tijdens het vakantiejaar 98 het vakantiegeld enkel werd berekend op basis van de effectieve arbeidsdagen en geen vakantiegeld werd uitbetaald voor de 5 vakantiedagen die op de periode van economische werkloosheid betrekking hadden. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 3.8.99 vocht de heer M. die beslissing aan en vorderde hij de veroordeling van de vzw Congémetal tot betaling van aanvullend vakantiegeld voor 1998 ten bedrage van 34.336 F. (851,17 Euro). Met het bestreden vonnis van 29-4-02 verklaarde de Arbeidsrechtbank zijn vordering ontvankelijk doch ongegrond. Zij meende dat er geen economische oorzaken waren voor de schorsing en dat deze slechts een gevolg was van de sluitingsbeslissing van Renault en van de onderhandelingen met het oog op het sluiten van een sociaal plan met als oogmerk de sociale gevolgen van de stopzetting financieel zo goed mogelijk op te vangen. Volgens haar kon de economische werkloosheid enkel worden gelijkgesteld met effectief gewerkte dagen indien zij het gevolg was van conjuncturele economische omstandigheden gevolgd door een werkhervatting. ¿ ¿ ¿ VORDERING IN HOGER BEROEP A.R.Nr. 43.027 4e blad. De heer M. is het niet eens met de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Hij verzoekt het Hof deze te hervormen en zijn oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren. ¿ ¿ ¿ BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. ¿ ¿ ¿
  8. Ten Gronde Omstandigheden waarin een periode van economische werkloosheid werd ingesteld Op 27-2-97 informeerde de NV Renault Industrie Belgique de ondernemingsraad over de beslissing van de Renaultgroep om de afdeling auto-assemblage in Vilvoorde te sluiten tegen midden
  9. Op 22-7-97 werd tussen de werkgever en de representatieve werknemersorganisaties een CAO afgesloten die voorzag in een sociaal plan om de gevolgen van de sluiting te verlichten. Daarin werd o.m. afgesproken dat de directie zich ertoe verbond 600 nieuwe banen te creëren waaronder 400 in een Renault Industrie België-statuut. Er werd afgesproken dat de directie t.a.v. een aantal werknemers een aanvraag zou indienen via het paritair comité nr. 111 voor de metaal- , machineen elektrische bouw, waaronder de onderneming ressorteerde, tot het bekomen van een Koninklijk Besluit dat voorzag in een stelsel van tijdelijke werkloosheid om economische redenen in het raam van art 51§1 WAO,voor de duur van 18 maanden, eventueel te verlengen met 6 maanden. De betrokken werknemers A.R.Nr. 43.027 5e blad. zouden telkens gedurende 13 opeenvolgende weken volledig werkloos zijn en vervolgens gedurende één week het werk hervatten. Tijdens de periode van tijdelijke werkloosheid, zou een tewerkstellingscel ervoor zorgen dat de arbeiders maximaal in een nieuwe betrekking zouden geherklasseerd worden. Op 28-7-97 gaf het paritair comité nr 111 unaniem een gunstig advies voor de invoering van het stelsel waarop de Minister van Tewerkstelling en Arbeid eveneens haar goedkeuring hechtte aan de aanvraag van Renault. Bij KB van 14-9-97 (verschenen in het BS van 28-10-97) werden de voorwaarden bepaald waaronder wegens gebrek aan werk om economische redenen in de ondernemingen die personenwagens assembleren gelegen in het administratief arrondissement Vilvoorde en ressorteren onder p.c. nr. 111 de arbeidsovereenkomst van werklieden volledig mochten worden geschorst. Daarop werd de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van een aantal werknemers van de NV Renault Industrie Belgique geschorst onder de voorwaarden van genoemd KB. Het stelsel trad in werking op 1-9- 97 voor een periode van 18 maanden. De betrokken arbeiders, waaronder de heer M. ontvingen werkloosheidsuitkeringen vanwege de RVA. De heer M. deed op 10-9-97 een aanvraag als kandidaat voor de 400 banen in RIB-statuut. ¿ ¿ ¿ Middelen van appellant De heer M. meent : - dat de economische werkloosheid het gevolg was van een dalende verkoop en afnemend marktaandeel en dus van conjuncturele schommelingen, dat zij tijdelijk was en uitzonderlijk; - dat het KB van 14-9-97 de economische oorzaken had erkend en de sociale zekerheidsinstellingen slechts een beperkt toetsingsrecht liet om na te A.R.Nr. 43.027 6e blad. gaan of de economische redenen die door een bedrijf werden ingeroepen overeenstemden met de redenen die aan de basis lagen van het KB, - dat de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie en de vakantiekassen gebonden zijn door de beslissing van de RVA om de economische werkloosheid te erkennen, - dat de directeur van de vzw Congémetal als lid van Fabrimetal bij de collectieve onderhandelingen voor het sociaal plan aanwezig was en naliet partijen te informeren over mogelijke problemen bij gelijkstelling van de economische werkloosheid voor de berekening van het vakantiegeld. ¿ ¿ ¿ Middelen van geïntimeerde - de dagen van economische werkloosheid kunnen niet worden gelijkgesteld met effectief gewerkte dagen daar zij geen gevolg waren van tijdelijke conjuncturele factoren maar van structurele factoren : nl. de sluiting van de Renaultfabriek; - dat de schorsing van de arbeidsovereenkomst veronderstelt dat partijen slechts tijdelijk van hun verbintenissen zijn vrijgesteld, terwijl in casu, door de sluiting van de assemblageactiviteiten, de arbeidsovereenkomst werd beëindigd; - het KB van 14-9-97 legde enkel conform art 51 WAO de voorwaarden vast waaronder binnen Renault een stelsel van economische werkloosheid kon worden ingevoerd maar sprak er zich niet over uit of aan de voorwaarden daartoe was voldaan; - de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie en de vakantiekassen hebben een eigen appreciatiebevoegdheid om de naleving van de wet te verzekeren en zijn niet gebonden door de beslissingen van de RVA te meer nu de RVA in de praktijk slechts uitzonderlijk de realiteit van de economische werkelijkheid controleert; Deze bevoegdheid wordt bevestigd door het KB van 10- 11-2004; A.R.Nr. 43.027 7e blad. - de gerezen problemen met betrekking tot de berekening van het vakantiegeld waren de onderhandelaars niet onbekend nu de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie nog voor de ondertekening van CAO van 22-7-97 de aandacht van het beheerscomité, waar ook de representatieve werknemersorganisaties zijn vertegenwoordigd, vestigde op het probleem. ¿ ¿ ¿ Beoordeling door het Hof Art 14 van het KB van 30-3-67 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie bepaalt dat het bedrag van het vakantiegeld van de arbeider gelijk is aan 14,8% van de lonen van het vakantiedienstjaar die tot basis hebben gediend voor de berekening van de bijdragen verschuldigd voor de samenstelling van dit vakantiegeld, eventueel vermeerderd met een fictief loon voor de met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde inactiviteitsdagen. Volgens art. 16 van hetzelfde besluit worden met effectief gewerkte dagen gelijkgesteld, de dagen van arbeidsonderbreking wegens... 16° een schorsing van de arbeidsovereenkomst krachtens art 51 van de Wet van 3-7-78 betreffende de arbeidsovereenkomsten (WAO) . Art 51 § 1 van de WAO bepaalt dat de Koning, op advies van het paritair comité of van de Nationale Arbeidsraad, de voorwaarden kan bepalen waaronder bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken de uitvoering van de overeenkomst geheel wordt geschorst of een regeling van gedeeltelijke arbeid wordt ingevoerd. Art 51 § 2 bepaalt verder dat bij ontstentenis van een met toepassing van art 51§1 van de WAO getroffen regeling, bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken de uitvoering van de overeenkomst ten hoogste vier weken geheel kan worden geschorst of A.R.Nr. 43.027 8e blad. een regeling van gedeeltelijke arbeid kan worden ingevoerd. Deze schorsingsgrond is zoals meestal het geval is met omstandigheden die aanleiding geven tot schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevoerd met het oog op de vastheid van betrekking van de werknemers. Noch het Uitvoeringsbesluit jaarlijkse vakantie, noch de WAO bepalen wat onder economische werkloosheid begrepen moet worden. Kennelijk meende de wetgever dat een duidelijke omschrijving niet mogelijk en niet wenselijk was. Tijdens de parlementaire voorbereiding bij het wetsontwerp dat de wet van 10-12-1962 zou worden werd daarover het volgende verklaard : ¿Het begrip economische oorzaken is uitermate moeilijk te bepalen, zo talrijk en verscheiden zijn deze oorzaken in de praktijk. Men mag evenwel zeggen dat de economische oorzaken waarop de werkgever zich kan beroepen diegene zijn waardoor het in de onderneming bestaande arbeidsritme onmogelijk gehandhaafd kan worden. Men mag er zich niet op beroepen wanneer het gebrek aan werk uit een gebrekkige organisatie van de onderneming of uit het wanbeheer van de werkgever voortvloeit.¿ Wel kan eruit worden afgeleid dat het om economische oorzaken moet gaan die een tijdelijk gebrek aan werk veroorzaken, nu zij enkel aanleiding geven tot schorsing van de arbeidsovereenkomst. Het is overigens inherent aan het begrip schorsing dat de verbintenissen van partijen slechts tijdelijk worden opgeschort. Art 19 van het Uitvoeringsbesluit jaarlijkse vakantie bepaalt verder dat de arbeider om gelijkstelling te verkrijgen, moet voldoen aan twee voorwaarden : verbonden zijn door een arbeids- of leerovereenkomst op de werkdag die de eerste dag van de gelijkgestelde periode voorafgaat en tenminste één dag effectief werkzaam zijn geweest in de loop van de achtentwintig dagen die de eerste dag van de gelijkgestelde periode voorafgaan. Dat aan die twee voorwaarden is voldaan wordt in voorliggend geval niet ter discussie gesteld. Overeenkomstig art. 20 e, iuncto 21 § 3 van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie wordt de juistheid van het aantal dagen arbeidsonderbreking A.R.Nr. 43.027 9e blad. bevestigd door de kwartaalstaat waarop de werkgever het cijfer van de gelijkgestelde dagen aangeeft en de reden van de afwezigheid op het werk vermeldt. Uit al die bepalingen, en meer bepaald uit de verwijzing naar de economische werkloosheid als bedoeld in art 51 WAO volgt volgens het Hof van Cassatie dat de vakantiewetgeving met gelijkgestelde dagen van economische werkloosheid die dagen bedoelt waarvan de beoordeling door de wetgever uitsluitend aan het werkloosheidsbureau en dus aan de RVA is opgedragen (Cass. 7-2-2005 S.040152N/1; Cass. 20-9- 2004 Soc. Kron. 2005, 01). Het Hof van Cassatie herinnerde eraan dat bij toepassing van art 51 WAO, de werkgever minstens 7 dagen vooraf aan het werkloosheidsbureau van de RVA mededeling dient toe te zenden van de kennisgeving aan de betrokken werknemer door aanplakking of van de individuele kennisgeving en in die mededeling de economische redenen dient te vermelden die de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of het instellen van een regeling van gedeeltelijke werkloosheid rechtvaardigen. Na die mededeling kan de RVA overgaan tot verwerping van de uitgaven of tot aanvaarding, in welk geval zal worden overgegaan tot uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen. Het Arbeidshof onderschrijft dit standpunt volledig. Met het oog op rechtszekerheid in het belang van de betrokken werknemers voor wie de vakantiewetgeving werd ingesteld, komt het immers onaanvaardbaar voor dat verschillende sociale zekerheidsinstellingen een vage term als ¿economische werkloosheid¿ elk naar eigen inzicht zouden kunnen gaan invullen. In het arrest van 13-11-2003 dat het voorwerp was van het Cassatiearrest van 20-9-2004 overwoog het Arbeidshof Antwerpen terecht dat het vertrouwensbeginsel wordt geschonden wanneer eenzelfde feitelijke situatie door twee openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid verschillend worden beoordeeld, dat de betrokken werknemer mocht verwachten dat de periode van schorsing erkend door de RVA eveneens rechtsgevolgen zou sorteren in de reglementering betreffende de jaarlijkse vakantie. De heer M. merkt op dat het KB van 14-9-97 werd uitgevaardigd naar aanleiding van de economische oorzaken waarop de werkgever zelf zich beriep en dat A.R.Nr. 43.027 10e blad. de regeling uitsluitend voor het bedrijf werd bedoeld. Dit blijkt inderdaad uit : - de notulen van de vergadering van het paritair comité van 28-7-97, - de aanhef van het KB waaruit blijkt dat slechts een bedrijf kon bedoeld zijn : ¿Gelet op de dringende noodzakelijkheid. Overwegende dat de huidige economische toestand het spoedig invoeren van een regeling van schorsing van de arbeidsovereenkomst voor werklieden rechtvaardigt voor de ondernemingen die personenwagens assembleren, gelegen in het administratief arrondissement Vilvoorde en die onder het paritair comité voor Metaal- ,Machine- en Electrische bouw ressorteren.¿ De heer M. betoogt dat wanneer de economische omstandigheden die het bedrijf treffen, overeenstemmen met de economische oorzaken die aanleiding waren voor de regeling bekrachtigd bij KB, een sociale zekerheidsinstelling niet kan beslissen dat het niet gaat om economische redenen in de zin van art 51 van de WAO. Bij KB van 10-11-2004, werden art. 16,14° en 20,5° van het vakantiebesluit van 30-3-67 vervangen. Er werd een duidelijkere omschrijving gegeven van de term economische werkloosheid en bevoegdheid verleend aan de instellingen jaarlijkse vakantie om de correcte toepassing ervan na te gaan. Art 16, 14° voegde aan de bestaande tekst toe : ¿De gelijkstelling in het eerste lid, wordt evenwel geweigerd wanneer blijkt dat de schorsing van de arbeidsovereenkomst hetzij is ingevoerd zonder dat de verplichtingen inzake notificatie of werkhervatting werden nageleefd, hetzij het gevolg is van een gebrekkige organisatie of van slecht beheer van de onderneming, hetzij van structurele aard is. Kan namelijk worden beschouwd als van structurele aard het gebrek aan werk dat eigen is aan de aard van de werkzaamheid van het bedrijf of van de sector of dat ertoe strekt permanent te worden doordat het over meerdere dienstjaren quasi ononderbroken aanhoudt of een onevenwicht vertoont ten opzichte van de arbeidsprestaties van dezelfde werknemers.¿ Aldus werden de in aanmerking komende economische redenen nader gedefinieerd volgens criteria die A.R.Nr. 43.027 11e blad. reeds in de voorbereidende werkzaamheden werden vermeld en door rechtspraak en rechtsleer toegepast. Art. 20,5° van dat KB bepaalde verder : ¿De juistheid van het aantal dagen van arbeidsonderbreking wordt bevestigd : ... 5° door de werkgever, voor de in art 16,12° en 14° bedoelde arbeidsonderbrekingen. De bevestiging wat art. 16,14° betreft, bedoeld in het eerste lid, geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij art 21 §
  10. De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie evenals de Bijzondere vakantiefondsen verifiëren en beoordelen op een zelfstandige manier de overeenstemming van de aangifte van deze dagen arbeidsonderbreking met de uit onderhavig besluit voortvloeiende regels.¿ Dit KB trad pas in werking op 3-12-2004 en was derhalve nog niet van toepassing tijdens de periode waarop het voorliggend geschil betrekking heeft. Er kan geen retroactieve toepassing aan worden verleend (zie Cass. 7-2-2005 S.04.0152N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.4/4). Aangezien de op het ogenblik van de feiten vigerende reglementering de economische redenen niet nader omschreef, in tegenstelling tot wat het geval is bij de inwerkingtreding van het KB van 10-2004 stelt de heer M. terecht dat de discussie omtrent de conjuncturele of structurele aard van de economische redenen niet relevant is. Ten overvloede onderlijnt hij dat Renault Industrie Belgique nog steeds bestaat onder dezelfde juridische vorm en 400 personen tewerkstelt. Tijdens de periode 1998-1999 werd de productie georiënteerd van een assemblagebedrijf van wagens naar een toeleveringsbedrijf voor de automobielsector. Enkel de auto-assemblage werd stopgezet en vervangen door andere industriële activiteiten. In de brief die de NV Renault op 31-7-97 aan de RVA stuurde werd er reeds op gewezen dat de autoassemblage werd stopgezet doch dat een nieuwe activiteit zou worden opgestart. In de aanvraag van het paritair comité die aanleiding gaf tot het KB van 14-9-97 werden als economische redenen ingeroepen, de daling van de verkoop, een overcapaciteit ingevolge eerdere marktverwachtingen, de prijzenoorlog ingevolge de A.R.Nr. 43.027 12e blad. daling van de vraag en de komst van nieuwe concurrenten, monetaire schommelingen en de beperkte bestedingsmogelijkheden van de gezinnen, de enorme diversificatie van de productengamma's met een sterke stijging van de ontwikkelingskosten tot gevolg. De ingeroepen omstandigheden wijzen wel degelijk op conjuncturele problemen. Volgens geïntimeerde kan er geen sprake zijn van schorsing in de zin van art 51 WAO nu de arbeidsovereenkomst door Renault Industrie Belgique beëindigd werd door de beslissing tot stopzetting van de assemblageactiviteit en de heer M. in de assemblageactiviteit was tewerkgesteld. De heer M. is ook na de periode van tijdelijke werkloosheid in dienst gebleven van Renault Industrie Belgique tot hij op 1-9-2005 met brugpensioen ging, hetgeen erop wijst dat de arbeidsverhouding met Renault Industrie Belgique ook na de beslissing tot stopzetting van de assemblageactiviteit is blijven voortbestaan, zij het dat hij daarna tewerkgesteld werd in de toeleveringsactiviteit. Er blijkt niet dat er een belangrijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden van de heer M. werd doorgevoerd. Indien dit al het geval zou zijn geweest, dan kwam het enkel de heer M. om in voorkomend geval de verbreking van de arbeidsovereenkomst vast te stellen. Hij kon er immers voor opteren om de arbeidsovereenkomst ongeacht de gewijzigde arbeidsvoorwaarden verder te zetten. Zulks volgt duidelijk uit de cassatierechtspraak met betrekking tot de eenzijdige wijziging van een belangrijk bestanddeel van de arbeidsovereenkomst. De RVA heeft kennelijk ook dit standpunt ingenomen waardoor de vakantiekassen gebonden zijn. De stelling van de vakantiekas dat van het begin af vaststond dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet kon worden hervat aangezien elke activiteit werd stopgezet blijkt dan ook niet correct te zijn. De tijdelijke werkloosheid dekte de periode gelegen tussen de stopzetting van de montageactiviteit te Vilvoorde en het opstarten van nieuwe activiteiten. De economische werkloosheid betrof niet rechtstreeks de montageactiviteit van Renault die stopgezet werd A.R.Nr. 43.027 13e blad. doch de reconversieactiviteit in haar aanloopfase op de site te Vilvoorde en de ermee gepaard gaande creatie van 400 nieuwe banen binnen de vooropgestelde periode van twee jaar. De tijdelijke werkloosheid die verband hield met de industriële reconversie kan als een economische oorzaak in de zin van art 51 WAO worden aangezien. Het Hof meent dan ook dat de vzw Congémetal ten onrechte heeft geweigerd de periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens tijdelijke werkloosheid om economische redenen niet in aanmerking te nemen voor de berekening van het vakantiegeld van
  11. De berekening van het nog verschuldigd saldo voor de gelijk te stellen periode wordt niet aangevochten en komt correct voor. ¿ ¿ ¿ OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter griffie op 2 oktober 2006; Gelet op de schriftelijke repliek van geïntimeerde partij ontvangen ter griffie op 13 oktober 2006; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; A.R.Nr. 43.027 14e blad. Hervormt het bestreden vonnis; Vernietigt de beslissing van de vzw Congémetal; Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer M. gegrond; Zegt voor recht dat de heer M. recht heeft op 5 betaalde verlofdagen voor de gelijkgestelde periode van economische werkloosheid van 1 september 1997 tot 31 oktober 1997; Veroordeelt de vzw Congémetal tot betaling aan de heer M. van een bedrag van 815,17 Euro vakantiegeld voor het vakantiejaar 1998, vakantiedienstjaar 1997, de wettelijke intresten op het daarmee overeenstemmend nettobedrag, overgaand in de gerechtelijke intresten vanaf de neerlegging van het inleidend verzoekschrift; Veroordeelt de vzw Congémetal tot de kosten van beide aanleggen; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : euro 100,40 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, euro 139,83 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, - voor geïntimeerde partij : niet begroot; Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de 7de kamer van het A.R.Nr. 43.027 15e blad. Arbeidshof te Brussel op 6 november 2006, waar aanwezig waren : Mevr. G. BALIS: Voorzitter. De Heren : E. MAGNUS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, H. SILON : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer P. MANS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 Ger. Wb.), D. DE RAEDT : Griffier, E. MAGNUS, H. SILON, D. DE RAEDT, G. BALIS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061106.8 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.