← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061120.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 20 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061120.6 Rolnummer: 46.870 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-06-06 Raadplegingen: 153 - laatst gezien 2026-07-02 14:42 Versie(s): Vertaling FR Fiche De vordering van de instelling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot terugbetaling van de vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid door de arbeidsongevallenverzekeraar die verzuimd heeft om binnen de wettelijke termijn aan die instelling kennis te geven van zijn twijfel omtrent de toepassing van de Arbeidsongevallenwet op het ongeval, verjaart door verloop van tien jaar. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SEKTOR - Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Rechtspleging - Arbeidsongeval - Consolidatie - Arbeidsongeschiktheid - Betaling van vergoedingen door de instelling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering - Twijfel vanwege de arbeidsongevallenverzekeraar omtrent de toepassing van de wet op het ongeval - Geen bewijs van kennisgeving binnen de wettelijke termijn van die beslissing aan de instelling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering - Verhaal van de vergoedingen door de instelling voor de verlichte ziekte- en invaliditeitsverzekering op de arbeidsongevallenverzekeraar - Verjaringstermijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 63 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: VI A art. 63 - Gepubliceerd in JTT 2007, p. 143 + noot. Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - et note - 2007,p.143-144 Journal des tribunaux du travail - en noot - 2007,p.143-144 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 NOVEMBER

  1. 7DE KAMER Not. 580 2° G.W. Z.I.V. werknemers Op tegenspraak Definitief In de zaak: N.V. AXA BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan
  2. Appellante, vertegenwoordigd door Mr E. HAGENAAR loco Mr Y. ROSENOER, advocaat te Brussel. Tegen: LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN (hierna afgekort L.C.M.), met burelen gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg
  3. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. W. STOOP loco Mr. R. VERMEIREN, advocaat te Antwerpen. ó ó ó Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 22ste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel d.d. 19 mei 2005; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel d.d. 29 juni 2005; - het tussenarrest gewezen door de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel d.d. 11 september 2006; - de besluiten na het arrest van heropening der debatten van appellante; - de besluiten na tussenarrest uitgaande van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2006 waarna de debatten gesloten werden. Gehoord het mondeling advies van de heer D. SOETEMANS, Advocaat-Generaal op diezelfde terechtzitting. Partijen zien af van hun recht op repliek op dit advies. ó ó ó Gelet op het tussenarrest gewezen door de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel d.d. 11 september 2006 waarbij de debatten werden geopend teneinde partijen toe te laten zich te verdedigen of de huidige 7de kamer dan wel de 5de kamer van het Arbeidshof bevoegd is. Gelet op de besluiten na arrest van heropening der debatten van appellante. Gelet op de besluiten na tussenarrest uitgaande van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten. Feiten en procedurevoorgaanden De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten is de ziekteverzekeraar van de heer M. dewelke op 28 december 1995 het slachtoffer werd van een arbeids-ongeval. De wetsverzekeraar bepaalde de datum van consolida-tie op 18 maart 1996 zonder blijvende arbeidsonge-schiktheid. Volgens de uitgavenstaat van 7 februari 1997 heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten voor de periode van 18 maart 1996 tot en met 1 juli 1996 een totaal bedrag van 3.423,16 Euro uitgekeerd aan de heer M.. Op 20 maart 1996 richt N.V. AXA Belgium hierna-volgend schrijven aan de heer M. : " Wij werden op de hoogte gebracht van uw arbeids-ongeschiktheid van 18 maart
  4. Wij maken voor-behoud omtrent de aanvaarding ervan. Zonder enige nadelige erkenning, zal je door onze raadsgenees-heer onderzocht worden..... Tezelfdertijd verwittigen wij Uw ziekenfonds van ons voorbehoud en vragen u deze brief aan haar voor te leggen." Op 26 juli 1996 verzoekt de Landsbond der Christe-lijke Mutualiteiten aan N.V. AXA Belgium haar beslissing of standpunt te laten kennen in het bovenvermeld arbeidsongeval (stukken 3 bundel L.C.M.). Bij schrijven van 20 augustus 1997 laat N.V. AXA Belgium aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten weten : " Wij verwijzen naar het hierboven vermeld ongeval. Uit het verslag van onze raadsgeneesheer is gebleken dat er geen bijkomende medische gegevens werden aangebracht die ons zouden toelaten ons vroeger standpunt te herzien. Wij behouden dan ook onze weigering, voor de tijde-lijke arbeidsongeschiktheid en de behandelingen vanaf 18 maart 1996." Als gevolg van een brief van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van 3 mei 2000 antwoordde N.V. AXA Belgium als volgt : " Wij ontvingen in goede orde uw schrijven van 3 mei
  5. Bij nazicht van ons dossier stellen we vast dat onze brief van voorbehoud aan de mutualiteit werd betekend op 20 maart 1996...... In bijlage bezorgen we U een duplicaat van ons schrijven." De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gaat op 10 september 2000 over tot dagvaarding dewelke ertoe strekt N.V. AXA Belgium te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 3.423,16 Euro meer de moratoire intresten vanaf 3 mei 2000, de gerechte-lijke intresten en de kosten van het geding. Met het bestreden vonnis verklaart de Arbeidsrecht-bank de vordering niet onontvankelijk wegens verja-ring en bijgevolg ontvankelijk en daarenboven volledig gegrond. Volgens de Arbeidsrechtbank slaagt N.V. AXA Belgium er niet in te bewijzen dat zij binnen de termijn van 30 dagen de verzekeringsinstelling, de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, heeft op de hoogte gebracht van haar weigering. ó ó ó Met betrekking tot de bevoegde kamer De organieke wet van 18 juli 1889 (BS 29.08.1889) inzake de werkrechtersraden bepaalt in haar artikel 131 dat iedere werkrechtersraad zijn reglement van inwendige orde opstelt en dat dit reglement wordt goedgekeurd bij koninklijk besluit vooraleer het van kracht wordt. De wet van 22 juli 1927 verschenen in het Belgisch staatsblad van 24 juli 1927, zijnde de wet tot wijziging van de wetten inzake gerechterlijke organisatie bepaalt in haar artikel 2 dat het aantal kamers, hun bevoegdheden, aantal en de duur van hun zittingen, evenals het aantal rechters toegewezen aan iedere kamer, worden bepaald bij koninklijk besluit, op grond van het advies van de Eerste Voorzitter van het Arbeidshof, de Procureur-generaal bij hetzelfde Hof en de Voorzitter van de rechtbank. Artikel 5 van dezelfde voormelde wet van 20 juli 1927 zijnde de wet tot wijziging van de wet inzake gerechtelijke organisatie bepaalt dat de dienst-regeling in ieder Hof wordt opgesteld door de Koning, op advies van de Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep en van de Procureur-generaal. Naar verluidt van artikel 109 van het Gerechtelijk Wetboek worden de zaken door de Eerste Voorzitter verdeeld overeenkomstig het reglement van het Hof. Hieruit volgt dat het Koninklijk Besluit, houdende het Algemeen Reglement in iedere jurisdictie een uitvoeringsmaatregel is van de wetten inzake gerechterlijke organisatie (vroeger artikel 67 van de grondwet, zie ook Braas précis de procédure civile, deel 1 gerechtelijke organisatie, Bruylant 1944 nr 12). Het koninklijk besluit houdende het Algemeen Reglement van het Arbeidshof, betreft bijgevolg de gerechtelijke organisatie en is van openbare orde. Krachtens artikel 88 § 2 van het Gerechterlijk Wetboek moet het incident in verband met de verdeling van de zaken onder de kamers van een zelfde Hof van Beroep, voor ieder middel door één van de partijen of, bij de opening van de debatten, ambtshalve door de rechter zijn opgeworpen en voor-gelegd aan de Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep die oordeelt of de zaken anders moeten worden toegewezen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat uit de voorgaande bepalingen volgt dat het aan de Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep staat de zaken onder de kamers van het Hof te verdelen, maar dat, eenmaal de zaak aan een kamer is toegewezen, die toewijzing alleen onder alinea 2 van voornoemd artikel 88 bepaalde voorwaarden kan worden gewijzigd (cassatie 1 juni 1990 Arr.Cass 89-90, 1262). Bij ontstentenis daarvan, dat wil zeggen wanneer de partijen niet voor ieder middel een incident in verband met de verdeling van de zaken hebben opgeworpen, of wanneer de rechter niet ambtshalve dit incident opwerpt voor het sluiten van een debat, de zaak definitief aan de kamer blijft toegewezen (zie voormeld Cassatie arrest), onder voorbehoud van de bepalingen inzake artikel 103 en 104 van het Gerechterlijk Wetboek dat immers de samenstelling van de zetel van het Arbeidshof betreft en eveneens van openbare orde is. In casu is de samenstelling van de zetel van het Arbeidshof gerespecteerd en werden de debatten reeds gesloten, waarna tussenarrest werd uitgesproken. Het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 14.11.1979 is terzake niet relevant aangezien het betrekking heeft op de vaststelling dat een algemeen reglement, onder voorbehoud van de rechten van de verdediging, geen rechten toekent aan de gedingvoerende partijen. In die omstandigheden blijft de zaak definitief toegewezen aan de 7de kamer van het Arbeidshof. ó ó ó Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. ó ó ó Ten gronde De vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid bepaald door de verplichte verzekering tegen ziekte en inva-liditeit zijn door de arbeidsongevallenverzekeraar, die nalaat de verklaring bedoeld in het eerste lid van art. 63, al. 2, Arbeidsongevallenwet, tijdig te doen, verschuldigd vanaf het begin van de arbeidson-geschiktheid tot en met de dag van de verklaringen, aan de werknemer die, buiten de aangifteformaliteit, de voorwaarden vervult om ze te bekomen en die ver-goedingen wegens arbeidsongeschiktheid worden aan de getroffene betaald door de verzekeringsinstelling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzeke-ring, die ze rechtstreeks verhaalt op de arbeids-ongevallenverzekeraar (art. 63 § 2 3de lid van de arbeidsongevallenwet). Die vordering tot terugbetaling van de betaalde vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid valt niet onder de toepassing van de in art. 2277 B.W. bedoelde vijfjarige verjaring (Hof van Cassatie 3.10.1994 op www.cass.be). Evenmin valt die vordering onder de verjaring van artikel 69 arbeidsongevallenwet (Hof van Cassatie 12.12.1988 RW 89-90,44). Het gaat niet om een subrogatoire vordering waarbij de verzekeringsinstelling in de rechten treedt van de schadeloosgestelde werknemer, maar om een per-soonlijke rechtsvordering in verband met een eigen recht van de verzekeringsinstelling. Artikel 2262 bis § 1 van het B.W. (ingevoegd bij W 1998-06-10/39, art. 5; Inwerkingtreding : 27-07-1998) bepaalt in haar § 1 : "Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar." De vordering van geïntimeerde is niet verjaard op grond van artikel 2262 bis B.W. . Appellant beweert ten onrechte dat de nalatigheid tot tijdig vorderen vanwege LCM deze aan AXA onmogelijk maakte zich nog te verdedigen, gezien het dossier in augustus 1997 door AXA werd vernietigd en LCM dit zeer goed weet. Het behoort aan de wetsverzekeraar te bewijzen dat zij binnen de 30 dagen de ziekteverzekeraar verwittigde van haar weigering. De sanctie ten laste van de verzekeraar wordt niet opgeheven door de omstandigheid dat de getroffene zelf zijn ziekenfonds op de hoogte bracht (Cass 14.12.1987,Arr Cass 87-88,490). Dit bewijs kan gemakkelijk worden verschaft door voorlegging van het schrijven gericht op 20 maart 1996 door AXA aan het ziekenfonds. AXA heeft echter haar dossier vernietigd in augustus
  6. Dit is echter op haar eigen verantwoordelijkheid en het aannemen van een afwachtende houding door de ziekteverzekeraar kan deze verantwoordelijkheid niet wegnemen, of is geen verschoningsgrond. Appellant stelt wel terecht dat artikel 63 § 2 lid 3 van de arbeidsongevallenwet geen bepaalde modaliteit van kennisgeving oplegt en dat het bewijs ook kan worden gevormd door eensluidende en met elkaar overeenstemmende vermoedens. De loutere vermelding in de brief gericht aan het slachtoffer dat zij het ziekenfonds zullen verwittigen, wordt echter tegengesproken door een vermelding in dezelfde brief dat zij het slachtoffer vragen deze brief aan het ziekenfonds voor te leggen. Ook de vermelding in de brief van 18 mei 2000, alsdat zij "in bijlage een duplicaat zenden van hun brief" van 20 maart 1996 en dat het ziekenfonds hierop niet reageerde is geen vermoeden van bewijs van verzending aangezien het in bijlage gevoegde duplicaat de brief betreft gericht aan het slachtoffer en niet de beweerde brief van 20.03.1996 aan LCM. Appellante slaagt er bijgevolg niet in het bewijs van kennisgeving conform artikel 63 § 2 lid 3 AOW te leveren. De overige middelen zijn niet relevant. Er wordt overigens ten overvloede geen enkel bewijs voorgelegd dat de mutualiteit opzettelijk zou hebben gewacht, wetende dat appellante haar dossier na een bepaalde termijn vernietigt. Het hoger beroep is ontvankelijk doch niet gegrond. ó ó ó OM DEZE REDENEN : En alle hierin impliciet vervat, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Rechtsprekend op tegenspraak, Het eensluidend mondeling advies van de heer D. SOETEMANS, Advocaat-Generaal; Rechtsprekend op tegenspraak; Alle andere middelen en conclusies verwerpende; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond; Bevestigt het vonnis a quo; Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : euro 145,78 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, - voor geïntimeerde partij : euro 145,78 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 20 november 2006, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS: Raadsheer. De Heren : I. VAN DAMME : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, P. MANS : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, D. DE RAEDT : Griffier, I. VAN DAMME, P. MANS, D. DE RAEDT, B. CEULEMANS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061120.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.