← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061207.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061207.11 Rolnummer: 36.785 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-08-06 Raadplegingen: 275 - laatst gezien 2026-07-04 04:57 Fiche De door de wetgever voorziene verplichting tot motivering van de administratieve beslissingen houdt in dat een antwoord wordt gegeven op de verweermiddelen van geïntimeerde zodat deze laatste weet waarom het uitstel tot uitvoering van de straf niet werd toegestaan. « De ernst van de feiten », zonder te preciseren welke elementen als ernstig worden beschouwd, kan als motivering tot weigering van het gevraagde uitstel van de uitvoering van de straf niet worden aanvaard. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziekenfondsen - Controledienst Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Straffen ten laste van de verzekeringsinstellingen - Motivering van de beslissingen van het comité voor administatieve controle. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 04-11-1964 - 255,L2 - 01 Link Justel databank 19641104-01 Koninklijk Besluit - 04-11-1964 - 256 - 01 Link Justel databank 19641104-01 Koninklijk Besluit - 03-07-1996 - 320,L2 - 44 ELI link Pub nr 1996070350 Koninklijk Besluit - 03-07-1996 - 321 - 44 ELI link Pub nr 1996070350 Wet - 14-07-1994 - 166 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Wet - 09-08-1963 - 97 - 01 ELI link Pub nr 1963080914 Nota: VII DN - KB 4/11/1964, art. 255, lid 2 en art.

  1. KB 3/07/1996, art. 320, lid 2 en art.
  2. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES 7de KAMER Administratieve sancties Tegensprekelijk Definitief In de zaak: RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, appellant, vertegenwoordigd door Mr. L. Christiaens loco Mr. H. Ketsman, advocaat te 1080 Brussel , Tegen: de LANDSBOND VAN LIBERALE MUTUALITEITEN, met zetel te 1050 Brussel, Livornostraat 25, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. K. Appeltants loco Mr. S. Vyverman, advocaat te 1853 Strombeek-Bever, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 29 maart 1996; het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 maart 1998; de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; de aanvullende besluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2006, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij inleidende dagvaarding betekend op 21 mei 1992 aan appellant vordert geïntimeerde de vernietiging van de beslissing dd. 27 april 1992 met nr. 632205 van de Dienst voor Administratieve Controle van appellant waarbij sancties worden opgelegd inzake de ziekenfondsen 407 en 417 voor foutieve tarificatie bij uitgaven derde betalersmagneetbanden ten belope van respectievelijk 695.000 fr. (17.228,60 Euro) en 330.000 fr. (8.180,49 Euro) en in elk geval de toepassing van artikel 256, § 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 met opschorting van uitvoering van sanctie, dit alles bij een vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij vonnis dd. 29 maart 1996 van de Arbeidsrechtbank te Brussel wordt de eis ontvankelijk en gegrond verklaard en wordt de bestreden beslissing van 31 maart 1992 en aan geïntimeerde ter kennis gebracht op 27 april 1992 vernietigd. De eerste rechter stelde aan de hand van de neergelegde stukken vast dat niet wordt geantwoord op de verweermiddelen noch in de kennisgeving van de beslissing noch in de notulen van de speciale vergadering en was van oordeel dat gelet op de bijzondere aard van de bestreden bestuurshandeling, namelijk het uitspreken van een administratieve geldstraf door een bestuursorgaan tegen een privaatrechtelijke instelling die deelneemt aan het bestuur, de motiveringsplicht in casu is ingegeven door de bescherming van de rechten van verdediging van de ¿te straffen¿ rechtspersoon en dat anderzijds de speciale vergadering van het Comité van de Dienst voor Administratieve Controle wel degelijk de beslissingsbevoegdheid heeft over het al dan niet toekennen van het gevraagde uitstel van de uit-voering van de straf overeenkomstig artikel 256 § 2 van voormeld koninklijk besluit van 4 november
  3. Appellant tekent beroep aan en verzoekt het Hof : ¿ Het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; Dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen; Opnieuw rechtsprekende de oorspronkelijke vordering niet gegrond te verklaren; Geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen¿. Appellant stelt dat het Comité krachtens de haar opgedragen bevoegdheid geoordeeld heeft dat het niet opportuun was uitstel te verlenen gezien de ernst van de feiten. Geïntimeerde verzoekt het Hof het beroep ongegrond te verklaren, bijgevolg het vonnis a quo te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Geïntimeerde stelt dat uit de stukken niet blijkt dat geen uitstel werd verleend gezien ¿de ernst van de feiten¿, dat deze algemene overweging niet kan worden gebruikt als motivering en niet werd gepreciseerd welke elementen van de zaak als ¿ernstig¿ worden aanzien. Feiten Bij aangetekend schrijven dd. 12 september 1991 van appellant wordt geïntimeerde kennisgegeven van de vaststellingen gedaan tijdens de controlebezoeken in het vierde kwartaal 1989, worden voor de ver-zekeringsinstellingen 407 en 417 respectievelijk 139 en 66 foutieve tarificaties bij uitgaven derde betalersmagneetbanden vastgesteld, vatbaar voor sancties bij toepassing van artikel 254, 14° van het koninklijk besluit van 4 november 1963 en wordt verzocht de opmerkingen en verweermiddelen te kennen te geven. Bij aangetekend schrijven dd. 29 november 1991 heeft geïntimeerde als verweermiddel doen gelden dat de voorgestelde sancties niet in verhouding zijn met de begane overtredingen en wordt om de toepassing van artikel 256 paragraaf 2 verzocht vermits er tijdens de voorbije twee jaren geen enkele straf voor soortgelijke overtreding werd uitgesproken. In de notulen van de speciale vergadering van het Comité dd. 31 maart 1992 wordt vermeld dat het Comité de argumenten onderzocht die door de verzekeringsinstellingen in antwoord op het verzoek van de Dienst voor Administratieve Controle per brief zijn aangevoerd door de Landsbond van liberale mutualiteiten in de brief van 29 november
  4. In de bestreden beslissing dd. 27 april 1992 wordt vermeld dat het Comité de verweermiddelen heeft onderzocht. Beoordeling door het Hof Artikel 255, lid 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 (thans artikel 320, lid 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994) bepaalt dat de beslissingen van het Comité van de Dienst voor administratieve controle gemotiveerd moeten zijn. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk gemotiveerd moeten worden waarbij artikel 3 specifieert dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze motivering afdoende moet zijn, terwijl volgens artikel 1 voor de toepassing van deze wet onder ¿bestuurshandeling¿ de éénzijdige rechtshandeling met individuele strekking verstaan wordt die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden of voor een ander bestuur, en onder ¿bestuur¿ de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Als bestuur in de zin van voormelde wet gelden niet enkel de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doch ook administratieve overheden wier beslissing voor gewone rechtbanken kunnen bestreden worden (Van Orshoven P., De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-1992, 489). Als administratieve overheid moet appellant dus in zijn beslissingen uitdrukkelijk en afdoende de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die er ten grondslag aan liggen. Met aangetekend schrijven dd. 12 september 1991 deelt appellant aan geïntimeerde tabellen met gevallen vatbaar voor sancties bij toepassing van artikel 254 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 mee met het verzoek de mogelijke opmerkingen en verweermiddelen te laten kennen tegen uiterlijk 30 november
  5. In zijn aangetekend schrijven dd. 29 november 1991 laat geïntimeerde als opmerking en verweermiddelen gelden dat verzocht wordt om de toepassing van artikel 256 § 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 vermits er tijdens de voorbije twee jaren geen enkele straf voor soortgelijke overtredingen werd uitgesproken. Bij aangetekende beslissing dd. 27 april 1992 wordt kennis gegeven aan geïntimeerde van de sancties, ingevolge vaststellingen gedaan tijdens controlebezoeken, uitgesproken door de Dienst voor Administratieve Controle tijdens zijn vergadering van 31 maart 1992, met verwijzing naar de brief dd. 29 november 1991 en de mededeling dat het Comité de verweermiddelen heeft onderzocht en beslist sancties toe te passen. In de notulen (bijlage 1 notulen S/ nr. 92/1) van de vergadering van het Comité van 31 maart 1992 wordt vermeld dat de verweermiddelen ingeroepen door geïntimeerde bij aangetekend schrijven van 29 november 1991 werden onderzocht door het Comité. Het Hof stelt vast dat nergens uit kan worden opgemaakt waarom deze verweermiddelen werden afgewezen. In de beslissing is niet aangegeven waarom het gevraagde uitstel van uitvoering van de straf zoals voorzien in artikel 256 § 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 is geweigerd en tot op heden is nog steeds niet bekend welke redenen aan deze afwijzende beslissing ter grondslag liggen. Geïntimeerde heeft er het raden naar of hij zich al dan niet in de voorwaarden bevond om de toepassing van voormeld artikel te vragen, dan wel zoals appellant stelt in besluiten dat het opleggen van een uitstelstraf niet werd gedaan wegens de ernst van de feiten. De door de wetgever voorziene verplichting tot motivering van de administratieve beslissingen houdt in dat een antwoord wordt gegeven op de verweermiddelen van geïntimeerde zodat deze laatste weet waarom het uitstel tot uitvoering van de straf niet werd toegestaan. De bestreden beslissing dient te worden vernietigd bij gebrek aan motivering. Terecht stelt geïntimeerde dat als motivering tot weigering van het uitstel van de uitvoering van de straf ¿de ernst van de feiten¿, zonder te preciseren welke elementen als ernstig worden beschouwd, niet kan worden aanvaard. De foutieve tarificatie werd veroorzaakt door één enkele fout in het computerprogramma en niet betwist wordt dat er tijdens de voorbije twee jaren geen enkele straf voor soortgelijke overtreding werd uitgesproken voor deze verzekeringsinstellingen. Het Hof is dan ook van oordeel, gezien de bevoegdheid om te controleren of de redenen die appellant thans inroept om het weigeren van het gevraagde uitstel te rechtvaardigen, afdoende zijn (vgl. Cass. 10 mei 2004 S.02.0076 F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040510.7./1), dat geïntimeerde een uitstel van de uitvoering van de sanctie zoals voorzien door artikel 256 § 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 kan worden verleend. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk advies, voorgelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2006; Gelet op de termijn verleend aan partijen tot 7 november 2006 om eventueel te repliceren m.b.t. dit advies; Gelet op de repliek van appellant neergelegd ter griffie op 31 oktober 2006, waarna de zaak op 9 november 2006 in beraad wordt genomen; Ontvangt het hoger beroep, wijst dit evenwel af als zijnde ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen ; En verder ten gronde; Verleent uitstel aan geïntimeerde van de uitvoering van de sanctie. Verwijst overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, appellant tot de kosten van hoger beroep, kosten tot op heden begroot op : voor appellant 50,82 Euro vaste uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep 145,78 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep voor geïntimeerde 121,96 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeven december tweeduizend en zes. Waar aanwezig waren : Mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer F. VANDEWIJNGAERDEN, Raadsheer in Sociale zaken als werkgever de heer K. GACOMS, Raadsheer in Sociale zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE K. GACOMS F. VANDEWIJNGAERDEN PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061207.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040510.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.