id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061208.8 Rolnummer: 44.046 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-11-06 Raadplegingen: 141 - laatst gezien 2026-07-02 14:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer een werknemer tijdens de opzeggingstermijn met zijn akkoord door de werkgever wordt vrijgesteld van prestaties, vangt de eenjarige verjaringstermijn van art. 15 A.O.W. niet aan op het ogenblik waarop hem de vrijstelling wordt verleend, maar op het ogenblik van het verstrijken van de opzeggingstermijn. De werknemer die na een nietige opzegging verder is gegaan met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tot op de dag waarop aan de dienstbetrekking een einde zou gekomen zijn door het verstrijken van de opzeggingstermijn, heeft recht op een opzeggingsvergoeding. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Verjaring (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Verjaring - Art. 15 A.O.W. - Eenjaarlijkse verjaringstermijn - Aanvangstijdstip - Ontslag - Nietige opzegging - Gevolgen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2007(232-234) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw I. S. , Appellante, vertegenwoordigd door Mter V. Verbesselt loco Mter A. Vermoortele, advocaat te 1540 Herne; Tegen : DE N.V. SCHIESSER INTERNATIONAL, waarvan de maatschappelijke zetel thans gevestigd is te 1853 Strombeek-Bever, Nijverheidslaan, 2, ingeschreven in het H.R.B. onder het nr. 455.509, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter A. Kamp, advocaat te 1050 Brussel; Na beraadslaging, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis a quo, op tegenspraak gewezen door de 12de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 21 februari 2003 in A.R. nr. 8419/01; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 27 maart 2003; - de beroepsbesluiten en aanvullende besluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 3 oktober 2003 en 28 februari 2006; - de beroepsbesluiten voor appellante neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 september 2005; - de bundel met stukken neergelegd ter griffie door appellante op 7 november 2006; Gehoord partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 10 november
- Geïntimeerde legde een bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. DE FEITEN. Van maart 1999 tot eind juni 1999 werkte appellante bij de N.V. SCHIESSER als uitzendkracht waarna zij vanaf 1 juli 1999 voor onbepaalde duur in dienst trad als commercieel assistente krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst met een proefbeding van 6 maand (dus normaal tot eind december 1999). Partijen zijn het grondig oneens over het ogenblik waarop appellante werd ontslagen. Volgens appellante gebeurde dit op 27 maart 2000 nadat zij op 24 maart 2000 werd mishandeld door haar overste; op 27 maart 2000 zou zij een op 28 december 1999 geantidateerde ontslagbrief voor ontvangst ondertekend hebben. Appellante bewijst dit niet. Volgens geïntimeerde werd appellante ontslagen met een aangetekend schrijven dd. 28 december 1999 (dus nog tijdens de proefperiode) doch met een opzegtermijn van 3 maanden ingaand op 1 januari
- Geïntimeerde bewijst NIET het feit dat zij deze brief aangetekend zou hebben verzonden op 28 december
- Partijen zijn het er wel over eens dat appellante op 27 maart 2000 werd vrijgesteld van prestaties vanaf 28 maart
- Wat betreft de beëindiging van de tewerkstelling vermeldt de werkgever op het C4-document volgende gegevens : - de opzegging werd verstuurd op 28 december 1999 en dekt de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000, - er werd geen verbrekingsvergoeding betaald en de tewerkstelling is beëindigd op 31 maart
- Ook de loonfiches, de vakantieattesten en het attest van tewerkstelling vermelden dat appellante partij uit dienst trad op 31 maart
- Bij schrijven van 11 mei 2000 en 14 juni 2000 wordt door de vakorganisatie van appellante de nietigheid van het ontslag opgeworpen (haar stukken 13 en 17). Geïntimeerde antwoordt per schrijven van 18 mei 2000 en 8 juni 2000 dat het ontslagschrijven van 28 december 1999 rechtsgeldig gebeurd is per aangetekend schrijven (stukken 14 en 16 appellante). Op 29 maart 2001 dagvaardt appellante de N.V. SCHIESSER voor de eerste rechter en vordert betaling van : - 50.000 BEF als morele schadevergoeding, - 208.709 BEF als verbrekingsvergoeding, - 208.709 BEF als uitwinningsvergoeding. - voormelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten op de netto bedragen. Verder de N.V. SCHIESSER te veroordelen tot de afgifte van de sociale documenten overeenstemmend met voormelde bedragen + de betaling van de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. II. HET VONNIS A QUO. Verklaart de vordering van appellante ontoelaatbaar wegens verjaring en veroordeelt appellante tot de kosten van het geding. De eerste rechter oordeelt : " Volgens artikel 15 W.A.O. begint de verjaringstermijn van één jaar te lopen bij het einde van de arbeidsovereenkomst; de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vindt plaats op de laatste dag waarop effectieve prestaties werden verricht (A.H. Brussel, 3 april 1987, J.T.T. 1987, 429). Verweerster verwijst in dit verband terecht naar het schrijven dat aanlegster heeft opgesteld op 17 april 2000 waarin zij zelf benadrukt dat zij inderdaad op 27 maart 2000 werd ontslagen en dat zij de volgende dagen thuis is gebleven en rust heeft genomen. Uit de stukken van het dossier volgt dat aanlegster geen prestaties meer heeft verricht op 28, 29, 30 en 31 maart; de laatste dag waarop de prestaties van betrokkene hebben plaatsgevonden was dan ook duidelijk 27 maart
- De loutere omstandigheid dat op het formulier C4 en op het dienstattest en eveneens de vakantieattesten de vermelding is aangebracht dat aanlegster in dienst was van de werkgever t.e.m. 31 maart 2000 heeft geen invloed op het feit dat de verjaringstermijn van één jaar een aanvang heeft genomen op dinsdag 28 maart
- Het feit dat de vennootschap is overgegaan tot het uitbetalen van 2 halve dagen per week sollicitatieverlof is evenmin van aard om de aanvangsdatum van de verjaringstermijn te wijzigen. De dagvaarding werd dan ook uitgebracht meer dan één jaar na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst zodat de vordering ontoelaatbaar wordt verklaard ". III. DE BEROEPSGRIEVEN. Mevrouw S. verzoekt ons Hof het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van volgende bedragen : - 5.173,76 euro bruto uit hoofde van een verbrekingsvergoeding, - 1.239,47 euro uit hoofde van een morele schadevergoeding, - 5.173,76 euro uit hoofde van een forfaitaire uitwinningsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten. Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Zij stelt dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst definitief beëindigd werd op 27 maart 2000 omdat appellante vanaf die dag niet meer gepresteerd zou hebben. Dat dit echter volledig in strijd is met de sociale documenten die vermelden dat appellante in dienst was tot en met 31 maart 2000 alsmede met het feit dat door geïntimeerde loon werd uitbetaald tot en met 31 maart. Dat het C4-document van 6 april 2000 als tewerkstellingsperiode voorziet : van 1 juli 1999 tot en met 31 maart
- Wat betreft de beëindiging van de tewerkstelling bevat het C4-document volgende gegevens : - de opzegging werd verstuurd op 28 december 1999 en dekt de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000, - er werd geen verbrekingsvergoeding betaald en de tewerkstelling is beëindigd op 31 maart
- Ook de loonfiches, de vakantieattesten en het attest van tewerkstelling vermelden dat appellante partij uit dienst trad op 31 maart
- Dat er bovendien door geïntimeerde loon is uitbetaald tot en met 31 maart 2000 en geen opzegvergoeding. Dat het aldus volgens appellante vaststaat dat de arbeidsrelatie een einde nam op 31 maart 2000 zodat zij tijdig dagvaardde op 29 maart
- Ten gronde stelt appellante dat de opzegbrief van 28 december 1999 volstrekt nietig is overeenkomstig artikel 37 § 1, 4° lid A.O.-wet en dat zij derhalve gerechtigd is op een verbrekingsvergoeding gelijk aan 3 maand loon of 60.060 BEF x 13,90 x 3/12 = 208.709 BEF bruto. Zij maakt ook aanspraak op morele schadevergoeding ex aequo et bono begroot op 50.000 BEF (1.239,47 euro ) wegens misbruik van ontslagrecht. Zij stelt dat zij op 27 maart 2000 is ontslagen ingevolge een incident met haar overste Mevrouw M. waarvan zij het slachtoffer was en dat haar werkgever de ontslagbrief antidateerde op 28 december 1999 met de uitsluitende bedoeling te ontsnappen aan het betalen van opzegvergoeding. Dat in casu het ontslag derhalve afgewend is geworden van zijn economische en sociale finaliteit en op kwaadwillige wijze gegeven werd. Zij vordert tevens een forfaitaire vergoeding gelijk aan 3 maand loon of 208.709 BEF die zij uitwinningsvergoeding noemt omdat de N.V. SCHIESSER niet afzag van het niet-concurrentiebeding vervat in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst. IV. STANDPUNT VAN GEINTIMEERDE. De N.V. SCHIESSER stelt in hoofdorde dat de vordering van appellante inderdaad verjaard was vóór de betekening van de dagvaarding. De vertrekdatum van de éénjarige verjaringstermijn is volgens de N.V. SCHIESSER het einde van de contractuele betrekkingen (Arbeidshof Bergen, 5 mei 1983, J.T.T. 1984, 134). Wanneer een werknemer tijdens de opzeggingstermijn vrijstelling van prestaties krijgt en hem op de gewone maandelijkse tijdstippen een bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan het loon, wordt de arbeidsovereenkomst volgens de N.V. SCHIESSER beëindigd op het ogenblik waarop hij van prestaties wordt vrijgesteld en begint vanaf dan de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet te lopen (Arbeidshof Luik, 8 oktober 1981, Jur. Liège, 1982, 373, noot W. Vogel). In casu, werd appellante vrijgesteld van prestaties op maandag 27 maart
- Bovendien blijkt duidelijk uit de aanwezigheidsfiche van het sociaal secretariaat dat de laatste gepresteerde arbeidsdag op 27 maart 2000 viel (stuk 6). Het feit dat de N.V. SCHIESSER appellante heeft betaald tot en met 31 maart 2000 verandert volgens de N.V. SCHIESSER niets aan het feit dat appellante definitief het kantoor heeft verlaten op 27 maart
- Gezien de berekening van de verjaring van de arbeidsovereenkomstenwet gebeurt overeenkomstig artikel 2260 Burgerlijk Wetboek (Arbeidshof Brussel, 16 november 1973, J.T.T. 1978, 3), begon de verjaringstermijn te lopen op 28 maart
- De laatste nuttige dag om een vordering in te leiden was derhalve 27 maart
- In subsidiaire orde stelt de N.V. SCHIESSER met betrekking tot de grond van de zaak dat zij appellante opzegde op 28 december 1999 met een aangetekende opzegbrief en met een te presteren opzegtermijn van 3 maand en dat zij appellante heeft vergoed tot 31 maart 2000 zodat zij haar niets meer verschuldigd is. Van enige fout of misbruik van ontslagrecht is volgens de N.V. SCHIESSER manifest geen sprake. Een uitwinningsvergoeding meent de N.V. SCHIESSER niet verschuldigd te zijn daar appellante geen handelsvertegenwoordiger was en ook niet minstens 1 jaar anciënniteit had. Een compensatoire vergoeding wegens niet-concurrentiebeding is de N.V. SCHIESSER ook niet verschuldigd daar dit enkel uitwerking heeft in geval van ontslag door de bediende zelf quod non zodat zij van dit beding geen afstand diende te doen. Betreffende de intresten stelt de N.V. SCHIESSER dat zij beroepsbesluiten heeft neergelegd op 2 oktober 2003 en dat appellante hierop pas op 8 september 2005 heeft geantwoord, hetzij bijna twee jaar (!) later. Zelfs indien het Arbeidshof de vordering van appellante ontvankelijk en gegrond zou verklaren, quod non, dan kan de N.V. SCHIESSER geen gerechtelijke intresten verschuldigd zijn voor de periode van 2 november 2003 tot 8 oktober 2003 (???) Zij kan er inderdaad niet het slachtoffer van zijn dat appellante, oorspronkelijke eiseres in de zaak, nagenoeg twee jaar heeft gewacht om op de eerste beroepsbesluiten van de N.V. SCHIESSER te antwoorden. Overeenkomstig de gevestigde rechtspraak van het Hof van Cassatie, kan de eiser die zelf draalt in de procedure geen aanspraak maken op de nalatigheidsintresten. Het spreekt dienvolgens volgens de N.V. SCHIESSER voor zich dat appellante geen nalatigheidsintresten kan vorderen voor de periode tussen 2 november 2003 tot 8 oktober
- Het tegenovergestelde zou er op neerkomen dat de speculatie van eiseres wordt goedgekeurd en beloond (zie in die zin N.V. Virgin Express t/ Dimitri Crias, Arbeidsrechtbank Brussel, 6 februari 2004, onuitgegeven - stuk nr. 10). IV. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet is betwist. Overwegende dat aan de hand van de neergelegde stukken vaststaat dat appellante werd ontslagen door de N.V. SCHIESSER met een ontslagschrijven dat appellante voor ontvangst ondertekende op 28 december 1999 (stuk 2 SCHIESSER) met een opzegtermijn van 3 maand, ingaand op 1 januari
- Appellante bewijst niet dat zij pas op 27 maart 2000 ontslagen zou zijn met een door de N.V. SCHIESSER geantidateerde opzegbrief. De N.V. SCHIESSER bewijst aan de hand van haar stuk 2 dat appellante een opzegbrief dd. 28 december 1999 voor ontvangst ondertekende op 28 december 1999 (stuk 2 SCHIESSER). Partijen bleven blijkens de neergelegde stukken na deze opzegging dd. 28 december 1999 de arbeidsovereenkomst verder uitvoeren tot op de dag waarop de door de N.V. SCHIESSER vooropgestelde opzegtermijn zou verstrijken nl. 31 maart
- De werkgever bleef het verschuldigde loon op de normale vervaldagen verder betalen tot en met 31 maart 2000 en hij verklaart zelf in alle officiële sociale bescheiden, formulier C4, tewerkstellingsattest, vakantieattesten en individuele rekening dat appellante bij hem in dienst was tot 31 maart
- Op de aanwezigheidsfiche van het sociaal secretariaat van de N.V. SCHIESSER (stuk 6 SCHIESSER) blijkt dat appellante op 28, 29, 30 en 31 maart 2000 afwezig was wegens " HDW ", d.w.z. halve dagen afwezig om werk te zoeken uiteraard met behoud van loon zoals voorzien in artikel 41 A.O.-wet. Deze afwezigheidsdagen met behoud van loon bewijzen dat partijen tot en met 31 maart 2000 de arbeidsovereenkomst verder uitvoerden. Overeenkomstig artikel 15 W.A.O. mag de verjaringstermijn 1 jaar na het einde van de overeenkomst niet overschrijden. De vertrekdatum van deze éénjarige verjaringstermijn is het einde van de contractuele betrekkingen of de laatste rechtshandeling met betrekking tot de overeenkomst (Arbeidshof Bergen, 5 mei 1983, J.T.T. 1984, 134). De N.V. SCHIESSER stelt zelf bij besluiten dat zij appellante vanaf 28 maart 2000 vrijstelde van het leveren van arbeidsprestaties en uit de stukken blijkt dat appellante hiermee instemde. Wanneer een werknemer tijdens de opzegtermijn met zijn akkoord door de werkgever wordt vrijgesteld van prestaties, vangt de éénjarige verjaringstermijn van artikel 15 van de A.O.-wet niet aan op het ogenblik waarop hem deze vrijstelling wordt meegedeeld doch slechts op het ogenblik van het verstrijken van de opzeggingstermijn (Arbeidshof Antwerpen, 11 oktober 1984, T.S.R. 1985, 308). De arbeidsovereenkomst die door één van beiden is opgezegd is niet noodzakelijk beëindigd vóór het verstrijken van de opzegtermijn wanneer de partijen overeenkomen dat de werknemer vrijgesteld is de bedongen arbeid te verrichten en dat de werkgever het loon regelmatig blijft doorbetalen (Cassatie, 24 juni 1985, R.W. 1985-1986, 1297 en 1384). In onderhavige zaak bleven partijen de overeenkomst verder daadwerkelijk uitvoeren tot het ogenblik dat de vooropgestelde opzegtermijn was verstreken, d.w.z. tot en met 31 maart
- De N.V. SCHIESSER leverde overeenstemmende sociale documenten af (zie hoger) waarmee zij uitdrukkelijk bevestigde dat de arbeidsovereenkomst een einde nam op 31 maart 2000 in het bijzonder het formulier C4 " De werknemer heeft voor mijn rekening gewerkt tot 31 maart
- Er werd geen verbrekingsvergoeding betaald en de tewerkstelling is beëindigd op 31 maart 2000". Het Hof stelt aan de hand van de neergelegde stukken en de feitelijke elementen van de zaak vast dat partijen de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk verder wilden uitvoeren tot en met 31 maart 2000 en dat hun contractuele betrekkingen feitelijk een einde namen op deze datum. Appellante dagvaardde op 29 maart 2001, dit is vóór het verstrijken van de termijn van 1 jaar nadat partijen hun contractuele betrekkingen beëindigden. Haar vorderingen zijn derhalve niet verjaard daar zij de verjaring voorzien in artikel 15 A.O.-wet tijdig stuitte door de dagvaarding. Ten gronde. De N.V. SCHIESSER ontsloeg appellante met een opzegtermijn van 3 maand, ingaand op 1 januari 2000 met een brief die appellante voor ontvangst ondertekende op 28 december 1999 zoals blijkt uit stuk 2 van beide partijen. Geïntimeerde bewijst niet dat zij van deze opzegging met een aangetekende brief aan appellante kennis gaf zodat vaststaat dat de kennisgeving van deze opzegging niet beantwoordt aan de voorwaarde voorgeschreven door artikel 37 § 1, 4de lid van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en dat ze absoluut nietig is met dien verstande dat de werknemer deze nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter ambtshalve wordt vastgesteld. Het Hof stelt heden de nietigheid van de opzegging dd. 28 december 1999 vast. Deze nietigheid is overeenkomstig artikel 37, § 1, vierde lid absoluut en kon niet door de werknemer gedekt worden. Deze absolute nietigheid is door de wetgever gewild om een einde te maken aan het frequent gebruik van antidatering van opzeggingsbrief bij opzegging door de werkgever door middel van overhandiging van een geschrift (Gedr. St. Kamer 1987-1988, nr. 1025/1, 14-15). Vermits de opzegging nietig is, beëindigde de werkgever de arbeidsovereenkomst ONREGELMATIG want zonder inachtneming van de in artikel 82 A.O.-wet voorziene opzegtermijn. Overeenkomstig artikel 39 van de A.O.-wet is de partij die een arbeidsovereenkomst beëindigt zonder inachtneming van de opzeggingstermijn bepaald in artikel 82 A.O.-wet gehouden aan de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn of met het resterend gedeelte van die termijn. In onderhavige zaak kon appellante, zoals hoger reeds gesteld werd, de nietigheid van de opzegging niet dekken en kon zij derhalve geen rechtsgeldige opzeggingstermijn vervullen. Zij heeft ook nooit expliciet of impliciet afstand gedaan van haar recht op opzegvergoeding. De N.V. SCHIESSER is haar derhalve overeenkomstig artikel 39 A.O.-wet een opzeggingsvergoeding verschuldigd gelijk aan het loon dat overeenstemt met de duur van de opzegtermijn. De werknemer die na een nietige opzegging verder is gegaan met de uitvoering van de overeenkomst tot op de dag waarop aan de dienstbetrekking een einde zou zijn gekomen door het verstrijken van de opzegtermijn heeft volgens de rechtspraak recht op een opzeggingsvergoeding (A.H. Antwerpen, 15 maart 1996, S.R.K. 1996, 430; A.H. Brussel, 24 oktober 2001, J.T.T. 2002, 426; A.H. Antwerpen, 10 januari 2003, S.R.K. 2004, 123; A.H. Luik, 5 december 1994, J.T.T. 1995, 227; A.H. Luik, 4 februari 1993, T.S.R. 1993, 208; A.H. Luik, afdeling Neufchâteau, 23 maart 1993, S.R.K. 1994, 268). Gezien haar jaarloon (60.060 BEF. x 13,90 = 834.834 BEF) de grens vastgelegd in artikel 82 A.O.-wet niet overschrijdt heeft zij overeenkomstig artikel 82 § 2 A.O.-wet recht op een opzeggingstermijn gelijk aan 3 maand. De verschuldigde opzegvergoeding bedraagt derhalve 60.060 BEF. x 13,90 : 12 x 3 = 208.709 BEF of 5.173,76 euro . De vordering tot vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. Appellante bewijst niet dat zij ingevolge een incident met haar overste op 27 maart 2000 werd ontslagen door de N.V. SCHIESSER met een geantidateerde opzegbrief van 28 december
- Appellante heeft de opzegbrief ondertekend voor ontvangst op 28 december 1999 (zie stuk 2 SCHIESSER). Zij levert geen bewijs van het rechtsmisbruik dat zij aan de N.V. SCHIESSER verwijt. Haar vordering tot schadevergoeding is ongegrond bij gebrek aan bewijs van misbruik van recht. De vordering tot compensatoire vergoeding wegens concurrentiebeding. Overeenkomstig artikel 65 § 2 negende lid A.O.-wet heeft het concurrentiebeding geen uitwerking wanneer aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt tijdens de proefperiode (zoals in casu) ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende reden. De werkgever diende derhalve geen afstand te doen van het beding vervat in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst. De vordering van appellante is ongegrond; Volledigheidshalve dient vermeld te worden dat appellante geen recht heeft op de in artikel 101 A.O.-wet voorziene uitwinningsvergoeding daar zij niet de daartoe vereiste hoedanigheid had van handelsvertegenwoordiger. De intresten. De N.V. SCHIESSER meent dat appellante niet gerechtigd is op gerechtelijke intresten vanaf 2 november 2003 tot 8 oktober 2003 (zij bedoelt waarschijnlijk 8 oktober 2005) omdat zij twee jaar heeft gewacht om besluiten neer te leggen en dusdoende " gespeculeerd " heeft. De N.V. SCHIESSER legde voor ons Hof besluiten neer op 7 oktober
- Appellante pas op 23 september 2005 daar waar zij overeenkomstig artikel 747 § 1 van het Gerechtelijk Wetboek over 1 maand beschikte om antwoordconclusies neer te leggen. De N.V. SCHIESSER stelt terecht dat zij niet aansprakelijk is voor de vertraging die appellante in de procedure dusdoende teweegbracht tussen 2 november 2003 en 23 september
- De intrest van de loonbeschermingswet is verschuldigd op een opzegvergoeding (Cassatie, 12 september 1988, R.W. 1988-1989, 648; Cassatie, 12 mei 1997, R.W. 1997-1998, 889). Artikel 10 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 10 maart 1986 was het vaste rechtspraak dat voor de toepassing van voormeld artikel onder loon enkel het loon wordt begrepen waarop de werknemer aanspraak kan maken ten aanzien van zijn werkgever, of met andere woorden, het netto loon. Behoudens andersluidend beding heeft de werknemer immers niet het recht om het bedrag van bedrijfsvoorheffing of de werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid op te eisen, zodat er op beide bedragen geen intresten verschuldigd zijn aan de werknemer (zie Cassatie, 10 maart 1986, S.R.K. 1986, 101; Cassatie, 17 november 1986, S.R.K. 1987, Arr. Cass. 1986-1987, 760; Cassatie, 16 maart 1987, R.W. 1987-1988, 327; Cassatie, 8 november 1993, J.T.T. 1994, 143, noot). Overwegende dat de Sluitingswet dd. 26 juni 2002 (B.S. 9 augustus 2002) (art. 82) houdende wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet volgens het Hof geen interpretatieve wet is ten behoeve van interpretatie van artikel 10 van de Loonbeschermingswet doch een wet strekkende tot wijziging van artikel 10, zoals artikel 82 van de Sluitingswet zelf duidelijk stelt en zoals blijkt uit haar voorbereidende werken (Parl. Doc. Kamer 2001-2002, doc. 50, 1687/001, p. 48-49). De memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 12 maart 2002 betreffende de sluiting van onderneming, zoals besproken in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordiging, spreekt duidelijk van een wetswijziging. Overwegende dat artikel 82 van de Sluitingswet volgens het Hof geen interpretatieve wet is doch een dwingende bepaling met onmiddellijke uitwerking voor de toekomst. Artikel 2 Burgerlijk Wetboek stelt immers uitdrukkelijk dat de wet enkel beschikt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft. Als algemene regel geldt de onmiddellijke werking van de rechtsregel. Retro-activiteit is de uitzondering, die uitdrukkelijk moet bepaald zijn of minstens duidelijk moet blijken uit de bewoordingen of de strekkingen van de norm, wat in casu volgens het Hof niet het geval is. De wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet trad in voege vanaf 1 juli 2005 volgens het K.B. van 3 juli 2005 (B.S. 12 juli 2005) tot uitvoering van de artikelen 81 en 82 van de Sluitingswet van 26 juni
- Artikel 90 § 1 van deze wet verleende aan de Koning de bevoegdheid om de datum te bepalen vanaf wanneer zij in werking zou treden. Een nieuwe wet is in principe van toepassing op de situaties die ontstaan na haar inwerkingtreding doch tevens op de toekomstige gevolgen van de situaties ontstaan onder de vroegere wet doch die verder duren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, voor zover dit evenwel geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten (Cassatie, 25 november 1991, J.T.T. 1992, p. 221). Volgens deze algemene regel zijn intresten verschuldigd op bruto loonbedragen vanaf 1 juli 2005, datum waarop de nieuwe wet in werking trad. Artikel 2 van het reeds genoemde K.B. van 3 juli 2005 stelt evenwel dat artikel 1 van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
- Het Hof meent dat de Koning overeenkomstig artikel 90 § 1 van de Sluitingswet gemachtigd was de datum van haar inwerkingtreding te bepalen. De Koning was evenwel niet gemachtigd af te wijken van het algemene principe volgens hetwelk de nieuwe wet toepasselijk is niet alleen op toestanden die ontstaan zijn na haar inwerkingtreding doch tevens op de toestanden die ontstonden onder de toepassing van de oude wet en die verder duren onder de nieuwe wet (Cassatie, 25 november 1991 o.c.). Voor zover artikel 2 van het K.B. van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 slechts van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005 is dit onwettelijk en wordt het door het Hof niet toepasbaar geacht (artikel 159 Grondwet). Appellante is derhalve gerechtigd op wettelijke en gerechtelijke intresten op het nettobedrag van de opzegvergoeding vanaf 1 april 2000 tot 1 november 2003 en op het brutobedrag ervan vanaf 24 september 2005 tot de dag van betaling. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt, Hervormt het vonnis a quo, Verklaart de oorspronkelijke vorderingen van Mevrouw S. ontvankelijk en deels gegrond als volgt, Veroordeelt de N.V. SCHIESSER INTERNATIONAL tot betaling aan Mevrouw S. van 5.173,76 euro bruto ten titel van opzegvergoeding, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet op het nettobedrag van de opzegvergoeding vanaf 1 april 2000 tot 1 november 2003 en op het brutobedrag ervan vanaf 24 september 2005 tot de dag van betaling, Veroordeelt de N.V. SCHIESSER INTERNATIONAL tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden begroot op : In hoofde van appellante : Dagvaarding : 90,08 euro Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 200,79 euro Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 285,55 euro In hoofde van geïntimeerde : Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 200,79 euro Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : niet begroot Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 8 december 2006, waar aanwezig waren : Mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer, De Heer P. KESSELS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer J. DE DECKER, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, M. VERMAELEN, P. KESSELS. J. DE DECKER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061208.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div