← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061218.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 18 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061218.3 Rolnummer: 44947 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-03-06 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 14:51 Fiche Het verschil in behandeling met betrekking tot de kennisgeving van een gerechtelijke beslissing en de daaraan gekoppelde beroepstermijn naargelang het een procedure betreft die volgens art. 704, 1e lid G.W. wordt ingeleid of niet, berust op objectieve gronden en komt redelijk en verantwoord voor. De artikelen 10 en 11 van de grondwet worden niet geschonden. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Kennisgeving - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Sociale zaken - Rechtsmiddelen - Beroep - Kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief - Schending van het gelijkheidsbeginsel. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 792,L2 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Annotaties Publicaties: BULLETIN D'INFORMATION INAMI - - 2007, (p. 47-50) INFORMATIEBLAD RIZIV - - 2007, (p. 47-50) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 DECEMBER

  1. 7DE KAMER Not. 580 2° Ger. Wb. Z.I.V.-werknemers Op tegenspraak Definitief In de zaak: D. V. A., Appellante, vertegenwoordigd door Mr V. HUYBRECHTS loco Mr VAN GOETHEM, advocaat te Leuven. Tegen:
  2. LANDSBOND VAN DE LIBERALE MUTUALITEITEN (afgekort LLM), met burelen gevestigd te 1050 BRUSSEL, Livornostraat
  3. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. DE MEYERE loco Mr. S. VIJVERMAN, advocaat te Strombeek-Bever.
  4. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALI-DITEITSVERZEKERING (afgekort RIZIV), met burelen gevestigd te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan
  5. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr S. KERKHOFS loco Mr L.P. ORBAN, advocaat te Brussel. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - de voor eensluidend verklaarde afschriften van de vonnissen gewezen op tegenspraak door de 10ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel op§3 april 2003 en 3 oktober 2003; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 31 december 2003; de besluiten van partijen en de synthesebesluiten voor 2de geïntimeerde partij; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter buitengewone openbare terechtzitting van 20 november 2006 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op het mondeling advies van de heer J.J. ANDRE, Substituut-Generaal gegeven op dezelfde buitengewone openbare terechtzitting. Partijen zien af van hun recht op repliek op dit advies, waarna de zaak in beraad werd genomen. &§61683; &§61683; &§61683; RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer D. V. Y. was de wettelijk vertegenwoor-diger van zijn dochter, D. V. A., geboren op 10-3-1987, die intussen meerderjarig is. Op 20-12-96 deed de heer D. V. via de LLM, bij het College van Geneesheren Directeurs bij het RIZIV in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds, een aanvaag tot tegemoetkoming voor de verstrekking "immuunabsorptie met protein A Column" kostprijs 7.357,48 Euro of 296.800 Fr. voor de behandeling van chronische inflammatoire demyeliserende polyneuro-pathie waaraan A. leed. Het is een zeldzame aandoening die een uitzonder-lijke moeheid en moeilijkheden bij het bewegen veroorzaakt. Het College van Geneesheren Directeurs bij het RIZIV wees de aanvraag af. Het RIZIV weigerde de tegemoetkoming bij beslissing die werd meegedeeld aan de LLM op 12-6-1998 en door de LLM ter kennis gebracht van de heer De V. op 14-7-
  6. Hij stelde tegen die beslissing een verhaal in bij de Arbeidsrechtbank met verzoekschrift van 13-10-
  7. De LLM diende een aanvraag tot herziening in van de getroffen beslissing op basis van bijkomende medische publicaties. Het College VAN Geneesheren Directeurs RIZIV wees de aanvraag tot tussenkomst opnieuw af bij beslissing van 17-8-
  8. Met verzoekschrift van 11-10-1999 stelde de heer D. V. opnieuw een verhaal in bij de Arbeidsrechtbank tegen dit tweede negatief advies. De Geneesheren - Directeurs gaven als reden voor hun beslissing op dat de klinische doeltreffendheid van de verstrekking niet was aangetoond en dat zij het experimenteel stadium nog niet voorbij was. Met een vonnis van 3-4-2003 voegde de Arbeidsrecht-bank beide zaken samen en verklaarde de beroepen ontvankelijk. Met het bestreden vonnis van 3-10-2003 verklaarde de Arbeidsrechtbank de vorderingen ongegrond. Zij achtte de beslissingen van het RIZIV, dat de verstrekking toegediend in 1996 het experimenteel stadium niet voorbij was, redelijk verantwoord. De heer D. V. was het niet eens met die uitspraak en verzocht het Hof zijn vordering toe te kennen. Het geding werd hervat door A. D. V. die intussen meerderjarig is geworden. &§61683; &§61683; BEOORDELING Stelling van het RIZIV Het RIZIV werpt de onontvankelijkheid op van het hoger beroep. In ondergeschikte orde meent het RIZIV dat de vordering ongegrond is. Volgens hem moest het verzoek worden onderzocht volgens de kennis van de wetenschap in
  9. Het RIZIV wijst op zijn discretionaire bevoegdheid voor de vaststelling van een eventuele tegemoet-koming. &§61683; &§61683; Stelling van A. D. V. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep verzoekt zij het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof wegens verschillen tussen procedures waarbij vonnis dient te worden betekend vooraleer de beroepstermijn loopt en procedures waarbij een eenvoudige kennisgeving volstaat. &§61683; &§61683; Ontvankelijkheid Het vonnis van 3-10-2003 werd overeenkomstig art. 792 van het Gerechtelijk Wetboek ter kennis gebracht van de heer D. V. met gerechtsbrief die door hem op 15-10-2003 voor ontvangst werd ondertekend. Tegelijk werd ook een afschrift van het vonnis overeenkomstig art. 792, 4de lid Gerechtelijk Wetboek aan de raadslieden van partijen gezonden. Het hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van het Hof op 31-12-
  10. Art. 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt de termijn om hoger beroep in te stellen op één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of van de kennisgeving ervan overeenkomstig art. 792 Gerechtelijk Wetboek. Art. 792 Ger. Wb. schrijft voor dat de griffier binnen de 8 dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis brengt van de partijen voor de zaken opgesomd in art. 704, 1ste lid Gerechtelijk Wetboek. Mevrouw D. V. acht het aangewezen dat een prejudi-ciële vraag wordt gesteld aan het Arbitragehof. Zij meent dat het onderscheid tussen bepaalde procedures waarbij het vonnis aan partijen dient te worden betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot en deze waarbij het vonnis aan partijen moet worden ter kennis gebracht bij gerechtsbrief een ongelijke behandeling creëert die niet redelijk verantwoord is. In zijn arrest van 17-12-2003 heeft het Arbitragehof geoordeeld dat de interpretatie die ervan uitgaat dat de voorzieningstermijn tegen de beslissing waarvan kennisgeving bij gerechtsbrief wordt gedaan ingaat op datum van de verzending van de gerechts-brief art. 32, 2° en 46 ,§ 2 in samenhang gelezen met art. 792, 2de lid Ger. Wb. de art 10 en 11 van de Grondwet schendt. Als gevolg daarvan heeft de wetgever art. 53 bis in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd waarin bepaald wordt dat de termijn begint te lopen de eerste dag die volgt op deze waarop de gerechtsbrief wordt aangeboden aan de geadresseerde. Het Hof houdt derhalve rekening met de datum waarop de heer D. V. de gerechtsbrief ontving waarmee hem van het vonnis kennis werd gegeven. De termijn om hoger beroep in te stellen begon bijgevolg te lopen op 16-10-2003 en verstreek op 15-11-2003, overeenkomstig de regels van art. 52, 53 en 54 van het Gerechtelijk Wetboek. Mevrouw D. V. acht de discriminatie daarmee niet opgeheven. Zij meent dat de kennisgeving bij gerechtsbrief een minder grote rechtszekerheid biedt dan de betekening bij gerechtsdeurwaardersexploot, dat zij een verkorting van de effectieve voor-zieningstermijn tot gevolg heeft en de facto het recht van verdediging beperkt. Zij stelt dat in het geval van betekening van het vonnis bij een gerechtsdeurwaardersexploot, de partij doorgaans over een langere periode beschikt om te overwegen of zij beroep zal aantekenen. Mevrouw D. V. kan geen belang aantonen wat het beweerde verschil in rechtszekerheid aangaat. De gerechtsbrief werd immers door de heer D. V. persoonlijk in ontvangst genomen en hij heeft voor ontvangst ondertekend, zodat de gerechtsbrief met zekerheid de bestemmeling heeft bereikt. Bovendien vermeldt de kennisgeving bij gerechtsbrief volgens het voorschrift van art. 792 Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid de rechtsmiddelen die kunnen worden aangewend tegen het vonnis en de termijn binnen de welke het verhaal dient te worden ingesteld, en tevens de benaming en het adres van het rechtscollege dat bevoegd is om er kennis van te nemen. De betekening van het vonnis bij deurwaar-dersexploot bevat die vermeldingen niet. Tenslotte biedt art. 792 Gerechtelijk Wetboek meer zekerheid betreffende het tijdstip waarop de kennisgeving zal gebeuren nu deze binnen de 8 dagen na de uitspraak van het vonnis dient te gebeuren. De beroepstermijn is in beide gevallen dezelfde, één maand vanaf de betekening bij deurwaardersexploot of vanaf de kennisgeving van de gerechtsbrief. De termijn waarbinnen een vonnis betekend wordt, is de facto meestal langer aangezien het aan partijen wordt overgelaten te beslissen of zij het vonnis zullen laten betekenen en wanneer zij dit doen. De kennisgeving bij gerechtsbrief overeenkomstig art. 792, 2de lid Gerechtelijk Wetboek wordt toegepast voor zaken opgesomd in art. 704, 1ste lid Gerechtelijk Wetboek. Het gaat om sociaalrechtelijke geschillen die bij verzoekschrift worden ingeleid tegen administratieve beslissingen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12-1-1993 waarbij die bepaling in het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoegd, blijkt dat het de bedoeling was de betekening van gerechtelijke uitspraken in geschillen betreffende de sociale zekerheid te vereenvoudigen en een vlugge tenuitvoerlegging ervan mogelijk te maken (Gedr. St. Kamer, buitengewone zitting 91-92 nr 630/1 p 7-13-39) . De administratieve beslissingen waarop die geschil-len betrekking hebben, zijn in principe immers uitvoerbaar. Het verhaal ertegen moet binnen een korte termijn worden ingesteld en schort de uitvoering van die beslissing in principe niet op. De maatregel beoogde het automatisch ingaan van de termijn om verhaal in te stellen vanaf de kennis-geving van het vonnis om de afhandeling van het geschil te bespoedigen en anderzijds om kosten te besparen die gepaard gaan met de betekening per gerechtsdeurwaardersexploot (Gedr. St. Senaat, zitting 93-94 nr 1014/ 2 p 6). Die kosten vallen overeenkomstig art. 1017 Gerechtelijk Wetboek in principe ten laste van de sociale verzekeringsinstellingen. Dat de wetgever het initiatief en de termijn m.b.t. de betekening van gerechtelijke beslissingen inzake geschillen over administratieve beslissingen inzake sociale zekerheid die de openbare orde raken, niet aan partijen heeft willen overlaten, komt redelijk verantwoord voor, gelet op de bijzondere kenmerken ervan. De bij art. 792 Gerechtelijk Wetboek ingevoerde regeling bevordert de rechtszekerheid. Het door mevrouw D. V. aangehaalde verschil in behandeling met betrekking tot de kennisgeving van een gerechtelijke beslissing en de daaraan gekop-pelde beroepstermijn naargelang het een procedure betreft die volgens art. 704,1ste lid Gerechtelijk Wetboek wordt ingeleid of niet, berust op objectieve gronden en komt redelijk verantwoord voor. Het Hof is dan ook van oordeel dat er klaarblijkelijk geen schending is van art. 10 en 11 van de Grondwet zodat het er niet toe gehouden is de voorgestelde prejudi-ciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, zoals blijkt uit art. 26 ,§ 2, 3de lid Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6-1-1989 (In dezelfde zin AH Gent, 30-3-98, JTT 99, 101). Aangezien de heer D. V. de gerechtsbrief heeft ontvangen op 15-10-2003 verstreek de termijn om hoger beroep in te stellen op 15-11-
  11. Het hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift van 31-12-2003 is derhalve laattijdig en het hoger beroep onontvankelijk zodat het Hof de eventuele gegrondheid ervan niet kan onderzoeken. OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn eensluidend mondeling advies gegeven ter buitengewone openbare terechtzitting van 18 september 2006; Verklaart het hoger beroep onontvankelijk; Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van geïntimeerde partijen; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : EUR 285,55 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, - voor 1ste geïntimeerde partij : EUR 285,57 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; - voor 2de geïntimeerde partij : EUR 142,79 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare teêrechtzitting van de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 18 december 2006, waar aanwezig waren : Mevr. G. BALIS: Voorzitter. De Heren : I. VAN DAMME : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, P. MANS : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, D. DE RAEDT : Griffier, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20061218.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.