id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070129.1 Rolnummer: 47245 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-03-05 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-02 15:14 Fiche 1 De arbeidsgerechten zijn niet bevoegd om kennis te nemen van betwistingen inzake vaststellingen gedaan door de sociale inspectiediensten zolang hiervoor geen vordering met betrekking tot de betaling van een administratieve geldboete werd ingesteld. De vordering tot nietigverklaring van dit Pro Justitia is onontvankelijk. Vrije woorden: TOEZICHT EN CONTROLE VAN DE SOCIALE WETTEN - ARBEIDSINSPECTIE - Proces-verbaal opgesteld door een sociale inspectiedienst - Betwisting - Bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Nota: Ook gerangschikt onder IV B (Wet 5.12.1968), art. 1 (KB 23.07.1969)OPR en IV C - CPC 201 (KB 22.03.1973), art. 1. Fiche 2 De adviezen van de dienst van de collectieve arbeidsbetrekkingen hebben rechtens geen bindende kracht en sorteren geen enkel rechtsgevolg. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is er niet op van toepassing. Een schrijven uitgaande van de R.S.Z. waarmee deze dienst aan een werkgever een kengetal mede deelt houdende indeling in een bepaalde categorie waaruit meteen ook kan opgemaakt worden onder welk paritair comité die werkgever ressorteert, is geen uitvoerbare rechtshandeling. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is er niet op van toepassing. Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - Dienst van de collectieve arbeidsbetrekkingen - Motivering van de adviezen. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 23-07-1969 - 30 ELI link Pub nr 1969072303 Wet - 05-12-1968 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Nota: Gerangschikt onder IV B (Wet 5.12.1968), art. 1 - (KB 23.07.1969) om praktische redenen. Ook gerangschikt onder XIV A art. 9 en IV C - CPC 201 (KB 22.03.1973) art. 1. Fiche 3 Voor een definitie van het begrip kleinhandel kan verwezen worden naar de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen. In deze wet wordt een kleinhandelsbedrijf omschreven als volgt : de distributieeenheid waarvan de activiteit bestaat uit het wederverkopen op gewone wijze, in eigen naam en voor eigen rekening, van goederen aan consumenten, zonder deze goederen andere behandelingen te doen ondergaan dan die welke in de handel gebruikelijk zijn. Er kan geen rekening gehouden worden met de terminologie van de kleinhandel zoals gebruikt in de handelshuurwet. Het verkopen via postorder aan klanten van dameskledij voor dames van rijpe leeftijd op basis van een catalogus stemt overeen met de wederverkoop op de gewone wijze. Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - PARITAIRE COMITES - PARITAIR COMITE NR. 201 - Bevoegd paritair comité - Paritair comité voor de zelfstandige kleinhandel - Begrip kleinhandel. Wettelijke bepalingen: Samenwerkingsakkoord (nationale overeenkomst) - 22-03-1973 - 1 - 02 ELI link Pub nr 1973032208 Nota: Ook gerangschikt onder XIV A (Wet 16.11.1972), art. 9 en IV B (Wet 5.12.1968), art. 1 - KB 23.07.1969 OPR. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 29 JANUARI 2007. 7DE KAMER Sociale Zekerheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak : B.V.B.A. ATELIER GOLDNER SCHNITT, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1730 ASSE, Hof te Bollebeeklaan 6 A. Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. C. VERHEYLEWEGHEN, advocaat te Zellik. Tegen: 1.- DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Werk, met burelen gevestigd te 1000 BRUSSEL, Maria Theresiastraat 1-3. - FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGEN-HEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG, met burelen gevestigd te 1070 BRUSSEL, Ernest Blerotstraat 1. 1ste geïntimeerde op hoofdberoep en appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr B. MERGITS, advocaat te Antwerpen. 2. DE RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (R.S.Z.), met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11. 2de geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. DE KERPEL loco Mr P. DERVEAUX, advocaat te Zaventem. -x- Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het vonnis gewezen op tegenspraak door de 8ste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel d.d. 16 september 2005; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel d.d. 3 november 2005; de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter buitengewone openbare terechtzitting van 16 oktober 2006 waarna de debatten gesloten werden en de zaak overgemaakt werd aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies. Gehoord de heer D. SOETEMANS, Advocaat-Generaal in de voorlezing van zijn schriftelijk advies ter buitengewone openbare terechtzitting van 27 november 2006. Gelet op de termijn van 14 dagen vanaf de datum van kennisgeving van dit advies verleend aan partijen om eventueel te repliceren, waarna de zaak van rechtswege in beraad werd genomen. Gelet op de repliek van appellante partij op dit advies ontvangen ter griffie op 11 december 2006. Feiten en procedurevoorgaanden De B.V.B.A. ATELIER GOLDNER SCHNITT, hierna verder genoemd AGS heeft als hoofdactiviteit : postorder-bedrijf in dameskledij. Er zijn negen arbeiders in dienst waarvan een chauffeur en acht arbeiders die zich bezig houden met het in- en uitpakken van de nieuwe en teruggestuurde catalogussen en het scannen ervan. Er zijn tevens twaalf bedienden in dienst waarvan drie administratieve bedienden( directie en boekhouding) en negen bedienden voor de klanten-dienst. Er zijn geen verkoopspunten in België. Al de kledij wordt vanuit Duitsland aan AGS geleverd. AGS levert vervolgens via postpakketten aan haar klanten. Op 27 september 1993 doet AGS een aanvraag tot inschrijving bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hierna verder genoemd RSZ. Zij omschrijft als voornaamste bedrijvigheid van de onderneming "postorderbedrijf dameskleding" (zie aanvraagformu-lier pagina drie rubriek twee); zij vermeldt tevens in de rubriek twee "kleinhandel"; voor de bedienden duidt AGS op dit formulier aan dat zij ressorteren onder het paritair comité 201. Op 28 augustus 2001 en 21 januari 2002 doet de inspectie van de sociale wetten district Halle-Vilvoorde een onderzoek bij AGS te Mollem inzake het bevoegd paritair comité. Als hoofdactiviteit wordt postorderbedrijf vermeld en tevens wordt er vermeld dat er geen wijzigingen zijn in de activiteiten in de loop van de laatste jaren van. Als voorstel van advies formuleert deze voor de arbeiders paritair comité nummer 100 en voor de bedienden paritair comité nummer 218. Bij aangetekend schrijven van 14 januari 2003 meldt de administratie van de collectieve arbeidsbetrek-kingen dat haar advies voor het in de onderneming van AGS bevoegde paritair comité het paritair comité nummer 109 betreft voor het kleding- en confectie-bedrijf voor de werklieden, overeenkomstig de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 05.12.1973 laatste gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 05.08.1992 tot oprichting van het paritair comité. Voor de bedienden werd als bevoegd paritair comité voor AGS dit van de zelfstandige kleinhandel nummer 201 aangewezen, gelet op de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 22.03.1973 tot oprichting van het paritair comité. Tevens wordt expliciet vermeld dat dit advies na een termijn van veertien dagen, als definitief wordt beschouwd. De termijn van veertien dagen laat AGS toe haar eventuele opmerkingen te laten geworden. Bij het verstrijken van de termijn zal het advies aan de betrokken instellingen ter kennis worden gebracht. AGS heeft tegen dit advies geen bezwaar of opmer-kingen aangetekend. De directie collectieve arbeidsbetrekkingen heeft dan ook de betrokken diensten op de hoogte gebracht waaronder de RSZ. De RSZ heeft bij beslissing van 5 maart 2003 laten weten dat AGS vanaf 1 januari 2003 de speciale bij-drage verschuldigd was ten behoeve van het sociaal fonds voor de kleding- en de confectienijverheid voor haar arbeiders. Het schrijven luidt als volgt : " ingevolge een advies van de administratie van collectieve arbeidsbetrekkingen d.d. 14 januari 2003, delen wij u mede dat de werkgever vanaf 1 januari 2003 de speciale bijdrage ten behoeve van het sociaal fonds voor de kledij- en confectie- nijverheid verschuldigd is voor het geheel van de handarbeiders. Dientengevolge zal de inschrijving van de werkgever zich voortaan voordoen als volgt : - categorie 038 voor de handarbeiders (paritair comité 109 voor de handarbeiders) - categorie 100 voor de hoofdarbeiders (paritair comité 201 voor de hoofdarbeiders) - Aan onze controlediensten werd gevraagd wijzigen- de berichten, die eventueel noodzakelijk mochten blijken, op te stellen". Bij schrijven van 17 juli 2003 heeft de raadsman van AGS medegedeeld dat het advies van 14 januari 2003 niet beantwoordde aan de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De directie collectieve arbeidsbetrekkingen heeft dan bij schrijven van 10 september 2003 aan de raadsman van AGS een kopie gestuurd van het verslag van 15 februari 2002 evenals van het advies zelf. De RSZ antwoordt bij schrijven van 25 augustus 2003 dat hij zijn beslissing handhaaft. Bij schrijven van 10 september 2003 verduidelijkt de algemene dienst van collectieve arbeidsbetrekkingen haar standpunt. Zij wijst er op dat de sociale inspectie na zijn controlebezoek slechts een voorstel tot advies uitbrengt doch dat het de dienst zelf is welke het advies uitbrengt inzake bevoegd paritair comité. Op 18 november 2003 ontving AGS een Pro Justitia met vaststelling van een aantal inbreuken op grond van CAO's van toepassing binnen het paritair comité nummer 109 met name het niet betalen van minimum-uurlonen; niet naleven van arbeidsvoorwaarden; niet nakomen van het betalen van een aanvullende vergoe-ding op het dubbel vakantiegeld enzovoort. Het strafdossier werd op 9 december 2003 geseponeerd. AGS betaalde onder voorbehoud de volgens de Pro Justitia en de brief van de RSZ van 5 maart 2003 (bijdrage sociaal fonds) verschuldigde sommen. AGS dagvaardt hierop op 15 juni 2004 de directie collectieve arbeidsbetrekkingen van de FOD Waso alsook de RSZ omdat hij zich niet akkoord kon verklaren met de indeling van haar bedrijf in het paritair comité's nummer 109 en 201. FOD werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, aanvaardt evenwel rechtsgeldig in het geding te zijn. AGS vordert de nietigverklaring van het advies van 14 januari 2003 van de algemene directie collectieve arbeid de betrekkingen; de Pro Justitia van 18 november 2003 van de inspectie sociale wetten; en de beslissing van 5 maart 2003 van de RSZ wegens schending van de formele motiveringsplicht, de regels van behoorlijk bestuur en miskenning van juridische definitie van kleinhandel; voor recht te zeggen dat AGS ressorteert onder het paritair comité nummer 100 wat de arbeiders betreft en paritair comité 218 wat de bedienden betreft; voorbehoud te verlenen voor de administratieve geldboetes waartoe AGS in de loop van het geding zou worden veroordeeld en betaling van 1 Euro provisioneel door de RSZ, meer de wettelijke intresten vanaf de datum van betaling. Een tegenvordering werd ingesteld bij besluiten van 18 april 2005 en de RSZ verzoekt ingeval haar beslissing van 5 maart 2003 nietig zou zijn, akte te willen nemen van de tegeneis en te horen zeggen voor recht dat AGS vanaf 1 januari 2003 ressorteert onder het paritair comité nummer 109 voor de arbeiders en het paritair comité nummer 201 voor de bedienden. AGS heeft de toestand geregulariseerd doch vordert van de RSZ provisioneel 1 Euro terug. Met het bestreden vonnis verklaart de Arbeidsrecht-bank zich bevoegd over de betwisting van het bevoegd paritair comité en de beslissing van de RSZ en onbevoegd kennis te nemen van betwistingen inzake PV's van de sociale inspectie, zolang hiervoor geen vordering tot betaling van administratieve geldboete is ingesteld. De hoofdvordering wordt niet ontvanke-lijk verklaard ten aanzien van de Pro Justitia van de sociale inspectie van 18 november 2003; de vordering wordt ontvankelijk verklaard ten aanzien van het advies van 14 januari 2003 van de algemene directie van collectieve arbeidsbetrekkingen en met betrekking tot de beslissing van de RSZ van 5 maart 2003; de vordering wordt ongegrond verklaard en er wordt voor recht gezegd dat AGS ressorteert onder het paritair comité 109 voor de arbeiders en 201 voor de bedienden. De tegenvordering wordt zonder voorwerp verklaard. De Arbeidsrechtbank neemt aan dat de activiteiten van AGS valt onder de term "handel in textiel-kleding" van het paritair comité 109 en onder het begrip "kleinhandel" van het paritair comité 201. -x- Beroepsgrieven Op grond van artikel 1 van de van de wet van de 29 juli 1991 vallen zowel de Pro Justitia als de beslissing van de RSZ, als het advies van de dienst Collectieve arbeidsbetrekkingen, onder het toepas-singsgebied van deze wet en zijn deze nietig wegens gebrek aan motivering. Deze beslissingen creëren rechtsgevolgen voor appellante. De beslissing van de RSZ is een eenzijdige bestuurs-handeling, en zij beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een bestuur. Ook de Pro Justitia is een eenzijdige bestuurs-handeling en zij beoogt eveneens rechtsgevolgen te hebben voor een ander bestuur. Beiden zijn als administratieve rechtshandeling eenzijdig verbindend en uitvoerbaar en genieten van het privilège du préalable. De eerste rechter heeft een verkeerde interpretatie gegeven aan het begrip "uitvoerbare beslissing" want een uitvoerbare beslissing is een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen. De eerste rechter heeft le privilège du préalable verward met le privilège de l'exécution d'office. De beslissingen zijn niet met redenen omkleed aangezien het de bestuurde niet in staat stelt de motieven van de administratie te onderzoeken en gebeurlijk te betwisten. De bestuurde moet op basis van de beslissing zelf, dit wil zeggen zonder dat hij verdere opzoekingen moet doen, in de mogelijk-heid zijn de motieven van de wijziging te kennen en te beantwoorden. Zowel de Pro Justitia als de beslissing van de RSZ steunen zich op het advies van de dienst Collectieve arbeidsbetrekkingen van 14 januari 2003 zonder verdere uiteenzetting zodat deze nietig zijn. Daarbij komt nog dat het advies in strijd is met het eerder voorgestelde advies van 15 februari 2002 en niet alleen is de motivering hiervoor onvoldoende doch tevens zijn de beginselen van openbaar bestuur geschonden zijnde het recht om gehoord te worden of het recht om zijn standpunt naar voor te brengen. Daarenboven is de termijn voor opmerkingen te kort teneinde op nuttige wijze zijn bezwaar te formuleren temeer daar er in deze zaak op 1 jaar tijd 2 tegen-strijdige adviezen werden geformuleerd. Ook de vermelding dat het advies na een termijn van 14 dagen als definitief wordt beschouwd is geen behoorlijk bestuur aangezien hierdoor appellante niet kan weten dat zij ook nog na die termijn kan reageren. Bij beroepsbesluiten neergelegd ter griffie op 3 januari 2006 stelt de Belgische Staat, incidenteel hoger beroep in omdat de eerste rechter ten onrechte de vordering gericht tegen de Belgische Staat m.b.t. de nietigheid van het advies van 14 januari 2003 ontvankelijk verklaart. AGS heeft immers geen belang ten aanzien van de Belgische Staat, Dienst collectieve betrekkingen en de vordering dient niet ontvankelijk te worden verklaard. -x- Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. Dit geldt tevens voor het incidenteel beroep ingesteld door de Belgische Staat. -x- Ten gronde De adviezen van de dienst Collectieve arbeids-betrekkingen van het MTA Het behoort de werkgever zelf toe, op grond van art. 21 ,§ 1 eerste lid van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, dat iedere verzekeringsplichtige werk-gever zich bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid laat inschrijven en aan deze laatste een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschul-digde bijdrage laat geworden (zie eveneens Buyssens verhouding ressort paritair comité en toepassings-gebied collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in het paritair comité in CA recht deel III paritair comité is CED Samson). Overeenkomstig art. 22 van deze wet bepaalt de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid ambts-halve het bedrag van de verschillende bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens; overeenkomstig art. 33 ,§ 1 van het KB van 28 november 1969 kent de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan iedere bijdrageplichtige werkgever een inschrijvingsnummer toe dat hem wordt medegedeeld binnen de acht dagen volgend op de verzending van de ter post aangetekende aanvraag; hierbij wordt aan elke werkgever een getal toegekend, waarbij de werkgever wordt ingedeeld in een bepaalde categorie, waaruit kan worden afgeleid onder welk paritair comité de werkgever ressorteert; de dienst collectieve Arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid kan wanneer er twijfel bestaat over de vraag onder welke paritair comité een onderneming ressorteert, advies verlenen, die als dan de arbeidsinspectie met een onderzoek gelast. " Het bepalen door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, na onderzoek van de dienst voor collectieve arbeidsbetrekkingen, van het paritaire comité dat bevoegd is voor een bepaald persoon of voor een bepaald bedrijf, is niet meer dan een advies dat, al heeft het dan in de praktijk een groot gezag, niettemin rechtens geen bindende kracht heeft en geen enkel rechtsgevolg sorteert. Aangezien in geval van een betwisting in verband met de bevoegdheid van een paritair comité, naar aanleiding van een geschil tussen werkgevers en werknemers, de bevoegde arbeidsrechtbank volledig autonoom een uitspraak doet op grond van art. 578, 3é Ger. Wb., is het advies van de minister geen bestuurshandeling in de zin van art. 14 R.v.St.-Wet" (Arrest Raad van State 24 november 1988). Zo kan de Arbeidsrechtbank eveneens op grond van art. 580 1° Ger. Wb. bevoegd zijn in verband met de bepaling van een bevoegd paritair comité. Het advies van de dienst Collectieve arbeids-betrekkingen is geen rechtshandeling en kan op zich geen rechtsgevolgen voortbrengen. Zij binden de rechter niet. In feite geeft appellante dit ook toe in haar beroepsverzoekschrift, waar zij stelt op blz. 9 "verzoekster is er zich terdege van bewust dat een advies geen administratieve akte is en derhalve niet onderworpen aan de formele motiveringsplicht" . Nu het advies geen rechtshandeling is, geldt de wet van 29.06.1991 terzake het advies niet. -x- De beslissing van de RSZ van 5 maart 2003 en de Pro Justitia van 18.11.2003 Vraag is of het schrijven van 5 maart 2003 van de RSZ, een eenzijdige rechtshandeling is die valt onder het toepassingsgebied van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de bestuurshandeling "de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking is die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur". Blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 juli 1991 zijn er vier criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald wat als een bestuurs-handeling moet worden beschouwd :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.