← België

ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070205.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 05 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070205.3 Rolnummer: 44.304 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-05-10 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-07-02 15:17 Fiche De tekst van artikel 15 § 2, 2e alinea: 'op voorwaarde dat deze normaal het volgend jaar niet wordt hernomen' dient te worden gelezen en begrepen als 'op voorwaarde dat deze normaal niet wordt hernomen in het kalenderjaar, volgend op de stopzetting'. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Algemeen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - SOCIAAL STATUUT - Hervatting van de zelfstandige bezigheid na onderbreking. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 38 - 26-07-1967 - 15,§2,L2 - 01 Link Justel databank 19670726-01 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 FEBRUARI

  1. 9 DE KAMER Bijdragen zelfstandigen Artikel 751 G.W. Definitief In de zaak : DE V.Z.W. PARTENA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Anspachlaan, 1, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter M. De Spiegeleer loco Mter L. De Meulenaere, advocaat te 9000 Gent; Tegen : De Heer L. V., Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mter D. Raes loco Mter E. Degrez, advocaat te 1050 Brussel; ¿ ¿ ¿ Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, in het bijzonder op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 5 mei 1998 door de 14de Kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel in de zaak met A.R. nr. 56384/97; - het beroepsverzoekschrift , ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 4 juni 2003; - de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 4 november 2003, 4 mei 2006 en 2 november 2006; - de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten voor appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 3 juni 2005, 8 mei 2006 en 3 november 2006; - de bundel met stukken van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 4 mei 2006; - de bundel met stukken van appellante neergelegd ter griffie op 30 maart 2006; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 4 december
  2. Gelet op het schriftelijk advies van de Heer J.J. André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie op 12 december 2006 en waarvan kennisgeving aan partijen op 12 december 2006: Gelet op de repliek op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie voor geïntimeerde ontvangen ter griffie op 3 januari 2007; Gelet op de repliek op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie voor appellante ontvangen ter griffie op 18 december 2006; De zaak werd ter openbare terechtzitting van 8 januari 2007 in beraad genomen. x x x I. DE FEITEN. De Heer V. was sportleraar in hoofdberoep van 14 september 1964 tot 31 augustus
  3. Hij was in loopbaanonderbreking van 1 september 1989 tot 31 augustus 1991 en vanaf 30 juli 1992 in disponibiliteit wegens ziekte. Daarnaast was hij commanditair vennoot in de commanditaire vennootschap A.M. Blommaert & Cie - Galy Sport waarvan hij op 15 september 1981 medeoprichter was samen met Mevrouw A.-M. B.. Deze vennootschap had een seizoengebonden activiteit en beperkte zich tot verkoop van skimateriaal doorgaans van september-oktober tot Pasen. De Heer V. oefende voor deze vennootschap een activiteit uit als zelfstandige in bijberoep over de periodes van 1 december 1989 tot 29 september 1990, van 1 april 1991 tot 30 juni 1992 en van 1 oktober 1993 tot 1 juni
  4. Hij deed voor elke periode van activiteit een aansluiting als zelfstandige en tevens na elke periode een verklaring van stopzetting, zoals blijkt uit zijn stukken 1, 2,
  5. Op 5 december 1995 treft het RIJKSINSTITUUT VOOR SOCIALE VERZEKERINGEN VOOR ZELFSTANDIGEN een beslissing aangaande de onderwerping van de Heer V. aan het sociaal statuut der zelfstandigen (stuk 1 Partena) en besluit met name dat hij doorlopend moet onderworpen worden van oktober 1986 tot juni
  6. De Heer V. ontving deze brief van het R.S.V.Z. in de lokalen van appellante op 30 januari
  7. Hij ontvangt tevens een eerste regularisatiebericht dd. 28 december 1995 van appellante op 3 januari 1996 waartegen hij reageert met aangetekende brief van 2 februari 1996, waarin hij een ononderbroken onderwerping betwist. Appellante maakt zijn brief over aan het R.S.V.Z. op 7 februari 1996 (stuk 6 appellante) en herinnert het R.S.V.Z. aan haar vraag om heronderzoek op 9 mei 1996 (stuk 7 appellante). Op 24 mei 1996 ontvangt appellante vanwege het R.S.V.Z. bevestiging van zijn eerdere beslissing dd. 5 december 1995 (stuk 2 appellante) doch appellante maakt deze beslissing om niet nader bekende redenen niet onmiddellijk over aan de Heer V.. De Heer V. dringt bij De Familie aan op antwoord op zijn brief dd. 2 februari 1996 met aangetekende brieven dd. 27 augustus 1996 en 7 november
  8. Op 19 december 1996 antwoordt De Familie aan de Heer V. dat zij nog geen antwoord ontving vanwege R.S.V.Z. . Pas bij fax-bericht dd. 30 april 1997 deelt appellante aan de Heer V. de beslissing van het R.S.V.Z. dd. 23 mei 1996 mee. Op 19 juni 1997 dagvaardt appellante de Heer V. voor de eerste rechter in betaling van : - de som van 578.604 BEF hoofdens achterstallige bijdragen ¿ sociaal statuut ¿, onder voorbehoud van de betaling van aanvullende bijdragen waartoe de latere regularisatie aanleiding zou kunnen geven, - op een bedrag van 578.094 BEF de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding, de kosten van het geding. De tegeneis van de Heer V. strekt ertoe in ondergeschikte orde te horen zeggen voor recht dat hij in toepassing van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek niet gehouden is tot de intresten, verhogingen en rappelkosten op de verschuldigde som, de gerechtelijke compensatie te horen bevelen en Partena te horen veroordelen tot de kosten van het geding. II. HET BESTREDEN VONNIS EN DE UITVOERING ERVAN. Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Zegt voor recht dat de vordering tot betaling van de bijdragen voor de periode van het eerste tot het vierde kwartaal 1990 verjaard is. Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellante van het bedrag van 208.483 BEF ten titel van sociale zekerheidsbijdragen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen, onder voorbehoud van de betaling van de aanvullende bijdragen waartoe de latere regularisatie aanleiding zou kunnen geven, alsmede tot de verhogingen, intresten en de kosten. Verklaart de tegeneis ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt appellante tot betaling aan de Heer V. van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de verhogingen, intresten en de kosten waartoe de Heer V. werd veroordeeld. Beveelt de compensatie van de bedragen verschuldigd door beide partijen, zodat de Heer V. slechts kan gehouden zijn het bedrag van 208.483 BEF te betalen onder het voorbehoud zoals hierboven geformuleerd. De Heer V. wordt gemachtigd zijn schuld af te betalen à rato van 20.000 BEF per maand vanaf 1 juli
  9. Bij niet-naleving van deze betalingstermijnen op één vervaldag wordt de gehele schuld onmiddellijk opeisbaar. Veroordeelt appellante tot de kosten van de dagvaarding, tot op heden begroot in hoofde van appellante op 4.204 BEF dagvaardingskosten, en laat de kosten van de Heer V. ten laste van deze laatste partij. De eerste rechter oordeelt dat de regularisatiebijdragen voor het jaar 1990 zijn verjaard overeenkomstig artikel 49 van het K.B. van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het K.B. nr.
  10. Over de betaling van de bijdragen oordeelt de eerste rechter : ¿ Voor het verschuldigd zijn van bijdragen over de 4 kwartalen van een kalenderjaar is niet vereist dat de zelfstandige zekerheid heeft dat hij telkens weer met de zelfstandige activiteit wordt belast. De feitelijke vaststelling van de herneming van jaar tot jaar is voldoende (Cassatie, 12 december 1994, Soc. Kron. 1995, 161). In casu kan dus gesteld worden dat de bijdragen verschuldigd zijn vanaf 1 januari 1991 tot 30 juni 1992 vermits tussen de eerste (1 december 1989 - 29 september 1990) en tweede periode ( 1 april 1991 - 30 juni 1992) van zelfstandige activiteit slechts een periode van inactiviteit van 6 maanden ligt. Tussen de zelfstandige activiteit die werd beëindigd op 30 juni 1992 en degene die aanving op 1 oktober 1993, was een periode van 15 maanden gelegen. De zelfstandige activiteit werd bijgevolg niet binnen het jaar hervat zodat de bijdragen pas opnieuw verschuldigd zijn vanaf 1 oktober 1993 tot 1 juni
  11. In de tussenperiode van 1 juli 1992 tot en met 30 september 1993 was de Heer V. slechts een commanditaire vennoot, die zich niet mocht inlaten met het bestuur van de vennootschap, zodat hij als zodanig stille vennoot was en geen bijdragen verschuldigd is ¿. De tegeneis acht de eerste rechter gegrond om volgende redenen : Er blijkt uit de stukken dat appellante op 23 december 1996 een schrijven gedateerd van 23 mei 1996 van de R.S.V.Z. ontving waarbij deze laatste meent dat geïntimeerde de bijdragen dient te betalen, ook in de periodes waarvoor hij geen activiteit uitoefende. Deze brief wordt pas op 30 april 1997 aan geïntimeerde overgemaakt. De raadsman van geïntimeerde richt op 7 mei 1997 een schrijven naar appellante waarbij hij vraagt vrijwillig te verschijnen voor de Arbeidsrechtbank te Brussel teneinde het geschil te laten beslechten. Als enig antwoord wordt geïntimeerde gedagvaard op 19 juni
  12. De kosten van de dagvaarding moeten bijgevolg ten laste van appellante worden gelegd. Uit wat voorafgaat blijkt dat appellante een onredelijke termijn heeft gehanteerd om het dossier in orde te brengen. Nochtans, door de toetreding van de Heer V. tot de sociale kas ¿ DE FAMILIE ¿ is er tussen partijen een samenwerkingsverplichting ontstaan waarin beide partijen verplichtingen hebben en waarbij in hoofde van appellante in het bijzonder een informatie- en hulpopdracht ontstaat. Het onzorgvuldig beheer, waarbij de onzekerheid bleef bestaan omtrent de te betalen bijdragen en er geen inspanningen werden geleverd om daarin duidelijkheid te scheppen, maakt een fout uit in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek. Appellante dient in te staan voor de schade die zij door haar fout heeft veroorzaakt. Appellante dient bijgevolg te worden veroordeeld tot een schadevergoeding gelijk aan de verhogingen, intresten en de kosten. De Heer V. voerde het vonnis uit en verrichtte maandelijkse afbetalingen aan appellante vanaf 2 juli 1998 à rato van 495,78 ¿/maand tot 4 mei
  13. Hij betaalde in totaal een som van 4.702,44 ¿. III. DE BEROEPSGRIEVEN. Partena die de rechtsopvolger is van De Familie verzoekt het Hof het bestreden vonnis te niet te doen en opnieuw rechtdoende haar oorspronkelijke eis gegrond te verklaren en de Heer V. te veroordelen tot betaling van 9.640,78 ¿, zijnde het door geïntimeerde op haar oorspronkelijke eis nog verschuldigd saldo ten titel van regularisatiebijdragen voor de periode van 1 januari 1990 tot en met 30 juni 1994 vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 19 juni 1997 en de oorspronkelijke tegeneis van de Heer V. af te wijzen als ongegrond en hem te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Appellante stelt dat haar oorspronkelijke vordering, ingeleid met dagvaarding dd. 19 juni 1997 niet is verjaard, ook niet voor de bijdragen voor het jaar 1990 daar zij de verjaring tijdig stuitte met een aangetekende brief dd. 28 december 1995 zoals voorzien in artikel 16 § 2, 2° K.B. nr. 38 (stuk 3). Appellante stelt dat de eerste rechter ten onrechte aan de toepassing van artikel 15, § 2, 1° K.B. nr. 38 een voorwaarde toevoegt die het artikel zelf helemaal niet stelt, nl. dat de zelfstandige activiteit binnen het jaar moet hervat worden. De letterlijke tekst van artikel 15, § 2, 1° K.B. nr. 38 stelt : §
  14. De driemaandelijke bijdragen is verschuldigd voor de vier kwartalen van het kalenderjaar, waarin de beroepsbezigheid gelegen is die de onderwerping aan dit besluit meebrengt. Deze bijdragen is nochtans niet verschuldigd. 1° vóór het kwartaal tijdens hetwelk de bezigheid als zelfstandige een aanvang nam, noch na het kwartaal tijdens hetwelk aan deze bezigheid een einde werd gesteld, op voorwaarde dat deze normaal het volgend jaar niet wordt hernomen. Nergens in dit artikel kan men zodoende lezen dat het noodzakelijk zou zijn dat de zelfstandige activiteit binnen het jaar moet worden hervat. Er wordt enkel gesproken over ¿ het volgend jaar ¿ en de voorwaarde dat de zelfstandige activiteit normaal ¿ het volgend jaar ¿ niet hernomen wordt, teneinde te kunnen ontsnappen aan het verschuldigd zijn van de bijdrage. Appellante besluit zodoende dat geïntimeerde zich niet kan beroepen op artikel 15, § 2, 1° K.B. nr. 38 om te stellen dat hij geen bijdrage zou verschuldigd zijn voor de kwartalen die overeenstemmen met de periode van onderbreking van 15 maanden, aangezien geïntimeerde na de stopzetting in 1992 het volgende kalenderjaar

(1993)de zelfstandige activiteit heeft hernomen. Dat deze herneming ¿ normaal ¿ was blijkt genoegzaam uit de periodes waarvoor de sociale bijdragen worden ingevorderd. Dat geïntimeerde steeds de intentie had zijn werkzaamheden te hernemen, blijkt duidelijk uit o.a. het Verslag van de Buitengewone Algemene Vergadering van 25 januari 1991 (cfr. de bijlage aan stuk 2) : ¿ het mandaat van werkend commanditair-vennoot en/of stille commanditair-vennoot kan om het even wanneer gewijzigd worden en dit volgens afspraak en goedkeuring van de beide vennoten ¿. De wijze waarop het mandaat kan worden gewijzigd, duidt aan dat geïntimeerde nooit enige intentie had tot effectieve stopzetting. Immers, het feit dat het mandaat zeer eenvoudig kan worden gewijzigd, wijst op de intentie om de activiteiten telkenmale te hernemen. Verder blijkt de intentie van geïntimeerde om zijn activiteit als zelfstandige in bijberoep te hernemen, ook afdoende uit zijn feitelijke jaarlijkse hernemingen. Een ¿ normale ¿ herneming is immers geen synoniem voor een ¿ noodzakelijke ¿ herneming. Het volstaat dat er de facto jaar na jaar een herneming is geweest (Cassatie, AR S.94.0065.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941212.5, 12 december 1994 (C.W./F.), Arr. Cass. 1994, 1100). Ten overvloede verwijst appellante naar de inconsistentie in de inkomsten van geïntimeerde indien deze worden vergeleken met de periodes waarin hij (zogezegd) als stille vennoot geen enkele bestuurshandeling kon of mocht stellen en bijgevolg ook geen vergoeding bekwam. Appellante meent dat de eerste rechter haar ten onrechte veroordeelt tot betaling van schadevergoeding daar zij geïntimeerde informatie en bijstand heeft verschaft door hem de beslissingen van het R.S.V.Z. dd. 5 december 1995 en 24 mei 1996 mee te delen. Appellante stelt dat zij aan een definitieve beslissing van het R.S.V.Z. niets kan veranderen en dat zij aan de Heer V. niets meer kon meedelen dan wat het R.S.V.Z. besliste. Volgens appellante bewijst de Heer V. geen enkele onzorgvuldigheid of fout in haren hoofde noch enig oorzakelijk verband met de door de eerste rechter toegekende schadevergoeding vermits de oorzaak van de wettelijke verhogingen en intresten niet ligt bij appellante doch bij geïntimeerde. Deze wist vanaf 5 december 1995 dat hij volgens de beslissing van het R.S.V.Z. de geregulariseerde bijdragen moest betalen doch bleef dit ten onrechte betwisten en betaling weigeren waardoor de verhogingen ontstonden. De nieuwe tegeneis van de Heer V. tot betaling van zijn advocaatskosten (2.500 ¿) ingesteld met zijn laatste beroepsbesluiten is volgens appellante onontvankelijk. Een tegenvordering die voor het eerst in graad van beroep wordt ingesteld, is slechts toelaatbaar indien zij steunt op een feit of akte vermeld in de inleidende dagvaarding of indien zij een verweer vormt tegen de hoofdeis (Cassatie, AR 7125, 18 januari 1991 (Koslowski/Back), http://www.cass.be (18 oktober 2001); Arr. Cass. 1990-91, 525; Bull. 1991, 463; J.T. 1991 (verkort), 748; Pas. 1991, I, 463; Cassatie, AR 3444, 10 september 1982 (Nijs/ Schrijvers), Arr. Cass. 1982-83, 55; Bull. 1983, 52; Pas. 1983, I, 52; R.W. 1983-84, 524, noot). Aangezien de tegenvordering van geïntimeerde betreffende de advocatenkosten hoegenaamd niet voldoet aan voormelde voorwaarden, kan niet anders dan besloten worden dat deze tegenvordering niet toelaatbaar en niet ontvankelijk is. Minstens is deze eis volgens appellante ongegrond daar in hoofde van appellante geen fout wordt bewezen noch de schade noch het causaal verband noch de absolute noodzaak om een advocaat te raadplegen. IV. STANDPUNT VAN GEINTIMEERDE : IMPLICIET INCIDENTEEL HOGER BEROEP. De Heer V. verzoekt het Hof het hoger beroep van Partena onontvankelijk te verklaren, en haar te veroordelen tot alle kosten voor beide aanleggen. In subsidiaire orde verzoekt hij het Hof : Het beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Het bestreden vonnis te bevestigen zowel wat de hoofdvordering als de tegenvordering betreft. Bijgevolg voor recht te verklaren dat de vordering tot betaling van de bijdragen voor de periode van het eerste tot het vierde kwartaal 1990 verjaard is. Voor recht te zeggen dat geen bijdragen verschuldigd zijn voor de periode tussen 30 juni 1992 en 1 oktober 1993 en dat bijgevolg sinds de afbetalingen van de Heer V. niets meer verschuldigd is aan PARTENA ten titel van sociale zekerheidsbijdragen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen. De tegeneis ontvankelijk en gegrond te verklaren en PARTENA te veroordelen tot betaling aan de Heer V. van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de verhogingen, intresten en de kosten waartoe hij zou worden veroordeeld. De tegeneis strekkende tot veroordeling van PARTENA tot de advocatenkosten gedragen door de Heer V. ex aequo et bono geschat op 2.500 ¿ ontvankelijk en gegrond te verklaren. De bedragen te compenseren. PARTENA te veroordelen tot de kosten van beide gedingen, met inbegrip van de (geïndexeerde) rechtsplegingsvergoeding van de Heer V., zowel in eerste aanleg als in beroep. De Heer V. meent dat het hoger beroep onontvankelijk is daar het werd ingeleid meer dan 5 jaar na het bestreden vonnis en daar uit de houding van Partena blijkt dat zij er stilzwijgend in berustte zoals bedoeld in artikel 1045 Gerechtelijk Wetboek. Het vonnis werd dus door beide partijen zonder verder voorbehoud uitgevoerd, zonder dat PARTENA gedurende het verstrijken van de periode van 5 jaar maar enig voorbehoud heeft geformuleerd. Het Arbeidshof kan derhalve rechtsgeldig van de houding van de partijen afleiden dat PARTENA in het vonnis van 5 mei 1998 berustte. Het beroep moet dus onontvankelijk verklaard worden. In ondergeschikte orde moet vastgesteld worden dat PARTENA in strijd met de goede trouw gehandeld heeft en bij de Heer V. de verwachting heeft geschapen dat zij bij het vonnis berustte, door de aanvaarding zonder voorbehoud van de betalingen. ¿ Rechtsverwerking brengt mee dat wie niets doet en aldus bij zijn wederpartij de verwachting heeft geschapen dat hij zijn aanspraken niet meer zal geldend maken, in strijd handelt met de goede trouw zo hij dit toch poogt te doen. In casu was de vordering van eiser meer dan 25 jaar oud en sleepte de procedure al 22 jaar aan, zonder dat er sprake was van verjaring. Het feit dat de zaak zo lang heeft ¿ geslapen ¿, leidt ertoe dat de vordering ¿ verwerkt ¿ is ¿ ( zie Vred. Antwerpen
(10), 26 september 2002, Juristenkrant 2002 (weergave SCHEERS D.), afl. 57,7). Verder vordert de Heer V. bij wijze van tegeneis benevens de door de eerste rechter toegekende schadevergoeding ten belope van verhogingen, intresten en kosten tevens de veroordeling van Partena tot betaling van zijn advocaatskosten die hij ex aequo et bono op 2.500 ¿ begroot. Volgens het Hof is deze aldus uitgebreide eis een impliciet incidenteel hoger beroep. De Heer V. stelt dienaangaande : Het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 2 september 2004 besloten, dat de advocatenkosten deel kunnen uitmaken van de schade van het slachtoffer van een contractuele fout in de mate dat deze kosten het noodzakelijk gevolg zijn van de niet-uitvoering van het contract. Deze rechtspraak werd trouwens uitgebreid door de Hoven van Beroep en rechtbanken op de advocatenkosten van het slachtoffer van buitencontractule (quasi-delictuele) aansprakelijkheid (zie in die zin Luik, 16 juni 2005, J.T. 17 september 2005, blz. 542; Rb. Brussel, 25 februari 2005, JLMB 2005, blz. 699; Arbeidshof Brussel, 16 maart 2005, J.T.T. 2005, blz. 366). Volgende criteria worden door de Rechtspraak in aanmerking genomen om de gegrondheid van een vordering tot terugbetaling van de advocatenkosten vast te stellen : -heeft de tegenpartij een fout begaan ? Het blijkt uit de discussie dat zowel een contractuele als een buitencontractuele fout in het hoofd van PARTENA bewezen is. -is het voorwerp van de vordering de schadeloosstelling voor de schade die uit deze fout voortvloeit ? De Heer V. vraagt dat de boetes en intresten die hem door het foutief gedrag van PARTENA aangerekend worden ten laste gelegd worden. -waren de advocatenkosten noodzakelijk om de schadeloosstelling te bekomen : De materie van de sociale bijdragen is een bijzonder technische materie die de tussenkomst van een advocaat rechtvaardigt. De voorwaarden voor de veroordeling van PARTENA tot de advocatenkosten gedragen door de Heer V. zijn dus vervuld. V. BEOORDELING DOOR HET HOF. A. De ontvankelijkheid. De artikelen 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen enerzijds wat berusten in een beslissing is nl. : afstand doen van de rechtsmiddelen, anderzijds dat stilzwijgende berusting slechts kan worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing. Afstand van rechten of van rechtsmiddelen is van strikte interpretatie. Het louter stilzwijgend aanvaarden door appellante van de door de Heer V. in uitvoering van het vonnis verrichte betalingen bewijst helemaal niet dat Partena het vaste voornemen had haar instemming te betuigen met de beslissing waarmee het vonnis dd. 5 mei 1998 haar oorspronkelijke eis als ongegrond afwees, zoals vereist door artikel 1045 Gerechtelijk Wetboek. Zo de Heer V. zekerheid wenste over de intenties van appellante, kon hij haar het vonnis laten betekenen of via zijn raadsman appellante over haar intenties ondervragen. Het Belgisch Hof van Cassatie erkent de leer van de rechtsverwerking niet als een algemeen rechtsbeginsel. Men spreekt van rechtsverwerking waarin iemand door toedoen van zijn eigen gedragingen een recht verliest omdat het verder uitoefenen ervan strijdig is met de voorheen ingenomen houding. Het louter stilzwijgen van appellante gedurende een aantal jaren na het vonnis dd. 5 mei 1998 kan niet worden beschouwd als een houding die strijdig is met het aanwenden van het rechtsmiddel van het hoger beroep. Appellante heeft immers door dit louter stilzitten niet te kennen gegeven dat zij in het vonnis berustte. Het hoger beroep is derhalve toelaatbaar en naar vorm en tijd ontvankelijk. x x x Overwegende dat de Heer V. met beroepsbesluiten zijn oorspronkelijke tegeneis tot veroordeling van appellante tot betaling van schadevergoeding wegens haar onzorgvuldigheid uitbreidt met de som van 2.500 ¿ ten titel van schade wegens advocaatskosten. Deze vordering is niet te beschouwen als een nieuwe eis doch als een uitbreiding van de schadevergoeding gevorderd bij tegeneis, ingesteld bij besluiten op 19 februari 1998 voor de eerste rechter. Deze eisuitbreiding geschiedde volgens de vormen en regels voorzien door artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek nl. met op tegenspraak genomen conclusies. Deze aldus uitgebreide tegeneis is ontvankelijk. De Heer V. stelt bij wege van besluiten voor ons Hof impliciet een incidenteel hoger beroep in dat naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt. De verjaring voor de bijdragen voor het jaar
  1. Uit appellantes stuk 3 blijkt dat de oorspronkelijke vordering van appellante regularisatiebijdragen betreft voor het jaar 1990, zodat de verjaring, voorzien in artikel 49 van het K.B. van 19 december 1967 houdende het Algemeen Reglement in uitvoering van het K.B. nr. 38 houdende inrichting van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen van toepassing is, zoals de eerste rechter reeds terecht stelde. Deze verjaring kan gestuit worden op de wijzen voorzien door artikel 16 § 2 van het genoemd K.B. nr. 38, waaronder 2° met een aangetekende brief waarmee het organisme de bijdragen opvordert. Opdat deze aangetekende brief de verjaring zou kunnen stuiten is evenwel vereist dat hij zou ondertekend zijn in naam van de Kas door een persoon die bevoegd is de Kas te verbinden (Cassatie, 22 september 2003, J.T.T. 2004, 7). Inzake blijkt dat de aangetekende brief van 28 december 219958 die verstuurd werd op 29 december 1995 niet ondertekend werd door een persoon die bevoegd is de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen te verbinden. Deze brief heeft de verjaring derhalve niet kunnen stuiten. Geïntimeerde beroept zich terecht op de verjaring wat de bijdragen betreft verschuldigd voor het eerste tot vierde kwartaal
  2. Het Hof beaamt de eerste rechter waar deze stelt : ¿ De regularisatiebijdragen voor de periode van het eerste tot het vierde kwartaal 1990 zijn verjaard : eiser hervatte zijn zelfstandige activiteit op 1 december
  3. Bij begin of hervatting van de zelfstandige activiteit wordt de verjaring bereikt op 1 januari van het achtste jaar volgend op het begin of op de herneming van de beroepsbezigheid, en dit overeenkomstig artikel 49 van het K.B. van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. In het dossier bevindt zich geen enkel stuk waaruit zou blijken dat de verjaring werd gestuit. Op 1 januari 1997 waren deze bijdragen bijgevolg verjaard ¿. Is geïntimeerde ononderbroken bijdrageplichtig ? De vraag betreft de periodes van 1 januari 1990 tot 1 juni 1994, waartijdens de Heer V. een zelfstandige activiteit verrichtte : Van 1 december 1989 tot 29 september 1990 Van 1 april 1991 tot 30 juni 1992 Van 1 oktober 1991 tot 1 juni 1994 Artikel 15 § 2 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat de driemaandelijkse bijdrage verschuldigd is voor de vier kwartalen van het kalenderjaar waarin de beroepsactiviteit gelegen is die de onderwerping aan dit besluit meebrengt. ¿ Deze bijdrage is nochtans niet verschuldigd : 1e vóór het kwartaal tijdens dewelke de bezigheid als zelfstandige een aanvang nam, noch na het kwartaal tijdens hetwelk aan deze bezigheid een einde werd gesteld, op voorwaarde dat deze normaal het volgend jaar niet wordt hernomen ¿ (artikel 15, § 2, 2e alin.). Door geïntimeerde kan bezwaarlijk betwist worden dat de jaarlijkse herneming van zijn zelfstandige beroepsactiviteit behoorde tot zijn normale vooruitzichten aangezien het naar zijn eigen zeggen ging om seizoengebonden activiteiten. Door geïntimeerde wordt niet bewezen noch aanneembaar gemaakt dat zijn jaarlijkse activiteit telkens slechts een toevallig en onvoorzien karakter zou gehad hebben. Terecht wijst appellante erop dat de intenties van de beide vennoten te weten Mevrouw B. en de Heer V. veruiterlijkt werden in de beslissing van de Algemene Vergadering van 25 januari 1991, luidens welke het mandaat van werkend of stille vennoot om het even wanneer kan gewijzigd worden volgens afspraak en goedkeuring van beide vennoten. Het feit dat het mandaat zeer eenvoudig kan gewijzigd worden wijst op de intentie om de activiteiten telkenmale te hernemen. Het is een feit dat er daadwerkelijk ook telkens een herneming is geweest. Voor het verschuldigd zijn van bijdragen over de 4 kwartalen is niet vereist dat de zelfstandige zekerheid heeft dat hij telkens weer met de zelfstandige activiteit wordt belast. De feitelijke vaststelling van de herneming van jaar tot jaar is voldoende (Cassatie, 12 december 1994, S.R.K. 1995, 161). De bijdragen zijn derhalve verschuldigd van 1 januari 1991 tot 30 juni 1992 vermits geïntimeerde de activiteit hernomen heeft in het jaar
(1991)na de stopzetting ( 29 september 1990). Het Hof meent dat overeenkomstig voornoemd artikel 15 ook voor de periode van 1 oktober 1993 tot 1 juni 1994 de bijdragen verschuldigd zijn voor alle kwartalen omdat de Heer V. zijn activiteit had stopgezet op 30 juni 1992 en hij ze hervat heeft vanaf 1 oktober 1993 of m.a.w. in het volgend jaar zoals bepaald door artikel 15 § 2, 2e alinea. De tekst van artikel 15 § 2, 2e alinea ¿ op voorwaarde dat deze normaal het volgend jaar niet wordt hernomen ¿ dient volgens het Hof te worden gelezen en begrepen als ¿ op voorwaarde dat deze normaal niet wordt hernomen in het kalenderjaar, volgend op de stopzetting ¿. Het Hof meent dat het tweede lid van artikel 15 § 2 (nl. ontheffing van bijdrageplicht) immers een uitzondering is op de algemene regel, vervat in artikel 15 § 2, eerste lid (verplichting tot betaling van bijdragen over alle kwartalen van het kalenderjaar) zodat de voorwaarden, vervat in het tweede lid, beperkend moeten worden geïnterpreteerd. Het Hof deelt dienaangaande de mening vertolkt door het Arbeidshof te Antwerpen in zijn arrest dd. 5 september 1997, J.T.T. 1998, 400. : ¿ Voornoemde bepaling is duidelijk ingegeven door de bekommernis van de wetgever om misbruiken te voorkomen zoals deze waarbij vanuit tactisch oogpunt de bijdrageplicht wordt omzeild door de zelfstandige beroepsbezigheid (op papier) te beperken tot een zo klein mogelijke periode van het kalenderjaar. De strengheid van de bepaling voorkomt dat de rechtgeaarde burger die gedurende gans het kalenderjaar zijn zelfstandige beroepsbezigheid low profile beoefende, sociaal zwaarder wordt belast dan de zelfstandige die gedurende een zeer beperkte periode officieel actief is geweest en belangrijke inkomsten heeft genoten.¿ Het Hof meent dat de door geïntimeerde voorgehouden interpretatie trouwens strijdig is met de tekst van artikel 15 § 2, 2e lid. In deze tekst staan de woorden ¿ het volgend jaar ¿ en niet de woorden ¿ binnen het jaar ¿. Ware het de bedoeling geweest van de wetgever om de bijdrageplicht te beperken ingeval van een herneming van acticiviteit binnen de 12 maanden na de stopzetting, dan zou de wetgever in artikel 15 § 2, 2e lid niet de woorden ¿ het volgend jaar ¿ hebben aangewend doch de woorden ¿ binnen het daaropvolgend jaar ¿. Het Hof stelt vast dat de Heer V. NIET VOLDOET aan de door genoemd artiel 15 § 2, 2e lid voorgeschreven voorwaarde (nl. de activiteit niet te hebben hernomen in het kalenderjaar
(1993)volgend op de stopzetting
(1992)zodat artikel 15 § 2, 1e lid van toepassing is. Het Hof stelt ten overvloede vast dat uit de door appellante neergelegde stukken (1 en 2) blijkt dat de Heer V. als beherend vennoot ononderbroken inkomsten uit zelfstandige activiteit heeft gegenereerd nl. 1.045.000 BEF in het jaar 1992 en 2.427.635 BEF in het jaar
  1. Het vonnis dient op dit punt hervormd te worden. De oorspronkelijke tegeneis. De Heer V. stelt een tegeneis tot schadevergoeding wegens foutief want onzorgvuldig beheer in hoofde van appellante. Hij meent dat Partena (opvolger van De Familie) moet worden veroordeeld tot betaling ten titel van schadevergoeding van het bedrag gelijk aan dat van de verhogingen, intresten en de kosten waartoe hij zou worden veroordeeld alsook de kosten van dagvaarding alsook zijn advocaatskosten. Hij stelt dat hij deze schade lijdt omwille van het onzorgvuldig beheer van De Familie doordat hij nooit een tevredenstellend antwoord van De Familie heeft ontvangen ondanks zijn aangetekende brieven dd. 2 februari 1996, 27 augustus 1996 en 7 november 1996 waarmee hij om uitleg vroeg en de bijdragen betwistte. Hij stelt dat de bestreden beslissing van het R.S.V.Z. dd. 23 mei 1996 hem pas op 30 april 1997 of bijna een jaar later werd overgemaakt door De Familie en meent dat De Familie dusdoende nalatig en onzorgvuldig zijn dossier beheerde. Overeenkomstig artikel 20 § 1 b van het reeds genoemd K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 hebben de sociale verzekeringskassen inderdaad de verplichting aan hun aangeslotenen informatie en bijstand te verlenen betreffende hun rechten en verplichtingen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen. Uit de neergelegde stukken blijkt dat appellante op 30 januari 1996 aan de Heer V. de gemotiveerde beslissing overmaakte van het R.S.V.Z. dd. 5 december 1995 (haar stuk 2) aangaande zijn doorlopende onderwerpingsverplichting van 10/86 tot 6/94, zodat hij op 30 januari 1996 op de hoogte was van de beslissing van verplichte doorlopende onderwerping waarop het R.S.V.Z. nadien niet meer terugkwam, ook niet na heronderzoek van de zaak ingevolge betwisting door de Heer V. nl. met zijn aangetekend schrijven van 2 februari 1996 beantwoord door het R.S.V.Z. op 24 mei 1996, beslissing waarvan aan de Heer V. door De Familie inderdaad om niet bekende redenen pas kennis werd gegeven op 30 april 1997, of inderdaad bijna een jaar later, wat inderdaad niet getuigt van een zorgvuldig en behoorlijk bestuur, te meer daar de Heer V. meermaals aandrong op regularisatie van zijn toestand. Appellante dagvaardde de Heer V. in betaling van achterstallige bijdragen pas op 19 juni 1997; uit de neergelegde stukken blijkt dat zij dit reeds had kunnen doen vanaf de ontvangst op 24 mei 1996 van de bevestigende beslissing van het R.S.V.Z. dd. 23 mei 1996 of m.a.w. redelijkerwijze vanaf 1 juni
  2. Het Hof is het met de Heer V. eens dat appellante een jaar gedraald heeft ( van 1 juni 1996 tot 19 juni 1997) om tot gerechtelijke invordering van de door hem verschuldigde bijdragen over te gaan; anderzijds is het bewezen dat zij hem geregeld regularisatieberichten betreffende onbetaalde bijdragen bleef sturen in deze periode, vervalberichten die hij weigerde te betalen zoals de Heer V. overigens zelf erkent (zijn stukken 7 en 8) omdat hij meende dat hij niet ononderbroken bijdrageplichtig was, in tegenstelling tot de beslissing dd. 5 december 1995 van het R.S.V.Z. Heden blijkt dat de Heer V. inderdaad ononderbroken diende te worden onderworpen als zelfstandige van 1 januari 1990 tot 30 juni 1994 en dat zijn weigering om betreffende bijdragen te betalen ONTERECHT was. De door appellante gevorderde verhogingen en intresten (tot 1 april 1997) wegens niet-tijdige betaling der bijdragen zijn derhalve niet zozeer te wijten aan het feit dat appellante pas op 19 juni 1997 tot gerechtelijke invordering overging doch aan de houding van de Heer V. zelf die ondanks en in strijd met een gemotiveerde beslissing van het R.S.V.Z. dd. 5 december 1995 bleef weigeren de bijdragen te betalen en ten onrechte. De door de Heer V. gevorderde schadevergoeding ten belope van het bedrag van de verhogingen en intresten op de bijdragen voor de periode 1 januari 1991 - 30 juni 1994 kan hem dan ook niet worden toegekend omdat niet is bewezen dat deze verhogingen en intresten te wijten zijn aan een fout van appellante. Het Hof stelt heden vast dat de Heer V. gehouden is tot betaling van de door appellante op 19 juni 1997 gevorderde bijdragen 578.604 BEF met uitzondering weliswaar van deze voor het jaar 1990 (wegens verjaring- zie hoger of 232.459 BEF zie rekeningsuittreksel bij de dagvaarding) of een saldo van 346.145 BEF, wettelijke verhogingen en intresten inbegrepen, te verminderen met de door de Heer V. na de dagvaarding betaalde sommen of een totaal bedrag van 4.702,44 ¿ (189.696 BEF) zodat hij een saldo verschuldigd blijft van 346.145 BEF - 189.696 BEF = 156.449 BEF of 3.878,27 ¿. De Heer V. stelt terecht dat appellante na het vonnis (5 mei 1998) draalde tot 4 juni 2003 om hoger beroep aan te tekenen en dat hij niet aansprakelijk is voor deze procedurale traagheid van appellante. Het Hof meent dat hij dan ook niet kan worden veroordeeld tot betaling van gerechtelijke intresten op de door hem verschuldigde hoofdsom van 3.878,27 ¿ voor de periode van 5 mei 1998 tot 3 juni
  3. Het bestreden vonnis dient derhalve te worden hervormd. Het Hof meent dat de eerste rechter de kosten van de oorspronkelijke dagvaarding ten onrechte ten laste legde van appellante om reden dat een inleiding van de zaak bij vrijwillige verschijning van partijen geringere kosten inhoudt. Het kan appellante niet worden verweten dat zij de voorkeur heeft gegeven aan de meer zekerheid biedende rechtsingang van de dagvaarding (bij deurwaardersexploot) boven een vrijwillige verschijning, die immers pas effectief de vordering aanhangig maakt zo de beide partijen daadwerkelijk voor de rechter verschijnen ( Cassatie, 30 april 1990, J.T.T. 1990, 369). Vermits de Heer V. niet bewijst dat appellante jegens hem een contractuele of buitencontractuele fout heeft begaan ingevolge welke hij schade leed (zie uiteenzetting hoger) heeft hij geen rechtsgrond ter staving van zijn eis tot betaling van zijn advocaatskosten als deel van de schade en als noodzakelijk gevolg van de fout van appellante. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, voornamelijk op 24; Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie en op de door partijen neergelegde repliekconclusies, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, Verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond, Verklaart het hoger hoofdberoep deels gegrond in de hierna vermelde mate : Hervormt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke hoofdeis van appellante deels gegrond in de hierna vermelde mate : Veroordeelt de Heer V. tot betaling aan de V.Z.W. Partena van de som van 3.878,27 ¿, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 19 juni 1997 tot 4 mei 1998 en vanaf 4 juni 2003 tot de dag van de algehele betaling, Verklaart de oorspronkelijke tegeneis van de Heer V. ontvankelijk en ongegrond, Veroordeelt de Heer V. tot betaling van de kosten van beide aanleggen, tot op heden begroot op : In hoofde van appellante : Dagvaardingskosten : 104,21 ¿ Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 182,95 ¿ Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 291,52 ¿ In hoofde van geïntimeerde : Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 182,95 ¿ Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 291,52 ¿ Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 9de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 5 februari 2007, waar aanwezig waren : Mevrouw B. VAN DE VELDE, Kamervoorzitter, Mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer, De Heer P. HAINE, Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige arbeider, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, B. VAN DE VELDE, P. HAINE. M. VERMAELEN. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070205.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941212.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.