id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 12 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070212.5 Rolnummer: 47.371 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-31 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 15:19 Fiche De uitoefening van de gewone en normale dagtaak kan een plotse gebeurtenis opleveren, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt. Het is geenszins vereist dat dit aanwijsbaar element onderscheiden is van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, noch dat de plotse gebeurtenis een abnormaal karakter vertoont. Ook een banale handeling of gebeuren kan een plotse gebeurtenis uitmaken. Het tillen van een patiënt uit de rolstoel naar de zetel, maakt in hoofde van een ziekenhuishelpster een plotse gebeurtenis uit. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Beroepsziekte - Overheidsdiensten Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OPENBARE SEKTOR - Arbeidsongeval - Begrip - Plotse gebeurtenis - Normale uitoefening van de dagtaak. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - - 2007(863-865) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 12 FEBRUARI
- 5DE KAMER Arbeidsongeval Op tegenspraak Definitief In de zaak: O.P.Z.D., met zetel gevestigd te [---]. Appellant, vertegenwoordigd door Mr. M. LIESENS loco Mr J. NULENS, advocaat te Hasselt. Tegen: G.M., wonende te [---]. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr W. NOPPE, advocaat te Brussel. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest gewezen op tegenspraak door de 3de kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt van 22 september 2003; - het arrest van het Hof van Cassatie van België op tegenspraak gewezen op 6 september 2004; -het proces-verbaal van vrijwillige verschijning in neergelegd ter zitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 12 december 2005; de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 29 januari 2007 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. Feiten en procedurevoorgaanden Mevrouw G.M. is ziekenhuishelpster en diende op 11 oktober 1997, samen met een collega een patiënt op te tillen uit de rolstoel om deze naar een zetel te begeleiden. Bij deze beweging ondervond zij een plotse hevige pijn in haar rug en zij kon nauwelijks noch zitten noch staan. Het werk kon onmogelijk hervat worden. De collega was getuige van deze feiten. Ingevolge deze feiten werd aan mevrouw G.M. gedurende vier maanden volledige platte rust voorgeschreven. Het O.P.Z.D., hierna afgekort O.P.Z.D., weigerde het voorval als arbeidsongeval te erkennen bij beslissing van 21.01.
- Mevrouw G.M. vindt het bijzonder feit dat zij moesten uitvoeren om de patiënt van de rolstoel naar de relaxzetel te verplaatsen de plotse gebeurtenis. Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank Tongeren werd de vordering van mevrouw G.M. ontvankelijk en gegrond verklaard en er werd voor recht gezegd dat het ongeval van 11 oktober 1997 een arbeidsongeval is. De wettelijke vergoedingen diende bepaald te worden op basis van : - tijdelijke werkonbekwaamheid; de volledige tijdelijke werkongeschiktheid van 10 november 1997 tot en met 27 februari 1998 die niet betwist is - basisloon: 946.080 frank (lees euro 23.452,71) - de medische kosten ten bedrage van 12.934 frank (lees euro 320,63) De kosten worden ten laste van O.P.Z.D. gelegd. Bij arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt van 22 september 2003 wordt het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond verklaard. Het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 17 oktober 2000 wordt vernietigd behalve voor zover het oordeelde over de gerechts-kosten. Er wordt voor recht gezegd dat mevrouw G.M. op 11 oktober 1997 niet het slachtoffer was van een arbeidsongeval in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli
- O.P.Z.D. wordt verwezen in de kosten van het hoger beroep. Volgens het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt behoorde het draaimanoeuvre dat mevrouw G.M. diende uit te voeren tot haar normale uitoefening van de arbeidstaak aangezien als verpleegster en werkend in een vrij zware afdeling geriatrie er niets uitzonderlijks te vinden is in de uitvoering van de arbeidstaak wanneer een patiënt moet verplaatst worden naar een zetel, het optillen van een bejaarde en de wijze waarop dit moet gebeuren, behoort derhalve tot de normale dagtaak. De acute lumbago was niet het gevolg van een plotse gebeurtenis aangezien dit draaimanoeuvre niet bijzonder was in de normale uitoefening van de arbeidstaak van mevrouw G.M.. Bij arrest van het Hof van Cassatie van 6 september 2004 wordt het bestreden arrest van het Arbeidshof Antwerpen vernietigd, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaarde; tevens wordt bevolen dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; O.P.Z.D. wordt veroordeeld in de kosten; de aldus beperkte zaak wordt verwezen naar het Arbeidshof te Brussel. Ten gronde Volgens appellante is er geen duidelijk aanwijsbaar feit voorhanden, onderscheiden van de dagelijkse arbeidsuitoefening opdat er sprake kan zijn van een plotse gebeurtenis. Het artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen in de overheidssector bepaalt "onder arbeidsongeval wordt verstaan het ongeval dat zich tijdens en door de uitoefening van het ambt heeft voorgedaan en dat een letsel veroorzaakt. Wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van een letsel, het bestaan van plotse gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt". Het slachtoffer dient dus niet te bewijzen dat de plotse gebeurtenis het letsel veroorzaakt heeft. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie dient de plotse gebeurtenis van die aard te zijn dat zij het letsel kan veroorzaken (zie Cass. 11.1.82, R.W.81-82.1872). De plotse gebeurtenis is het bijzondere, duidelijk aanwijsbare, in de tijd en ruimte te situeren element dat voorvalt tijdens de uitvoering van de overeenkomst waarin eventueel de oorzaak te vinden is van het feit dat het letsel zich heeft voorgedaan. De plotselinge gebeurtenis mag niet verward worden met het plots optreden van het letsel, of het plots optreden van de pijn. De uitoefening van de gewone en normale dagtaak kan een plotse gebeurtenis opleveren, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt. Het is niet vereist dat dit aanwijsbaar element onderscheiden is van de uitvoering van de arbeids-overeenkomst (zie Cass. 03.04.2000 AC 2000, 219 zie Cass 14.02.200 nr JC 002 E5 2 rolnr S 980136 op www.cass.be; zie Cass 18.05.1998;AC 1998, 261). De plotse gebeurtenis moet geen abnormaal karakter vertonen (zie Cass 26.05.1967 Arr Cass,1967,1179,met conclusie van de Eerste advocaat-generaal Ganshof van der Meersch in Pas 1967,I,1138). Het is dus niet vereist bijzondere omstandigheden aan te tonen, of een bijzondere gebeurtenis of feit waardoor de getroffene verplicht was een beweging te maken of een daad te stellen die niet tot zijn normale dagtaak behoren. De vraag of het een dagelijkse of banale beweging betreft, is onbeduidend. Ook een banale handeling of gebeuren kan een plotse gebeurtenis uitmaken (zie Cass 20.10.1986 AC. 86-87,224). De door geïntimeerde aangehaalde rechtspraak is niet meer actueel en werd meermaals door het Hof van Cassatie hervormd; (bukken om een toilet in een vliegtuig te reinigen is een plotse gebeurtenis Cassatie 20 januari 1997; het plaatsen van een pop in een wagen is een plotse gebeurtenis Cassatie 7 februari 2005; zich bukken om een werkstuk op te nemen kan de plotse gebeurtenis opleveren Cassatie 5 april 2004). Uit de verklaringen dewelke eensluidend zijn, blijkt zeer duidelijk dat in deze zaak de plotse gebeurte-nis van 11 oktober 1997 is, het tillen van een patiënt uit de rolstoel naar de zetel. Het letsel is eveneens bewezen met name een acute lumbago (attest Dr. Praille). Het hoger beroep is bijgevolg om deze reden ongegrond en het vonnis van de Arbeidsrechtbank van het arrondissement Tongeren van 17 oktober 2000 dient te worden bevestigd. OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak en na verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van Cassatie van 6 september 2004; Verklaart het hoger beroep ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis van de Arbeids-rechtbank van Tongeren van 17 oktober 2000 in al zijn beschikkingen; Legt de kosten van onderhavig geding ten laste van het O.P.Z.D.; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot: voor appellante partij : euro 285,57 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, voor geïntimeerde partij : niet begroot; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 12 februari 2007, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS : Raadsheer. De Heren : E. MAGNUS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, H. SILON : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, D. DE RAEDT : Griffier, E. MAGNUS, H. SILON, D. DE RAEDT, B. CEULEMANS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070212.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div