← België

ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070226.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070226.3 Rolnummer: 45.185 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-31 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 15:23 Fiche Het volstaat, maar is ook onontbeerlijk dat de getroffene het bewijs levert van het bestaand van een letsel en van een plotse gebeurtenis tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waardoor het letsel kan zijn veroorzaakt, opdat het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt. Om het vermoeden van artikel 9 Arbeidsongevallenwet om te keren, volstaat het niet om het bewijs te leveren dat andere oorzaken hebben bijgedragen tot het veroorzaken van dit letsel, doch dient met een hoge mate van medische waarschijnlijkheid te worden bewezen dat het letsel niet het gevolg is van de plotse gebeurtenis, doch uitsluitend het gevolg is van een voorafbestaande toestand of zich spontaan heeft voorgedaan. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SEKTOR - Arbeidsongeval - Begrip - Causaal verband - Wettelijk vermoeden - Tegenbewijs - Belangrijke voorafbestaande toestand. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - Van Strijthem (Dirk) - 2007(865-872) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 26 FEBRUARI 2007. 5DE KAMER Arbeidsongeval Op tegenspraak Definitief + verzending naar de Arbeidsrechtbank te Brussel In de zaak: N.V. A.B., met maatschappelijke zetel gevestigd te [---]. Appellante, vertegenwoordigd door Mr. Y. ROSENOER, advocaat te Brussel. Tegen: V.D.S.F., wonende te [---]. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr ***, syndicaal afgevaardigde en volmachtdrager te Brussel.   Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 6de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 15 januari 2004; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel d.d. 4 maart 2004; de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 29 januari 2007 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken.    Feiten en procedurevoorgaanden Het Hof verwijst naar de duidelijke en uitgebreide uiteenzetting van het feitenrelaas, zoals weerge-geven door de eerste rechter en dewelke hier als volledig hernomen wordt beschouwd. Bij beslissing van 9 december 1998 deelt NV A.B. mede dat er geen verband bestaat tussen het vastgestelde letsel en de val van de verhuiswagen. De oorspronkelijke vordering beoogde het bekomen van de wettelijke vergoedingen, ingevolge arbeidsongeval overkomen aan de heer V.D.S.F.. Met het bestreden vonnis aanvaardt de Arbeidsrecht-bank van Brussel dat er een plotse gebeurtenis wordt bewezen op 25 juli 1998 meer bepaald (zie blz. 8 en dispositief) het feit dat hij ingevolge de verhuis-werkzaamheden van de vrachtwagen is gevallen. Ook een letsel is bewezen (attest Dr. De Vos en VUB Ziekenhuis). Aan de verzekeraar wordt de mogelijk-heid geboden het tegenbewijs te leveren dat het letsel van de ruptuur van de quadricepspees in geen enkel opzicht het gevolg is van de plotse gebeurte-nis maar enkel het gevolg is van een voorafbestaande toestand.   Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk.   Ten gronde Opdat er sprake zou zijn van een arbeidsongeval in de zin van de arbeidsongevallenwet van 10.04.1971 (A.O.W.), dient het bewijs geleverd van het bestaan van : • een plotse gebeurtenis, • die tijdens de uitvoering van de arbeidsovereen-komst plaatsvindt, • een letsel. Eens deze constitutieve elementen bewezen, wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, • dat het letsel door het ongeval is veroorzaakt (art 9.) en • dat het ongeval dat zich voordoet tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gebeurd is door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het slachtoffer dient dus niet te bewijzen dat de plotse gebeurtenis het letsel veroorzaakt heeft. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie dient de plotse gebeurtenis van die aard te zijn dat zij het letsel kan veroorzaken (zie Cass 11.1.82, R.W.81-82.1872). De plotse gebeurtenis is het bijzondere, duidelijk aanwijsbare, in de tijd en ruimte te situeren element dat voorvalt tijdens de uitvoering van de overeenkomst waarin eventueel de oorzaak te vinden is van het feit dat het letsel zich heeft voorgedaan. De plotselinge gebeurtenis mag niet verward worden met het plots optreden van het letsel, of het plots optreden van de pijn. De uitoefening van de gewone en normale dagtaak kan een plotse gebeurtenis opleveren, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt; terwijl het niet vereist is dat dit aanwijsbaar element onderscheiden is van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (zie Cass. 03.04.2000 AC 2000, 219; zie Cass 18.05.1998; AC 1998, 261). De plotse gebeurtenis moet geen abnormaal karakter vertonen (zie Cass 26.05.1967 Arr Cass,1967,1179,met conclusie van de Eerste Advocaat-generaal Ganshof van der Meersch in Pas 1967,I,1138). Het is dus niet vereist bijzondere omstandigheden aan te tonen, of een bijzondere gebeurtenis of feit waardoor de getroffene verplicht was een beweging te maken of een daad te stellen die niet tot zijn normale dagtaak behoren. De vraag of het een dagelijkse of banale beweging betreft is onbeduidend. Ook een banale handeling of gebeuren kan een plotse gebeurtenis uitmaken (zie Cass 20.10.1986 AC. 86-87,224). Het volstaat derhalve - maar het is ook onontbeer-lijk - dat de getroffene het bewijs levert van het bestaan van een letsel en van een plotse gebeurtenis tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waardoor het letsel kan zijn veroorzaakt, opdat het letsel vermoed wordt behoudens tegenbewijs door een ongeval te zijn veroorzaakt. Geïntimeerde omschrijft de plotse gebeurtenis op verschillende plaatsen van zijn beroepsbesluiten als: "uitgegleden, en naar beneden gevallen" of "toen hij van de laadklep wou springen van de vrachtwagen afgegleden en gevallen". Dit komt neer op een impliciet incidenteel hoger beroep met als voorwerp een andere omschrijving van de plotse gebeurtenis. Het begrip plotse gebeurtenis is een juridisch begrip en alleen de rechter mag zich uitspreken over het bestaan van een plotse gebeurtenis (zie Petit arbeidsongevallen APR blz. 62). De plotse gebeurtenis dient wel bewezen te worden. Uit de eigen verklaring, zo snel mogelijk na het ongeval afgelegd en zonder dat er al sprake was van een weigering van arbeidsongeval door A.B. nl. op 25.08.1998 aangezien geïntimeerde onmiddellijk met de dienst 100 naar het ziekenhuis AZ VUB werd vervoerd, wordt bewezen dat de heer V.D.S.F. eerst uitgegleden is ("waarop weet ik niet") en vervolgens gevallen is van de vrachtwagen. Of dit uitglijden nu geschiedde door het willen van de vrachtwagen springen, dan wel of de heer V.D.S.F. zelf niet begrijpt waarom hoe en waarover hij is uitgegleden doet niets terzake aangezien het uitglijden de val veroorzaakte. In de eerste verklaring van geïntimeerde bevestigt deze eveneens dat hij languit viel op de grond en onmiddellijk een stekende pijn voelde in zijn linkerknie, waardoor hij niet meer kon steunen op zijn linkerbeen en bleef liggen. In de versie van A.B. zou de heer V.D.S.F. spontaan een quadricepspeesruptuur hebben opgelopen en hierdoor van de vrachtwagen gevallen (eerste letsel en dan val). Wanneer een persoon effectief door zijn knie zakt omdat hij een spontane quadricepspeesruptuur heeft dan zakt men verticaal in mekaar en valt men niet van een vrachtwagen. Het komt bijgevolg als bewezen over, op grond van de verklaring van geïntimeerde zelf als bevestigd door de plaats van het ongeval het ogenblik van de vast-stelling van het letsel en de ongevalanalyse dat geïntimeerde eerst is uitgegleden in de vrachtwagen en alsdan tengevolge hiervan van de vrachtwagen is gevallen. Ook het verslag van Dr. Dauw wijst in deze richting (zie hierna). Het verslag van Dr. Dauw met betrekking tot de vereisten van bijzondere krachtinspanning zijn vertekend omwille van zijn overtuiging dat er nog steeds een bijzondere krachtinspanning zou vereist zijn of een last zou moeten gedragen worden om een plotse gebeurtenis te hebben in de zin van de arbeidsongevallenwetgeving, doch deze stelling is volledig achterhaald door een steeds continue en elkaar bevestigende recente rechtspraak van het Hof van Cassatie desbetreffend. De bewezen plotse gebeurtenis is het uitglijden waarbij geïntimeerde viel van de vrachtwagen. Of geïntimeerde nu op de grond viel of eerst op het platform is niet terzake relevant. Tevens mag niet uit het oog worden verloren dat geïntimeerde veel pijn had, met als laatste bekommernis een tot in de seconden geanalyseerd relaas van de feiten. Aangezien er alleen onrechtstreekse en niet juridisch onderlegde getuigen aanwezig zijn, komt het als begrijpelijk voor dat er enige vaagheid is in hun verklaringen. Dit geldt tevens voor de geneesheren. Dit is echter niet van aard om enige tegenstrijdigheid te zien in de feiten, noch om het bewijs van de plotse gebeurtenis te ontkrachten. Dr. Dauw vermeldt tevens in zijn medisch verslag een belangrijke voorafbestaande toestand en verdedigt de stelling dat eerst de peesruptuur optrad waardoor geïntimeerde uitschoof (ook Dr. Dauw neemt het uitschuiven dus voor bewezen aan); zie verslag "zodat het manifest voorkomt dat de peesruptuur optrad en dat het uitschuiven in feite hierdoor werd veroorzaakt en niet omgekeerd." De plotse gebeurtenis is bewezen nl. "uitgegleden op het platform van de verhuiswagen en van de vrachtwagen gevallen". Deze plotse gebeurtenis kan het letsel van een quadricepsruptuur veroorzaken. Dr. Desreumaux, geneesheer inspecteur bij het Fonds voor Arbeidsongevallen verklaart in een schrijven van 10.02.1999 (stuk 13 bundel geïntimeerde) "een ruptuur op zich is een letsel; traumatisch is een term die niet thuishoort in de AOW. Het is niet onwaarschijnlijk dat een uitglijden en daaropvolgen-de val een ongecontroleerde reflexmatige contractie van de M.quadriceps veroorzaakt met peesruptuur tot gevolg". Artikel 9 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt dat wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van een letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt. Als de werknemer het bestaan van een dergelijke plotselinge gebeurtenis en van een letsel aantoont, staat het de werkgever vrij het vermoeden om te keren door aan te tonen dat dit letsel niet door die gebeurtenis is veroorzaakt. In deze zaak meent appellante overigens dat de letsels voor het uitglijden en de val en dus zonder enige uitwendige oorzaak ontstonden, omwille van een belangrijke voorafbestaande toestand; zij is gerech-tigd dit tegenbewijs te leveren door middel van het bevolen deskundig onderzoek, dat de eerste rechter op gemotiveerde en pertinente wijze beval. Alleen een deskundig onderzoek door een geneesheer kan nagaan met een hoge mate van medische waarschijn-lijkheid of er voor het uitglijden en de val een spontane peesruptuur plaatsvond, gezien de vooraf-bestaande toestand. Het wettelijk vermoeden van oorzakelijk verband tussen het ongeval en het letsel, zoals bepaald in art. 9 Arbeidsongevallenwet, vereist niet dat het letsel plotseling optreedt of dat het optreden van de plotse gebeurtenis en het letsel samenvallen. Wanneer het slachtoffer een letsel inroept dat in oorzakelijk verband kan staan met het ongeval, moet de verzekeraar minstens met de hoge graad van waarschijnlijkheid aantonen dat dit oorzakelijk verband afwezig is, zelfs als enige tijd verstreken is tussen het ingeroepen letsel en het ingeroepen ongeval (AH Brussel 19.04.1993 Soc Kron 94,308). Dit vermoeden is niet weerlegd wanneer het bewijs is geleverd dat andere oorzaken hebben bijgedragen tot het veroorzaken van dit letsel. In het mechanisme van de Arbeidsongevallenwet volstaat het dat de gebeurtenis minstens gedeeltelijk de oorzaak is van het letsel, met name dat de gebeurtenis het letsel heeft doen ontstaan, zelfs indien andere oorzaken ertoe hebben bijgedragen het letsel te veroorzaken. Gelet echter op de verklaringen van Dr Dauw dat "het uitschuiven geen volledige quadricepsruptuur kan veroorzaken" en dat "er een volledige afwezigheid is van uitwendige oorzaak" en dat "een spontane ruptuur niet onwaarschijnlijk is aangezien een achillespees-ruptuur op wonde hoogst onwaarschijnlijk is, dient wel, zoals de eerste rechter duidelijk motiveert aan de verzekeraar te worden toegelaten, eens de plotse gebeurtenis bewezen, en het letsel, dat het letsel niet werd veroorzaakt door de plotse gebeurtenis. Bijgevolg zal het aan A.B. toegelaten worden te bewijzen met een hoge mate van medische waarschijn-lijkheid, dat het letsel niet het gevolg is van het feit dat de heer V.D.S.F. op 25 juli 1998 tijdens verhuiswerkzaamheden op het platform van de vrachtwagen is uitgegleden en vervolgens gevallen van de vrachtwagen, doch uitsluitend het gevolg zijn van een voorafbestaande toestand of zich spontaan heeft voorgedaan. Het door appellante aangehaald vonnis van 24.09.2002 is niet relevant aangezien in onderhavige zaak de heer V.D.S.F. ogenblikkelijk kreunend op de grond lag en met de ambulance naar het hospitaal werd vervoerd, daar waar in de aangehaalde casus het slachtoffer en een getuige het juiste tijdstip van de plotse gebeurtenis met een interval van meer dan 4 u situeerden en het letsel een discus hernia was.   OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep en impliciet incidenteel hoger beroep ontvankelijk en respectievelijk ongegrond en in de volgende mate gegrond : Bevestigt het bestreden vonnis volledig behoudens waar het de plotse gebeurtenis omschrijft als op 25.07.1998 tijdens verhuiswerkzaamheden van de vrachtwagen gevallen "zegt dat de plotse gebeurtenis is" op 25.07.1998 omstreeks 9u55 uitgegleden en van vrachtwagen gevallen en behoudens waar het tegen-bewijs toelaat eveneens na te gaan of er kan besloten worden met een hoge mate van waarschijn-lijkheid, dat de letsels niet het gevolg zijn van het van het feit dat de heer V.D.S.F. tijdens verhuiswerkzaamheden is uitgegleden en van de vrachtwagen gevallen; Verwijst de zaak opnieuw naar de Arbeidsrechtbank te Brussel op grond van artikel 1068 lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek; Legt de kosten ten laste van appellante; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot: voor appellante partij : euro 267,73 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, voor geïntimeerde partij : niet begroot;   Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare te­rechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 26 februari 2007, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS : Raadsheer. De Heren : E. MAGNUS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, H. SILON : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, D. DE RAEDT : Griffier, E. MAGNUS, H. SILON, D. DE RAEDT, B. CEULEMANS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070226.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.