id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070322.6 Rolnummer: 48.280;48.291 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 15:28 Fiche
- De werkloze die op de werf slechts kopieën van het werkloosheidsformulier C-3.2 bij zich hield, waarop hij de schrappingen aanbracht wanneer hij werkte, en deze schrappingen pas op het einde van de maand werden overgebracht op het origineel document door een bediende van het sociaal secretariaat, voldoet niet aan de werkloosheidsreglementering en kan geen uitkeringen wegens tijdelijke werkloosheid genieten.
- De werkgever die zijn arbeiders in een situatie plaatst waarin zij hun recht op werkloosheidsuitkeringen verliezen, handelt foutief. De vordering in tussenkomst en vrijwaring, gesteld door de werknemer tegenover zijn werkgever voor iedere betaling waartoe de werknemer zou kunnen gehouden zijn ten aanzien van de RVA, wordt verdeeld in 2/3 aansprakelijkheid voor de werkgever en 1/3 voor de werknemer i.v.m. de eis in tussenkomst en vrijwaring. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Aangifte en controle Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID -
- Uitkeringen tijdelijke werkloosheid - Niet naleven verplichtingen controlekaart - Uitsluiting -
- Vordering in tussenkomst en vrijwaring - Verdeling aansprakelijkheid tussen werknemer en werkgever. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 71 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: V AN art
- Gepubliceerd in RABG 2008, p. 189-202 + noot Bruno Lietaert. Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - Lietaert (Bruno) - 2008(189-202) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ZEVEN 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Werkloosheid Tegensprekelijk Definitief A.R. 48.280 In de zaak: D.R. J., wonende te [...], appellant, vertegenwoordigd door Mr. J. Defau, advocaat te 3300 Tienen, Tegen:
- de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. J. De Ketelaere, advocaat te 3000 Leuven,
- T.M.B. N.V., waarvan de zetel gevestigd is te [...], tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. A. Vanbets, advocaat te 3290 Diest, A.R. 48.291 In de zaak: T.M.B. N.V., waarvan de zetel gevestigd is te [...], appellante, vertegenwoordigd door Mr. A. Vanbets, advocaat te 3290 Diest, Tegen: D.R. J., wonende te [...], eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. J. Defau, advocaat te 3300 Tienen, in aanwezigheid van : de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. J. De Ketelaere, advocaat te 3000 Leuven, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 9 januari 2006; het verzoekschrift tot hoger beroep van de heer D.R. J., ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 10 februari 2006; het verzoekschrift tot hoger beroep van N.V. T.M. B., ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 13 februari 2006; de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 4 januari 2007, waarna de debatten gesloten werden. Beide zaken dienen te worden samengevoegd teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer ze afzonderlijk worden behandeld en beslecht. De hogere beroepen werden tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en zijn derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij beslissing dd. 14 juli 2000 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Leuven wordt de heer D.R. uitgesloten van het recht op uitkeringen tijdelijke werkloosheid die hij heeft ontvangen voor de periode van 1 december 1996 tot 30 september 1999 (artikel 44, 45 en 71 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering en worden de uitkeringen die hij onrechtmatig heeft ontvangen voor deze periode teruggevorderd (artikel 169 van voormeld koninklijk besluit), wordt hij uitgesloten van het recht op uitkeringen gedurende een periode van 13 weken (artikel 154 van voormeld koninklijk besluit) en nogmaals van 13 weken (artikel 155 van voormeld koninklijk besluit) vanaf 17 juli 2000 en wordt het dossier overgemaakt aan de arbeidsauditeur. De directeur motiveerde als volgt : " Tijdens een routinecontrole van tijdelijke werkloosheid in het werkloosheidsbureau Hasselt is vastgesteld dat de schrappingen op verschillende formulieren C 3.2 van een aantal werknemers uit diverse bedrijven zeer sterk op elkaar leken. Deze bedrijven bleken allen aangesloten te zijn bij het sociaal secretariaat KSAB uit Heusden-Zolder. Een aantal personeelsleden van dit sociaal bureau zijn verhoord en zij gaven toe de schrappingen te hebben aangebracht op C 3.2's van verschillende werknemers. Deze schrappingen stemden niet overeen met de werkelijk gepresteerde uren of dagen tijdelijke werkloosheid. De firma N.V. T.M. B. van Diest is ook aangesloten bij KSAB en daarom stelde ik een onderzoek in bij deze werkgever. Het volgende is vastgesteld : U werkt bij deze werkgever vanaf 1 december
- De controleformulieren C 3.2's werden niet afgeleverd vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van een betreffende maand. De echte formulieren bleven op het bureel liggen en schrappingen werden niet aangebracht door de werknemers, maar op het eind van iedere maand door de bediende, mevrouw G. B.; Sommige werknemers verklaarden een kopie van een C 3.2 te hebben ontvangen. Op deze kopies werden dan wel de gepaste schrappingn vermeld en deze gegevens werden op het einde van een maand gekopiëerd naar het originele formulier C 3.
- Eigenaardig is dat de werkgever, de heer M.T., in zijn verklaringen van deze werkwijze geen gewag maakt. Of er ja dan nee een kopie is gebruikt doet in feite niets ter zake, zulke werkwijze is niet nodig omdat de schrappingen door de werknemers moeten aangebracht worden op het origineel, tijdig afgeleverd formulier C 3.
- Om uitkeringen te kunnen ontvangen, moet de werknemer in het bezit zijn van een (originele) controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze bij zich bewaren. Hij moet eveneens vóór de aanvang van een activiteit bedoeld in artikel 45, hiervan melding maken op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt (artikel 71, eerste lid, 1° en 4°). U heeft deze verplichting, die vermeld staat op uw controlekaart, niet nageleefd. U kan hierdoor geen uitkeringen ontvangen voor al de dagen tijdelijke werkloos die u hebt ontvangen vanaf uw indiensttreding tot en met 30 september 1999". De terugvorderingstermijn werd bepaald op 5 jaar gezien de directeur van oordeel was dat deze uitkeringen werden bekomen door bedrog of arglist. De heer D.R. tekent beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 12 september
- Bij dagvaarding betekend op 15 februari 2001 aan T.M. B. N.V. vordert hij op grond van artikel 51 § 7 van de wet op de arbeidsovereenkomsten de betaling van een bedrag van 24.139,62 Euro bruto, vermeerderd met de wettelijke gerechtelijke en vergoedende intresten. Bij conclusie neergelegd ter zitting dd. 5 december 2005 breidt de heer D.R. zijn vordering uit en stelt hij een vordering in vrijwaring in t.o.v. de T.M. B. N.V. voor iedere betaling waartoe hij zou kunnen gehouden zijn t.a.v. de R.V.A. Bij vonnis dd. 9 januari 2006 van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven worden beide zaken samengevoegd, wordt de vordering van de heer D.R. als volgt gegrond verklaard : de bestreden beslissing dd. 14 juli 2000 wordt bevestigd behalve voor wat betreft de uitsluiting van het recht op uitkering op grond van artikel 155 van het werkloosheidsbesluit, die wordt vernietigd en de uitsluiting op grond van artikel 154 van het besluit die wordt herleid tot de periode van 6 weken en voor wat de terugvorderingsperiode betreft die wordt herleid vanaf 1 juli 1997 nu de voorgaande maanden zijn verjaard, de vordering tot een tegoed wordt als ongegrond afgewezen en de vordering tot vrijwaring wordt toegekend in de mate dat de N.V. T.M. B. voor 2/3den aansprakelijk moet worden gesteld voor de door de heer D.R. geleden schade en dat de N.V. T.M. B. wordt veroordeeld tot vrijwaring van de heer D.R. voor de terugbetaling aan de R.V.A. van de uitkeringen tijdelijke werkloosheid in de periode van 1 juli 1997 tot 30 september
- De eerste rechter steunt zich op het zeer uitgebreid onderzoeksverslag waaruit blijkt dat met kopijen werd gewerkt terwijl de originelen op het bureel bleven en door een administratief bediende werden ingevuld en was van mening dat de beslissing tot uitsluiting voor de dagen tijdelijke werkloosheid tijdens de beschouwde periode terecht werd genomen vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand. De eerste rechter stelde vast dat m.b.t. het bedrieglijk inzicht geen enkel bewijs voorhanden was, herleidde de weerhouden sanctie op basis van artikel 154 tot zes weken uitsluiting en vernietigde deze op basis van artikel 155 van het werkloos-heidsbesluit. De terugvordering m.b.t. de periode van december 1996 tot en met juni 1997 is verjaard nu rekening werd gehouden met de verjaringstermijn van drie jaar i.p.v. vijf jaar. Wat de vordering betreft op grond van artikel 51 § 7 van de arbeidsovereenkomstenwet stelde de eerste rechter vast dat uit het bundel blijkt dat er wel degelijk kennisgevingen waren aan het personeel en dat de R.V.A. ook werd verwittigd en de nodige documenten overhandigd werden en was van oordeel dat, gezien niet wordt aangetoond door de heer D.R. dat de werkgever de verplichte formaliteiten t.a.v. de werknemer en de R.V.A. niet heeft nageleefd, de vordering op dit punt ongegrond was. De eerste rechter was tenslotte van mening dat naast de fout van de werkgever de foutieve gedraging van betrokkene zelf een rol heeft gespeeld, hetgeen een onmiddellijke weerslag kent in een gedeelde aansprakelijkheid. Bij verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 10 december 2006 tekent de heer D.R. tegen voormeld vonnis beroep aan en verzoekt het Hof : " Het beroep van verzoeker in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens de beslissing van de R.V.A. dd. 14 juli 2000 en van de Arbeidsrechtbank Leuven dd. 9 januari 2006 te vernietigen i.v.m. de vordering van verzoeker in hoger beroep gericht tegen de R.V.A. en de tegenvordering van de R.V.A. t.o.v. verzoeker in hoger beroep. Ondergeschikt te stellen dat de terugvordering van de R.V.A. beperkt wordt tot de laatste 150 dagen. In zoverre de vordering t.o.v. verzoeker in hoger beroep geheel of gedeeltelijk gegrond zou verklaard worden. Dienvolgens de vordering in tussenkomst en vrijwaring te bevestigen en dienvolgens tweede gedaagde in hoger beroep te horen veroordelen tot vrijwaring van verzoeker in hoger beroep voor iedere betaling zowel in hoofdsom, intresten als in kosten waartoe hij zou kunnen gehouden zijn t.o.v. de R.V.A. Volledigheidshalve tweede gedaagde in hoger beroep zich te horen veroordelen tot het betalen van een bedrag van 24.139,62 Euro te verhogen met wettelijke, gerechtelijke en vergoedende intresten. Meest ondergeschikt: Het vonnis van de Arbeidsrechtbank Leuven dd. 9 januari 2006 te bevestigen. De R.V.A. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen" (A.R. nr. 48.280). Appellant stelt dat uit het gehele dossier blijkt dat hij volledig te goeder trouw is en dat men ten onrechte op geen enkele wijze met dit feit rekening heeft gehouden. De N.V. T.M. B. tekent op haar beurt hoger beroep aan tegen voormeld vonnis bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 13 februari 2006 en verzoekt het Hof : " Het door verzoekster bij huidig verzoekschrift ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens opnieuw rechtsprekende, de oorspronke-lijk door huidig geïntimeerde ingestelde vordering in tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en hem ervan af te wijzen. Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot alle kosten van beide gedingen, wettelijk voorziene rechtsplegingsvergoeding inbegrepen" (A.R. nr. 48.291) De N.V. T.M. B. stelt dat de eerste rechter voorbijgaat aan het principe "actori incumbit probatio" en dat de documenten in kwestie werden ingevuld door de bediende op uitdrukkelijk verzoek van de heer D.R. zelf en zeker niet voor alle arbeiders. De R.V.A. verzoekt het vonnis a quo in al zijn beschikkingen te bevestigen behoudens de veroordeling tot de rechtsplegingsvergoeding, die moet worden verdeeld over de verschillende partijen. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening blijkt uit het dossier geen goede trouw, wel integendeel, gezien de heer D.R. op de hoogte was van het frauduleus systeem en er moedwillig en dit gedurende jaren aan heeft meegewerkt. Feiten De feiten zoals weergegeven in het vonnis a quo worden hernomen en zijn de volgende : De heer D.R., geboren op 26 november 1969, was als arbeider in dienst van de N.V. T.M. B. vanaf 1 december
- Ter gelegenheid van een administratieve controle van de tijdelijke werkloosheidsformulieren in het werkloosheidsbureau te Hasselt, werd vastgesteld dat de schrappingen op verschillende formulieren C 3.2 van een aantal werknemers uit diverse bedrijven erg op elkaar geleken. Dit wekte argwaan van de R.V.A. omdat deze formulieren, overeenkomstig de R.V.A. reglementering, elke dag door de werkloze zelf moeten worden bijgehouden en ingevuld. Nader onderzoek bracht aan het licht dat het allemaal werknemers betrof waarvan de werkgever voor het invullen van haar sociale formaliteiten was aangesloten bij hetzelfde sociaal adviesbureau KSAB te Heusden-Zolder. Een gerechtelijk onderzoek bracht aan het licht dat personeelsleden van de BVBA KSAB schrappingen aanbrachten op de formulieren C 3.2 van diverse werknemers. Deze schrappingen zouden niet overeenstemmen met de werkelijk gepresteerde uren of met de dagen van echte tijdelijke werkloosheid. Op 13 juni 2000 werd de heer D.R. uitgenodigd om te worden gehoord aangaande het niet schrappen van de vakjes van de controlekaart vooraleer de arbeid aan te vatten in de periode van 1 december 1996 tot september 1999 en het indienen van onjuiste documenten teneinde uitkeringen te bekomen waarop hij geen recht had. De heer D.R. verwees op 30 juni 2000 ondermeer naar zijn verklaring afgelegd op 17 mei 2000 waarin hij het volgende had verklaard : "(...). Wij waren geregeld tijdelijk werkloos. In het begin van de maand kregen wij een copie van onze originele controlekaart C 3.
- De originele bleef op het bureel en op het einde van de maand vulde de bediende Gina dit controleformulier in. Op het werf brachten wij schrappingen aan op de copie als we werkten. De dagen tijdelijke werkloosheid en gewerkte dagen zijn juist. Op het einde van de maand ontvingen wij onze originele C 3.
- en ik tekende en bracht hem binnen bij mijn uitbetalingsinstelling". Op 14 juli 2000 nam de R.V.A. de thans bestreden administratieve belissing. Het gerechtelijk onderzoek omtrent deze sociale fraude resulteerde inmiddels in een vonnis dd. 29 oktober 2004 van de Correctionele Rechtbank te Hasselt. In casu werd de zaakvoerder van de N.V. T.M. B., naast diverse andere werkgevers en het sociaal secretariaat, gedagvaard voor de Correctionele Rechtbank te Hasselt. Bij vonnis van 29 oktober 2004 sprak de Correctionele Rechtbank de heer Tuteleers, zaakvoerder, vrij nu noch de verklaring van de administratief bediende noch deze van de werknemers werden teruggevonden. Evenmin werden de controleformulieren teruggevonden zodat de rechtbank "niet over voldoende controleerbare gegevens beschikt om de feiten als bewezen te verklaren". De N.V. T.M. B. werd buiten zake gesteld. Het vonnis is thans in kracht van gewijsde gegaan". Beoordeling door het Hof Niet betwist wordt dat de werknemer niet in het bezit was van een formulier C 3.2 dat geldt als controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en dat deze originele formulieren op het bureel van de firma bleven en door een bediende werden ingevuld i.p.v. door de werkloze. De heer D.R. had op de werf enkel de copiën van deze formulieren bij zich waarop hij schrappingen aanbracht wanneer hij werkte. De heer D.R. voldeed niet aan artikel 71, § 1, 1°, 3°, 4° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering en kan geen uitkeringen genieten gezien hij niet in het bezit is van een controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze niet bij zich bewaarde, zijn controlekaart niet ingevuld heeft met onuitwisbare inkt overeenkomstig de richtlijnen verstrekt door de Rijksdienst en vóór de aanvang van de activiteit bedoeld in artikel 45, hiervan geen melding heeft gemaakt op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt. De beslissing van de eerste rechter om de uitsluitingsbeslissing van de R.V.A. te bevestigen is terecht. Bedrog op arglist in hoofde van de werknemer wordt niet bewezen en door de R.V.A. in graad van beroep niet langer weerhouden; de verjaringstermijn is terecht drie jaar, de sanctie op grond van artikel 154 van het voormeld koninklijk besluit werd terecht herleid en de sanctie op grond van artikel 155 van voormeld koninklijk besluit terecht vernietigd. Artikel 169 van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald en dat er beperking is tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning wanneer het bewijs van goede trouw wordt geleverd door de werkloze. De goede trouw impliceert de afwezigheid van enige tekortkoming van de verzekerde in de concrete relatie met de werkloosheidsreglementering. Betrokkene moet dus bewijzen dat hij totaal vreemd was aan de omstandigheden die tot de onverschuldigde uitkering hebben geleid. (Arbeidshof Gent, 1 februari 1999, A.R. 390/98); dit is in casu niet het geval. Op het formulier C 3.2 staan de verplichtingen van de werkgever en van de werknemer duidelijk vermeld. Terecht stelt het Auditoraat-generaal in zijn advies het volgende : " Elk redelijk en voorzichtig werknemer kon slechts beseffen dat het niet naleven van deze essentiële verplichtingen fraude mogelijk maakt en dat het opzet van de verplichting opgelegd aan de werknemer de controlekaart bij zich te houden tot het einde van de maand, er precies in bestaat de werkelijk geleverde arbeidsprestaties op elk ogenblik te kunnen controleren. Het controleformulier verwijst de werknemer naar zijn uitbetalingsinstelling voor eventuele uitleg i.v.m. het invullen van het formulier. Appellant bewijst niet dat hij enig initiatief nam in die zin of om van zijn werkgever het origineel controleformulier te bekomen, wat blijkbaar wel werd gedaan door andere werknemers van tweede geïntimeerde aangezien deze in besluiten stelt dat niet alle arbeiders kopieën van het controleformulier gebruiken (beroepsbesluiten, blz. 3) en hierin niet tegengesproken wordt door appellant. Het behoorde anderzijds de N.V. T.M. B. niet de controleformulieren aan te kruisen in de plaats van de arbeiders en ze niet te overhandigen aan de werknemers in het begin van de maand. Door zulks te doen heeft de werkgever deze arbeiders in een situatie geplaatst waar zij hun recht op werkloosheidsuitkeringen verliezen. De N.V. T.M. B. heeft foutief gehandeld. Zijn hoedanigheid van werkgever die gezag uitoefent maakte het hem mogelijk deze zware inbreuk op de werkloosheidsreglementering te vermijden. De werkgever is ermee belast als een goed huisvader de administratieve formaliteiten te vervullen t.o. van de werknemer en het werkloosheidsbureau". Het Hof kan zich hiermede aansluiten en bevestigt de verdeling van de aansprakelijkheid van 2/3den voor de werkgever en 1/3de voor de betrokken werknemer i.v.m. de eis in tussenkomst en vrijwaring. Tenslotte wordt het vonnis eveneens bevestigd waar het beslist dat betrokkene geen aanspraak kan maken op de betaling van loon lastens zijn werkgever gezien niet wordt aangetoond dat hij de formaliteiten van kennisgeving van tijdelijke werkloosheid conform artikel 51 § 7 van de arbeidsovereenkomstenwet niet zou hebben nageleefd (cfr. stukken 2 & 3 van de N.V.T.M. B. - A.R. nr. 48.280). In verband met de kosten stelt het Hof vast dat in de andere procedures (A.R. nr. 48.292 en nr. 48.293) een gelijkaardige problematiek wordt behandeld met evenwel afwijkende vorderingen en andere conclusies, zodat telkens een rechtsplegingsvergoeding per dossier toegekend kan worden. Voor beide samengevoegde zaken wordt slechts één rechtsplegingsvergoeding t.o.v. elke partij toegekend. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk eensluidend advies, voorgelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 18 januari 2007; Gelet op de termijn verleend tot 13 februari 2007 om replieken neer te leggen; Geen replieken werden neergelegd en het beraad werd verdaagd naar 22 februari 2007 wegens de onmogelijkheid de zetel wettelijk samen te stellen; Voegt de zaken met A.R. nr. 48.291 en 48.280 samen; Verklaart beide hogere beroepen ontvankelijk en ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen; Verwijst overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek de R.V.A. en de heer D.R. tot de kosten van het hoger beroep bij verzoekschrift ingediend door de heer D.R., de R.V.A. conform lid 2 en de heer D.R. conform het eerste lid van voormeld artikel; Verwijst conform artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek de N.V. T.M. B. tot de kosten van het hoger beroep bij verzoekschrift ingediend door de N.V.T.M. B.. Zegt dat slechts één rechtsplegingsvergoeding wordt begroot ten aanzien van elke partij gezien de samenvoeging en het neerleggen van dezelfde conclusie in beide zaken. De kosten tot op heden begroot door de heer D.R. op 145,78 Euro zijn voor de helft ten laste van de R.V.A. en voor de andere helft ten zijner laste; De kosten tot op heden begroot door de N.V. T.M. B. op 145,78 Euro zijn ten haren laste. De R.V.A. heeft zijn kosten tot op heden niet begroot. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op tweeëntwintig maart tweeduizend en zeven. Waar aanwezig waren : Mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer J. BOULOGNE, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer P. DEPRETER, Raadsheer in Sociale Zaken, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). de heer D. REGA, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE D. REGA J. BOULOGNE PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070322.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.