id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070402.4 Rolnummer: 46.969 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-11-05 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 15:30 Fiche Is geen zelfstandige de hulpagent van politie in statutair verband wiens taak voornamelijk bestond uit tolkopdrachten en die zelfs hoofdzakelijk met dit oogmerk werd aangeworven. Gelet op zijn tewerkstelling in ondergeschikt verband en de door zijn oversten gedeelte mening dat hij dergelijke opdrachten niet kon weigeren op straffe van sanctie wegens weigering een bevel op te volgen, moet worden aangenomen dat het hem niet mogelijk was de 'vorderingen' van de politiediensten te weigeren op straffe zijn tewerkstelling in gevaar te brengen, of die zienswijze nu correct is of niet. Hetzelfde geldt wat de vorderingen van externe instanties betreft, die hem blijkens de stukken, via zijn oversten werden geadresseerd voor prestaties die tijdens de gewone diensturen vielen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Toepassingsgebied Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - SOCIAAL STATUUT - Tolk. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 38 - 27-07-1967 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEE APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN. NEGENDE KAMER Bijdragen zelfstandigen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ), met zetel te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein, 6, woonstkiezend op het gewestelijk kantoor te 3000 Leuven, Vaartstraat, 54 Appellant, vertegenwoordigd door Mr. Anne SOBRIE, advocaat te Leuven; Tegen: W. A., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr.Tom DEKEERSMAEKER, advocaat te Antwerpen; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 14de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 1 juni 2005 (AR nr. 33691/00), het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 27 juli 2005; de besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 8 maart 2006; de beschikking op art. 747, §2 Ger. W. van het Arbeidshof dd. 11 juli 2006; de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 11 september 2006; de vervangende besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 6 november 2006; het schriftelijk advies van het Openbaar ministerie ontvangen ter griffie op 14 februari 2007; de repliek op het schriftelijk advies van het Openbaar ministerie van appellante, ontvangen ter griffie op 1 maart 2007; Geïntimeerde repliceerde niet op het schriftelijk advies van het Openbaar ministerie; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 5 februari
- RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING Mevrouw W. was tewerkgesteld als hulppolitiebeambte met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van 2-9-1991 tot 31-12-1992 binnen de zone 5344 Schaerbeek, Evere, Sint-Joost-ten-Noode. Vanaf 1-1-1993 werd ze als hulpagente van politie tewerkgesteld met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur afgesloten op 15-12-
- Daarin werd bepaald dat zij in de politiediensten zou geïntegreerd worden indien zij met vrucht de vormingscursus van één maand zou volgen en voldeed aan de benoemingsvoorwaarden. In de loop van 1993 was mevrouw W. als statutair hulpagente van politie tewerkgesteld. Mevrouw W. beheerst acht talen waaronder het Turks, Pools, Bulgaars, Albanees en Serbo-Kroatisch. Daarom wordt vaak een beroep op haar gedaan om haar diensten als tolk te verlenen, zowel door de lokale politie als door de gerechtelijke overheden (onderzoeksrechters, Procureur des Konings, Federale Politie, Jeugdrechtbank, Raadkamer...). Zij verricht die prestaties zowel tijdens als na haar diensturen, tijdens de week en tijdens week-ends, zowel overdag als ‘s nachts en tijdens vakantieperiodes. Zij werd voor die prestaties vergoed overeenkomstig het Algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken vasgesteld bij Koninklijk Besluit van 28-12-
- Na een onderzoek uitgevoerd door zijn diensten, deelde het RSVZ haar per brief van 25-3-1999 mee dat zij vanaf 1-1-1994 verzekeringsplichtig was aan het sociaal statuut der zelfstandigen in de hoedanigheid van tolk (in bijberoep) en verplicht was zich aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds naar keuze. Daar zij op dit verzoek niet inging, stelde het RSVZ haar met een aangetekende brief van 9-9-99 in gebreke om zich aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen. Met een brief van 27-9-99 antwoordde mevrouw W. dat zij de verzekeringsplicht als zelfstandige betwistte. Zij motiveerde dit als volgt: « (...) Ik geef toe dat de sociale wetgeving zeer complex is maar ik meen toch te weten dat om als zelfstandige te worden aanschouwd er geen relatie van ondergeschiktheid mag bestaan. Wat wil zeggen dat de zelfstandige vrij mag kiezen voor wie en wanneer hij werkt en dat hij bovendien zelf de tarieven van zijn vergoedingen mag aanduiden. Daarbij komt nog dat naar interne richtlijnen een ambtenaar nooit een zelfstandige activiteit mag uitvoeren. Hoogstens kan hij als passief aandeelhouder ingeschreven worden in een vennootschap. In het kader van gerechtelijke procedures kan ik U verzekeren dat dit helemaal niet te vergelijken is met de uitvoering van een zelfstandige activiteit en dit om volgende redenen: -Er bestaat een evidente relatie van ondergeschiktheid. Ik werk steeds voor en op vordering van een officier van gerechtelijke politie of een magistraat. De prestaties die ik uitvoer dienen altijd uitgevoerd te worden op de tijdstippen dat bovenvermelde personen mij aanduiden en steeds volgens een opgedragen schema. -Ik werd erkend als tolk zowel door de administratieve overheid als door de gerechtelijke overheid. De prestaties die ik lever (verplicht word te leveren) liggen steeds in het verlengde van mijn normale dienstprestaties; Ik lever NOOIT privé-prestaties. -Bij het tolken wordt ik steeds « gevorderd ». Men kan zich nooit onttrekken aan een gerechtelijke vordering zonder zicht bloot te stellen aan gerechtelijke vervolgingen. -De vergoedingen die ik ontvang worden niet vrij door mij gekozen maar worden opgelegd door het Ministerie van Justitie. De ontvangen vergoedingen zijn steeds aangegeven geweest bij het Ministerie van Financiën. -Ik ontvang enkel de wettelijke vergoedingen, mijn maandsalaris blijft dus steeds ongewijzigd. Gezien wat voorafgaat ben ik ervan overtuigd op geen enkel ogenblik een zelfstandige activiteit te hebben uitgevoerd. Eveneens wil ik U ter kennis brengen dat sinds maart 1999 ik niet meer getolkt heb met vergoeding (...) » Met een brief van 21-2-2000 deelde het RSVZ haar mee dat zij met ingang van 1-1-1994 ambtshalve als zelfstandige werd aangesloten bij de Nationale Hulpkas voor Sociale Verzekering der Zelfstandigen. Met dagvaarding van 13-12-2000 spande mevrouw W. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank. Zij vorderde dat deze de beslissing van het RSVZ tot ambtshalve inschrijving bij de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekering der zelfstandigen die haar met brief van 21-2-2000 ter kennis werd gebracht zou worden vernietigd en dat voor recht zou worden gezegd dat zij geen bijdragen verschuldigd is in het raam van het sociaal statuut der zelfstandigen voor haar prestaties als tolk. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 15-2-01, vorderde het RSVZ bij tegeneis mevrouw W. te veroordelen tot betaling van de achterstallige bijdragen in het raam van het sociaal statuut der zelfstandigen m.b.t. de periode vanaf het eerste kwartaal van 1995 tot en met het 4de kwartaal van 2000, te vermeerderen met de verhogingen en kosten, hetzij in totaal voor een bedrag van 10.369,31 Euro (418.297 F), te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de neerlegging van de conclusie tot de volledige betaling en tot betaling van de gerechtskosten. Met aanvullende besluiten ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 10-7-2003 breidde het RSVZ zijn vordering uit tot een bedrag van 11.508,53 Euro voor de periode vanaf het 1ste kwartaal van 1995 tot en met het 4de kwartaal van 2002 en de gerechtelijke intresten op 10,508,53 Euro vanaf de neerlegging van de aanvullende conclusie tot de volledige betaling. Er werden slechts bijdragen gevorderd tot en met het 4de kwartaal van 2001 doch het RSVZ meende dat de verzekeringsplicht ook tijdens 2002 bleef bestaan. Met het bestreden vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank zowel de hoofd- als de tegenvordering ontvankelijk. Zij verklaarde de hoofdvordering gegrond, de tegenvordering niet gegrond. Zij vernietigde de beslissing van het RSVZ tot ambtshalve inschrijving bij de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekering der Zelfstandigen, op 21-2-2000 aan mevrouw W. ter kennis gebracht en zegde voor recht dat mevrouw W. geen bijdragen verschuldigd was voor haar prestaties als tolk die zij op vordering van de gerechtelijke en politionele overheden verrichtte en nog zou verrichten. Zij overwoog dat: -de hiërarchische oversten van mevrouw W., het tolken beschouwden als deel uitmakend van haar opdracht als hulpagente van politie van Schaerbeek; -dat mevrouw W. niet over de minste appreciatiebevoegdheid beschikte en geacht werd uitvoering te geven aan de bevelen van haar oversten en bijgevolg 24u op 24 ter beschikking moest staan om te tolken -zowel voor haar eigen korps als voor de gerechtelijke overheden. Daarom achtte zij het fiscaal criterium ter zake niet dienend en meende zij daarentegen dat op basis van de sociologische realiteit vaststond dat de prestaties als tolk niet als een zelfstandige activiteit konden worden gekwalificeerd. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP Het RSVZ kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de Arbeidsrechtbank en verzoekt het Hof deze te hervormen, de oorspronkelijke hoofdvordering, ingeleid bij dagvaarding van 13-12-2000 ongegrond te verklaren en de oorspronkelijke tegenvordering gegrond. Bijgevolg mevrouw W. te veroordelen tot betaling van een bedrag van 11.508,53 Euro als achterstallige bijdragen over de periode van 1995/1ste kwartaal tot en met 2002/4de kwartaal, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op 10.369,31 Euro vanaf 15-2-2001( neerlegging van de eerste conclusie in eerste aanleg) en op 11.508,53 Euro vanaf 10-7-2003 (neerlegging van de aanvullende conclusie in eerste aanleg) tot de volledige betaling. Haar tevens te veroordelen tot alle kosten van het geding. Mevrouw W. verzoekt het Hof het bestreden vonnis volledig te bevestigen met uitzondering van de gerechtskosten, het RSVZ af te wijzen van zijn hoger beroep en te veroordelen tot de kosten van het geding. BEOORDELING
- Ontvankelijkheid Het RSVZ beweert dat het vonnis op 29-6-2005 werd betekend doch er ligt geen betekeningsakte voor. Aangezien het verzoekschrift tot hoger beroep op 27-7-05 ter griffie van het Hof is neergelegd, werd het hoger beroep ingesteld binnen de wettelijke termijn. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Daarover is trouwens geen betwisting gerezen. Het is derhalve ontvankelijk.
- Ten Gronde De betwisting betreft de vraag of mevrouw W. als zelfstandige dient aangesloten te worden en bijdragen te betalen voor haar prestaties als tolk verricht op verzoek van de politionele en gerechtelijke overheden terwijl ze als hulpagente van politie in statutair verband was tewerkgesteld in de politiezone Schaerbeek-Evere-St.Joost-ten-Noode. Het RSVZ voert in hoofdzaak aan dat tolkopdrachten los staan van de normale activiteit van mevrouw W. als hulpagente en dat zij deze kon weigeren zonder daarvoor gesanctioneerd te kunnen worden, zowel wanneer die opdrachten uitgingen van haar rechtstreekse oversten als wanneer het externe opdrachten betrof. Die opdrachten kaderen volgens hem immers niet in de taak van een hulpagent zoals die blijkt uit art 58 van de Wet van 7-12-1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst dat slechts een herhaling is van art 217,2de lid van de nieuwe gemeentewet. Volgens die bepaling mogen hulpagenten geen opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie uitvoeren, behalve de bevoegdheden die hen zijn toegekend inzake de politie van het wegverkeer en die om toe te zien op de naleving van gemeentelijke politieverordeningen. De beschrijving van de taken in de Omzendbrief Pol 37 van 28-1-1993 (BS 2-2-1993) laten volgens het RSVZ al evenmin andere opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie toe. De door mevrouw W. voorgebrachte verklaringen ter staving van haar stelling dat zij de tolkopdrachten niet kon weigeren, zijn volgens Het RSVZ geenszins eensluidend en derhalve niet pertinent. De vaststelling dat een beëdigd tolk "gevorderd" wordt door een gerechtelijke instantie betekent evenmin dat die activiteit verricht wordt in statutair verband. De prestaties worden evenmin uitgevoerd onder het gezag van de vorderende instantie. De vaste tarieven waarmee de tolkopdrachten worden vergoed staan volgens hem evenmin het bestaan van een zelfstandig statuut in de weg. Het RSVZ meent dat de beroepsactiviteit van mevrouw W. moet worden opgesplitst in haar taak als hulpagente in statutair verband enerzijds en haar activiteiten als tolk op zelfstandige basis anderzijds. Dit blijkt volgens hem bovendien uit de verschillende verloningswijzen, via haar wedde enerzijds en via de vaste tarieven voor tolken anderzijds. Mevrouw W. verzoekt om de bevestiging van het bestreden vonnis waarvan zij de motivering die ze volledig bijtreedt sluitend acht. Beoordeling De sleutelbepaling met betrekking tot de onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen is art 3 van het KB nr 38 van 27-7-1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Volgens art 3§1 wordt onder zelfstandige verstaan "ieder natuurlijk persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is. Die bepaling wordt het sociologisch criterium genoemd. Daarnaast bevat art 3§1, 2de lid een fiscaal criterium. Die bepaling vestigt een weerlegbaar vermoeden dat ieder persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent die inkomsten kan opleveren bedoeld in art 23§1, 1°of 2°of art 30, 2°of 3° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen ‘92, vermoed wordt, tot het bewijs van het tegendeel, zelfstandige te zijn. Het blijkt dat mevrouw W. naast haar wedde als hulpagente inkomsten genoot die belast werden als baten van vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden (in ‘96, ‘97, ‘98 en ‘99) en als diverse inkomsten in ‘
- Die fiscale gegevens waren de aanleiding tot het onderzoek van het RSVZ. Het RSVZ heeft zich op dit fiscaal criterium gebaseerd om te besluiten tot de onderwerping van mevrouw W., zoals o.m. blijkt uit zijn schrijven van 1-10-
- Het was van mening dat het vermoeden door de elementen die bij het onderzoek aan het licht kwamen niet werd weerlegd. De toegekende bedragen waren vrij aanzienlijk. Het betrof dan ook prestaties die op regelmatige basis werden geleverd. Dit wordt niet betwist. Zo bedroegen die neveninkomsten 385.453 F in 95, 227.860 F in 96 en 219.561 F in
- Er bestaat geen betwisting over het feit dat die inkomsten enkel betrekking hadden op prestaties als tolk en niet als vertaler, dat zij zowel tijdens als na de gebruikelijke diensturen werden geleverd en dat zij werden verricht zowel ten behoeve van het politiekorps van Schaarbeek als van andere politiediensten en van gerechtelijke overheden. Mevrouw W. leverde geen prestaties als tolk in privé verband. Uit het geheel van de voorliggende gegevens blijkt het volgende: Mevrouw W. was aanvankelijk tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst en vanaf 93 in statutair dienstverband. Hoewel zij niet als tolk werd aangeworven, doch als hulpagente, zoals het RSVZ terecht opmerkt, was haar talenkennis doorslaggevend voor haar aanwerving bij het politiecorps. (zie verklaring politiecommissaris Boven van 6-10-99) en blijkt dat het tolken één van haar voornaamste taken, zoniet de voornaamste taak was die ze kreeg toegewezen. Op 30-10-91 werd reeds in een order uitgaande van de politie van Schaerbeek bepaald dat mevrouw W. werd ingedeeld bij de DC/Vreemdelingendiensten, dat zij voldoende mondelinge kennis bezat van volgende talen: Frans, Nederlands, Engels, Albanees, Turks, Joegoslaafs, Pools en Bulgaars en dat zij zich ter beschikking hield als tolk voor de HH officieren met wacht en dat men haar buiten de werkuren thuis kon bereiken. Dit order werd meegedeeld aan alle officieren van gerechtelijke politie. Het was dus niet mevrouw W. zelf die zich beschikbaar stelde voor tolkopdrachten. Het initiatief daartoe ging uit van haar hiërarchische oversten. Het was kennelijk niet haar bedoeling om zich als zelfstandige te manifesteren en zich ter beschikking te houden van een potentieel cliënteel. In haar verklaring voor de Arbeidsrechtbank stelde mevrouw W. dat haar normale taak binnen de vreemdelingendienst was ondervragingen bij te staan en vertalingen te maken. Vanaf haar overstap naar de gerechtelijke directie in 93 bestond haar takenpakket uit het tolken in administratieve aangelegenheden en gerechtelijke onderzoeken daartoe opgevorderd door de Politie, de Commissaris, de Onderzoeksrechter of de Procureur des Konings. De heer D. H., hoofdcommissaris van de zone 5443 die eveneens werd gehoord bevestigde dat haar hoofdbezigheid bestond uit vertaalwerk. Hij verduidelijkte dat de vergoeding daarvan tijdens de diensturen lager lag dan prestaties ‘s nachts, ‘s avonds of buiten de werkuren. Hij bevestigde dat indien mevrouw W. zou weigeren te tolken dit een weigering van bevel zou betekenen. Zij diende steeds beschikbaar te zijn en moest gevolg geven aan elk gegeven order, hetgeen bepaald werd bij dagorder. Indien ze daaraan geen gevolg zou geven zou een disciplinair onderzoek worden opgestart en zouden tuchtstraffen kunnen volgen. Commissaris R. trad die verklaring bij. Nu is het wellicht niet gebruikelijk dat een hulpagent als tolk wordt ingeschakeld doch dat hieruit zou kunnen worden besloten dat dit een opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie betrof die niet tot de wettelijke opdracht van een hulpagent behoort, zoals voortvloeit uit art 58 van de Wet van 7-12-1998 (voordien art 217,2de lid van de nieuwe gemeentewet) en de omzendbrief POL 37 van 28-1-1993 is nog maar de vraag. Een tolk neemt immers geen enkele beslissing of initiatief m.b.t. een administratieve of gerechtelijke aangelegenheid doch geeft slechts zo getrouw mogelijk weer wat de gehoorde persoon verklaart. Het staat niet aan de arbeidsgerechten te beoordelen of een statutaire overheid aan de ambtenaren waarover zij het gezag heeft opdrachten geeft die niet in overeenstemming zijn met hun statuut. Het Hof kan dan ook slechts vaststellen dat mevrouw W. in statutair verband was tewerkgesteld en dat haar oversten bevestigen dat zij haar in het raam daarvan tolkopdrachten gaven. Omwille van haar talenkennis werd mevrouw W. regelmatig als tolk "gevorderd" niet enkel door de officieren van het politiecorps maar eveneens door externe instanties (verklaring commissaris Boven van 16-3-1999). Schaerbeek is een gemeente met een belangrijke vreemdelingenpopulatie. Het onderzoeksverslag van het RSVZ van 29-1-1999 verduidelijkt daaromtrent dat ingevolge toevloed van vreemdelingen uit de Oostbloklanden er een grote behoefte was aan personen die de talen uit die landen machtig waren, zowel in administratieve aangelegenheden als bij het optreden tijdens conflicten of het onderzoek naar delicten. Dit zijn o.m. politionele taken. Het aanbod aan geschikte meertalige vertalers en tolken was schaars, zodat mevrouw W. regelmatig als tolk werd "opgevorderd" door Rijkswacht, Politie, Parketten, Rechtbanken en Magistratuur. In een brief aan het RSVZ van 22-1-1999 legde mevrouw W. uit dat haar tolkwerk voortvloeide uit haar beroepsactiviteit als hulpagente bij de politie van Schaerbeek. Commissaris Boven van Schaerbeek bevestigt dit in zijn verklaring van 6-10-
- Hij stelde dat mevrouw W. na de opheffing van de dienst vreemdelingenzaken in het korps werd overgeplaatst naar de gerechtelijke brigade. Het secretariaat van de gerechtelijke brigade zette haar bijna dagelijks in als tolk in het raam van gerechtelijke onderzoeken voor de verschillende parketten in het land. Hij voegt eraan toe dat gelet op de hiërarchische band van ondergeschiktheid t.o.v. de officieren en hulpofficieren van de Procureur des Konings, tolkopdrachten moeilijk kunnen worden geweigerd indien daarom wordt gevraagd. De Commissaris verduidelijkt dat dit immers kan beschouwd worden als de weigering van een bevel of order, hetgeen een tekortkoming is aan de beroepsplicht. Daar mevrouw W. de opdrachten steeds heeft aanvaard heeft de vraag naar het gevolg van dergelijke inbreuken zich niet gesteld. Hij verduidelijkte eveneens dat er een rechtstreeks verband bestond (tussen de opdrachten) met gerechtelijke feiten die door de politie van Schaerbeek waren vastgesteld of aan hen toevertrouwd door de gerechtelijke overheden te Brussel en elders omdat de feiten gepleegd waren in Schaerbeek of de Brusselse agglomeratie of betrekking hadden op personen die in Schaerbeek woonden of er werden aangetroffen. Dit blijkt inderdaad uit orders van onderzoekrechter Deboyser van 17-1-2001 en 8-3-2001, geadresseerd aan haar commissaris, waarin aan mevrouw W. via haar hiërarchische overste werd verzocht bijstand te verlenen (als tolk) bij een verhoor daar zij de taal en het dossier kende (stuk 12 en 13 geïntimeerde). In een attest van 21-6-2002, bevestigt ook de politiecommissaris Roussel van het Commissariaat 1, Interventie van de Politie te Schaarbeek dat hij door de jaren heen meermaals een beroep deed op de diensten als tolk van mevrouw W. daar zij in die hoedanigheid werd aangeduid door Hoofdcommissaris M., zoals vermeld in het order van 30-10-
- Hij verduidelijkt daarbij dat door haar tewerkstelling bij de Schaerbeekse politie de grootst mogelijke vertrouwelijkheid en beschikbaarheid werd gegarandeerd, daar het vaak moeilijk en soms onmogelijk is om binnen een korte tijdspanne een tolk te vinden. Haar diensten werden namelijk het vaakst gevorderd na vrijheidsberoving in het kader van gerechtelijke dossiers waarbij geen tijd mag worden verspeeld. Hij voegt eraan toe dat het feit dat zij in de hoedanigheid van tolk in een dagelijks order werd ogenomen, opgesteld door een hiërarchische meerdere, voor haar tot een verplichting maakte (stuk 14 geïntimeerde). Ook Commissaris V., die van 1995 tot 2002 zoals mevrouw W. verbonden was aan de Gerechtelijke directie en de leiding had van de anti-criminaliteit brigade, legde op 25-6-2002 een gelijkaardige verklaring af. Hij bevestigde daarin dat mevrouw W. nooit een order geweigerd heeft doch dat, mocht dit het geval zijn geweest disciplinaire sancties hadden kunnen genomen worden (stuk 15). Commissaris V. M., verantwoordelijke officier voor de jeugddienst en de wijk te Schaerbeek legde eveneens een gelijkaardige verklaring af en bevestigde nogmaals dat het zeer moeilijk was om beschikbare tolken te vinden. Zij bevestigde eveneens dat een weigering tot disciplinaire sancties aanleiding kon geven (stuk 16). De wet van 7-12-1998 bevestigt dat de hoedanigheid van personeelslid van het operationeel kader onverenigbaar is met de uitoefening van een ander beroep. Dit verbod geldt zolang het personeelslid in (dienst)activiteit is. Voor een aantal beroepen kan weliswaar een afwijking worden gevraagd. Dit dient te gebeuren volgens de voorgeschreven formaliteiten. Mevrouw W. heeft nooit een afwijking aangevraagd zodat ook uit die omstandigheid kan worden afgeleid dat zij niet enkel met het akkoord, doch zelfs op verzoek van haar hiërarchische overste als tolk werd ingeschakeld, ook ter beschikking van andere overheden. In zijn verklaring van 16-3-1999 stelde politiecommissaris Boven dat de prestaties van mevrouw W. als tolk binnen het politiecorps konden worden aangezien als deel uitmakend van haar functie als hulpagent waarin zij 24 uur op 24 beschikbaar diende te zijn en dat zij zich gelet op art 6 van de Wet op het politieambt moeilijk zou kunnen onttrekken indien de vorderingen uitgingen van de politie van Schaerbeek of van het parket te Brussel. Hij meende echter dat de vorderingen van externe instanties (vanwege ander parketten dan het Brussels parket, rechtbanken en onderzoeksrechters) moeilijk als een deel van de functie konden worden beschouwd en zij volledig vrij was die te weigeren. Nochtans blijkt dat dergelijke opdrachten eveneens tijdens de diensturen werden verricht zodat het erop lijkt dat zij door haar hiërarchische meerdere ter beschikking werd gesteld van andere instanties wanneer daartoe de noodzaak bestond. Men mag niet uit het oog verliezen dat het aanbod aan geschikte tolken schaars was en dat hun tussenkomst vereist was met het oog op de rechten van de verdediging en in het belang van het onderzoek of van de gerechtelijke afwikkeling van een zaak en de tussenkomst van een tolk vaak hoogdringend was, zo bvb diende in het geval van een aanhouding de aangehouden persoon binnen de 24 u te worden ondervraagd, zoniet diende hij opnieuw te worden vrijgelaten. Dit brengt met zich mee dat zelfs indien mevrouw W. vrij zou geweest zijn om dergelijke opdrachten te weigeren zij in haar hoedanigheid van hulpagente verbonden met een politiecorps, minstens moreel verplicht was om aan dergelijke orders gevolg te geven en dat die opdrachten zeker in het verlengde staan van haar normale taak die haar werd toebedeeld. De arbeidsovereenkomsten van mevrouw W. vermeldden reeds dat nachtwerk zonder beperking kon worden opgelegd, zoals ook binnen het statuut het geval is. Het is derhalve zeer moeilijk een scheidslijn te trekken tussen de tolkopdrachten die binnen haar diensturen of daarbuiten werden verricht. In een brief van 7-3-2001wenst politiecommissaris Boven terug zijn verklaringen van 16-3 en 6-10-1999 toe te lichten om te voorkomen dat daaraan een foute interpretatie zou worden gegeven. Hij stelde dat hij in 99 geen precies beeld had van het tolkwerk aangezien het een regeling betrof die door zijn voorgangers werd ingesteld. Hij verduidelijkt dat het geen zelfstandige activiteit betrof nu de politie ervoor geopteerd had een eigen tolk in dienst te hebben. Dit werd als een meerwaarde beschouwd die zowel de politionele als de gerechtelijke overheden als de bevolking ten goede kwam. Hij stelt dat het probleem van weigering van opdrachten zich nooit heeft gesteld doch dat een weigering vanwege mevrouw W. onherroepelijk zou hebben geleid tot een interpellatie en doorverwijzing naar de tucht van het korps daar de interne onderrichtingen duidelijk bepalen dat een politieman gehouden is de orders uit te voeren zoals het hem bevolen werd, zeker tot tuchtsancties kon leiden. Hij onderstreept dat mevrouw W. trouwens nadien is blijven doorgaan met de tolkopdrachten op kosteloze basis, conform de gegeven richtlijnen. Het RSVZ heeft in het ontbreken van de mogelijkheid tot sancties steeds een aanwijzing gezien van een zelfstandige activiteit. Mevrouw W. legt in haar stukkenbundel een order van 5-6-1980 neer in verband met de plichtenleer van de politie waarin o.m. wordt bepaald dat een politiefunctionaris de wettelijke bevelen moet uitvoeren die op reglementaire wijze door zijn hiërarchische overste geformuleerd worden . De tuchtregeling die wordt voorzien in de wet van 24-5-1991 (BS 6-6-1991) vermeldt de tuchtstraffen die bij tekortkomingen aan de beroepsplichten kunnen worden opgelegd. Zij legt tevens een brief neer van 16-9-1993 door de heer Procureur des Konings gericht aan de gerechtelijke en politionele overheden met volgende inhoud: Opdat ik daadwerkelijk toezicht kan houden op de dienst der tolken en beëdigde vertalers, verzoek ik de magistraten en officieren van gerechtelijke politie mij in kennis te stellen van alle eventuele tekortkomingen en misslagen van die tolken en vertalers en mij op de hoogte te brengen telkens als één van hen -zonder belet van overmacht- nagelaten heeft gevolg te geven aan een schriftelijke of mondelinge opvordering. Volgens die brief kon mevrouw W. niet weigeren op een opvordering in te gaan tenzij overmacht. In de wet van 13-5-1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten wordt in art 8 duidelijk bevestigd dat "personeelsleden die in ernstige en dringende omstandigheden in het raam van de voorbereiding of de uitvoering van een opdracht van bestuurlijke of van gerechtelijke politie weigeren aan de bevelen van hun oversten te gehoorzamen of er zich met opzet van onthouden die uit te voeren, worden bestraft met een zware tuchtstraf." Uit het geheel van die voorliggende elementen blijkt dat de taak van mevrouw W. als hulpagente in statutair verband voornamelijk bestond uit tolkopdrachten, dat zij zelfs hoofdzakelijk daarom werd aangeworven en dat dit zelfs werd opgenomen in een dagorder. Gelet op haar tewerkstelling in ondergeschikt verband en de door haar oversten gedeelde mening dat zij dergelijke opdrachten niet kon weigeren op straffe van sanctie wegens weigering een bevel op te volgen, moet worden aangenomen dat het mevrouw W. de facto niet mogelijk was de "vorderingen" te weigeren, op gevaar haar tewerkstelling in gevaar te brengen, of die zienswijze nu correct is of niet. Wat de "vorderingen" van externe instanties betreft, die haar, blijkens de stukken, via haar oversten werden geadresseerd, voor prestaties die tijdens de "gewone diensturen" vielen geldt hetzelfde. Mevrouw W. kon deze gelet op de gezagsrelatie moeilijk weigeren zonder in moeilijkheden te geraken, te meer nu het volgens de verklaring van commissaris Boven vaak ging om zaken die op één of ander manier verband hielden met de politie te Schaerbeek. Daarenboven kon geen duidelijke aflijning worden gemaakt tussen orders binnen en buiten de diensturen nu van mevrouw W., krachtens haar statuut werd verwacht dat zij 24 u op 24 ter beschikking stond. Dat zij voor haar prestaties als tolk apart werd vergoed heeft enkel te maken met de tarifering m.b.t. tussenkomsten van tolken in gerechtszaken. Voor ambtenaren die hun wedde cumuleren met ander inkomsten bestaan er zeer specifieke regels in welke mate die cumul toegestaan is of toekomt aan de Schatkist. In zijn advies wees het Openbaar Ministerie erop dat in het algemeen reglement op de gerechtskosten de situatie van tolken die vanwege de federale Staat, een gemeenschap, een gewest, een provincie, een gemeente of vanwege een openbare dienst die ervan afhangt een wedde of vergoeding ontvangen en prestaties als tolk verrichten in het kader van hun dienst uitdrukkelijk geviseerd en impliciet erkend is in art 9 van dat besluit. Een tolk die optreedt in gerechtszaken heeft sowieso reeds een zeer beperkte autonomie. Hij is onderworpen aan eenzijdig vastgestelde arbeidsvoorwaarden. Hij kan worden opgevorderd door de gerechtelijke overheden en mag zich daaraan niet onttrekken. Hij oefent die activiteit uit onder het gezag van de vorderende overheid die plaats, tijdstip en duur van de prestatie bepaalt. Hij kan zijn werk niet naar eigen goeddunken inrichten in tegenstelling tot de vertaler die zijn werk doorgaans naar eigen goeddunken kan organiseren. De door het RSVZ voorgelegde rechtspraak met betrekking tot de vertalers is dan ook niet dienend. Hij kan het bedrag van zijn vergoeding niet vrij kiezen. Deze wordt volgens en bij Koninklijk Besluit vastgesteld tarief bepaald (KB van 28-12-1950). Het geheel van deze overwegingen in acht nemend acht het Hof het hoger beroep ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn eensluidend schriftelijk advies Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond Bevestigt het bestreden vonnis. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van appellante. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de negende kamer van het Arbeidshof te Brussel op twee april tweeduizend en zeven. Waren aanwezig: G. BALIS: Kamervoorzitter, Voorzitter. M. VERMAELEN: Raadsheer. N. VAN ESPEN: Raadsheer in Sociale Zaken, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer P. PEETERS, Raadsheer in Sociale Zaken, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). J-M. MICHIELS: Hoofdgriffier. G. BALIS M. VERMAELEN. J-M. MICHIELS. N. VAN ESPEN PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070402.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div