← België

ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070426.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070426.15 Rolnummer: 48.159 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 15:35 Fiche Het vermoeden bedoeld in de tweede zin van artikel 22ter van de RSZ-Wet luidens hetwelk de deeltijdse werknemers worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid is toepasselijk bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, in alle gevallen waarin de voorschriften inzake de bekendmaking van de werkroosters niet werden nageleefd en dus ook wanneer een normaal werkrooster voor deeltijdse arbeid ontbreekt. Het bewijs van het tegendeel kan door de werkgever niet worden geleverd door het overleggen van de arbeidsovereenkomst of de loondocumenten, evenmin door zich te steunen op de verklaringen van zijn werknemers omdat van werknemers moeilijk kan worden verwacht dat ze hun betrokkenheid bij een sociale fraude gewillig zullen erkennen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - Toepasselijkheid - Weerlegbaar vermoeden - Tegenbewijs - Bewijselementen. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: VII A art 22 ter. Gepubliceerd in RABG 2008, p. 135-

  1. Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - - 2008(135-141) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN 7de KAMER Sociale Zekerheid Bijdragen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: K. S. C.V.B.A., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te [...], ondernemingsnummer XXXX.XXX.XXX en in het handelsregister te Leuven onder nummer XX.XXX, appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. V. Scheys loco Mr. J. Nulens, advocaat te 3500 Hasselt, Tegen: de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,, geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. I. Henderickx loco Mr. P. Pelgrims, advocaat te 3200 Aarschot, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 12 december 2005; het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 10 januari 2006; de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 22 maart 2007, waarna de debatten gesloten werden. De hogere beroepen werden tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en zijn derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij dagvaarding betekend op 22 september 2003 aan appellante vordert geïntimeerde de veroordeling van appellante tot betaling van de som van 4.973,29 Euro volgens rekeninguittreksel afgesloten op 25 juli 2003 en voor de periode van het derde kwartaal 1998 tot en met het vierde kwartaal 2002, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 25 juli 2003 tot de dag der laatste betaling en met de gedingkosten, dit alles bij een vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement. Bij conclusie vordert geïntimeerde nog een bedrag van 9,69 Euro, zijnde de intresten die na de betaling door appellante nog verschuldigd zouden zijn. Bij conclusie dd. 22 maart 2005 vordert appellante bij wijze van tegenvordering de onder voorbehoud betaalde bedragen van 19.275,61 Euro en 4.973,29 Euro terug van geïntimeerde meer de gerechtelijke intresten. Bij vonnis dd. 12 december 2005 van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank van Leuven wordt de hoofdvordering ontvankelijk en in haar principe gegrond verklaard, worden de debatten heropend teneinde appellante toe te laten standpunt in te nemen nopens de gevorderde bedragen en wordt verder de tegenvordering ontvankelijk verklaard. De eerste rechter herinnerde eraan dat de bepalingen inzake deeltijdse arbeid van de Programmawet van 22 december 1989 erop gericht zijn om het zwartwerk tegen te gaan en dat de R.S.Z. ambtshalve kan regulariseren naar bijdragen voor een voltijdse tewerkstelling op grond van het wettelijk vermoeden voorzien in artikel 22 ter R.S.Z.-wet, wanneer wordt aangetoond dat de werkgever de wettelijk voorgeschreven publiciteitsverplichtingen van de deeltijdse werknemers niet heeft nageleefd in die zin dat er geen openbaarmaking van de werkroosters gebeurde. Het wettelijk vermoeden van een voltijdse tewerkstelling kan worden weerlegd door de werkgever. De eerste rechter was van mening dat rekening houdend met de door de inspectie gedane vaststellingen, het bewezen voorkomt dat appellante niet in orde was met de verplichtingen inzake deeltijdse arbeid. Wat het tegenbewijs betreft wordt er volgens de eerste rechter onvoldoende aangetoond dat de heer V. W. deeltijds heeft gewerkt : de arbeidsovereenkomst en de loondocumenten op zich kunnen geen bewijs vormen dat er geen voltijdse prestaties werden geleverd, er zijn tegenstrijdige verklaringen afgelegd door de zaakvoerder en de betrokken werknemer, de nodige omzichtigheid i.v.m. de formele verklaring van de werknemer zelf (die werkloosheidsuitkeringen genoot voor de inactiviteitsuren en zijn formulier C 3-deeltijds niet kon voorleggen op de dag van de controle), geen enkel bewijs nopens de slechte gezondheidstoestand van de heer V. W., de bijstand door de zaakvoerder en de heer S. is onvoldoende aangetoond en de heer T. was aangenomen als hulpkok. Tenslotte wordt het door appellante aangeboden getuigenbewijs als niet dienend beschouwd. Appellante tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof : " In hoofdorde Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren. Derhalve het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Leuven dd. 12 december 2005 te vernietigen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vorderingen van huidige geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en de tegeneis van concluante volledig gegrond te verklaren. Vervolgens geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de onder voorbehoud betaalde som van 24.248,90 Euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Tenslotte geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als deze in graad van beroep. In ondergeschikte orde. Het hoger beroep van concluante ontvankelijk te verklaren, doch alvorens ten gronde uitspraak te doen, concluante te machtigen om te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen : dat Jan V. W. in werkelijkheid volgens een vast uurrooster werd tewerkgesteld, nl. op vrijdag van 12 tot 16 u en van 19.30 tot 23 u, op zaterdag van 16 tot 23.30 u en op zondag van 12 tot 16 u. dat Jan V. W. tijdens de periode van het derde kwartaal 1998 t.e.m. het vierde kwartaal 2002 deeltijds werd tewerkgesteld a rato van 19,5 uren per week dat concluante door de week een beroep deed op de kookkunsten van Constant K. en achtereen-volgens Christophe S. en Dimitri T. en slechts tijdens de weekends - wanneer het zeer druk was - een beroep deed op de prestaties van Jan V. W. Alsdan de uitspraak over de kosten aan te houden". Uiterst ondergeschikt kan appellante zich akkoord verklaren met de oorspronkelijk door geïntimeerde gevorderde bedragen, bevestigd ter openbare terechtzitting van 22 maart
  2. Appellante stelt vooreerst dat geïntimeerde zijn vordering enkel kan steunen op artikel 22 ter R.S.Z.-wet dat een weerlegbaar vermoeden inhoudt en dat om dit vermoeden te weerleggen, de werkgever niet de omvang van de werkelijk verrichte prestaties in het kader van de arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid moet bewijzen, maar hij enkel moet aantonen dat de deeltijdse arbeiders geen voltijdse arbeid hebben verricht. Appellante brengt een aantal gegevens en stukken bij waaruit volgens haar blijkt dat de heer V. W. niet op voltijdse basis werd tewerkgesteld namelijk de arbeidsovereenkomst en de loondocumenten met de uitdrukkelijke vermelding van een tewerkstelling van 19,5 uur per week, de arbeidsorganisatie van feestzaal - restaurant Kastanjehof, maandag en woensdag gesloten, overige weekdagen slechts open indien er reservaties zijn binnengekomen, vrijdagavond, zaterdagavond en zondagmiddag banketten, bijstand door de zaakvoerder, door Christophe S., door Patrick P. en door T. Dimitri, de gezondheidstoestand van de heer V. W. en de verklaringen afgelegd in tempore non suspecto. Tenslotte biedt appellante het bewijs aan met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen. Geïntimeerde verzoekt het Hof : " Het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; Het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; Het vonnis a quo grotendeels te bevestigen : dienvolgens de hoofdvordering van concluant opzichtens appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren in haar principe; Verder de hoofdvordering van concluant opzichtens appellante tevens gegrond te verklaren betreffende de gevorderde bedragen; De tegenvordering van appellante ongegrond te verklaren; Te zeggen voor recht dat de reeds "onder voorbehoud betaalde som" van 24.248,90 Euro aan concluant toekomt. Appellante verder te veroordelen tot het betalen van de som van 9,69 Euro, meer de gerechte-lijke intresten en de rechtsplegingsvergoeding". Geïntimeerde wijst op de ratio legis van artikel 22 ter van de R.S.Z. -wet en stelt dat het vermoeden voorzien in dit artikel slechts kan worden weerlegd door effectief te bewijzen dat de betrokken werknemer in de materiële onmogelijkheid verkeerde om voltijdse prestaties te leveren. Geïntimeerde wijst op de tegenstrijdigheden in de verklaringen van de heer V. W. en deze van de zaakvoerder de heer K. i.v.m. de uren enerzijds en met deze van de heer S. i.v.m. de gezondheidstoestand en stelt dat met prestaties van een andere kok niet wordt uitgesloten dat de heer V. W. geen voltijdse prestaties heeft geleverd gelet op de omvangrijke banketten. Feiten Appellante met als zaakvoerder de heer K. Constant is uitbaatster van restaurant-feestzaal Kastanjehof, te 3212 Pelleberg, Ganzendries
  3. In het kader van een gecoördineerde actie voerden de inspectiediensten van de R.S.Z., de R.V.A., de A.O.I.F. en de Bijzondere Economische Inspectie op 26 oktober 2002 rond 23 uur een controle uit bij appellante. Op het ogenblik van deze controle werden 12 werk-nemers aangetroffen en werden er onregelmatigheden vastgesteld voor de heren S., D. en V. W. ; de oorspronkelijke vordering heeft betrekking op de tewerkstelling van de heer V. W. voor wie appellante niet in orde bleek te zijn inzake de bekendmaking van de deeltijdse werkroosters, terwijl hij zelf in overtreding bleek met de werkloosheidsreglementering, gezien hij aanspraak maakte op uitkeringen voor de inactiviteitsuren en geen formulier C 3 deeltijds bij de controle kon voorleggen. Op 10 februari 2003 werd de zaakvoerder opnieuw ondervraagd en verklaarde hij niet bereid te zijn de prestaties van Jan V. W. voltijds aan te geven, gezien zijn gezondheidstoestand voltijds werken niet toelaat. Bij aangetekend schrijven dd. 24 april 2003 brengt geïntimeerde appellante op de hoogte van het verschuldigd bedrag berekend in uitvoering van artikel 171, alinea 2 van de Programmawet van 22 december 1989 voor de prestaties van de heer V. W. Een bericht van wijziging der bijdragen werd opgesteld op 7 mei
  4. Een bedrag van 19.275,61 Euro werd onder voorbehoud op 6 juni 2003 betaald door appellante. Op 22 september 2003 werd appellante gedagvaard uit hoofde van bijdrageopslagen en intresten ten bedrage van 4.973,29 Euro berekend op de reeds betaalde som van 19.275,61 Euro. Het bedrag van 4.973,29 Euro werd eveneens onder voorbehoud betaald. Beoordeling door het Hof Artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet dd. 27 juni 1969 bepaalt : " behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 bij gebrek aan gebruik van de apparaten bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid". Artikel 159 van de programmawet van 22 december 1989 bepaalt dat wanneer het werkrooster variabel is in de zin van artikel 11 bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978, de dagelijkse werkroosters ten minste vijf werkdagen vooraf door aanplakking van een gedateerd bericht, door de werkgever, zijn aangestelde of lasthebbers, in de lokalen van de onderneming op de plaats bedoeld bij artikel 15 van de wet van 8 april 1965, ter kennis van de betrokken werknemers moet worden gebracht en dat dit bericht voor iedere deeltijdse werknemer afzonderlijk het werkrooster moet bepalen. Het vermoeden bedoeld in de tweede zin van artikel 22 ter van de wet van 27 juni 1969 luidens hetwelk de deeltijdse werknemers vermoed worden arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid is toepasselijk in alle gevallen waarin de voorschriften inzake de bekendmaking van de werkroosters niet werden nageleefd en dus ook wanneer een normaal werkrooster voor deeltijdse arbeid ontbreekt (Cass., 18 februari 2002, R.W. 2001 - 2002, 1573). Artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet schept dus het vermoeden dat de aangifte van de deeltijdse prestaties door de werkgever onjuist is en laat geïntimeerde toe het bedrag van de verschuldigde bijdragen ambtshalve vast te stellen op loon voor voltijdse arbeidsprestaties, wanneer de werkroosters van de deeltijdse werknemers niet werden openbaar gemaakt zoals voorgeschreven in de artikelen 157 tot 159 van de programmawet van 22 december
  5. De bepalingen van de programmawet van 22 december 1989 hebben tot doel het oneigenlijk gebruik van deeltijds werk ten einde aan de werkloosheid te ontsnappen te verminderen, evenals de overuren en het zwartwerk te controleren. Ze passen in het kader van de strijd tegen het zwartwerk door aan de ene kant een betere bekendmaking van de werkroosters van de deeltijdse tewerkgestelde werknemers te bewerkstelligen en aan de andere kant een meer efficiënte controle mogelijk te maken op het afwijken van de werkroosters en, meer in het algemeen op de werkelijke duur van de prestaties van deeltijds tewerkgestelde werknemers (Verslag namens de Senaatscommissie voor sociale aangelegenheden, Gedr. St., Senaat, 1989-1990, nr. 849/2, 22 en 24; Verslag namens de Kamercommissie voor sociale aangelegenheden, Gedr. St., Kamer, 1989-1990, nr. 975/10, 42 en 45). Uit steekproeven was immers gebleken dat hetgeen in de arbeidsovereenkomst werd bepaald en aan de R.S.Z. werd aangegeven beneden de werkelijkheid lag (Gedr. St., Senaat, 1989-1990, nr. 849/2,29). Aan de oorsprong van deze bepalingen ligt de vaststelling dat de arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemers uiteraard lager ligt dan die van de voltijdse tewerkgestelden, zodat ze, meer dan laatstgenoemden, meer arbeidsuren kunnen presteren dan aanvankelijk met hun werkgever werd overeengekomen. Vermits deze bijkomende uren zeer moeilijk terug te vinden zijn bestaat er, bij ontstentenis van enig efficiënt controlemiddel, een reëel gevaar dat er geen sociale of fiscale inhoudingen gebeuren op het loon dat aan deze bijkomende uren wordt betaald. Aan de oorsprong ligt tevens de vaststelling dat het merendeel van de deeltijds tewerkgestelde werknemers daarenboven nog aanvullende werkloosheidsuitkeringen ontvangen, zodat deze uitkeringen, ingeval van cumulatie met arbeidsprestaties, onrechtmatig worden ontvangen. Deze bepalingen willen dan ook een einde stellen aan deze praktijken doordat een betere kijk op de werkelijk verrichte prestaties mogelijk wordt (Memorie van toelichting, Gedr. St., Kamer, 1989-1990, nr. 975/1, 59). Niet betwist wordt dat een inbreuk werd gepleegd inzake de verplichtingen op het openbaar maken van de werkroosters voor de deeltijdse prestaties van de heer V. W.. Appellante vraagt dat op basis van de door haar aangebrachte elementen zou worden geoordeeld dat het wettelijk vermoeden wordt weerlegt. Het Hof is van oordeel dat het bewijs van het tegendeel door appellante niet kan worden geleverd door het neerleggen van de arbeidsovereenkomst of de loondocumenten, evenmin door zich te steunen op de verklaringen van haar werknemers ; immers, van de werknemers kan moeilijk worden verwacht dat ze hun betrokkenheid bij een sociale fraude gewillig zullen erkennen en de verklaringen van de heer K. en de heer V. W. bevatten tegenstrijdigheden (de heer K. verklaart dat betrokkene tot het schema van groep 3 behoort zijnde vrijdag van 12.00 tot 16.00 en van 19.30 tot 23.00 uur, zaterdag van 16.00 tot 24.30 uur en zondag van 12.00 tot 16.00 uur, terwijl de heer V. W. op 26 oktober 2002 heeft verklaard zaterdag om 15.00 uur te zijn begonnen en dat hij de dag voordien gewerkt heeft van 10.00 tot 14.00 uur (↔ 12.00 tot 16.00 uur) alsook deze van de heer S. met deze van de heer V. W., nu de heer S. verklaart dat betrokkene niet langer dan vijf uur na elkaar kan werken, terwijl de heer V. W. op de dag van de controle reeds om 15.00 uur aan de slag was en het uur van de vaststellingen om 23.00 uur gebeurde. Het Hof stelt trouwens vast dat de heer V. W. zelf niet in orde was i.v.m. de werkloosheidsreglementering en zijn C 3-formulier deeltijds niet kon voorleggen. Wat betreft de organisatie van feestzaal - restaurant stelt het Hof vast dat het restaurant in de week niet alleen open is indien er reservaties binnenkomen , maar dat reservatie gewenst is, dat het bijstaan van de heer V. W. door de zaakvoerder niet wordt aangetoond en dat de inschakeling van de heren S. ( uit dienst op 14 oktober 2002), P. (keukenhulp) en T. (hulpkok) het bewijs niet vormt van het tegendeel van de voltijdse tewerkstelling van de heer V. W., gelet op de organisatie van grote banketten. Tenslotte stelt het Hof vast dat de heer V. W. in zijn verklaring dd. 26 oktober 2002 met geen woord rept over zijn gezondheidstoestand en er geen medische attesten worden neergelegd. Op het aanbod van bewijs door getuigen gaat het Hof niet in, gelet op de afwezigheid van elke controle op de gepresteerde uren door de werknemers, de tegenstrijdigheden in de verklaringen wat de gepresteerde uren betreft en gelet op het vermoeden van collusie tussen werkgever en werknemers. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies van de hand wijzende ; Ontvangt beide hogere beroepen en doet er uitspraak over in de hierna volgende mate: A/ Hoger beroep van appellante Verklaart dit hoger beroep van appellante ongegrond en wijst het af; B/ Incidenteel hoger beroep van geïntimeerde Verklaart dit incidenteel hoger beroep van geïntimeerde gegrond, in de mate hierna bepaald; Bevestigt het vonnis grotendeels, in zover het de vordering van geïntimeerde gegrond verklaart in principe; Vernietigt het vonnis voor zover de heropening der debatten wordt bevolen i.v.m. de gevorderde bedragen; Verklaart de vordering van geïntimeerde gegrond betreffende de bedragen; Verklaart de oorspronkelijke tegeneis ongegrond en veroordeelt appellante nog te betalen aan geïntimeerde de som van 9.69 Euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten; Legt de kosten van hoger beroep ten laste van appellante, kosten tot op heden begroot op : voor appellante 291,50 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde 285,55 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zesentwintig april tweeduizend en zeven. Waar aanwezig waren : Mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer J. BOULOGNE, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer D. VRIJSEN, Raadsheer in Sociale zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE D. VRIJSEN J. BOULOGNE PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070426.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.