id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour du travail de Bruxelles Jugement/arrêt du 04 mai 2007 No ECLI: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070504.8 No Rôle: 48.505 Domaine juridique: Droit du travail - Droit civil Date d'introduction: 2007-11-20 Consultations: 438 - dernière vue 2026-07-03 13:24 Version(s): Traduction NL Fiche 1 Le tiers qui a traité avec le mandataire sans exiger la preuve du mandat ne peut plus, ultérieurement en contester l'existence lorsque ni le mandant ni le mandataire n'ont élevé de contestation à ce sujet. En cas de manquement continu ou de manquements répétés, il appartient d'abord à la partie qui donne le congé d'apprécier à partir de quel moment la gravité du manquement est établie. L'attitude démotivée d'un travailleur allant de pair avec un rendement décroissant et de nombreuses absences pour maladie ne sont pas un motif grave pour l'application de l'article 35 de la L.C.T. L'employé âgé de 49 ans, ayant une ancienneté de 29 ans et une rémunération annuelle de 25.121 EUR a droit à un préavis de trente mois. Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Apprentissage - Fin Mots libres: CONTRATS DE TRAVAIL - REGLEMENTATION GENERALE - Licenciement - Motif grave - Contestation du pouvoir de licenciement - Délai de trois jours - Manquement continu - Cas d'espèce - Démotivation du travailleur - Préavis - Durée. Bases légales: Loi - 03-07-1978 - 35 - 01 Lien ELI No pub 1978070303 Note: Versé sous II AAN art.
- Une partie du sommaire est également versée sous I B art. 1984 pour des motifs d'ordre pratique. Fiche 2 Le tiers qui a traité avec le mandataire sans exiger la preuve du mandat ne peut plus, ultérieurement en contester l'existence lorsque ni le mandant ni le mandataire n'ont élevé de contestation à ce sujet. Thésaurus UTU: DROIT CIVIL - CONTRATS SPÉCIAUX - Mandat Mots libres: SCIENCE DU DROIT - DROIT - LEGISLATION - DROIT CIVIL - Licenciement - Motif grave - Contestation du pouvoir de licenciement - Délai de trois jours - Manquement continu. Bases légales: ancien Code Civil - 21-03-1804 - 1984 - 34 Lien ELI No pub 1804032154 Note: Versé sous I B art. 1984 pour des motifs d'ordre pratique. Un autre sommaire est versé sous II AAN art.
- Annotations Publications: Journal des tribunaux du travail - en noot - 2007(390-392) Journal des tribunaux du travail - et note - 2007(390-392) Texte de la décision Rep. Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ___________________ ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER MEI TWEEDZUIDEND EN ZEVEN DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + Verzending naar de bijzondere rol In de zaak: Société belge de Construction Aéronautiques (SABCA) N.V., met zetel te 1130 Brussel, Haachtsesteenweg 1470 Appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. Bart Vanschoebeke en Mr. Alexia Hoste, advocaten te Gent; Tegen: V. E., Geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. Wim Van Roeyen, advocaat te Sint-Denijs-Westrem; ---==oOo==--- Na beraad, spreekt de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel het volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, voornamelijk: • het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 7 februari 2006 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 2de kamer, in zaak met A.R. nr. 88876/04; • het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 11 april 2006; • de eerste en tweede besluiten in hoger beroep voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 27 juni 2006 en 3 oktober 2006; • de besluiten in hoger beroep voor appelante, neergelegd ter griffie op 4 september 2006; • gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 23 maart 2007 waarbij de partijen hun bundel met stukken neerleggen waarna de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen; ---==oOo==--- I. DE FEITEN De heer V. trad in dienst van appellante op 8 september
- Sinds 1992 was de heer V. deeltijds tewerkgesteld in een regime van 32 uren. Vanaf 1 augustus 2000 tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst werkte hij in een arbeidsregime van 24 uren. Bij schrijven van 25 maart 2004 stuurde de NV SABCA een schriftelijke verwittiging naar de heer V. en verwachtte een serieuze verbetering van zijn inzet wegens aanzienlijk verminderd rendement, onvoldoende inzet, negatieve houding en weigeren van alle voorstellen zonder positieve tegenvoorstellen behalve afdanking. Er volgde volgens NV SABCA geen verbetering en tijdens het onderhoud van 28 juni 2004 toonde de heer V. geen enkele bereidheid om zijn gedrag bij te stellen. Per aangetekend schrijven van 2 juli 2004 wordt een tweede verwittiging gestuurd naar de heer V. waarbij hem zijn hoog afwezigheidsgehalte wordt verweten, zijn gebrek aan medewerking en waarbij melding wordt gemaakt van het feit dat hij aanstuurde op een ontslag door de NV SABCA. De NV SABCA stelt in dit schrijven dat het onmogelijk wordt met dit foutief gedrag de professionele samenwerking verder te zetten en zij stelt de heer V. in gebreke te handelen zoals verwacht. De heer V. reageert niet op de brieven. Op maandag 20 september 2004 dient de heer V. een verlofaanvraag in voor dinsdag 21 september 2004 om familiale redenen en voor woensdag 22 september 2004 een gewone vakantiedag. Zijn hiërarchische oversten de heer G. en zijn adjunct de heer D. melden dat de verlofdag om familiale redenen wordt aanvaard maar dat de gewone vakantiedag op woensdag 22 september 2004 niet kan worden toegekend gelet op het voorbereidingsdossier waarmee hij belast is en dat moet worden afgewerkt. De heer V. reageerde misnoegd. Tijdens een onderhoud met de heer G. en de heer M. (verantwoordelijke Human Resources) op diezelfde dag, 20 september 2004, werd de heer V. ontslagen om dringende reden. De heer V. weigerde bijstand van een syndicaal afgevaardigde tijdens dit onderhoud. De heer V. weigerde de ontslagbrief ondertekend door de heer M., te tekenen voor ontvangst. Het ontslag werd hem bij aangetekend schrijven van 21 september 2004, ondertekend door de heer M., personeelsverantwoordelijke, bevestigd. Bij aangetekend schrijven van 23 september 2004 werden hem de dringende redenen die aan de basis lagen van het ontslag ter kennis gebracht. Ook dit schrijven werd ondertekend door de heer M., verantwoordelijke Human Resources. Dit schrijven luidt als volgt: "Mijnheer V., Reeds maanden verkondigt u zonder ophouden aan iedereen die het horen wil dat u met SABCA niets meer te maken wil hebben! Reeds maanden bent u, keer op keer, afwezig! Reeds maanden verklaart u zich te ergeren aan SABCA en niet meer bereid te zijn om een positieve houding aan te nemen tegenover SABCA! Ondanks verscheidene pogingen onzentwege u tot rede te brengen, zelfs in uw aanwezigheid van uw syndicaal afgevaardigde, en onze brief van 25/03/2004 waarin u verweten werd dat "uw rendement aanzienlijk verlaagt is", "de gevraagde taken niet meer binnen een aanvaardbare termijn uitgevoerd worden", "uw inzet ondermaats is" en "uw houding enorm negatief is tegenover uw naaste medewerkers", kunnen wij geen verbetering in de toestand waarnemen. U heeft al onze pogingen om tot een vergelijk te komen (mutatie) verworpen! Naar aanleiding van onze verwittiging van 02/04/2004 heeft u op cynische wijze getracht de rollen om te keren, meer bepaald heeft u verklaard dat SABCA haar verantwoordelijkheid diende op te nemen (ontslag). Wij hebben daarop geantwoord dat u, zelf uw verantwoordelijkheid niet opneemt en dit in de moeilijke periode die SABCA nu beleeft. Ondanks dit alles, stellen wij noodgedwongen vast dat uw gedrag geen zier gewijzigd is. Op maandag 20/09/2004, heeft u in de loop van de ochtend een aanvraag ingediend voor verlof wegens familiale redenen voor dinsdag 21/09/2004 en een wettelijke verlofdag voor woensdag 22/09/
- In de loop van dezelfde ochtend hebben de heren G. en D. u geroepen teneinde u op de hoogte te brengen van het feit dat Mr. G. als Verantwoordelijke departement Industrialisatie, gezien de huidige stand van het voorbereidingsdossier waarmee u belast werd, uw verlof voor 21/09/04 aanvaarde, doch voor 22/09/2004 weigerde. Uw verantwoordelijken hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om te peilen of zij opnieuw op uw volledige inzet kunnen rekenen om het werk uit te voeren zoals men dat mag verwachten van een ervaren werkvoorbereider. U heeft hen geantwoord dat er niets gewijzigd is sinds het begin van het jaar en dat, indien SABCA geen "beslissing" voor hem neemt, u het werk voltijds herneemt vanaf 01/01/
- "Dit zou dan voor SABCA wel duurder uitvallen". U heeft er zelfs aan toegevoegd dat SABCA u slechts diende te ontslaan voor dringende reden. Vervolgens heeft Mr. G. u gevraagd of hij woensdag op u kon tellen en heeft hem op een cynische wijze geantwoord dat u dat nog wel zou zien. Wij achten deze uitspraken buitensporig en tekenend voor uw gedrag grenzend aan insubordinatie. Op het ogenblik dat u, in aanwezigheid van getuigen (namelijk uw overste), vraagt om ontslagen te worden om dringende reden, beschouwen wij dit als provocerend, totaal onaanvaardbaar en schadelijk voor een vertrouwensklimaat onmisbaar voor een goede samenwerking. Uw antwoord "we zullen wel zien" op onze vraag of wij nog op u kunnen rekenen om het werk uit te voeren, bewijst duidelijk dat wij niet meer op u kunnen rekenen om uw taak uit te voeren zoals wij mogen verwachten van een ervaren medewerker volgens de wet over de arbeidsovereenkomsten Hoofdstuk 2 Art. 17 - de werknemer is verplicht: - Zijn werk zorgvuldig, eerlijk en nauwkeurig te verrichten, op tijd, plaats en wijze zoals is overeengekomen. - Te handelen volgens de bevelen en de instructies die hem worden gegeven door de werkgever, zijn lasthebbers of zijn aangestelden met het oog op de uitvoering van de overeenkomst. Al deze elementen alsook deze reeds hernomen in de geschreven verwittiging van 02/07/2004 en 25/03/2004 leiden ons tot de beslissing om uw contract, dat ons verbindt sinds 08/09/1975, met onmiddellijke ingang op 20/09/2004 en dit wegens dwingende reden. Hoogachtend, T. M., Verantwoordelijke Human Resources" De heer V. betwist het ontslag om dringende reden bij aangetekend schrijven van 7 oktober 2004 en dagvaardt appellante op 22 november 2004 in betaling van: • 63.679,17 EUR bruto ten titel van opzeggingsvergoeding gelijk aan 30 maanden loon, • 1.175,83 EUR ten titel van eindejaarspremie en 180,37 EUR vertrekvakantiegeld op eindejaarspremie, • 1,00 EUR provisioneel ex contractu ten titel van achterstallig vakantiegeld op de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering voor de periode 20 september 1999 tot en met 20 september 2004, • 1,00 EUR provisioneel ex delicto ten titel van achterstallig vakantiegeld op de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering voor de periode vanaf het begin van de tewerkstelling tot en met 19 september 1999, • 2.500,00 EUR ten titel van schadevergoeding wegens het niet verlenen van outplacement. De bruto-bedragen te vermeerderen met de wettelijke intrest (behalve schadevergoeding outplacement) dan wel de vergoedende intrest voor de schadevergoeding, vanaf het verschuldigd zijn (behalve het vakantiegeld) dan wel vanaf de ingebrekestelling voor wat het vakantiegeld betreft, de gerechtelijke intresten en de kosten. En tot afgifte van: • het overzicht van alle betaalde werkgeversbijdragen in de groepsverzekering voor de volledige periode van tewerkstelling in toepassing van artikel 877 Gerechtelijk Wetboek, binnen de 30 dagen na datum vonnis op straffe van een dwangsom van 100,00 EUR per dag vertraging, • de socio-fiscale documenten zoals C4 met als motief onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, vakantieattesten, loonfiches, individuele rekening en fiscale fiche 281.10, binnen de 30 dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van 100,00 EUR per dag vertraging en per document. De heer V. vordert het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk rechtsmiddel en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement. ---==oOo==--- II. HET BESTREDEN VONNIS Verklaart de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond: Veroordeelt de NV SABCA tot betaling van: • 62.804,70 EUR bruto ten titel van verbrekingsvergoeding, • 894,23 EUR ten titel van pro rata eindejaarspremie, • 137,18 EUR ten titel van vakantiegeld op eindejaarspremie, bedragen te verminderen met de wettelijke voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing en het overeenstemmende netto te vermeerderen met de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten vanaf de opeisbaarheid. Veroordeelt de NV SABCA tot betaling van 1,00 EUR provisioneel ten titel van dubbel vakantiegeld op de werkgeversbijdragen verschuldigd van 20 september 1999 tot 1 januari 2004 te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het nettobedrag vanaf de ingebrekestelling. Heropent de debatten op maandag 27 maart 2006 om 09.30 uur voor 30 minuten teneinde de heer V. toe te laten zijn vordering te begroten. Veroordeelt de NV SABCA tot afgifte van aangepaste sociale en fiscale documenten. Laat het kantonnement toe. Kosten voorbehouden. ---==oOo==--- III. DE BEROEPSGRIEVEN VAN APPELLANTE SABCA NV Appellante verzoekt het Hof, Het bestreden vonnis van 7 februari 2005 van de 2de kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel te vernietigen in de mate dat SABCA NV wordt veroordeeld, te bevestigen voor het overige, en derhalve: • geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding; • het incidenteel beroep van geïntimeerde af te wijzen; • ondergeschikt in de mate dat zou getwijfeld worden betreffende de verweten tekortkoming welke aanleiding gat tot het ontslag om dringende reden, en de ernst van de feiten gezien de context, biedt SABCA NV aan om via het getuigenbewijs van de heren G. en D. het bewijs te leveren van hieronder geciteerde feiten; • in ondergeschikte orde, de opzeggingsvergoeding te beperken tot 18 maanden loon, zijnde 37.256,55 EUR bruto. Appellantes stelling kan als volgt worden samengevat: Het ontslag om dringende reden is gegeven door een bevoegd persoon en is zowel naar vorm als naar inhoud regelmatig. Terecht oordeelt de eerste rechter dat de betwisting van de ontslagbevoegdheid namens SABCA NV, door de heer V. laattijdig wordt opgeworpen. Hierdoor is SABCA NV niet gegriefd. Het ontslag om dringende reden is regelmatig naar vorm. Het laatste feit dat aan de grondslag ligt van het ontslag was aan SABCA NV bekend op 20 september
- Diezelfde dag werd de heer V. mondeling ontslagen, schriftelijk bevestigd bij brieven van 21 september
- Per aangetekende brief van 23 september 2004 werden de dringende redenen ter kennis gebracht van de heer V.. Terecht oordeelt de eerste rechter dat het ontslag om dringende reden tijdig is. Het ontslag om dringende reden is echter ook regelmatig naar inhoud. In een context van afwezigheden, insubordinatie, laster en algemeen foutief gedrag, heeft de heer V. wetens en willens zijn ontslag uitgelokt. Op 20 september 2004 provoceerde hij SABCA NV omtrent zijn ontslag en weigerde te aanvaarden dat zijn verlofaanvraag in het belang van de onderneming niet kon worden toegekend. Dit feit, geplaatst in de voornoemde context, is van dusdanige ernst dat het de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ten onrechte meent de eerste rechter dat het ontslag om dringende reden niet in proportie is met de verweten tekortkoming en bevindt zij de vordering tot het verkrijgen van een opzeggingsvergoeding gegrond. Door deze beslissing is SABCA NV gegriefd. Appellante stelt dat zij de heer V. op 20 september 2004 ontsloeg omdat deze op 20 september 2004 zijn oversten beledigde door hen op cynische wijze te antwoordden dat ze hem maar moesten ontslaan, want dat hij vanaf 1 januari 2005 terug aanspraak zou maken op een voltijdse betrekking en dat zijn ontslag dan nog veel duurder zou worden, dat SABCA NV hem desnoods maar moest ontslaan om dringende reden en tevens omdat hij zegde dat hij "nog wel zou zien" of hij al dan niet aanwezig zou zijn op 22 september 2004, zoals van hem was gevraagd. Dit laatste is volgens appellante insubordinatie en werkweigering. Appellante legt een schriftelijke verklaring neer van de heren G. en D. waarin zij de houding en de verklaringen van de heer V. beschrijven. Appellante verzoekt het Hof haar tot het getuigenverhoor van deze personen toe te laten om het bewijs te leveren: • van het feit dat de heer V. zich onophoudelijk negatief uitliet over SABCA NV; • van het feit dat de heer V. heeft gezegd, in gelijkaardige bewoordingen, dat men hem maar moest ontslaan om dringende reden indien men van hem niet tevreden was; dat hij niet hoefde correct te handelen met SABCA NV als SABCA NV dat ook niet deed met hem ten tijde van de herstructurering; • van het feit dat de heer V. zijn oversten op 20 september 2004 heeft meegedeeld dat hij "nog wel zou zien" of hij zou komen werken op 22 september 2004, nadat zijn verlofaanvraag voor die dag door zijn oversten werd geweigerd en zij hem vroegen of zij op zijn aanwezigheid konden rekenen. De weigering om te komen werken op 22 september 2004 is volgens appellante dan ook te beschouwen als een grove daad van insubordinatie die in de voormelde context terecht resulteerde in een onmiddellijke en definitieve onmogelijkheid om de arbeidsrelatie nog verder te zetten. Het ontslag om dringende reden is volgens appellante terecht. In subsidiaire orde meent appellante dat de opzeggingsvergoeding toegekend aan de heer V. door de eerste rechter, rekening houdende met het feit dat hij een knelpuntberoep uitoefende als werkvoorbereider mecatronica en vooral ook met zijn onaanvaardbaar gedrag dient te worden herleid tot het wettelijke minimum van 18 maanden. ---==oOo==--- IV. INCIDENTEEL HOGER BEROEP De heer V. stelt bij besluiten incidenteel hoger beroep in en verzoekt het Hof het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtdoende de NV SABCA te veroordelen tot betaling van: • een opzeggingsvergoeding ten belope van 63.679,17 EUR bruto; • een pro rata eindejaarspremie ten belope van 1.175,83 EUR bruto en 180,37 EUR bruto vakantiegeld; • een bedrag van 1,00 EUR ex contractu voor achterstallig vakantiegeld op de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering voor de periode van 20 september 1999 tot en met 20 september 2004 en 1,00 EUR ex delicto voor de periode vanaf het begin van de tewerkstelling tot en met 19 september 1999; • een bedrag van 2.500,00 EUR ten titel van schadevergoeding wegens het niet verlenen van outplacement; alle bruto-bedragen te vermeerderen met de wettelijke interest (alles behalve schadevergoeding outplacement) dan wel de vergoedende interest (schadevergoeding) en dat vanaf het verschuldigd zijn (alles behalve het vakantiegeld) dan wel de ingebrekestelling (wat het vakantiegeld betreft) en de gerechtelijke interest vanaf de dagvaarding tot op het moment van de effectieve betaling; appellante tevens te veroordelen in toepassing van artikel 877 Ger.W. tot afgifte van het overzicht van alle voor de heer V. betaalde werkgeversbijdragen in de groepsverzekering voor de volledige periode van tewerkstelling en dit binnen de 30 dagen na datum van het tussen te komen arrest op straffe van een dwangsom van 100,00 EUR per dag vertraging; alsook tot de afgifte van de socio-fiscale documenten C4 (met als motief: onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever), vakantieattesten, loonfiches, individuele rekening en fiscale fiche 281.10 en dit binnen de 30 dagen na betekening van het tussengekomen arrest op straffe van een dwangsom van 100,00 EUR per dag en per document vertraging; appellante te veroordelen tot de kosten van het geding. De heer V. blijft bij zijn standpunt dat het ontslag laattijdig is, niet alleen bij gebreke aan ontslagbevoegdheid in hoofde van de heer M. doch tevens omdat er op 20 september 2004 een gesprek plaatsvond met de heer G. waarin de heer V. enkel om verlof vroeg, wat geen dringende reden tot ontslag kan zijn. De overige feiten dateren van lang vóór het ontslag. Hij stelt dat SABCA NV de feiten niet bewijst die zij aanhaalt. Hij stelt dat SABCA NV noch insubordinatie, noch beledigingen, laster of werkweigering bewijst. Verder dat de zin "we zullen wel zien", al was hij bewezen, quod non, geen grond is om de zwaarste sanctie, nl. een ontslag wegens dringende reden, op te leggen aan een werknemer met een anciënniteit van 29 jaar goede dienst. De heer V. betwist het bedrag van het door de eerste rechter in aanmerking genomen basisjaarloon dat volgens hem bedraagt: • vast loon: 1.770,93 x 12 = 21.251,16 EUR • eindejaarspremie: 1.460,65 EUR • dubbel vakantiegeld op vast loon: 1.629,26 EUR • premies (laatste twaalf maanden): 207,27 EUR • enkel vakantiegeld op premies: 16,58 EUR • dubbel vakantiegeld op premies: 15,89 EUR • werkgeversbijdragen groepsverzekering: 302,14 EUR • werkgeversbijdragen maaltijdcheque: 4,46 x 132: 588,72 EUR Totaal jaarloon: 25.471,67 EUR Hij betwist ook het bedrag van de door de eerste rechter toegekende pro rata eindejaarspremie voor 2004 en bepaalt deze op 6,66 % van de door hem verdiende jaarwedde (in de periode 1 december 2003 tot en met september 2004 en blijkens de overgelegde stukken II/3): • december 2003: 1.743,90 EUR • januari 2004: 1.743,90 EUR • februari 2004: 1.743,90 EUR • maart 2004: 1.743,90 EUR • april 2004: 1.743,90 EUR • mei 2004: 1.743,90 EUR • juni 2004: 871,98 + 1.482,32: 2.354,30 EUR • juli 2004: 21,78 + 1.770,93 + 22,98: 1.815,69 EUR • augustus 2004: 1.770,93 + 9,90: 1.793,91 EUR • september 2004: 15,84 + 122,13 + 1.089,78: 1.227,75 EUR Totaal: 17.655,05 EUR De pro rata eindejaarspremie bedraagt 1.175,83 EUR (nl. 6,66% van 17.655,05 EUR). Het vertrekvakantiegeld hierop bedraagt 180,37 EUR. Hij meent dat de eerste rechter zijn vordering tot schadevergoeding ex delicto nopens niet betalen van vakantiegeld op de patronale bijdragen groepsverzekering voor de periode gelegen vóór 20 september 1999 ten onrechte heeft afgewezen wegens ontbreken van het moreel element van het misdrijf. De rechtsspreuken error iuris ocet en nemo censetur ignorare legem verkondigen dat een beroep op de onbekendheid met het bestaan van de wet een overtreding ervan in de regel niet rechtvaardigt: ieder wordt geacht de wet te kennen. Aangezien appellante dient mee te werken aan de bewijsvoering, dient zij in toepassing van artikel 877 Ger.W. aan de heer V. een overzicht te bezorgen van de in de groepsverzekering betaalde bijdragen ten laste van de werkgever en dit voor de volledige periode van tewerkstelling. De heer V. vordert de afgifte van de hierboven vermelde informatie binnen de 30 dagen na datum van het tussen te komen arrest op straffe van een dwangsom van 100,00 EUR per dag vertraging. De eerste rechter vergat hierop in te gaan. De heer V. handhaaft verder zijn vordering tot schadevergoeding (25.000,00 EUR) wegens het niet verstrekken van outplacement op basis van de CAO nr. 82 alsook zijn eis tot betaling van wettelijke intresten op de bruto-bedragen minstens vanaf 1 juli 2005, op het vakantiegeld vanaf de ingebrekestelling (7 oktober 2004). Hij handhaaft tevens de dwangsom voor de afgifte van de sociale en fiscale bescheiden. ---==oOo==--- V. BEOORDELING VAN HET HOF Daar geen betekeningsakte van het bestreden vonnis voorligt, komt het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voor; het incidenteel beroep eveneens. De laattijdige betwisting van de ontslagbevoegdheid van de personeels-verantwoordelijke: Het Hof beaamt de eerste rechter in zijn beslissing én motivering waar deze oordeelt dat de betwisting van de ontslagbevoegdheid door de heer V. voor het eerst acht maanden na het ontslag laattijdig is (5de blad bestreden vonnis). De derde die heeft gehandeld met de lasthebber zonder bewijs van de lastgeving te vragen, kan naderhand het bestaan ervan niet meer ontkennen wanneer noch de lastgever noch de lasthebber hieromtrent een betwisting opwerpen (Cass. 18 september 1964, Pas. 1965, I, 62; geciteerd in Arbh. Luik 3 december 1992, J.T.T. 1993, 250). Ten overvloede merkt het Hof op dat SABCA NV het ontslag om dringende reden alleszins heeft bekrachtigd. De bekrachtiging van de daden van een lasthebber door de lastgever heeft terugwerkende kracht overeenkomstig artikel 1998 B.W. zodat de door de heer V. aangevoerde exceptie ook ongegrond is. Over de drie-dagen-termijn, voorgeschreven door art. 35 AOW: Gezien de door partijen neergelegde stukken. Appellante ontsloeg de heer V. op 20 september 2004 om dringende reden en gaf hem op 23 september 2004 met aangetekende brief kennis van de redenen voor dit ontslag (zie hoger onder de feiten waar deze brief in extenso geciteerd wordt). Deze redenen waren, enerzijds: herhaalde negatieve houding, gebrek aan inzet, verlaagd rendement, waarvoor schriftelijke opmerkingen van de werkgever op 25 maart 2004 en 2 juli 2004, kortom feiten die de werkgever duidelijk reeds meer dan 3 dagen vóór het ontslag bekend waren; anderzijds: De feiten, d.w.z. de discussie tussen de heer V. en zijn oversten die plaatsgreep op 20 september 2004 naar aanleiding van een verlofaanvraag voor 21 september en 22 september 2004 en waartijdens de werkgever laster en beledigingen van de heer V. zou hebben vastgesteld alsook insubordinatie en werkweigering in zijnen hoofde. Ontslag om dringende reden mag niet meer zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept (Artikel 35 derde lid A.O.W.). De termijn van drie werkdagen begint slechts te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die het ontslag betekent voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 11 oktober 1993, J.T.T. 1993, 58; Arbeidshof Brussel, 31 oktober 1996, J.T.T. 1997, 137). Het feit is aan de partij die ontslag geeft " bekend " zoals bedoeld in dit artikel wanneer deze omtrent het bestaan van het feit en de omstandigheden die daarvan een dringende reden zouden kunnen maken voldoende zekerheid heeft om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen (Cassatie, 14 mei 1979, R.W. 1979-1980, 1719; Cassatie, 8 november 1999, J.T.T. 2000, 2111, Cassatie, 14 mei 2001, J.T.T. 2001, 390). Ingeval van een voortdurende tekortkoming of herhaalde tekortkomingen komt het in de eerste plaats aan de ontslaggevende partij toe te oordelen vanaf welk ogenblik het dringend karakter van de inbreuk voorhanden is (Cassatie, 27 november 1995, J.T.T. 1996, 141; Cassatie, 19 januari 1998, R.W. 1998-1999, 306) of m.a.w. vanaf welk ogenblik de voortdurende of herhaalde tekortkoming de professionele samenwerking definitief onmogelijk maakt. Doch ook in deze hypothesen van voortdurende of herhaalde tekortkomingen blijft de imperatieve regel van artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet gelden dat het ontslag slechts tijdig is wanneer het wordt betekend binnen de 3 werkdagen nadat de ontslaggevende partij kennis kreeg van de volgehouden fout die is blijven voortbestaan of van het laatste gepleegde feit. Wanneer de werknemer een herhaalde tekortkoming wordt verweten beschikt de werkgever over 3 werkdagen vanaf het ogenblik waarop hij kennis kreeg van het laatst gepleegde feit en de foutieve aard ervan moet de partij die ontslag geeft, in casu de werkgever, bewijzen. Wordt dit bewijs niet geleverd, dan is het ontslag dat wordt betekend meer dan 3 dagen nadat de andere feiten bekend zijn laattijdig (Arbeidshof Brussel, 14 april 1974, med. V.B.O. 1977, 454). Algemeen wordt aanvaard dat vroegere feiten die op zichzelf het ontslag wegens dringende reden niet meer kunnen verantwoorden, kunnen ingeroepen worden om de ernst van het feit waarvoor ontslag om dringende reden gegeven wordt, toe te lichten (Cassatie, 16 december 1979, J.T.T. 1981, 35; Cassatie, 18 februari 1980, R.W. 1980-1981, 1417; Cassatie, 28 oktober 1987, J.T.T. 1987, 494, noot; Cassatie, 28 maart 1988, J.T.T. 1989, 82, noot; Arbeidshof Brussel, 17 oktober 2000, R.W. 2001-2002, 127). Het feit dat het ontslag zonder opzegging rechtvaardigt, is immers het feit dat vergezeld is van alle omstandigheden die het de aard van een dringende reden kunnen geven (Cassatie, 28 november 1977, Arr. Cass. 1978, 349; Cassatie, 16 december 1979, J.T.T. 1981, 35; Cassatie, 18 februari 1980, Arr. Cass. 1979-1980, 724 ; Cassatie 13 december 1982, Arr. Cass. 1982-1983, nr. 223 ; Cassatie, 3 juni 1996, J.T.T. 1996, 437 ; Cassatie 6 september 2004, R.W. 2004-2005, 742). Wanneer de feiten die dagtekenen van 3 of minder dan 3 werkdagen voor het ontslag wegens dringende reden, niet als een fout worden beschouwd, hoeft de rechter de feiten die dagtekenen van meer dan 3 werkdagen voor het ontslag niet te onderzoeken, aangezien die feiten geen invloed kunnen hebben op de ernst van een gedrag dat immers toch niet als fout wordt aangemerkt (Cassatie, 27 november 1989, R.W. 1989-1990, 1260). Hetzelfde geldt indien het door de werkgever aan de werknemer verweten feit, dat 3 of minder werkdagen aan het ontslag om dringende redenen voorafgaat, niet bewezen is (Cassatie, 2 december 1996, J.T.T. 1997, 129). Bewijst de werkgever de feiten d.d. 29 september 2004 en de ernstige aard van de tekortkoming? Volgens artikel 35, 8e lid van de arbeidsovereenkomstenwet dient de partij die een dringende reden inroept eerst en vooral het bewijs te leveren van de feiten die worden ingeroepen : de ernst van een ontslag om dringende reden vereist een vaststaand bewijs van de feiten die de werknemer ten laste worden gelegd (Arbeidshof Bergen, 16 mei 1991, Bull. V.B.O. 1992/2, 78). Het arrest dat zich uitsluitend steunt op feitelijke beweringen van de ontslaggevende partij, die door de andere partij worden ontkend, schendt de regels betreffende de bewijslast (Cassatie, 14 november 1988, J.T.T. 1989, 80). De wet verbiedt niet het bewijs van de dringende reden met getuigen te leveren. De rechter oordeelt op onaantastbare wijze in feite of een getuigenbewijs dienstig kan worden geleverd mits hij het principiële recht om zodanig bewijs te leveren niet miskent (Cassatie, 18 maart 1991, R.W. 1990-1991, 1437; Cassatie, 5 december 1994, J.T.T. 1995, 25). Appellante staaft de door haar aangevoerde feiten van de laster en beledigingen en de werkweigering en insubordinatie op de verklaringen van de beide hiërarchische oversten van de heer V., die in casu het werkgeversgezag over hem uitoefenden. De heer V. ontkent ten stelligste dat hij zijn oversten zou hebben beledigd en evenzeer dat hij ooit zou geweigerd hebben te werken. De samenlezing van het geheel van de door appellante neergelegde stukken, nl. de onbeantwoorde aanmaningsbrieven van 25 maart 2004 en 2 juli 2004, de gemotiveerde ontslagbrief van 23 september 2004 en de schriftelijke verklaringen van de oversten, de heren D. en G. bewijzen, al zijn het eenzijdige geschriften uitgaande van werkgeverszijde, dat de heer V. was gefrustreerd en gedemotiveerd sinds de herstructurering waarbij tientallen collega's het bedrijf verlieten; zoals de heer V. zelf stelt in zijn besluiten, blz. 2, vijfde lid, was dit de reden voor zijn veelvuldige afwezigheden, al waren deze gerechtvaardigd door ziekte. Tijdens het gesprek van 20 september 2004 blijkt de heer V. gezegd te hebben dat er niets sinds het begin van het jaar veranderd was en dat hij het werk voltijds zou hernemen vanaf 1 januari 2005, wat zijn ontslag veel duurder zou maken voor SABCA NV; op de vraag van zijn overste of hij woensag 22 september 2004 op hem kon rekenen, zou hij geantwoorde hebben: "we zullen wel zien". Het Hof meent dat deze uitspraken van de heer V. moeten worden beoordeeld rekening houdend met de misnoegdheid, demotivatie en frustratie die hij als 49 jaar oude werknemer ondervond ingevolgde de door appellante doorgevoerde herstructurering. Of deze demotivering al dan niet gerechtvaardigd of verschoonbaar was is een psychologische kwestie waarover het Hof zich niet kan uitspreken. Zij was blijkens de stukken alleszins een door de werkgever bekend feit en de werknemer blijkt zijn oversten ook openlijk gezegd te hebben dat hij het na de herstructurering niet meer zo goed kon vinden binnen het bedrijf. Dit is op zich geen laster of belediging aan het adres van de werkgever. Zijn uitlating dat zijn ontslag nog duurder zou worden zo hij opnieuw voltijds aan het werk zou gaan is volgens het Hof ook niet lasterlijk of beledigend voor de werkgever. De zin "we zullen wel zien" is volgens het Hof niet zeer eerbiedig en provocerend doch staat in de concrete omstandigheden van deze zaak niet gelijk met insubordinatie of werkweigering zoals appellante aanvoert. De heer V. heeft op 20 september 2004 niet geweigerd op 22 september 2004 te komen werken. Appellante had 22 september 2004 dienen af te wachten om te kunnen besluiten dat de heer V. - al dan niet - weigerde op 22 september 2004 te komen werken. Het Hof stelt vast dat appellante het bewijs levert van een gedemotiveerde houding van de heer V., gepaard gaande met een verlaagd rendement en herhaalde afwezigheden wegens ziekte. Lasterlijke of beledigende aantijgingen aan het adres van de werkgever en/of insubordinatie bewijst appellante niet in hoofde van de heer V. tijdens het gesprek van 20 september
- Het Hof meent dan ook dat appellante in hoofde van de heer V. bewijst dat deze zijn werk minder goed deed, dat hij misnoegd en gedemotiveerd was en ook herhaaldelijk doch gerechtvaardigd afwezig wegens ziekte. Dit is evenwel geen ernstige fout die de verderzetting van de professionele betrekkingen tussen partijen onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt zoals bedoeld in artikel 35 AOW. Van een dergelijke zware fout levert appellante niet het bewijs in hoofde van de heer V.. Getuigenverhoor van zijn beide oversten over zijn uitlatingen tijdens het gesprek van 20 september 2004 acht het Hof overbodig, gezien deze beide personen reeds een omstandige schriftelijke verklaring aflegden doch geen feiten aanvoeren die volgens het Hof in de geschetste concrete omstandigheden van de zaak een ernstige tekortkoming bewijzen van aard om het vertrouwen van de werkgever onmiddellijk en definitief te schenden. ---==oOo==--- DE VORDERINGEN
- De opzegtermijn en opzegvergoeding Volgend loonbestanddelen van het bruto jaarloon en voordelen, bedoeld in artikel 39 van de AOW zijn niet betwist: • vast loon: 1.770,93 x 12 21.251,16 EUR • dubbel vakantiegeld op vast loon: 1.629,26 EUR • veranderlijk loon (premies) laatste 12 maanden: 207,27 EUR • dubbel vakantiegeld op veranderlijk loon: 15,89 EUR • patronale bijdragen groepsverzekering: 302,14 EUR Totaal 23.405,72 EUR Zowel het enkel als het dubbel vakantiegeld voor bedienden zijn zonder twijfel verdiensten verworven krachtens de overeenkomst, zoals bedoeld in artikel 39 AOW. Men moet weliswaar voor de berekening van het bruto jaarloon het enkel vakantiegeld op de vaste wedde niet nogmaals bijtellen wanneer de vaste maandwedde reeds 12x in rekening is gebracht, vermits het enkel vakantiegeld niets anders is dan de normale wedde die wordt doorbetaald. Zoniet zou men dat doorbetaalde loon 2x in aanmerking nemen (Cass. 29.05.1978, R.W. 1978-79, 489). Anders is het met het enkel vakantiegeld dat op een variabel loon verschuldigd is krachtens artikel 39 van het K.B. van 30.03.1967 Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet. Dit is immers niet inbegrepen in de betaling van de normale maandelijkse wedde en dient afzonderlijk in de berekening van het jaarloon te worden toegevoegd, in onderhavige zaak +16,58 EUR.
- De eindejaarspremie en de maaltijdcheques Voor de berekening van de opzegvergoeding zoals voorgeschreven bij artikel 39 § 1, AOW moet het loon worden in acht genomen waarop de werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van het ontslag (Cass. 11.12.2006, S.04.0143.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.2). Het bedrag van de eindejaarspremie waarop de heer V. op het ogenblik van het ontslag effectief recht had ingevolge zijn effectief geleverde arbeidsprestaties en gelijkgestelde periodes bedraagt 6,66% van zijn brutoloon verdiend in de referteperiode (1.12.2003 tot 20.9.2004) in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 4 en 5 van de sectorale CAO van 13 november 2003 betreffende de toekenning van een eindejaarspremie in Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en Brussels Hoofdstedelijk Gewest. • december 2003: 1.743,90 EUR • januari 2004: 1.743,90 EUR • februari 2004: 1.743,90 EUR • maart 2004: 1.743,90 EUR • april 2004: 1.743,90 EUR • mei 2004: 1.743,90 EUR • juni 2004: 373,71 EUR • juli 2004: 1.033,04 EUR • augustus 2004: 1.011,96 EUR • september 2004: 544,89 EUR Totaal wedde 13.427,00 EUR De heer V. houdt ten onrechte rekening met andere bedragen voor de maanden juni, juli, augustus en september 2004, nl. • juni 2004 (871,98 + 1.482,32): 2.354,30 EUR • juli 2004 (21,78 + 1.770,93 + 22,98): 1.815,69 EUR • augustus 2004 (1.770,93 + 9,90): 1.793,91 EUR • september 2004 (15,84 + 122,13 + 1.089,78): 1.227,75 EUR Artikel 5 van de CAO van sectorale CAO van 13 november 2003, bepaalt dat het gewaarborgd loon voor ziekte van gemeen recht slechts in aanmerking komt als "met effectief geleverde prestaties gelijkgestelde periode", ten belope van maximum één maand en maximum één ononderbroken periode per jaar. Uit de loonfiches blijkt dat de heer V. in april 2004 gedurende 9 dagen afwezig was wegens ziekte, en in mei 2004 gedurende 10 dagen (zie stuk II, 3, V.). In mei 2004 heeft de heer V. dan terug één dag gewerkt. Aangenomen dat de ziekteperiodes in april en mei 2004 één ononderbroken periode waren, volgt hieruit dat voor de rest van het jaar geen periodes van ziekte meer gelijkgesteld kunnen worden met effectief geleverde prestaties. De Heer V. heeft recht op een pro rata eindejaarspremie gelijk aan 894,23 EUR bruto (6,66% van 13.427,00 EUR) en aanklevend vertrekvakantiegeld van 15,34% of 137,18 EUR. NV SABCA aanvaardt dat de waarde van dit lopend loon op jaarbasis moet begroot worden op 894,23 EUR: 9,66 x 12 = 1.110,86 EUR. De eerste rechter begrootte de jaarlijkse waarde van het voordeel van de maaltijdcheques waarop de heer V. recht had terecht op 588,73 EUR daar hij theoretisch 132 dagen per jaar werkte in zijn deeltijdse betrekking. Het totaal jaarloon en voordelen, bedoeld in artikel 39 AOW bedraagt dus: • vast loon: 1.770,93 EUR x 12 21.251,16 EUR • eindejaarspremie 1.110,86 EUR • dubbel vakantiegeld op vast loon 1.629,26 EUR • premies (laatste 12 maanden) 207,27 EUR • dubbel vakantiegeld op premies 15,89 EUR • enkel vakantiegeld op premies 16,58 EUR • werkgeversbijdrage groepsverzekering 302,14 EUR • werkgeversbijdrage maaltijdcheques 588,72 EUR Totaal jaarloon: 25.121,88 EUR De opzegtermijn De opzeggingstermijn dient door de rechter te worden bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging voor de bediende bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden (Cass. 8.9.1980, Arr. Cass. 1980-81, 17), rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd en de belangrijkheid van zijn functie en van het bedrag van zijn loon, dit volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass. 17.9.1975, TSR 1976, 14; Cass. 3.2.1986, JTT 1987, 58; Cass. 4.2.1991, RW 1990-91, 1407) en met inachtneming van beiderzijdse belangen (Cass. 9.5.1994, Soc. Kron. 1994, 253, noot). Overwegende dat de rechter bij de beoordeling van de mogelijkheid om snel een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, slechts rekening mag houden met de feiten die bestonden op het tijdstip van het ontslag in zover deze feiten de voor de bediende bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden beïnvloeden (Cass. 6.11.1989, JTT 89, 482; Cass. 3.2.2003, JTT 2003, 262). Krachtens een vaste rechtspraak die het Hof onderschrijft worden de eventuele tekortkomingen van de werknemer aan zijn verplichtingen geacht geen invloed te hebben op de bepaling van de opzegtermijn (Cass. 23.2.1987, JTT 87, 265; AH Brussel 7.2.1978, JTT 78, 198; AH Brussel 15.11.1978, Med. VBO 80, 1947; AH Luik afd. Namen 15.12.1998, Soc. Kron. 99, 478; AH Bergen 27.11.2002, JTT 2003, 127), de wijze waarop hij de overeenkomst heeft uitgevoerd evenmin (AH Brussel 12.6.1979, TSR 1980, 153, AH Antwerpen 9.2.84, YSR 84, 115; AH Antwerpen 15.11.1991, Soc. Kron. 93, 31; AH Brussel 19.11.1997, JTT 98, 174). Rekening houdend met de lange anciënniteit van de heer V. van 29 jaar, zijn leeftijd van 49 jaar en 6 maanden, zijn functie en loon oordeelde de rechtbank terecht dat de heer V. recht heeft op een opzeggingstermijn gelijk aan 30 maanden loon. De opzegvergoeding bedraagt: 25.121,88 /12 x30 = 62.804,70 EUR De eindejaarspremie Hoger is uiteengezet dat de heer V. recht heeft op een pro rata eindejaarspremie van 894,23 EUR en 137,18 EUR vertrekvakantiegeld; het bestreden vonnis dient ook te worden bevestigd op dit punt. Het achterstallig vakantiegeld op patronale bijdragen groepsverzekering Het Hof beaamt de beslissing van de eerste rechter dienaangaande in al haar onderdelen en motieven. De vordering ex delicto voor de periode voorafgaand aan 20 september 1999 is ongegrond bij gebreke aan bewijs van het moreel element van het misdrijf van niet-betalen van vakantiegeld op patronale groepsverzekeringspremies. Er heerste grote rechtsonzekerheid over het al dan niet verschuldigd zijn van dubbel vakantiegeld op deze voordelen zodat niet beschouwd kan worden dat de werkgever dat dubbel vakantiegeld wetens en willens niet zou betaald hebben aan de heer V.. Deze blijkt trouwens nooit om betaling ervan gevraagd te hebben staande de overeenkomst. De vordering ex contractu van dubbel vakantiegeld op de patronale bijdragen aan de groepsverzekering voor de periode vanaf 20 september 1999 tot 1 januari 2004 is ontvankelijk en gegrond ten belope van 1,00 EUR provisioneel; De heer V. kan zijn vordering nader begroten op basis van de in zijn bezit zijnde loonfiches en individuele rekeningen. De veroordeling van de NV SABCA tot het mededelen van een overzicht van de patronale bijdragen is in casu niet noodzakelijk. Schadevergoeding wegens outplacement Het Hof beaamt de beslissing van de eerste rechter dienaangaande. De intresten Vakantiegeld is geen loon in de zin van de Loonbeschermingswet, zodat op vakantiegeld geen wettelijke loonintresten verschuldigd zijn, slechts moratoire intrest. De intrest verschuldigd op het vakantiegeld is slechts, op grond van artikel 1153 B.W., verschuldigd vanaf de ingebrekestelling en enkel op het nettobedrag ervan (Arbh. Bergen 15 april 1990, J.T.T. 1990, 358; Arbh. Gent 15 januari 1999, T.G.R. 1999, 116; Arbrb. Brussel 15 januari 1998, S.R.K. 1999, 178). Op de opzeggingsvergoeding en eindejaarspremie is daarentegen wel loonintrest verschuldigd zoals bedoeld in artikel 10 van de Loonbeschermingswet. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 10 maart 1986 was het vaste rechtspraak dat voor de toepassing van voormeld artikel onder loon enkel het loon wordt begrepen waarop de werknemer aanspraak kan maken ten aanzien van zijn werkgever, of met andere woorden, het netto loon. Behoudens andersluidend beding heeft de werknemer immers niet het recht om het bedrag van bedrijfsvoorheffing of de werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid op te eisen, zodat er op beide bedragen geen intresten verschuldigd zijn aan de werknemer (zie Cassatie, 10 maart 1986, S.R.K. 1986, 101; Cassatie, 17 november 1986, S.R.K. 1987, Arr. Cass. 1986-1987, 760; Cassatie, 16 maart 1987, R.W. 1987-1988, 327; Cassatie, 8 november 1993, J.T.T. 1994, 143, noot). Overwegende dat de Sluitingswet dd. 26 juni 2002 (B.S. 9 augustus 2002) (art. 82) houdende wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet volgens het Hof geen interpretatieve wet is ten behoeve van interpretatie van artikel 10 van de Loonbeschermingswet doch een wet strekkende tot wijziging van artikel 10, zoals artikel 82 van de Sluitingswet zelf duidelijk stelt en zoals blijkt uit haar voorbereidende werken (Parl. Doc. Kamer 2001-2002, doc. 50, 1687/001, p. 48-49). De memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 12 maart 2002 betreffende de sluiting van onderneming, zoals besproken in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordiging, spreekt duidelijk van een wetswijziging. Overwegende dat artikel 82 van de Sluitingswet volgens het Hof geen interpretatieve wet is doch een dwingende bepaling met onmiddellijke uitwerking voor de toekomst. Artikel 2 Burgerlijk Wetboek stelt immers uitdrukkelijk dat de wet enkel beschikt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft. Als algemene regel geldt de onmiddellijke werking van de rechtsregel. Retro-activiteit is de uitzondering, die uitdrukkelijk moet bepaald zijn of minstens duidelijk moet blijken uit de bewoordingen of de strekkingen van de norm, wat in casu volgens het Hof niet het geval is. De wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet trad in voege vanaf 1 juli 2005 volgens het K.B. van 3 juli 2005 (B.S. 12 juli 2005) tot uitvoering van de artikelen 81 en 82 van de Sluitingswet van 26 juni
- Artikel 90 § 1 van deze wet verleende aan de Koning de bevoegdheid om de datum te bepalen vanaf wanneer zij in werking zou treden. Een nieuwe wet is in principe van toepassing op de situaties die ontstaan na haar inwerkingtreding doch tevens op de toekomstige gevolgen van de situaties ontstaan onder de vroegere wet doch die verder duren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, voor zover dit evenwel geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten (Cassatie, 25 november 1991, J.T.T. 1992, p. 221). Volgens deze algemene regel zijn intresten verschuldigd op bruto loonbedragen vanaf 1 juli 2005, datum waarop de nieuwe wet in werking trad. Artikel 2 van het reeds genoemde K.B. van 3 juli 2005 stelt evenwel dat artikel 1 van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
- Het Hof meent dat de Koning overeenkomstig artikel 90 § 1 van de Sluitingswet gemachtigd was de datum van haar inwerkingtreding te bepalen. De Koning was evenwel niet gemachtigd af te wijken van het algemene principe volgens hetwelk de nieuwe wet toepasselijk is niet alleen op toestanden die ontstaan zijn na haar inwerkingtreding doch tevens op de toestanden die ontstonden onder de toepassing van de oude wet en die verder duren onder de nieuwe wet (Cassatie, 25 november 1991 o.c.). Voor zover artikel 2 van het K.B. van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 slechts van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005 is dit onwettelijk en wordt het door het Hof niet toepasbaar geacht (artikel 159 Grondwet). Geïntimeerde heeft derhalve recht op betaling van wettelijke intresten op de overeenstemmende netto-bedragen ervan vanaf 20 januari 2000 tot 30 juni 2005 en op de brutobedragen vanaf 1 juli 2005 tot algehele betaling. De dwangsom De heer V. maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat SABCA NV zich zou onttrekken aan haar verplichting om aangepaste socio-fiscale documenten over te maken indien zij daartoe wordt veroordeeld. OM DEZE REDEN, De derde kamer van het Arbeidshof te Brussel; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en beide ongegrond, behoudens wat de door de eerste rechter toegekende intresten betreft. Hervormt het bestreden vonnis voor zover en slechts voor zover het appellante veroordeelt tot betaling van de intresten op de hoofdsommen en opnieuw rechtdoende aangaande de intresten. Veroordeelt appellante tot betaling van moratoire intresten op de overeenstemmende netto bedragen van het dubbel vakantiegeld (1,00 EUR bruto provisioneel) en vertrekvakantiegeld ( euro 137,18 bruto) vanaf de dagvaarding tot de dag der algehele betaling. Veroordeelt appellante tot betaling van wettelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen van de opzegvergoeding en de pro rata eindejaarspremie vanaf 21 september 2004 tot 30 juni 2005 en op de bruto bedragen ervan vanaf 1 juli 2005 tot de dag van algehele betaling. Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige. Trekt de zaak in haar geheel tot zich. Zendt de zaak naar de bijzondere rol voor in staat stelling d.i. becijfering van het definitieve bedrag gevorderd t.t.v. achterstallig dubbel vakantiegeld op patronale bijdragen groepsverzekering vanaf 20 september 1999 tot 1 januari
- Veroordeelt appellante tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden als volgt begroot: Voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: - aanvullende rechtsplegingsvergoeding: euro 214,18 euro 285,55 euro 59,49 Voor geïntimeerde: - dagvaardingskosten: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 128,66 euro 214,18 euro 291,52 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op vier mei tweeduizend en zeven. Waar aanwezig waren: M. VERMAELEN: Raadsheer P. KESSELS: Raadsheer in sociale zaken als werkgever E. VAN DER SMISSEN: Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende L. COEN: Griffier L. COEN M. VERMAELEN E. VAN DER SMISSEN P. KESSELS. Document PDF ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070504.8 Publication(s) liée(s) citant: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.2 Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div