id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 18 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070618.11 Rolnummer: 41.527 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-05-20 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-07-03 19:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche De invordering door de sociale verzekeringskas van sociale bijdragen die niet overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen werden berekend is een fout in de zin van artikel 1382 B.W.; in geval van onoverkomelijke rechtsdwaling wordt de kas van haar aansprakelijkheid ontheven. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Algemeen (verbintenis uit onrechtmatige daad) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Zelfstandige - Sociaal statuut - Uitoefening van een vrij beroep - Stopzetting en onderbrenging in een vennootschap - Meerwaarde - Regularisatiebijdragen - Betaling - Onverschuldigde betaling - Terugbetaling - Vordering tot betaling vab vergoedende interesten en verwijlinteresten. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gepubliceerd in JTT 2007, p. 465-
- I B art.
- Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2007(465-468) Journal des tribunaux du travail - - 2007(466-468) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 JUNI
- 9DE KAMER Bijdragen zelfstandigen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: D. J., wonende te [xxx] Appellant, vertegenwoordigd door Mr. Patrick Dillemans, advocaat te Huldenberg; Tegen: 1) vzw Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen (ASKZ) (thans ACERTA Sociaal Verzekeringsfonds), met zetel te 2610 Wilrijk, Sneeuwbeslaan, 20 Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Geert Lambrechts, advocaat te Antwerpen; 2) Het MINISTERIE VAN MIDDENSTAND, Administratie voor Sociale Zaken RSVZ, met zetel te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein, 6 Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Régine Peremans, advocaat te Gooik; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: de stukken van de rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 14de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 20 juni 2000 (AR nr. 16.652/92), het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 10 mei 2001; de beroepsconclusie van eerste geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 4 oktober 2002; de beroepsconclusie van tweede geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 8 oktober 2002; de conclusie van appellant, ontvangen ter griffie op 2 juli 2004; het eensluidend verklaard afschrift van de beschikking dd. 9 oktober 2006 van het Arbeidshof te Brussel op art. 747§2 Ger. W.; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 5 maart 2007 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen ter terechtzitting van 7 mei 2007 na schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter griffie van het Hof op 8 maart 2007 en waarop enkel appellant een repliekconclusie ter griffie neerlegde op 22 maart
- De heer D. was vanaf 1-7-84 gevestigd als zelfstandige in hoofdactiviteit en vanaf diezelfde datum aangesloten bij het sociaal verzekeringsfonds ASKZ, nu ACERTA. Aangezien 1985 het eerste volledige jaar van onderwerping was, gold dat jaar als refertejaar voor de berekening van de sociale bijdragen en werden de bijdragen voor de periode gaande van het derde kwartaal 1984 tot en met het 4de kwartaal van 1988 op de tijdens dat jaar genoten inkomsten berekend. De inkomsten van het jaar ‘85 (aanslagjaar '86) bedroegen 382.244 F. Daarnaast werd echter eveneens een bedrag van 2.517.140 F in aanmerking genomen voor de berekening van de bijdragen. Het betrof stopzettingsmeerwaarden die als afzonderlijk belastbare inkomsten waren aangegeven. Dit had voor gevolg dat de heer D. M. een aanzienlijk bedrag aan regularisatiebijdragen diende te betalen terwijl hij tot dan toe de minimumbijdrage betaalde en hem vanaf het eerste kwartaal ‘88 een kwartaalbijdrage werd aangerekend van 64.354 Fr. Het ASKZ handelde hierbij in overeenstemming met een nota van het RSVZ aan de sociale verzekeringsfondsen betreffende de toepassing van art 11§ 2 van het KB nr. 38 (Koninklijk Besluit van 27-7-67 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstan-digen) en de interpretatie die daaraan door een zekere rechtspraak werd gegeven, o.m. in een arrest van het Arbeidshof te Luik van 28-6-
- Daarin werd beslist dat de meerwaarde voortvloeiend uit de volledige en definitieve stopzetting van de exploitatie van een bedrijf of van de uitoefening van een vrij beroep in de berekeningsgrondslag van de sociale verzekeringsbijdragen diende opgenomen te worden. De heer D. betaalde de hem aangerekende bijdragen. Met een arrest van 25-3-91 besliste het Hof van Cassatie echter dat de stopzettingsmeerwaarden niet in rekening mogen worden gebracht voor de bepaling van de sociale bijdragen. Het RSVZ en het sociaal verzekeringsfonds hebben zich neergelegd bij dit principe-arrest van het Hof van Cassatie en het teveel betaalde bedrag aan bijdragen t.b.v. 840.242 Fr. werd teruggestort op 13-6-91, onder aftrek van 63.342 Fr. ter betaling van de bijdragen van het tweede kwartaal van ‘
- Hiermee werd slechts de hoofdsom terugbetaald zonder vergoedende intrest. Met een brief van 21-11-91 stelde de raadsman van de heer D. elk van beide geïntimeerden in gebreke tot betaling van de vergoedende intresten op het destijds teveel betaalde bedrag. Het ASKZ antwoordde bij brief van 4-12-91 dat er geen wettelijke grond was voor de betaling van die intresten op grond van art. 45 van het Algemeen Reglement. De raadsman van de heer D. antwoordde bij brief van 26-12-91 waarbij hij geïntimeerden een laatste ingebrekestelling stuurde. Het ASKZ herhaalde zijn eerder meegedeeld standpunt per brief van 24-1-
- Het RSVZ reageerde niet. Bij dagvaarding van 26-8-92 spande de heer D. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank en vorderde er de veroordeling van beide geïntimeerden tot betaling van de intresten op het destijds onverschuldigd betaalde bedrag, hetzij een bedrag van 3.475,89 Euro en de verwijl- dan wel vergoedende intresten daarop vanaf 13-6-
- Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeids-rechtbank zijn vordering ongegrond. VORDERING IN HOGER BEROEP De heer D. is het niet eens met de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Hij verzoekt het Hof deze te willen vernietigen en zijn oorspronkelijke vordering volledig te willen inwilligen, geïntimeerden in solidum, solidair of minstens de één bij gebreke aan de ander te veroordelen om hem een bedrag te betalen van 3.475,89 Euro als intrestvergoeding wegens onverschuldigde betaling, verrijking zonder oorzaak, meer de verwijlintresten dan wel wettelijke intresten daarop sedert 13-6-91, datum van terugbetaling, dan wel vanaf 21-11-91, datum van de ingebrekestelling, minstens de gerechtelijke intresten. Vooreerst verwijt hij de Arbeidsrechtbank zijn recht van verdediging te hebben miskend en tevens art. 780,3° Gerechtelijk Wetboek te hebben geschonden, nu geen tegenspraak werd gevoerd omtrent het schriftelijk advies van de arbeidsauditeur dat letterlijk door de Arbeidsrechtbank werd overgenomen zonder rekening te houden met de conclusie die hij neerlegde als repliek op het advies. Hij stoelt zijn vordering op diverse rechtsgronden en wel op : Art. 1382 Burgerlijk Wetboek. Volgens hem zijn geïntimeerden als voogdijoverheid en als Sociale Kas, erkend door het Ministerie uitzonderlijk goed geplaatst om de reglementering correct toe te passen en daarvan een juiste en gefundeerde interpretatie te geven, hetgeen zij in voorliggend geval niet hebben gedaan. Hij verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Cassatie van 25-3-
- Hij merkt op dat de rechtspraak daarenboven niet eenduidig was en dat de rechtspraak waarop geïntimeerden zich steunden tegengesproken werd door recentere rechtspraak van het Arbeidshof van Brussel van 6-10-
- Art. 1378 Burgerlijk Wetboek Daarin wordt bepaald dat indien degene die een onverschuldigde betaling heeft ontvangen, te kwader trouw was, hij niet alleen het kapitaal moet teruggeven maar ook de intresten ... te rekenen vanaf de dag van de betaling. Art. 1153 Burgerlijk Wetboek. Daarin wordt bepaald dat inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke intrest bestaat, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen en die schadevergoeding verschuldigd is zonder dat de schuldeiser enig verlies hoeft te bewijzen van de dag der aanmaning tot betaling, behalve in geval de wet ze van rechtswege doet lopen. Verrijking zonder oorzaak De heer D. meent dat aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan indien geen andere rechtsgrond wordt aangenomen : verrijking van de ene, verarming van de andere, correlatie daartussen, vermogens-verschuiving zonder oorzaak, aangezien er geen wettelijke bepaling is die als juridische oorzaak voor die vermogensverschuiving kan worden aangeduid. De wijziging van art. 11 § 2 van het KB nr.38 bij wet van 26-6-92 met het oog op de opname van de stopzettingsmeerwaarden in de berekeningsbasis van de bijdragen, toont volgens hem voldoende aan dat daar voordien geen rechtsgrond voor was. Standpunt van het RSVZ en ACERTA Geïntimeerden menen dat zij geen fout begaan hebben en zich zeker niet schuldig hebben gemaakt aan kwade trouw. In hun zienswijze dat de stopzettingsmeer-waarden bedrijfsinkomsten zijn in de zin van art. 11 van KB nr 38 werden zij bijgetreden door een arrest van het Arbeidshof te Luik van 28-6-
- Het Arbeids-hof te Brussel kwam nadien tot een tegengesteld standpunt bij arrest van 6-10-
- Pas met het arrest van het Hof van Cassatie van 25-3-91 dat het arrest van het Arbeidshof te Brussel van 6-10-89 bevestigde, werd over die controverse uitsluitsel gegeven. ACERTA voegt daar nog aan toe dat zij de instructies van het RSVZ in dat verband diende te volgen en niet op eigen houtje de wetgeving kon interpreteren. Dat verschillende overheidsorganen tot een verschil-lende interpretatie van een regel komen en een interpretatie nadien door het Hof van Cassatie wordt verworpen, betekent nog niet dat de interpretatie automatisch foutief zou zijn in de zin van art. 1382 Burgerlijk Wetboek, stelt zij. Geïntimeerden wijzen erop dat de toe te passen bepaling voor interpretatie vatbaar was, hetgeen blijkt uit de tegengestelde rechtspraak en aangezien er rechtspraak was die hun standpunt bijtrad, menen zij dat hun beslissing wel degelijk gefundeerd was. Het RSVZ onderstreept de belangrijke rol van de rechter wanneer de wettekst dubbelzinnig is of ontbreekt. ACERTA, van haar kant wijst erop dat de wet na het bewuste cassatiearrest van 25-3-91 werd gewijzigd waaruit zij opmaakt dat de interpretatie die destijds werd gevolgd de correcte wettelijke interpretatie was. Ten slotte meent zij dat de heer D. geen schade aantoont, nu tegenover het verlies aan intresten de verhoogde aftrek en andere voordelen stonden die hij als gevolg van de vennootschapsconstructie kon genieten. Geïntimeerden achten de vordering derhalve ongegrond in de mate zij gesteund is op art. 1382 en 1378 Burgerlijk Wetboek. Bij toepassing van art. 1153 Burgerlijk Wetboek kan volgens het RSVZ slechts intrest verschuldigd zijn vanaf de aanmaning. Het wijst erop dat de onver-schuldigde bijdragen werden teruggestort door de sociale verzekeringskas op 13-6-91, hetzij voor de aanmaning en dat het RSVZ zelf alleszins die bijdragen nooit heeft ontvangen en derhalve niet gehouden was tot terugbetaling ervan, zodat de vordering in de mate zij gesteund is op art. 1153 BW eveneens ongegrond is. ACERTA meent eveneens dat op grond van die bepaling geen intresten kunnen verschuldigd zijn aangezien de terugbetaling dateerde van voor de ingebrekestelling. Met betrekking tot het algemeen rechtsbeginsel "verrijking zonder oorzaak", stelt zij dat dit slechts kan aan bod komen voor zover appellant zijn vordering op geen andere grond kan steunen. Indien hij zich toch op deze rechtsgrond zou kunnen beroepen, betwist zij dat er geen geldige juridische oorzaak was voor het opnemen van de stopzettingsmeerwaarden in de berekeningsgrondslag van de bijdragen, hierbij verwijzend naar art. 11 van het KB nr. 38 dat volgens het arrest van het Arbeidshof te Luik van 28-6-83 de juridische grondslag vormde. Zij meent dat deze niet ongeldig is geworden ingevolge een andere interpretatie door de latere rechtspraak. Ook in het geval van verrijking zonder oorzaak zijn volgens ACERTA slechts intresten verschuldigd in geval van kwade trouw. BEOORDELING
- Ontvankelijkheid Nu geen betekeningsakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
- Ten Gronde Ten aanzien van art 1382 Burgerlijk Wetboek De ASKZ berekende de regularisatiebijdragen van de heer D. op de inkomsten die hij in ‘85 uit zijn zelfstandige activiteit had genoten en daarnaast op de stopzettingsmeerwaarden die hij dat jaar had verworven door zijn activiteit in een vennootschap onder te brengen. De Kas volgde hierin de instructies van het RSVZ opgenomen in een nota van 28-6-
- Het RSVZ verwees hierin o.m. naar het arrest van het Arbeidshof te Luik van 28-6-83 dat haar eigen interpretatie van art 11§1 van KB nr 38 van 27-7-67 bijtrad dat ook de stopzettingsmeerwaarden deel uitmaakten van de bedrijfsinkomsten die in aanmerking dienden te worden genomen voor de berekening van de bijdragen. De tekst van art. 11 zoals van kracht tijdens de periodes waarop het geschil betrekking heeft, luidt: " §
- De bijdragen van de onderworpene worden uitgedrukt in een percentage van de bedrijfs-inkomsten. §
- Onder bedrijfsinkomsten in de zin van § 1 dienen te worden verstaan de bruto beroepsinkomsten, verminderd met de beroepskosten en eventueel met de beroepsverliezen vastgesteld overeenkomstig de wetgeving betreffende de inkomstenbelasting die de onderworpene als zelfstandige heeft genoten......". In het door geïntimeerden aangehaalde arrest van 28-6-83, overwoog het Arbeidshof te Luik dat gelet op de inhoud van die bepaling men zich niet moest beperken tot de inkomsten beoogd bij art. 3 van het KB nr 38 dat op grond van een fiscaal criterium louter een vermoeden van verzekeringsplicht in het sociaal statuut der zelfstandigen instelde, terwijl art. 11 een andere en ruimere draagwijdte had en het aan die bepaling was dat men moest refereren om de wil van de wetgever te interpreteren m.b.t. de inkomsten die als grondslag dienen voor het vaststellen van de bijdragen, zodat om de grondslag te bepalen van de verschuldigde sociale bijdragen rekening diende te worden gehouden met de meerwaarde voortvloeiende uit de afstand van een handelszaak. Het Arbeidshof te Brussel kwam in een arrest van 6-10-89 tot een tegengesteld standpunt waartegen het RSVZ cassatieberoep aantekende. Het Hof van Cassatie oordeelde in zijn arrest van 25-3-91 als volgt : " Overwegende dat art 11 § 1 van het KB nr. 38 van 27-7-67 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat de bijdragen van de verzekeringsplichtigen in een percentage van de bedrijfsinkomsten worden uitgedrukt; dat § 2 van hetzelfde artikel in het bijzonder verduidelijkt dat onder bedrijfsinkomsten dient te worden verstaan die inkomsten vastgesteld overeen-komstig de wetgeving betreffende de inkomstenbelas-ting die de verzekeringsplichtige als zelfstandige heeft genoten; dat art. 3 § 1, 1e lid van voornoemd KB vermeldt dat de zelfstandige ieder natuurlijk persoon is die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is; Overwegende dat uit de samenbrenging van deze bepalingen blijkt dat om de door het sociaal statuut der zelfstandigen beoogde bijdragen verschuldigd te zijn, de bedrijfsinkomsten die zulk een zelfstandige in deze hoedanigheid heeft genoten, niet alleen moeten worden vastgesteld overeenkomstig de wetgeving betreffende de inkomstenbelasting maar dat zij ook moeten voortvloeien uit de gewoonlijke uitoefening van een zelfstandige activiteit in de loop van het refertejaar; Overwegende dat, luidens art 20,4° van het Wetboek der Inkomstenbelastingen de winsten of baten die betrekking hebben op een zelfstandige beroepswerkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door de genieter inderdaad bedrijfsinkomsten zijn in de zin van deze wetgeving maar dat zij per definitie niet voortvloeien uit de gewoonlijke uitoefening van een zelfstandige activiteit in de loop van het refertejaar; dat noch art. 3 § 1, 2de lid van het KB nr 38, noch enige andere bepaling bovendien een dergelijke oorsprong vooropstellen; dat overeenkomstig art 31,1° WIB en onder de voorwaarden bepaald bij dit artikel, de voornoemde winsten of baten die worden behaald of vastgesteld uit hoofde of ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting door de belastingsplichtige van de exploitatie van zijn bedrijf of van de uitoefening van een vrij beroep, een ambt, post of winstgevende bezigheid worden verstaan; Overwegende dat de winsten of baten die betrekking hebben op een zelfstandige beroepswerkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door de genieter, waaronder de meerwaarden van volledige en definitieve stopzetting worden gerekend, bijgevolg geen bijdrageplicht zoals beoogd in het sociaal statuut der zelfstandigen met zich meebrengen." Het RSVZ legde zich neer bij dit arrest en wijzigde zijn instructies. Bij wet van 26-6-92 werd art. 11 § 2 van KB nr 38 gewijzigd met het oog op de opname van de stopzettingsmeerwaarden in de berekeningsbasis van de bijdragen. Hieruit volgt dat geïntimeerden de toepasselijke wettelijke bepalingen niet correct hadden geïnterpreteerd. De vraag die dient opgelost te worden is of dergelijke foutieve interpretatie en toepassing van een wettekst een fout uitmaakt in de zin van art. 1382 Burgerlijk Wetboek. In zijn belangrijk principe arrest van 13-5-82 onderstreepte het Hof van Cassatie, zoals advocaat-generaal Velu in zijn conclusie, dat geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling en geen enkel algemeen rechtsbeginsel de overheid in de uitoefe-ning van haar opdracht onttrekt aan de verplich-tingen die voortvloeien uit art 1382 en 1383 BW om de schade te herstellen veroorzaakt door haar fout. Zowel de materiële uitvoeringsdaden of beslissings-daden, de handelingen met individuele draagwijdte of verordeningen, positieve handelingen of verzuimen zijn aan het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht onderworpen. (H. Vandenberghe, Overheidsaansprake-lijkheid, Verslagboek Studiedag, 24-5-02, Kul. Fac. Rechtsgeleerdheid. Instituut onrechtmatige daad, p. 33). Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie bestaat een fout van een bestuursoverheid die haar aansprakelijkheid kan meebrengen op grond van de art. 1382 en 1383 BW in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onover-komelijke dwaling of enige andere rechtvaardigings-grond, in een schending van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij deze overheid verplicht is iets niet te doen of op een bepaalde manier iets wel te doen (Cass. 13-5-82; Pas.82,I,1056 met conclusie van advocaat-generaal Velu; Cass.4-11-82, Arr.Cass.82-83,328; Cass. 14-1-2000, Arr.Cass. 2000, 104; Cass. 25-10-2004, RW 06-07; 1486 met conclusie 1ste advocaat-generaal J.-F.Leclercq). Het Hof van Cassatie maakt een onderscheid tussen de twee aspecten van het gemeenrechtelijk foutbegrip van art. 1382 : ofwel is er schending van een rechtsnorm die aan de rechtssubjecten oplegt zich op een bepaalde manier te gedragen of zich van een bepaalde gedraging te onthouden, ofwel schending van de algemene zorgvuldigheidsplicht waarbij een gedrag dat niet door een specifieke norm wordt getroffen, getoetst wordt aan de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon in dezelfde omstandigheden (zie daarover ook conclusie advocaat-generaal Velu voor het arrest van 13-5-82; H. Vandenberghe, o.c. p 26). De inbreuk op een specifieke norm wordt derhalve niet beoordeeld volgens de maatstaf van de algemene zorgvuldigheidsnorm. Enkel de onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond kan in dat geval de overheid van haar aansprakelijkheid ontheffen. In de doctrine werd reeds voordien het standpunt ingenomen dat het overtreden van een rechtsnorm noodzakelijk een fout uitmaakt (Dalcq, Les Novelles, "Traité de la responsabilité civile" 1967, nr 1324; Overzicht van rechtspraak delictuele en quasi delictuele aansprakelijkheid, 1963-1967, RCJB '68; nr. 8 p 201 e.v.). De Visscher (noot onder R.v.ST 24-4-51 n°847 RJDA 51 p 233,J. Dabin en A.Lagasse,, RCJB 49, p 58nr.17; 52, p 221 n°12 e.v.; 55, p 63, n°9, 64, p 289, n°67; De Page, Traité II, 3de ed. nr 1063). Daarover bestond echter geen unanimiteit. J. L. Fagnart nam een stelling in die het nauwst aansluit bij de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Hij betoogt eveneens dat de schending van de wet op zich een fout uitmaakt doch voegt eraan toe dat in geval van onoverwinnelijke dwaling of onwetendheid bij de interpretatie van de wet de aansprakelijkheid niet in het gedrang is. (Fagnart, la responsabilité de l'administration du chef d'excès de pouvoir, A.P.T. 79-80, p 61). Volgens het Hof van Cassatie is er sprake van een onoverwinnelijke (rechts)dwaling indien de betrokkene handelt zoals elk redelijk en omzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou gehandeld hebben. (Cass.18-1-99, Rolnr. F980084F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990118.7; Cass.25-10-99, Rol nr.S 980112N; Cass.24-5-2002; Rol Nr. F010065F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020524.2). In zijn conclusie voor het cassatiearrest van 19-12-80 (arr. Cass. p 449) overwoog procureur-generaal Dumon dat oordelen dat een wetsovertreding automatisch een fout in de zin van art. 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek uitmaakt zeer zware gevolgen zou kunnen meebrengen voor alle rechtssubjecten, in het bijzonder rekening houdend met de complexiteit en de omvang van het positief recht en de diversiteit ervan nu het zowel uit nationale als uit internationale bronnen komt (in die zin ook J.Salmon, noot onder Brussel 19-12-72, JT 73 p 412). De opvordering door de sociale zekerheidskas van sociale bijdragen die niet overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen werden berekend, houdt wel degelijk een schending in van die wettelijke bepalingen en is derhalve foutief in de zin van art. 1382 BW. Het ASKZ (nu ACERTA) is een sociale verzekeringskas, erkend door de Koning op voorstel van de Minister van Middenstand onder wiens controle zij staat. (art 20 §2, 2de lid KB nr 38) Ingevolge art. 16 en 20 van het KB nr 38 zijn de sociale verzekeringskassen er o.m. mee belast de bijdragen van de bij hen aangesloten zelfstandigen te innen die krachtens hetzelfde besluit verschul-digd zijn en deze zonodig langs gerechtelijke weg in te vorderen. De bijdragen worden nadien overgedragen aan het RSVZ. De bijdragen dienen correct berekend te worden overeenkomstig art. 11 van KB nr
- Er dient voor ogen te worden gehouden dat de berekeningswijze van de sociale bijdragen van de zelfstandige van openbare orde zijn, zoals appellant terecht opmerkt (Cass. 8-10-79, JTT 80, 172). De sociale verzekeringskassen staan onder controle van de Minister van Middenstand (art 20§2, 2de lid). Volgens art. 20 § 2 bis kan de Minister teneinde de inning en de invordering van de bijdragen te verbeteren algemene instructies geven. Luidens art. 60 van het KB van 19-12-67 houdende algemeen reglement tot uitvoering van KB nr.38 is de kas verantwoordelijk wanneer de bijdragen door haar nalatigheid niet tijdig worden ingevorderd en wordt zij daarvoor gesanctionneerd nu het verlies ten laste wordt gelegd van de opbrengst die bestemd is voor haar beheerskosten. Krachtens art. 59 van het Algemeen Reglement (KB van 19-12-67) kan de erkenning van de sociale verzeke-ringskas worden ingetrokken wanneer de kas de wetten, de reglementen of de onderrichtingen van het RSVZ niet naleeft, de controle weigert of door nalatigheid en slecht beheer de belangen van de betrokkenen in gevaar brengt, of sinds drie jaar minder leden telt. Hieruit volgt dat de kas de instructies van het RSVZ dient na te leven. Nochtans is dit ondergeschikt aan de naleving van de wet en de reglementen. Die bepaling brengt met zich mee dat de instructies van het RSVZ in essentiële mate hebben bijgedragen tot de onterechte inning door het ASKZ van de op stopzettingsmeerwaarden berekende bijdragen, aangezien het ASKZ zich voor de berekening van de bijdragen door deze instructies heeft laten leiden. Er dient opgemerkt dat de heer D. vrijwillig tot betaling van de gevorderde bijdragen is overgegaan zonder daarover discussie te voeren. Het blijkt dat het RSVZ en de ASKZ zich hebben laten leiden door de fiscale behandeling van de stopzettingsmeerwaarden die binnen de fiscale wetgeving als bedrijfsinkomsten worden beschouwd. Dit is begrijpelijk nu krachtens art. 11 § 1 en § 2 KB nr. 38 de bedrijfsinkomsten als grondslag dienen voor de berekening van de bijdragen en voor die bedrijfsinkomsten die de betrokkene als zelfstandige heeft genoten wordt verwezen naar de fiscale wetgeving. Het Arbeidshof te Luik trad die interpretatie bij in het arrest van 28-6-
- Tijdens die periode bleek er geen tegengestelde rechtspraak te bestaan van andere arbeidshoven. Aangezien het RSVZ in het gelijk werd gesteld kon het geen cassatie uitlokken. Zodra het Arbeidshof te Brussel in 1989 tot een tegengestelde uitspraak kwam, tekende het RSVZ cassatieberoep aan, waarna het juridisch dispuut werd opgehelderd met het cassatiearrest van 25-3-
- Kort nadien werden de onterecht geïnde bijdragen aan de heer D. terugbetaald. In die omstandigheden en gelet op de wettelijke verplichting van de kas om bijdragen in te vorderen is het Hof van mening dat geïntimeerden hebben gehandeld zoals elke redelijke en omzichtige overheid in dezelfde omstandigheden zou gehandeld hebben zodat er sprake is van een onoverwinnelijke rechtsdwaling die hen van hun aansprakelijkheid ontheft. De vordering is derhalve ongegrond in de mate ze steunt op art. 1382 Burgerlijk Wetboek. Ten aanzien van art. 1378 Burgerlijk Wetboek Art. 1235 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere betaling een schuld onderstelt : hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn kan worden teruggevorderd. Die bepaling wordt verder uitgewerkt in art. 1376 e.v. Burgerlijk Wetboek. De betaling is onverschuldigd wanneer ze zonder oorzaak is gebeurd (Cass. 8-1-90, Arr.Cass. 89-90, 595). Dit is bvb. het geval wanneer er helemaal geen verbintenis is, wanneer op het ogenblik van de betaling een verbintenis bestaat doch de grondslag ervan op een later tijdstip nietig blijkt, of wanneer het bedrag ervan minder is dan het betaalde (V.Sagaert, onverschuldigde betaling in Themis, Verbintenissenrecht, 06-07, Die Keure, p 81). Volgens die bepaling kan degene die ontvangen heeft wat hem niet verschuldigd was niet veroordeeld worden om de intresten van het kapitaal terug te geven wanneer het niet vast staat dat hij te kwader trouw was. Van kwade trouw is er sprake wanneer degene die betaling ontving wist dat zij geen wettige oorzaak had en die betaling tot zijn voordeel heeft behouden (V.Sagaert o.c. p 86 en aldaar vermelde verwijzingen). Kwade trouw moet bewezen worden door de partij die zich erop beroept. Aangezien enkel de kas betaling ontvangen heeft dient de toepassing van art. 1378 enkel te haren opzichte onderzocht te worden. De heer D. toont geenszins aan dat de ASKZ te kwader trouw zou gehandeld hebben bij het innen van de bijdragen. Indien degene die de betaling ontvangen heeft pas nadien kennis krijgt van het onverschuldigd karakter van de betaling, beginnen de intresten vanaf dat ogenblik te lopen. Bijzondere wetsbepalingen kunnen echter afwijken van deze gemeenrechtelijke regel. Het blijkt dat de kas, zodra ze via een nota van het RSVZ van 3-6-91 in kennis werd gesteld van de uitspraak van het Hof van Cassatie van 25-3-91 en derhalve wist dat het bedrag van de bijdragen berekend op de stopzettingsmeerwaarden onverschul-digd was, het onverschuldigd betaald bedrag heeft teruggestort op 16-6-
- De vordering, in de mate ze gesteund is op art. 1378 Burgerlijk Wetboek komt derhalve ongegrond voor. Ten aanzien van art. 1153 Burgerlijk Wetboek Wie - te goeder trouw - bij vergissing ontvangen heeft wat hem niet verschuldigd was kan hoogstens gehouden zijn tot schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering op grond van art. 1153 Burgerlijk Wetboek. Bij verbintenissen die de betaling van een bepaalde geldsom tot voorwerp hebben bestaat die vergoeding uitsluitend uit de wettelijke intrest vanaf de dag van de aanmaning tot betaling, hetzij de wet ze van rechtswege doet lopen. De onverschuldigde bijdragen werden op 13-6-91 teruggestort, dit is voor de aanmaning door de raadsman van de heer D. bij brief van 21-11-
- Op de bepaling van art. 1153 Burgerlijk Wetboek kan derhalve geen vordering tot betaling van intresten worden gegrond. De verrijking zonder oorzaak. De vordering gesteund op de "verrijking zonder oorzaak" veronderstelt vijf toepassingsvoorwaarden : verarming, verrijking, een causaal verband tussen beide, het ontbreken van een geldige juridische oorzaak voor die vermogensverschuiving en het ontbreken van een vorderingsmogelijkheid volgens het gemeen recht die met succes kan ingesteld worden. Aan de eerste drie voorwaarden was voldaan. Een geldige juridische oorzaak voor de betaling, veronderstelt een contractuele, wettelijke of een natuurlijke verbintenis, of een eenzijdige wilsuiting (W. Van Gerven Verbintenissenrecht, 2de herwerkte uitgave, 2006 p 287-296; V.Sagaert o.c. p.89). De heer De Man stelt terecht dat er op het ogenblik van de inning van de bijdragen geen geldige juridische grondslag bestond voor het teveel gevorderd bedrag. Uit het cassatiearrest van 25-3-91 blijkt dat de geïntimeerden de toepasselijke wettelijke bepalingen niet correct hebben geïnterpreteerd. Pas ingevolge de wijziging van art. 11 § 2 van KB 38 bij wet van 26-6-92 bestond er een wettelijke grondslag voor de berekening van de bijdragen op de stopzettingsmeerwaarden. Het Hof meent echter dat niet voldaan is aan de subsidiariteitsvereiste aangezien de heer D. een vordering kon instellen op grond van art. 1378 Burgerlijk Wetboek en dit ook deed. De vordering uit onverschuldigde betaling is overigens slecht een toepassing van de verrijkingsgedachte (V.Sagaert, ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden, TPR 2001 583-635,( p 601, p 625). Bovendien dient opgemerkt te worden dat de ongerechtvaardigde verrijking weliswaar aanleiding geeft tot restitutie doch dat het effect van de vordering tot restitutie nooit groter kan zijn dan het bedrag van de verrijking, ook al was de verarming van de eiser groter. De waarde ervan wordt beoordeeld op het ogenblik van de vermogensver-schuiving. Ten minste is dit zo indien de verkrijger te goeder trouw is (V.Sagaert o.c. TPR 2001 p 622, p. 628). In het Belgisch recht beoogt de vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking immers niet een schadevergoeding te verschaffen aan de verarmde persoon doch enkel het evenwicht tussen de betrokken vermogens te herstellen (V.Sagaert, o.c. TPR 2001, p 587- p 607). Bij de bespreking hierboven werd reeds gesteld dat geen kwade trouw vanwege geïntimeerde partijen werd aangetoond. De vordering voor zover gesteund op de ongerecht-vaardigde verrijking komt derhalve eveneens ongegrond voor. OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn grotendeels eensluidend schriftelijk advies; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van appellant; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : euro 273,67 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, euro 57,02 uitgaven, - voor 1ste geïntimeerde partij : euro 267,71 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, - voor 2de geïntimeerde partij : euro 267,71 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de 9de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 18 juni 2007, waar aanwezig waren : Mevr. G. BALIS : Voorzitter, Mevr. B. CEULEMANS : Eerste Voorzitter, aangeduid bij beschikking van 18 juni 2007, ter vervanging van Mevr. M. VERMAELEN, Raadsheer, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). De Heren : W. REYNDERS : Raadsheer in Sociale Zaken als zelfstandige. D. DE RAEDT: Griffier. D. DE RAEDT W. REYNDERS B. CEULEMANS G. BALIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070618.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990118.7 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020524.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.