id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070709.1 Rolnummer: 42.330 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-01 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 15:54 Fiche De Staat die rechtstreeks aan haar personeel de kinderbijslag verleent handelt niet al een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid door : 1) na te laten de bijslagtrekkenden te gepaste tijde te verwittigen dat zij hun dochter moesten onderwerpen aan een nieuw geneeskundig onderzoek ; 2) door de verhoogde kinderbijslag gedurende vijf jaar gewoon door te betalen, terwijl er geen geneeskundig onderzoek had plaats gevonden en bijgevolg de voorwaarden niet vervuld waren voor deze verhoogde uitkering ; Deze gedraging maakt een fout uit in de zin van art. 1382 B.W en is tevens een inbreuk op het vertrouwen en de verwachting die de bijslagtrekkenden, door deze verdere doorbetaling gedurende bijna vijf jaar, rechtmatig mochten hebben in de Staat. Een verwachting gevoed gedurende jaren door een overheid ten aanzien van een ander persoon creëert een zeker vertrouwen en legitimiteit en heeft als corrolarium de verbintenis voor deze overheid er het verwachte gevolg aan te geven. De artikelen 17, al. 2 en 3 van het sociaal handvest zijn een uitvoering van dit algemeen principe. De bijslagtrekkenden mochten in voormelde omstandigheden door de jarenlange automatische doorbetaling van de verhoogde kinderbijslag terecht vertrouwen hebben en verwachten dat de verhoogde kinderbijslag definitief verworven was in het voordeel van hun dochter. De terugvordering is niet gegrond. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Werknemer Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - GEZINSBIJSLAG - Verhoogde gezinsbijslag - Terugvordering - Fout begaan door de overheid. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 19-12-1939 - 63 - 01 ELI link Pub nr 1939121901 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 JULI
- 7DE KAMER Not. 580 ° 2 G.W. Kinderbijslag Tegensprekelijk Definitief In de zaak: K. G. & S. B. , handelend in hun hoedanigheid van ouders van hun minderjarige dochter C. K. , Appellanten, vertegenwoordigd door Mr. R. GORIS loco Mr N. VANDEBROEK, advocaat te 3000 Leuven. Tegen : DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheids-dienst Financiën, Hoofdbestuur der Directe Belastingen, Directie V/2, met burelen gevestigd te 1030 BRUSSEL, North Galaxy, Koning Albert II laan
- Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr Kr. VAN DE VELDE loco Mr F. COLPAERT, advocaat te 1780 Wemmel. ¿ ¿ ¿ Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 17 oktober 2001; - het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 22 november 2001; de besluiten, aanvullende en synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter buitengewone openbare terechtzitting van 18 december 2006 waarna de debatten gesloten werden en de zaak overgemaakt werd aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie uiterlijk op 8 januari
- Gelet op het schriftelijk advies van de heer D. SOETEMANS, Advocaat-Generaal, ontvangen ter griffie op 29 mei
- Gelet op de termijn van 14 dagen vanaf de datum van kennisgeving van dit advies verleend aan partijen om eventueel te repliceren. Gelet op de repliek van geïntimeerde partij ontvangen ter griffie op 11 juni
- ¿ ¿ ¿ Feiten en procedurevoorgaanden K. C. , geboren op 3 juni 1983, is sinds de geboorte aangetast door een dominante vorm van polycystische nieren waarvan het voornaamste probleem arteriële hypertensie is. Zij werd hiervoor gevolgd door de dienst kindergeneeskunde aan het UZ Gasthuisberg Leuven. Op 21 oktober 1986 wordt door Dr R. geneesheer inspecteur, een graad van lichamelijke ongeschiktheid vastgesteld van 70% sedert 3 juni
- "De geneesheer-inspecteur vervolgt dat de situatie moet herzien worden op 1 november 1989". Op 25 februari 1987 werd aan betrokkene ter kennis gebracht dat hem een verhoogde kinderbijslag werd toegekend voor zijn mindervalide dochter. Dit schrijven vermeldt : "mij in juni ¿89 een nieuwe aanvraag toe te zenden opdat eventueel na 31 oktober '89 de uitbetaling van genoemde bijslag ten gunste van het mindervalide kind in kwestie zou kunnen worden voortgezet, vermits de vaststelling van de geneesheer van de dienst voor geneeskundige controle slechts tot laatstgenoemde datum geldig is." Na 31 oktober 1989 werd de verhoogde kinderbijslag zonder meer verder doorbetaald. Bij schrijven van 18 februari 1994 van de F.O.D. Financiën gericht aan CDVU wordt vermeld : "het stopzetten van de betalingen en de eventuele terugvordering laat ik aan uw beslissing over maar ik meen op basis van een medisch verslag van 11 april '85( door de K.U.L.) dat de toestand van het betrokken kind onveranderd is." Bij schrijven van 18 februari 1994 wordt betrokkene aangemaand zonder uitstel een nieuwe aanvraag tot medisch onderzoek in te dienen. "De CDVU overweegt trouwens de stopzetting van de betaling en terug- vordering van de ten onrechte betaalde bijslagen vanaf 1 november '89." Bij schrijven van 24 februari 1994 doet de heer K. een nieuwe aanvraag tot medisch onderzoek voor zijn dochter C. , "aangezien haar toestand onveranderd is". De geneesheer inspecteur voor het Ministerie van Sociale Voorzorg beslist op 10 mei 1994 dat K. C. een lichamelijke ongeschiktheid heeft van 28% vanaf november ¿89 en een zelfredzaamheid van 0 punten vanaf november ¿89 en dit voor onbepaalde duur. Op 4 augustus 1994 beslist de F.O.D. Financiën geen graad van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid toe te kennen van ten minste 66 procent vanaf 1 november '89 zodat aan betrokkene de bijkomende kinderbijslag voor mindervalide kinderen niet meer kan worden toegekend met ingang van 1 november '
- Bij schrijven van 4 augustus 1994 beslist de F.O.D. Financiën dat aan betrokkene geen bijkomende kinderbijslag voor minder valide kinderen meer kan worden toegekend met ingang van 1 november '89 aangezien K. C. geen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vertoont van ten minste 66% vanaf 1 november '
- Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 31 augustus 1994 verzoeken de ouders van K. C. "dat zij beroep instellen tegen de beslissing gewezen door het Hoofdbestuur der Directe Belastingen, Directie V/2, ... . Dat immers bij voormelde beslissing (ref Cp F/427.832/VS de bijkomende kinderbijslag voor mindervalide kind van vertogers, met ingang van 1 november '89 werd afgeschaft". Bij aangetekend schrijven van 25 oktober 1994 betekent de F.O.D. Financiën : " het bedrag van de bedragen verhoogde kinderbijslag uitbetaald in strijd met de bepalingen van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers en dit gaande van de maanden november 1989 tot en met augustus 1994 voor een totaalbedrag van 647.585 frank lees euro 16.053,21 . Gevolg gevend aan het schrijven van de heren ... advocaten, wordt U uitstel tot terugbetaling verleend wanneer de Arbeidsrechtbank te Leuven een uitspraak heeft gedaan." Bij besluiten neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Leuven vorderen de heer en mevrouw K. voor hun dochter C. betaling van een schadevergoeding gelijk aan het ontvangen verhoogde kindergeld over de betrokken periode ten belope van een bedrag van 647.585 fr. derwijze dat zij het bedrag van de terugvordering vanaf november 1989 tot augustus 1994 niet dienen terug te betalen op grond van een fout vanwege het openbaar bestuur door geen medisch onderzoek te vragen gedurende ongeveer 5 jaar (vanaf 1 november ¿89 tot februari 1994) en toch de verhoogde kinderbijslag verder uit te betalen. Bij vonnis van de 2de kamer van de Arbeidsrechtbank Leuven van 20 december 1995 verklaart deze de vordering ontvankelijk doch vooraleer verder recht te doen benoemt de Arbeidsrechtbank Dr. P. D. C. als gerechtsdeskundige met de opdracht na te gaan of betrokkene vanaf 1 november 1989 en verder getroffen is door een lichamelijk of geestelijk ongeschiktheid van 66% in de zin van artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbij-slag voor werknemers, evenals de graad van zelfred-zaamheid te bepalen, alsmede de duur van de ongeschiktheid. Bij vonnis van 23 februari 2000 wordt Dr. M. in vervanging van de vorige deskundige aangesteld met dezelfde opdracht. Het deskundig verslag wordt neergelegd ter griffie op 15.02.2001; de deskundige stelt vast dat een verslag van 13.04.1988 als besluit vermeldt dat hypertensie goed onder controle is en dat de nierfunctie nagenoeg normaal is, de lengte groei volgt de derde perceptielijn. Een verslag van 30 juni 1989 gericht aan de toen-malige huisarts vermeldt onder andere dat nauwkeu-rige metingen een beter resultaat geven dan een jaar geleden; de nieuwe therapieën worden behouden en er volgen verder zesmaandelijkse controles. Op 28 augustus 1994 richt Prof Dr P. een schrijven aan het hoofd van de juridische dienst van de liberale vakbond afdeling Tienen waarin hij de hoop uitdrukt dat iets kan worden gedaan om de maatregel ongedaan te maken; "hij zou zich kunnen verzoenen met het voorlopig niet meer toekennen van financiële voordelen", maar hij heeft geen woorden voor het terugvorderen van het vroegere toegekende en goed bestede geld. De verhoogde kinderbijslagen werden door de ouders gebruikt om zeer regelmatig het hospitaal te consulteren waardoor de juiste therapie werd toegepast en waardoor de situatie in feite verbeterde ten opzichte van vroeger. De deskundige besluit dat K. C. vanaf 1 november 1989 niet meer getroffen is door een lichamelijk of geestelijke ongeschiktheid van 66% in de zin van artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers. Met het bestreden vonnis meent de Arbeidsrechtbank dat de vordering van K. C. strekkende te horen zeggen voor recht dat zij de verhoogde kinderbijslag ten belope van 647.585 fr. lees euro 16.053,21 niet dienen terug te betalen, dit buiten het bestek van de huidige procedure valt, d.w.z. niet het onderwerp van de vordering uitmaakt, aangezien tegen de beslissing tot terugbetaling geen beroep werd aangetekend en hoe dan ook op grond van dit dossier niet beslist wordt dat de terugbetaling van een onverschuldigde betaling zou vervallen. Het advies van de aangestelde geneesheer-deskundige wordt door de Arbeidsrechtbank bijgetreden met als gevolg dat de vordering niet gegrond wordt verklaard. ¿ ¿ Beroepsgrieven De vordering tot schadevergoeding is een tussen-vordering die berust op een feit of akte aangevoerd in het inleidend verzoekschrift en deze is bijgevolg niet verjaard. De vordering tot vervallenverklaring van het terugvorderingsrecht van de administratie ingeleid bij verzoekschrift van 22.11.2001 is virtueel begrepen in het inleidend verzoekschrift en de erin vervatte vordering tot vernietiging van de beslissing. De brief van de administratie d.d. 25.10.1994 is een erkenning die de verjaring van beide vorderingen stuit (artikel 2248 BW). ¿ ¿ Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. ¿ ¿ Ten gronde De beslissing van de Belgische Staat van 4 augustus 1994 om de verhoogde kinderbijslag af te schaffen vanaf 1 november 1989 impliceert ondubbelzinnig dat de verhoogde kinderbijslagen, uitbetaald vanaf 1 november 1989 tot 4 augustus 1994, niet verschuldigd waren. Bijgevolg impliceert de beslissing van geïntimeerde van 4 augustus 1994 eveneens ondubbel-zinnig dat hetgeen ten onrechte van 1 november 1989 tot 4 augustus 1994 werd uitbetaald kon worden teruggevorderd. De gedinginleidende vordering in het verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 31 augustus 1994 waarbij de ouders van K. Caroline verzoeken "dat zij beroep instellen tegen de beslissing gewezen door Hoofdbestuur der Directe Belastingen, Directie V/2, ... . Dat immers bij voormelde beslissing (ref Cp F/427.832/VS de bijkomende kinderbijslag voor het mindervalide kind van vertogers, met ingang van 1 november 1989 werd afgeschaft; dat vertogers zowel deze medische vaststelling als de daarop gesteunde afwijzings-beslissing manifest aanvechten", is bijgevolg niet alleen een vordering met als voorwerp de betwisting van een medische invaliditeit vanaf 1989, doch tevens een betwisting nopens de afschaffing van het recht op kinderbijslag vanaf 01.11.1989, met name, dat hen de verhoogde kinderbijslag retroactief werd ontnomen vanaf 1.11.
- Nu in de beslissing van 4.8.1994 impliciet de beslissing tot terugvordering vervat is, bevat de inleidende vordering impliciet de betwisting van de terugvordering. Het schrijven van 25.10.1994 lijkt eerder op de berekening van het ten onrechte betaalde bedrag, dat principieel reeds voor de termijn vanaf 1.11.1989 was teruggevorderd bij beslissing van 4.8.
- Het schrijven van 25.10.1994 is eerder een uitvoering van de eerder genomen beslissing van 4.8.
- Dit geldt des te meer aangezien de aangetekende brief houdende de terugvordering van geïntimeerde van 25 oktober 1994 nogmaals melding maakt van het recht op kinderbijslag vanaf 1.11.
- Integendeel, in de ogen van geïntimeerde lijkt dat ook zij de mening zijn toegedaan dat deze brief van 25.10.1994 geen afzonderlijke beslissing is. Appellanten werden ook niet in kennis gesteld, in de brief van 25.10.94 dat zij hoger beroep konden aantekenen tegen deze beslissing. Er wordt in dit schrijven door geïntimeerde zelfs niet gewezen op het feit dat deze beslissing een afzonderlijke beslissing is dewelke bij betwisting binnen de maand dient te worden aangevochten bij de Arbeidsrechtbank. Daarenboven brengt zij appellanten in volledige verwarring door in de brief van 25.10.1994 nog toe te voegen dat uitstel tot terug-betaling wordt verleend tot wanneer de Arbeidsrecht-bank uitspraak heeft gedaan. De Arbeidsrechtbank werd wel degelijk gevat door de betwisting inzake medische ongeschiktheid, het recht op kinderbijslag vanaf 01.11.1989 en de terugvorde-ring van ten onrechte uitgekeerde bedragen vanaf 01.11.
- Er is geen verjaring ingetreden. Het vonnis van de eerste rechter dient hervormd te worden op dit punt. Bijgevolg is de vordering niet verjaard, aangezien zij impliciet of virtueel is vervat in de gedinginleidende vordering. Zo berust de vordering tot betaling van een bedrag gelijk aan de ontvangen verhoogde kinderbijslagen ten titel van schadevergoeding op een feit vermeld in het inleidend beroepsverzoekschrift. Volgens artikel 47 § 1 lid 1 van de kinderbijslag met de werknemers, worden de gewone kinderbijslagen, verhoogd met een bijslag, volgens de graad van zelfredzaamheid voor gehandicapte kinderen van minder dan 21 jaar die getroffen zijn door een lichamelijk of geestelijk ongeschiktheid van minstens 66%. Artikel 47 § 1 lid 4 van voormelde gecoördineerde kinderbijslagwet bepaalt de Koning, door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van het kind vastgesteld worden. Een koninklijk besluit van 3 mei 1991 (Belgisch Staatsblad 3 juli 1991) heeft dergelijke reglementering uitgewerkt. Artikel 10 van voormeld KB voorziet dat een ambtshalve herziening plaatsvindt op initiatief van de bevoegde instelling, in geval van een medische beslissing van een bepaalde duur, zoals in casu. Het Arbeidshof stelt vast dat de beslissing van 25 februari 1987 tot verhoogde kinderbijslag op medische gronden een beslissing is van bepaalde duur. Niettegenstaande appellanten geen vraag tot herziening indienden, en geïntimeerde zelf minstens na mei 1991 niet zelf het initiatief nam tot ambtshalve herziening, bleef integendeel geïntimeerde de verhoogde kinderbijslag verder doorbetalen, ook na mei 1991 en dit zonder enig voorbehoud of hernieuwde uitnodiging tot medisch onderzoek. De eerste rechter heeft wel terecht de besluiten van de door hem aangestelde deskundige-geneesheer bekrachtigd. Het deskundig verslag is uitvoerig en goed gemotiveerd. Ook Prof Dr P. benadrukte dat de ziekte voorlopig onder controle is ingevolge de permanente medische begeleiding en de veelvuldige medicatie. Hij kan zich verzoenen met het niet meer toekennen van de verhoogde kinderbijslag vanaf 4 augustus 1994 maar hij meent dat een terugbetaling van de verhoogde kinderbijslag niet kan precies omdat dit geld werd geïnvesteerd in de behandeling, de medische controle en de medicijnen dewelke hebben geleid tot een onverwacht goed resultaat waardoor de arbeidsongeschiktheid van C. merkelijk verbeterde. De deskundige heeft overigens alle medische stukken met betrekking tot de periode vanaf 1986 in aanmerking genomen. De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist dat C. K. vanaf 1 november 1989 niet langer getroffen was door een ongeschiktheid van 66% of meer in de zin van artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers. Tevens werd vastgesteld in het medisch verslag dat de uitbetaalde verhoogde kinderbijslag gediend heeft voor de permanente medische begeleiding en de veelvuldige medicatie, hetgeen toch zware kosten met zich brengt en waardoor er geen verrijking kan worden vastgesteld in hoofde van appellanten. Het is niet voor betwisting vatbaar dat C. K. vanaf 1.11.1989, alhoewel de voorgaande beslissing van bepaalde duur was, en zich niet meer bevindend in de medische voorwaarden, toch nog meer dan 4 jaar, zonder enig voorbehoud betaling ontvingen van geïntimeerde van de verhoogde kinderbijslag. Samen met de heer Advocaat-generaal Soetemans dient gesteld dat men het een burger niet ten kwade kan duiden dat hij bijna 3 jaar na de beslissing er niet meer aan denkt uitvoering te geven aan een vraag tot hernieuwing van medisch onderzoek, temeer daar na deze datum de betalingen gewoon verder bleven doorlopen. Uit het schrijven aan Koningin Fabiola blijkt niet dat de heer K. op de hoogte was van het feit dat hij een verlenging moest aanvragen. Evenmin kan de houding van Dr P. dit bewijs leveren en ook geïntimeerde was in de mening dat er geen wijziging was in de gezondheidstoestand van C. (zie brief van geïntimeerde van 18.02.1994). Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie bestaat een fout van een bestuursoverheid die haar aansprakelijkheid kan meebrengen op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden, dat beoordeeld moeten worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling in een schending van een nationale norm of een norm vervat in een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde (zie onder meer Cassatie 25 oktober 2004 RW 06-07, 1486 met conclusie van eerste advocaat-generaal JF Leclerq). Naar mening van het Arbeidshof handelt de geïntimeerde niet als een normaal zorgvuldig en voorzichtige overheid door : 1) na te laten de familie K. in 1989 te verwittigen, minstens in 1991 te verwittigen, dat zij hun dochter moesten onderwerpen aan een nieuwe geneeskundig onderzoek en 2) door de verhoogde kinderbijslag van 1989 tot en met 1994 gewoon door te betalen, terwijl er geen geneeskundig onderzoek had plaatsgevonden noch in 1989, noch in de daarop volgende jaren en bijgevolg de voorwaarden niet vervuld waren voor deze verhoogde uitkering. Samen met de heer Advocaat-generaal meent het Arbeidshof dat uit het dossier blijkt dat de familie K. ter goeder trouw was en in redelijkheid niet kon weten dat de vergoedingen die iedere maand gedurende bijna vijf jaar uitbetaald werden, ten onrechte werden uitbetaald. Deze gedraging maakt niet alleen een fout uit in de zin van artikel 1382 doch tevens is er een inbreuk op het vertrouwen en de verwachting die de familie K. , door deze verdere doorbetaling betaling gedurende bijna vijf jaar, rechtmatig mocht hebben in geïntimeerde. Een verwachting gevoed gedurende jaren door een overheid ten aanzien van een ander persoon creëert een zeker vertrouwen en legitimiteit en heeft als corrolarium de verbintenis voor deze overheid er het verwachte gevolg aan te geven (zie Dieux Le respect dû aux anticipations légitimes d'autrui in Bruylant 1995,251). De artikelen 17 al. 2 en 3 van het sociaal handvest zijn een uitvoering van dit algemeen principe. Appellanten mochten in voormelde omstandigheden door de jarenlange automatische doorbetaling van de verhoogde kinderbijslag terecht vertrouwen hebben en verwachten dat de verhoogde kinderbijslag definitief verworven was in het voordeel van hun dochter; bepaling die overgenomen wordt door artikel 17 van het latere sociaal handvest wanneer de overheid een vergissing begaat. Om deze redenen is het hoger beroep gegrond; is de terugvordering niet gegrond, minstens maken appellanten aanspraak op een schadevergoeding gelijk aan 647.585 fr. lees euro 16.053,21, zijnde het ontvangen bedrag aan verhoogde kinderbijslag vanaf 1.11.89 tot augustus
- ¿ ¿ ¿ OM DEZE REDENEN : En al deze hierin impliciet vervat, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer D. SOETEMANS, Advocaat-Generaal neergelegd ter griffie op 29 mei 2007 ; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis behoudens de veroordeling tot de gerechtskosten; Vernietigt bijgevolg de bestreden beslissing van 4 augustus 1994 en de impliciet erin vervatte beslissing tot terugvordering; Legt de kosten van onderhavig geding ten laste van geïntimeerde; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : voor appellante partijen : euro 285,55 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, euro 59,47 uitgavenvergoeding, voor geïntimeerde partij : euro 285,55 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 9 juli 2007, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS : Eerste Voorzitter. De Heren : E. MAGNUS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. D. REGA : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 Ger. Wb.). D. DE RAEDT : Griffier. E. MAGNUS D. REGA D. DE RAEDT B. CEULEMANS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070709.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div