← België

ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070907.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070907.3 Rolnummer: 48.878 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-02 15:57 Fiche Artikel 2 van het K.B. van 3 juli 2005 (B.S. 12 juli 2005) tot uitvoering van de artikelen 81 en 82 van de Sluitingswet van 26 juni 2002 stelt dat artikel 1 van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli

  1. Het Hof meent dat de Koning overeenkomstig artikel 90 § 1 van de Sluitingswet gemachtigd was de datum van haar inwerkingtreding te bepalen. De Koning was evenwel niet gemachtigd af te wijken van het algemene principe volgens hetwelk de nieuwe wet toepasselijk is niet alleen op toestanden die ontstaan zijn na haar inwerkingtreding doch tevens op de toestanden die ontstonden onder de toepassing van de oude wet en die verder duren onder de nieuwe wet (Cassatie, 25 november 1991 o.c.). Voor zover artikel 2 van het K.B. van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 slechts van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005 is dit onwettelijk en wordt het door het Hof niet toepasbaar geacht (artikel 159 Grondwet). UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Loonbegrip Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON - Loonbeschermingswet, art. 10 - Sluitingswet dd. 26 juni 2002 (B.S. 9 augustus 2002) (art. 82) houdende wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet - K.B. 3.7.2005 Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 SEPTEMBER
  2. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + bijzondere rol In de zaak: DE N.V. SUN MICROSYSTEMS BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1932 Zaventem, Lozenberg, 15, ingeschreven in het register van de Kruispuntbank voor Ondernemingen onder het nummer 0442.531.519, handelsregister Brussel nr. 542.748, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Ph. De Wulf, advocaat te 1000 Brussel; Tegen : De Heer D. J.-P., Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mter H. Craeninckx, advocaat te 1000 Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, in het bijzonder : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de 2de Kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 27 juni 2006 in zaak met A.R. nr. 14583/05, - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 25 juli 2006; - de besluiten en aanvullende synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 5 oktober 2006, 4 december 2006 en 2 februari 2007; - de besluiten en synthesebesluiten voor appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 3 november 2006 en 5 januari 2007; - de bundel met stukken voor appellante neergelegd ter griffie op 2 april 2007; Gehoord partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 20 april 2007; Geïntimeerde legde een bundel met stukken neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd en voor uitspraak vastgesteld werd op de openbare terechtzitting van 25 mei 2007 doch wegens ziekte van de voorzitter van de Kamer verdaagd werd naar heden. x x x I. DE FEITEN. Het Hof herneemt de samenvatting van de feiten zoals gegeven door de eerste rechter : De Heer D. is op 16 maart 1999 in dienst getreden bij de N.V. SUN MICROSYSTEMS BELGIUM (verder N.V. SUN) als Account Manager. Het loon van de Heer D. bestond uit een vast loon en commissieloon, 60 - 40, en het commissieloon was afhankelijk van de jaarlijkse behaalde doelstellingen omschreven in een jaarlijks te ondertekenen ‘ goalletter ‘. Op 28 november 2003 wordt een ‘ goalletter ‘ ondertekend door de Heer D. waarbij voor het fiscale jaar 2004 een omzet van 6.894.000 USD wordt overeengekomen. Op 30 maart 2004 worden door de N.V. SUN nieuwe doelstellingen vastgelegd in een nieuwe ‘goalletter ‘ waarbij de te bereiken omzet voor de Heer D. verhoogd wordt met 22 %. De Heer D. weigert deze nieuwe ‘ goalletter ‘ te ondertekenen en betwist deze éénzijdige aantasting van zijn loonvoorwaarden. De N.V. SUN vroeg aan de Heer D. de nieuwe ‘ goalletter ‘ te ondertekenen vóór 30 juni 2004 daar anders zijn SPIFF bonus niet zou betaald worden. Niettegenstaande zijn betwistingen werd zijn variabel loon voor 2004 berekend op basis van de nieuwe ‘ goalletter ‘. Bij aangetekend schrijven van 13 september 2004 werd de arbeidsovereenkomst door de N.V. SUN beëindigd met betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding gelijk aan 14 maanden loon en een uitwinningsvergoeding gelijk aan 4 maanden loon. Bij schrijven van 22 december 2004 vordert de raadsman van de Heer D. betaling van bijkomende bedragen berekend op de eerste ‘goalletter ‘ stellende dat geen nieuwe ‘ goalletter ‘ éénzijdig kon worden doorgevoerd. Bij schrijven van 14 januari 2005 bevestigt de N.V. SUN haar stelling. Op 8 september 2005 gaat de Heer D. over tot dagvaarding voor de eerste rechter en vordert te horen zeggen voor recht dat : - De N.V. SUN onterecht de éénzijdig gewijzigde ‘ goalletter ‘ heeft gehanteerd voor de berekening van de commissielonen voor het fiscale jaar 2004 en voor de vergoedingen en bedragen betaald naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, - Voor alle verschuldigde vergoedingen de oorspronkelijke ‘ goalletter ‘ voor het fiscale jaar 2004 dient te worden gebruikt. De Heer D. vordert veroordeling van de N.V. SUN tot betaling van : - 37.701,00 euro bruto ten titel van achterstallige commissielonen voor het fiscaal jaar 2004 en 2005, - 81.717,97 euro bruto ten titel van bijkomende verbrekings- en uitwinningsvergoeding, - 3.141,75 euro bruto ten titel van saldo eindejaarspremie, - 5.783,33 euro bruto ten titel van vakantiegeld einde dienst op variabel loon, - 43.299,64 euro ten titel van commissielonen overeenkomstig artikel 91 Arbeidsovereenkomstenwet, - 7.500,00 e provisioneel ten titel van vergoeding voor het niet mogen deelnemen aan de jaarlijkse ‘ Sunrise ‘ - 40.000,00 euro ten titel van forfaitaire schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, - 3.000,00 ten titel van terugbetaling advocatenkosten, wettelijke en gerechtelijke intresten op de nettobedragen, de kosten met inbegrip van de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding aan het geïndexeerd bedrag op het ogenblik van de uitspraak. De Heer D. vordert het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal, zonder zekerheidsstelling en mits uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. De tegeneis ingesteld door de N.V. SUN bij besluiten neergelegd op 18 november 2005 strekt tot veroordeling van de Heer D. tot betaling van 5.000,00 euro provisioneel ten titel van terugbetaling advocatenkosten. II. HET BESTREDEN VONNIS. Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en als volgt gegrond : Zegt voor recht dat de N.V. SUN onterecht de éénzijdig gewijzigde ‘ goalletter ‘ heeft gehanteerd voor de berekening van de commissielonen voor het fiscale jaar 2004 en voor de vergoedingen en bedragen betaald naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Veroordeelt de N.V. SUN tot betaling van : - 37.701,00 euro bruto ten titel van achterstallige commissielonen voor het fiscaal jaar 2004 en 2005, - 46.349,76 euro bruto provisioneel ten titel van bijkomende verbrekingsvergoeding, - 13.342,79 euro bruto provisioneel ten titel van bijkomende uitwinningsvergoeding, - 3.141,75 euro bruto ten titel van saldo eindejaarspremie, - 5.783,33 euro bruto ten titel van vakantiegeld einde dienst op variabel loon, de brutobedragen te verminderen met de wettelijke voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing en het overeenstemmende netto te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de eisbaarheid en de gerechtelijke intresten. Laat het kantonnement toe. Verklaart de tegenvordering ongegrond. Heropent de debatten teneinde de Heer D. toe te laten op de argumenten van de N.V. SUN met betrekking tot de berekening van het basisloon voor de berekening van de verbrekingsvergoeding en uitwinningsvergoeding te antwoorden en partijen toe te laten de zaak daaromtrent in staat te stellen. Kosten voorbehouden. III. DE BEROEPSGRIEVEN. A. Het hoofdberoep. Appellante, verder SUN genoemd, verzoekt het Hof het vonnis a quo teniet te doen - in de mate dat het voor recht zegt dat SUN onterecht de éénzijdig gewijzigde ‘ goalletter ‘ heeft gehanteerd voor de berekening van de commissielonen voor het fiscaal jaar 2004 en voor de vergoedingen en bedragen betaald naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de Heer D. en vervolgens SUN veroordeelt tot de betaling van : 37.701,00 euro bruto ten titel van achterstallige commissielonen voor het fiscale jaar 2004 en 2005, 46.349,76 euro bruto provisioneel ten titel van bijkomende verbrekingsvergoeding, 13.342,79 euro bruto provisioneel ten titel van bijkomende uitwinningsvergoeding, 3.141,75 euro bruto ten titel van saldo eindejaarspremie, 5.789,33 euro bruto ten titel van vakantiegeld einde dienst op variabel loon, de brutobedragen te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing en het overeenstemmende netto te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de eisbaarheid en de gerechtelijke intresten en - in de mate dat het de vordering van SUN strekkende tot betaling door de Heer D. van een bedrag van 5.000 euro provisioneel ten titel van terugbetaling van advocatenkosten ongegrond verklaart. En doende wat de Eerste Rechter had moeten doen : De oorspronkelijke vorderingen van de Heer D. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. De Heer D. te veroordelen tot de betaling aan SUN van een bedrag van 7.000 euro provisioneel ten titel van terugbetaling van advocatenkosten en de Heer D. te verwijzen in de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen. Appellante voert uitgebreide middelen aan (50 blz. synthesebesluiten) samengevat als volgt : A. In hoofdorde
  3. Appellante voelt zich gegriefd door het bestreden vonnis omdat de eerste rechter voor recht zegt dat appellante onterecht de nieuwe goalletter van 31 maart 2004 heeft gehanteerd voor de berekening van de commissielonen van de Heer D. voor het fiscale jaar 2004 en voor de vergoedingen en bedragen betaald naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Appellante heeft zich immers zowel in de initiële " goalletter " van november 2003 zelf als naar aanleiding van een vergadering die met alle werknemers van de " Large Accounts "-afdeling plaatsvond op 8 september 2003 uitdrukkelijk het recht voorbehouden om aanpassingen aan de jaardoelstellingen door te voeren wanneer zich bepaalde omstandigheden zouden voordoen. Meer bepaald stelt de initiële " goalletter " uitdrukkelijk : " Normaal gezien, verandert in de loop van het Fiscaal Jaar (FJ) uw Omzet Doel niet. Maar vermits accurate doelstelling belangrijk is, zou het toch kunnen dat in de loop van het FJ gewijzigde Doelen moeten gegeven worden (hogere of lagere). Onvoorziene marktveranderingen, mogelijke terugval, uitzonderlijke verkopen of onjuiste vooronderstellingen kunnen wijzigingen noodzakelijk maken " (stuk 2). Ten onrechte besliste de eerste rechter dat genoemde clausule een wijzigingsbeding in de zin van artikel 25 van de Arbeidsovereenkomstenwet uitmaakt en bijgevolg nietig zou zijn. De kwestieuze clausule van de " goalletter " maakt volgens appellante een voorwaardelijke verbintenis uit, meer bepaald een ontbindende voorwaarde. Genoemde voorwaarden hebben geenszins een potestatief karakter aangezien de omstandigheden waarnaar wordt verwezen allen buiten de wil van appellante liggen en zijn derhalve rechtsgeldig.
  4. Zelfs als al aanvaard zou worden dat genoemde clausule een wijzigingsbeding uitmaakt en geen ontbindende voorwaarde - quod non -, kan enkel worden vastgesteld dat dit beweerde wijzigingsbeding niet beantwoordt aan de toepassingsvoorwaarden die voorhanden dienen te zijn opdat dergelijk beding nietig zou zijn in toepassing van artikel 25 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Vooreerst verleent het appellante geen " eenzijdig " recht in de zin van genoemd artikel 25 van de Arbeidsovereenkomstenwet om wijzigingen door te voeren. Verder is er ook geen sprake van een wijziging aan een bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, laat staan een essentieel element hiervan. Partijen kwamen immers enkel het principe overeen dat het loon van de Heer D. zou bestaan uit een niet onaanzienlijk vast loon en een variabel loon beiden een percentage, met name respectievelijk 60 % en 40 %. De omzetdoelstellingen zelf worden aldus niet in de arbeidsovereenkomst bepaald maar worden, zoals gezegd, ieder jaar opnieuw door appellante vastgelegd in een aparte " goalletter ". Aldus betreffen de omzetdoelstellingen dan ook geen " overeengekomen bestanddelen of voorwaarden van de arbeidsovereenkomst ". Ook al zouden de doelstellingen als een " bestanddeel van de arbeidsovereenkomst " worden beschouwd - quod non -, kunnen zij onmogelijk als een ‘essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst " worden beschouwd. Essentieel zijn immers enkel deze elementen die partijen bepalend achten voor het sluiten en voortbestaan van de overeenkomst. Door de omzetdoelstellingen of hun wijze van vastleggen niet in de arbeidsovereenkomst zelf vast te leggen en te regelen of door de " goalletter " niet als integrerend deel van de arbeidsovereenkomst te kwalificeren via een incorporatieclausule, hebben partijen duidelijk aangegeven dat dit voor hen een niet-essentieel bestanddeel van hun overeenkomst uitmaakte.
  5. Verder houdt de eerste rechter op geen enkele wijze rekening met de specifieke omstandigheden waarin de " re-goaling " tot stand kwam. Reeds in september 2003 had appellante aangegeven dat zij bereid was om de gehele groepsdoelstelling niet onmiddellijk over de individuele werknemers te verdelen en een buffer in te bouwen. Daarbij gaf zij uitdrukkelijk aan dat indien de omstandigheden zouden wijzigen of indien zij slecht voorgelicht zou blijken te zijn, een verdere verdeling zou worden doorgevoerd. Uiteindelijk bleken de voorwaarden om tot een bijkomende verdeling van de initieel niet-verdeelde omzetdoelstellingen over te gaan, vervuld. In tegenstelling tot hetgeen de Heer D. aanvoert, gebeurde deze bijkomende verdeling op grond van objectieve en niet-discriminerende criteria. Met name werd de bijkomende verdeling toegepast op deze werknemers die op het ogenblik van de " re-goaling " aan een met zekerheid grenzende waarschijnlijkheid " hun initiële objectieven zouden halen. Ten onrechte en zonder dit enigszins te motiveren stelt de eerste rechter dienaangaande dat voor één van de betrokken werknemers, met name, de Heer L. de " re-goaling " een " nuloperatie " zou vormen en de Heren V. L. en DH. de " wijzigingen " hebben aanvaard " vermits deze niet belangrijk waren ". Alle betrokkenen, op één na (en dit om specifieke omstandigheden), zagen hun omzetdoelstellingen met hetzelfde bedrag, met name 1,5 miljoen USD, verhoogd. Verder hield de eerste rechter ten onrechte geen rekening met het feit dat de " re-goaling " voor de betrokken werknemers gepaard ging met een vermindering van de commissie-acceleratieplafonds waardoor deze sneller in werking traden.
  6. Tevens besliste de eerste rechter ten onrechte dat er in deze geen sprake is van een stilzwijgende aanvaarding van de " re-goaling " door de Heer D.. De rechtspraak en met name de cassatierechtspraak terzake is nochtans duidelijk. Het Hof van Cassatie oordeelde aldus dat het stilzwijgend akkoord van een werknemer met nieuwe (verminderde) loonsvoorwaarden inderdaad kan worden afgeleid uit de voortzetting door de werknemer van zijn arbeidsprestaties na de termijn die nodig is om een standpunt in te nemen over de mogelijkheid tot het sluiten van een nieuwe overeenkomst, ook al wordt daarbij uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt. In deze kan niet anders dan worden vastgesteld dat de Heer D. ook na de wijziging van de omzetdoelstellingen einde maart 2004 zijn arbeidsprestaties verder heeft gezet en dit tot op het ogenblik dat appellante een einde stelde aan de arbeidsovereenkomst op 13 september 2004, zijnde meer dan 5 maanden na de " re-goaling ". B. Ten subsidiaire titel Appellante voelt zich eveneens gegriefd omdat de eerste rechter het bedrag van de door de Heer D. gevorderde achterstallige commissielonen evenals saldo vakantiegeld en dertiende maand heeft toegekend zonder op enigerlei wijze rekening te houden met de argumentatie die appellante terzake in subsidiaire orde heeft aangevoerd. De bedragen die de Heer D. vordert zijn immers gesteund op een éénzijdig door hem opgemaakt stuk dat tot buitenissige bedragen leidt. Wat de achterstallige commissielonen voor het fiscaal jaar 2005 betreft, heeft de eerste rechter ten onrechte geoordeeld dat deze vordering virtueel begrepen ligt in de inleidende dagvaarding waarin enkel melding wordt gemaakt van achterstallige commissielonen voor het fiscaal jaar
  7. De Heer D. maakt slechts voor het eerst gewag van een vordering tot betaling van achterstallig commissieloon voor het fiscaal jaar 2005 in zijn conclusie dd. 17 januari 2006, zijnde bijna anderhalf jaar na het ontslag zodat deze eis verjaard is. C. De tegenvordering 1.Appellante voelt zich tot slot gegriefd doordat de eerste rechter haar tegenvordering strekkende tot de betaling door de Heer D. van een bedrag van 5.000 euro provisioneel ten titel van terugbetaling advocatenkosten verjaard heeft verklaard op grond van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Appellantes vordering is ontstaan uit het feit dat de Heer D. de zorgvuldigheidsplicht die op éénieder rust in toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet heeft nageleefd en misbruik heeft gemaakt van zijn recht tot procederen door appellante in een rechtsgeding te betrekken daar waar iedere voorzichtige en bezorgde persoon op grond van de hierboven aangehaalde gegevens eigen aan de zaak dit zou hebben nagelaten. Appellantes vordering is dan ook niet contractueel van aard maar berust op een onrechtmatige daad begaan door de Heer D. na de arbeidsovereenkomst en los van de arbeidsovereenkomst. Op dergelijke vordering is niet de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstwet doch de gemeenrechtelijke termijn (10 jaar in toepassing van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek) toepasselijk.
  8. Door de handelswijze van de Heer D. is appellante verplicht om aanzienlijke tijd en energie te investeren in haar verdediging en wordt zij blootgesteld aan extra kosten, met inbegrip van advocatenerelonen. Dienaangaande, hebben verschillende Belgische Hoven en Rechtbank reeds, hoewel dit niet wordt voorzien in de wet, erkend dat de schadelijder recht heeft op vergoeding van de door hem aangegane advocatenkosten door de dader van een onrechtmatige daad. Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechter appellantes vordering heeft afgewezen. B. Het incidenteel hoger beroep. De Heer D. tekent met beroepsbesluiten incidenteel hoger beroep aan en verzoekt het Hof het eerste vonnis teniet te doen in de mate dat het de vorderingen van de Heer D. slechts gedeeltelijk heeft toegewezen en opnieuw recht doende, SUN te veroordelen tot het betalen aan de Heer D. van de volgende bedragen : - Een bijkomende verbrekings- en uitwinningsvergoeding ten bedrage van 53.302,27 euro bruto, - Commissielonen voor de bestellingen die zijn binnengekomen na het einde van de arbeidsovereenkomst van de Heer D., conform de artikelen 90 en volgende van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, berekend op basis van het correcte omzetdoel, ten bedrage van 43.299,64 euro , - Een vergoeding van 7.500 euro provisioneel voor het niet mogen deelnemen aan de jaarlijkse " SunRise ", - Een forfaitaire schadevergoeding van 40.000 euro wegens misbruik van ontslagrecht, - De terugbetaling van de advocatenkosten ten bedrage van 4.000 euro , - De intresten op de overeenstemmende nettobedragen vanaf de datum waarop zij verschuldigd zijn, en vanaf 1 juli 2005 op de bruto bedragen, aan de wettelijke intrestvoet. Het vonnis a quo te bevestigen in de mate dat het SUN heeft veroordeeld tot de betaling van : - achterstallig commissieloon voor het fiscaal jaar 2004 en 2005; het bedrag dient evenwel op 33.415,87 euro bruto te worden vastgesteld, - een saldo eindejaarspremie; het bedrag dient evenwel op 2.784,65 euro bruto te worden vastgesteld, - een saldo vakantiegeld einde dienst op variabel loon; het bedrag dient evenwel op 5.125,99 euro bruto te worden vastgesteld. IV. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen, wat overigens niet betwist wordt. Overwegende dat de arbeidsovereenkomst (stuk 1 beide partijen) bepaalt : " In het geval van 100 % bereiken van de vooropgestelde doelstellingen zal uw totale bruto jaarvergoeding 3.700.000 BEF. bedragen. Het bruto vast salaris gedeelte hiervan zal 60 % bedragen, zijnde 2.220.000 BEF. (maandelijks 159.712 BEF.). De 40 % variabele zal elk jaar in een goalletter vastgelegd worden ". De tekst van de arbeidsovereenkomst bepaalt niet nader op welke wijze deze jaarlijkse goalletter of doelstellingenbrief wordt vastgelegd, zodat zich allereerst de vraag stelt of dit bij wederzijdse overeenkomst tussen partijen is dan wel éénzijdig door de werkgever, zoals appellante in besluiten aanvoert. SUN betwist niet dat de goalletters voor fiscale jaren 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 steeds werden vastgelegd na onderhandelingen door beide partijen; het staat vast dat ze ook steeds door beide partijen ondertekend werden. SUN erkent dat ook de doelstellingbrief van 28.11.2003 voor fiscaal jaar 2004 door beide partijen werd ondertekend na onderhandelingen. SUN stelde immers oorspronkelijk een omzetdoelstelling voor van 7.836.000 USD aan de Heer D. die door de Heer D. geweigerd werd; hij stelde een objectief van 5.895.000 USD voor. Partijen ondertekenden uiteindelijk een jaarobjectief van 6.894.000 USD voor
  9. Het Hof stelt verder vast dat de in de doelstellingbrief opgenomen tekst van de doelwijzigingsclausule vanaf het fiscaal jaar 1995 door SUN werd gewijzigd. Voor het fiscaal jaar 2004 gold nog volgende tekst (stuk 2 D.) : " Normaal gezien, verandert in de loop van het Fiscaal Jaar (FJ) uw Omzet Doel niet. Maar vermits accurate doelstelling erg belangrijk is, zou het toch kunnen dat in de loop van het FJ gewijzigde Doelen moeten gegeven worden (hogere of lagere). Onvoorziene marktveranderingen, mogelijke terugval, uitzonderlijke verkopen of onjuiste vooronderstellingen kunnen wijzigingen noodzakelijk maken. Vastgestelde doelen kunnen echter enkel gewijzigd worden indien een getekende goedkeuring gegeven wordt door de Vice President van Noord-Europa. Het aanbevolen minimum om tot wijziging over te gaan bedraagt 500,00 USD ". De nieuwe tekst luidt als volgt (stuk 20 D.) : " Wijziging van Doel (Regoaling) Normaal gezien verandert uw Omzet Doel in de loop van het Fiscaal Jaar (FJ) niet. Onvoorziene marktveranderingen, mogelijke terugval, uitzonderlijke verkopen of onjuiste vooronderstellingen kunnen eventueel wijzigingen noodzakelijk maken. Een wijziging van doel is het resultaat van een gesprek met de betrokkene, waarbij de reden voor wijziging van doel duidelijk worden uiteengezet en waarbij rekening gehouden wordt met de input van de betrokkene. Er zal geen wijziging van Doel gebeuren na het derde kwartaal. Doelen kunnen alleen gewijzigd worden na schriftelijke bevestiging door de betrokken Vice-President. Een wijziging van Doel moet gebeuren voor minstens een bedrag van 100.000 dollar of het equivalent in locale munt. Indien een wijziging van doel zich opdringt, zal de nieuwe doelbrief met gewijzigd Doel de oorspronkelijke doelbrief vervangen, vanaf de datum van ondertekening namens SUN en de werknemer en zal de berekening van de commissies overeenkomstig de nieuwe doelbrief gebeuren " (eigen onderlijning). Het Hof stelt mede aan de hand van deze tekstwijziging vast dat ook SUN voor een doelwijziging het akkoord van de werknemer als noodzakelijk erkent : " ondertekening namens SUN en de werknemer ". Aan de hand van de manier waarop partijen gedurende vele jaren (1999-2003) de arbeidsovereenkomst met betrekking tot de bepaling van het variabel loon daadwerkelijk hebben uitgevoerd en van de hiermee overeenstemmende tekst van de Doelwijzigingsclausule, zoals gewijzigd vanaf 1995, is volgens het Hof bewezen dat het duidelijk de bedoeling was van partijen bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst dat de doelstellingen voor het bepalen van het variabel loon jaarlijks bij overeenkomst tussen partijen zouden worden vastgelegd. Dit is overigens niet meer dan normaal, gelet op het feit dat het gedeelte variabel loon 40 % (dit is een belangrijk deel) bedraagt van het totaal jaarlijks loon. Het betreft aanzienlijke bedragen aan commissieloon. Dit belangrijk variabel loon is dan ook een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst. Het verschaffen en verrichten van arbeid en het betalen en ontvangen van loon zijn vanzelfsprekend wezenlijke elementen van iedere arbeidsovereenkomst (zie definitie artikel 3 A.O.-wet). Appellantes bewering dat partijen dit variabel loon als een bijkomstig element van de arbeidsovereenkomst zouden bedoeld hebben, vindt nergens in geen enkel stuk of feit enige steun en druist regelrecht in tegen de algemene regel dat loon uiteraard een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst is zoals ook algemeen bevestigd wordt door de rechtspraak (Cassatie, 23 december 1996, J.T.T. 1997, 145; zo oordeelde het Arbeidshof Luik dat de wijziging van het statuut van een verkoopagent gevolgen heeft voor het commissieloon en derhalve als een wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst te beschouwen is (Arbeidshof Luik, 24 september 1990 R.R.D. 1991, 74). Vermits de hoegrootheid van dit variabel loon rechtstreeks afhangt van de omzetdoelstellingen zijn ook deze omzetdoelstellingen een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst. De tekst van de arbeidsovereenkomst (zie hoger) verwijst overigens uitdrukkelijk naar de jaarlijkse goalletter zodat deze jaarlijkse doelstellingsbrief integrerend deel uitmaakt van de overeengekomen arbeidsvoorwaarden of m.a.w. van de arbeidsovereenkomst. Essentiële bestanddelen van een arbeidsovereenkomst kunnen slechts met akkoord van beide partijen gewijzigd worden. Overeenkomsten strekken partijen immers tot wet (artikel 1134 Burgerlijk Wetboek) en kunnen niet worden herroepen dan met wederzijdse toestemming of op gronden door de wet erkend (Cassatie, 29 februari 1988, S.R.K. 1988, 204). Een aanzienlijke éénzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst staat om deze reden gelijk met een onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst (Cassatie, 29 september 1976, J.T.T. 1977, 69; Cassatie 7 en 10 januari 1985, Arr. Cass. 1984-1985, 264 en 282). Om deze zelfde reden is een wijzigingsbeding, d.i. een beding waarbij de werkgever zich het recht voorbehoudt om de voorwaarden van de arbeidsovereenkomst éénzijdig te wijzigen overeenkomstig artikel 25 A.O.-wet nietig; deze regel geldt wanneer het wijzigingen betreft van essentiële bestanddelen van de overeenkomst zoals in onderhavige zaak het geval is nl. het belangrijke variabel loon (zie hoger). Het " Regoalingsbeding " in de tekst van de goalletter voor het fiscaal jaar 2004 is geen geldig wijzigingsbeding dat appellante machtigt éénzijdig het variabel loon voor het jaar 2004 te wijzigen. Vermits het betreffend variabel loon een essentieel bestanddeel is van de arbeidsovereenkomst, is het beding nietig overeenkomstig artikel 25 A.O.-wet. Het Hof stelt vast dat appellante niet gerechtigd was éénzijdig de overeengekomen doelstellingen voor het fiscaal jaar 2004 te wijzigen. Deze doelstellingen konden enkel bij wederzijds akkoord tussen partijen gewijzigd worden. Het Hof stelt met de eerste rechter vast : " In casu heeft de N.V. SUN op het einde van het derde kwartaal fiscale jaar 2004 éénzijdig de doelstellingen van de Heer D. gewijzigd en ondanks zijn weigering om de gewijzigde ‘ goalletter ‘ te ondertekenen paste de N.V. SUN deze wijzigingen toch toe bij de afrekening van de commissielonen
  10. De Heer D. heeft onmiddellijk zowel mondeling als schriftelijk, persoonlijk als bij monde van zijn raadsman, geprotesteerd tegen deze éénzijdige, arbitraire en discriminatoire beslissing van de N.V. SUJN doch is ondanks de moeilijkheden zijn functie blijven uitoefenen (stukken 4 tot en met 14). In casu kan er geen sprake zijn van een stilzwijgende aanvaarding. De Heer D. heeft wel verschillende alternatieven geformuleerd namelijk een verhoging van de omzetdoelstellingen met 8,26 % of een verhoging van 22 % voor zover de N.V. SUN zou aanvaarden dat deze verhoging in het fiscaal jaar 2005 zou gecompenseerd worden met een verminderde doelstelling. De N.V. SUN heeft al deze voorstellen verworpen en besliste haar éénzijdig genomen beslissing van verhoging van omzetdoel van 22 %, tegen de wil in van de Heer D., door te voeren. De commissielonen werden berekend op basis van de gewijzigde, door de Heer D. niet ondertekende ‘goalletter'. Het feit dat de Heer D. uiteindelijk 134 % scoorde en in het fiscaal jaar 2004 hoger scoorde dan in de twee voorafgaande jaren vormt geen rechtvaardiging voor de éénzijdig opgelegde verhoging ". Het hoger beroep dient als ongegrond te worden afgewezen. De vorderingen.
  11. Achterstallige commissielonen voor het fiscaal jaar 2004 en 2005 ten bedrage van respectievelijk 30.885,87 e en 2.530 euro . Gezien de tekst van de inleidende dagvaarding dd. 8 september
  12. Overwegende dat de Heer D. in de tekst van het dispositief van deze dagvaarding uitdrukkelijk vordert " dat voor alle verschuldigde vergoedingen de oorspronkelijke goalletter dient te worden gebruikt ". Dat hij in het motiverend gedeelte van de dagvaarding (blz. 3) ook uitdrukkelijk vermeldt dat appellante ook zijn commissielonen voor bestellingen binnengelopen na 13 september 2004 ten onrechte berekende op de éénzijdig gewijzigde goalletter. Dit is een uitdrukkelijke verwijzing naar commissielonen voor het fiscaal jaar 2005 (liep van 1 juli 2004 tot 30 juni 2005). De vordering van de Heer D. voor zover ze strekt tot betaling van achterstallig commissieloon voor het fiscaal jaar 2005 is volgens het Hof niet alleen VIRTUEEL doch zelfs uitdrukkelijk begrepen in de inleidende dagvaarding zodat de verjaring, bedoeld in artikel 15 A.O.-wet tijdig werd gestuit. Het door de Heer D. gevorderd bedrag van het achterstallig commissieloon voor het fiscaal jaar 2004 nl. 30.885,87 euro wordt heden cijfermatig niet meer door SUN betwist en dient te worden toegekend. De Heer D. zet nauwkeurig de berekening uiteen van het bedrag van 2.530 euro dat hij vordert als achterstallig commissieloon voor het fiscaal jaar 2005 nl. 2.404.782 euro x 0,58867 % (P.C.R. op basis van de oude goalletter van november 2003) = 14.156,18 euro , te verminderen met 11.626,40 euro (betaald) of 2.530 euro . Het bestreden vonnis dient te worden hervormd waar het SUN veroordeelt tot betaling van een bedrag van 37.701 euro bruto ten titel van achterstallig commissieloon. SUN is een saldo verschuldigd van 33.415,87 euro .
  13. Saldo verbrekings- en uitwinningsvergoeding. Partijen betwisten volgende bestanddelen voor het bepalen van het in artikel 39 A.O.-wet bedoelde brutojaarloon met inbegrip van de krachtens de overeenkomst verworven voordelen. Voordeel G.S.M., Palm Pilot, draagbare P.C. SUN legt dienstnota's neer (stukken 18 en 19) van februari 2004 waaruit blijkt dat de P.C., G.S.M. en Palm Pilot uitsluitend voor professioneel gebruik door SUN ter beschikking waren gesteld. De Heer D. bewijst niet dat hij deze bedrijfstoestellen voor privé-doeleinden mocht gebruiken. De forfaitaire onkostenvergoeding van 123,95 euro netto/maand. Een kostenvergoeding is in beginsel geen loon noch een voordeel daar zij de vergoeding is van een uitgave. Een forfaitaire kostenvergoeding die geen daadwerkelijke meerkosten dekt die de werknemer werkelijk betaalt ingevolge zijn tewerkstelling is loon (Cassatie, 15 januari 2001, J.T.T. 2001, 135). Krachtens de arbeidsovereenkomst (stuk 1 SUN) dekt de overeengekomen forfaitaire kostenvergoeding kleinere professionele onkosten (parking, telefoon, enz...). De Heer D. had zonder enige twijfel een commerciële functie die talrijke verplaatsingen en klantenbezoeken vereisten, die noodzakelijkerwijze ook talrijke kleine uitgaven met zich brengen zoals parkings, kleine kosten voor uitnodigingen en drinks, car wash (zoals nader gedetailleerd in SUNS stuk 17). De zeer redelijke en bescheiden som van 123,95 euro per maand beantwoordt aan de in de arbeidsovereenkomst bedongen tenlasteneming door de werkgever van reële meerkosten van de werknemer omwille van de tewerkstelling en kan daarom niet als loon of voordeel worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 39 A.O.-wet. De Heer D. bewijst niet dat de aandelenopties waarnaar hij verwijst een reële waarde hebben noch welke reële zekere waarde dit ten tijde van zijn ontslag dan wel zou zijn (Cassatie, 4 februari 2002, R.W. 2002-2003, 423). Over de overige loonsbestanddelen zijn partijen het eens. Het jaarlijks brutoloon en voordelen dient overeenkomstig artikel 39 A.O.-wet als volgt te worden bepaald : Bruto maandloon : 5.072,85 euro x 13,92Variabel loon verdiend over de laatste 12 maanden :Vakantiegeld op variabel loon :Eindejaarspremie op variabel loon :Privé-gebruik firmawagen : 500 x 12Patronale bijdrage groepsverzekering:564,72 euro x 12 : 70.614,07 euro 165,551,52 euro 25.389,21 euro 13.792,48 euro 6.000,00 euro 6.776,64 euro Totaal : 288.123,92 euro bruto Vertrekkende van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 14 maanden diende aldus een bedrag van 336.144,56 euro bruto ten titel van opzeggingsvergoeding te worden betaald. Het verschil met het reeds uitbetaalde bedrag (zijnde 298.523,72 euro bruto) bedraagt 37.620,84 euro bruto (stuk 20 SUN). Op grond van bovengenoemd jaarloon bedraagt de uitwinningsvergoeding 96.041,30 euro bruto. Het verschil met het reeds uitbetaalde bedrag (zijnde 85.292,49 euro bruto) bedraagt dan 10.748,81 euro bruto (stuk 20 SUN). Het bestreden vonnis dient ook op deze punten te worden hervormd.
  14. De vordering commissieloon op grond van artikel 91 A.O.-wet op het order van F.O.D. Financiën. Uit de door SUN neergelegde stukken blijkt dat F.O.D. Financiën het order of de bestelling slechts plaatste t.a.v. L. C. in maart 2005 ingevolge een prijsofferte vanwege SUN dd. 15 september 2004 (stuk 21 SUN). De Heer D. bewijst niet dat deze bestelling van F.O.D. Financiën door hem werd geplaatst zoals vereist door artikel 91 A.O.-wet. De Heer D. was reeds ± 6 maand ontslagen toen de bestelling geplaatst werd en zelfs de prijsofferte werd ná zijn ontslag verzonden. Uit stuk 21 SUN blijkt dat de bestelling geplaatst werd bij een zekere Heer C. Vermits het order niet werd geplaatst binnen 3 maanden na het ontslag, biedt ook artikel 92 A.O.-wet geen rechtsgrond voor commissieloon in hoofde van de Heer D.. Al blijkt dat F.O.D. Financiën tot de klantenportefeuille van de Heer D. behoorde voor de periode juli 2003 - juni 2004, de door partijen neergelegde stukken bewijzen dat o.a. klant F.O.D. FIN hem, op zijn aanvraag om meer medewerkers en op een splitsing van de klanten over FA-EMM (stuk 22 SUN van 11.8.2004)werd onttrokken en toebedeeld aan E.M.M. op 1 september 2004 (stukken 22-23-24 SUN) zodat deze klant werd overgedragen aan een andere accountmanager begin september (nl. de Heer L. C., die de bestelling plaatste in maart 2005).
  15. De vordering saldo eindejaarspremie en saldo vertrekvakantiegeld. De Heer D. herleidt zijn oorspronkelijke eis tot de bedragen van 5.125,99 euro bruto ten titel van saldo vertrekvakantiegeld en 2.784,65 euro bruto ten titel van saldo eindejaarspremie, bedragen die SUN (subsidiair) aanvaardt en die dienen te worden toegekend.
  16. De vordering tot schadevergoeding wegens niet-deelname aan Sunrise ad. 7.500 euro . Het Hof beaamt na de studie van de door SUN neergelegde stukken met betrekking tot " Sunrise " de eerste rechter waar deze vaststelt en oordeelt : " De ‘ sunrise ‘ is een reis georganiseerd door de N.V. SUN om de werknemers die hun doelstellingen hebben behaald te bedanken voor hun inzet. De Heer D. heeft voor alle volledige jaren in dienst van de N.V. SUN mogen deelnemen aan de ‘ Sunrise ‘. De regels voor deelname aan deze ‘ Sunrise ‘ worden elk jaar opnieuw vastgesteld in de ‘ Sunrise Rules ‘ (stukken 2, 8 en 14 bundel SUN). Vanaf de ‘ Sunrise 2003 ‘ werd het aantal deelnemers beperkt en voor de ‘ Sunrise 2004 ‘ werd het aantal deelnemers wereldwijd beperkt tot 1100 personen die elk één gast mochten meebrengen (stuk 14, punt 2 bundel SUN). Als gevolg daarvan werd niet elke verkoper die zijn doelstellingen had bereikt uitgenodigd maar werd er een selectie gemaakt (stuk 14 punt 12 bundel SUN). De Heer D. werd spijtig genoeg niet geselecteerd. De Heer D. had bijgevolg geen enkel verworven recht voor de ‘ Sunrise 2004 ‘." De door SUN neergelegde stukken bewijzen dat het Sunrisereglement 2004 aan de werkgever een in zekere mate discretionair beoordelingsrecht toekende om te beslissen welke geselecteerden al dan niet mochten deelnemen. Het feit dat appellante in 2004 werknemers aan de reis liet deelnemen die in 2003 niet konden deelnemen wegens plaatsgebrek hoewel zij gekwalificeerd werden, is volgens het Hof een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond om aan de Heer D. in 2004 deelname te ontzeggen, nu deze in 2003 wél had deelgenomen.
  17. De vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. Het Hof beaamt de algemene principes inzake misbruik van ontslagrecht, zoals door de eerste rechter geciteerd in het vonnis blz. 9 voorlaatste en laatste lid en blz.
  18. De Heer D. draagt de bewijslast van de bijzondere fout die SUN begaan zou hebben door of ter gelegenheid van zijn ontslag. Vooreerst dient opgemerkt dat hij werd ontslagen met de betaling van een opzeggings- en uitwinningsvergoeding gelijk aan 14 maanden loon. Het betreft geen ontslag zonder opzeg noch vergoeding. Rechtsmisbruik veronderstelt meer dan een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Iedere partij heeft immers steeds het recht de overeenkomst te beëindigen mits zij daar maar de financiële gevolgen van draagt. De Heer D. verwijt volgende bijzondere fouten aan zijn werkgever : - Pesterijen onder vorm van ontnemen van klanten en dreigen met weigering SPIFF bonus, - Ontnemen van titel van hoofd van Segment Government Sales-team en bijhorende Staffel-bonus, - Het zich negatief over de Heer D. uitlaten bij potentiële werkgevers, - Hem te hebben ontslagen uit represaille op zijn rechtmatige loonaanspraken, nl. variabel loon overeenkomstig de goalletter overeengekomen op 28 november
  19. Reeds hoger in dit arrest is uiteengezet dat de herverdeling van het klantenbestand over het L.A.-team en E.M.M.M.-team geschiedde op vraag van de Heer D. zelf (zie hoger) en in overeenstemming met zijn eigen suggesties (stukken 22 en 23 SUN). Dat hem de titel van Hoofd van het Government Sales team en bijhorende Staffel-bonus zou zijn ontnomen bewijst de Heer D. niet. De SPIFF-bonus werd aan geen enkele werknemer toegekend over het vierde kwartaal FY 2004, zodat ook dit geen bewezen " pesterij " is. De Heer D. bewijst geen aan het ontslag voorafgaande pesterijen in hoofde van zijn werkgever. Hij bewijst evenmin dat SUN zijn goede naam en eer zou hebben geschonden door ruchtbaarheid te geven aan het ontslag of door negatieve kritiek op hem uit te brengen o.a. bij vennootschappen Erudict en Oracle. Het Hof acht een getuigenverhoor dienaangaande niet dienstig daar het te bewijzen feit dat " Sun zich zeer negatief heeft uitgelaten over de Heer D. zeer vaag is en niet genoeg gepreciseerd in ruimte en tijd. Oracle heeft de Heer D. trouwens een jobvoorstel gedaan, wat de impact van de negatieve uitlatingen al meteen relativeert. De Heer D. stelt tenslotte dat SUN haar ontslagrecht heeft misbruikt door hem te ontslaan uit represaille op zijn rechtmatige loonaanspraken. Uit wat hoger in dit arrest is uiteengezet over de éénzijdige wijziging van de goalletter voor FY 2004 op het einde van het derde kwartaal, blijkt dat de loonaanspraken van de Heer D. nl. op berekening van zijn variabel loon overeenkomstig de oude goalletter van november 2003 inderdaad gerechtigd zijn. Feit is evenwel dat de collega's van de Heer D. zich wel akkoord verklaarden met de door appellante voorgestelde wijziging van de goalletter. Feit is eveneens dat een mogelijke wijziging ervan door SUN reeds was aangekondigd aan het management tijdens een vergadering op 8 september 2003 waar SUN meedeelde een stuk van de te verwachten omzet (4.866.000 USD) als buffer te gebruiken en voorlopig niet te verdelen over de verkoopsmanagers (stuk 4 SUN) doch dit wel te zullen doen zo SUN verkeerd zou geïnterpreteerd hebben en zou blijken dat de inkomsten snel stijgen, wat effectief gebeurd blijkt te zijn. Het komt aan het Hof niet toe de efficiëntie van de beleidsbeslissingen van de werkgever te beoordelen; de neergelegde stukken bewijzen dat de wijziging van de doelstellingen voor FY 2004 door de werkgever werd doorgevoerd om daadwerkelijke economische redenen nl. een stijging van de verkoopscijfers groter dan verwacht in september 2003(stuk 7 appellante). De Heer D. vormde zijn eerste weigering tegen doelstellingenwijziging bij aangetekende brief van april 2004 die SUN gemotiveerd beantwoordde. Op 28 mei 2004 schrijft hij een nieuwe aangetekende brief. Hierna wisselen partijen E-mail berichten uit over de kwestie (stukken 9-10-11). Op 10 augustus 2004 reageert de Heer D. met een aangetekende brief van zijn raadsman houdende ingebrekestelling tot regularisatie van commissieloon waarzonder de raadsman van de Heer D. zal dagvaarden in ontbinding van de overeenkomst. De raadsman dreigt tevens met neerlegging van klacht wegens pesterijen wegens niet-uitnodiging Sunrise, dreiging niet-betalen SPIFF-bonus. Sun beantwoordt deze brief zeer gemotiveerd op 2 september
  20. De raadsman van de Heer D. bevestigt op 10 september 2004 dat hij overgaat tot dagvaarding in ontbinding van de overeenkomst en tot neerlegging van klacht wegens pesterijen. Uit de neergelegde briefwisseling blijkt dat partijen sedert eind maart ernstig van mening verschilden i.v.m. de goalwijziging en de berekening van het variabel loon en dat hun verstandhouding in de daaropvolgende weken en maanden verzuurde. De Heer D. liet dan op 10 september aan zijn werkgever zijn definitieve beslissing kennen dat hij zou dagvaarden in ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het ontslag mits betaling van een opzegvergoeding van 14 maanden en een uitwinningsvergoeding is volgens het Hof in deze omstandigheden geen represaille van de werkgever op de loonaanspraak die de Heer D. reeds begin april 2004 had laten kennen doch een beslissing die SUN heeft menen te mogen treffen in het belang van haar onderneming om een einde te stellen aan een sinds lang verzuurde en verder verzurende verstandhouding die uiteraard ook op de andere leden van het management negatieve invloed had en die redelijkerwijze geen kans op verbetering meer had gelet op het feit dat de werknemer om ontbinding van de overeenkomst verzocht. De Heer D. bewijst geen bijzondere fout die in hoofde van SUN als een misbruik van haar ontslagrecht zou kunnen beschouwd worden.
  21. De vordering van advocaatkosten in hoofde van de Heer D.. De Heer D. steunt zich op het arrest dd. 2 september 2004 van het Hof van Cassatie waarmee dit Hof besliste dat het honorarium en de kosten van een advocaat of technisch raadsman die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, kunnen worden beschouwd als een te vergoeden bestanddeel van zijn schade inzover zij het noodzakelijk gevolg zijn van de wanuitvoering van de overeenkomst (Cassatie, 2 september 2004, A.R. C 01 01 86 F - www. Cass. be.). Overwegende dat krachtens artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek de schuldenaar bij wanuitvoering van een contractuele verplichting volledig moet instaan voor het verlies van de schuldeiser en voor de winst die hij heeft moeten derven, behoudens de toepassing van artikelen 1150 en 1151 Burgerlijk Wetboek. Dat de aan de schuldeiser verschuldigde schadevergoeding met toepassing van artikel 1151 Burgerlijk Wetboek alleen hetgeen een noodzakelijk gevolg is van het niet uitvoeren van de overeenkomst moet omvatten. Dat het honorarium en de kosten van een advocaat die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, een vergoedbaar element van zijn schade kunnen vormen in zover zij dat noodzakelijk karakter vertonen (Cassatie, 2 september 204, hoger geciteerd). Het Arbitragehof kwam in zijn arresten 57/2006 van 19 april 2006 tot de bevinding dat er terzake een lacune bestaat in onze wetgeving die zij strijdig acht met het constitutioneel gelijkheidsbeginsel in combinatie met artikel 6.1 van het E.V.R.M. daar er geen regels van Belgisch positief recht voorhanden zijn die de procespartijen toelaten eventueel te worden vergoed voor hun kosten van verdediging zonder onderscheid te maken tussen eiser of verweerder. Een onvolledigheid, stilzwijgen of duisterheid in de wetgeving kan voor de rechter geen reden uitmaken tot rechtsweigering. Ons Hof zal terzake de gemeenrechtelijke regels inzake schadevergoeding in onderhavige zaak toepassen, die het Arbitragehof overigens in hetzelfde arrest 57/2006 niet strijdig achtte met het gelijkheidsbeginsel (overweging B. 3, 3 p. 8 over de artikelen 1149, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek). Overwegende dat appellante in onderhavige zaak niet de overeengekomen commissielonen voor het jaar 2004 aan geïntimeerde betaalde die hij hem nochtans verschuldigd waren (zie hoger). Dit niet betalen van loon is contractuele wanprestatie in hoofde van SUN. Overwegende dat de Heer D. vanaf april 2004 bij appellante op betaling van commissie aandrong; dat hij appellante herhaaldelijk diende aan te schrijven en hij bij gebrek aan minnelijke regeling zich genoodzaakt zag beroep te doen op een juridisch raadsman teneinde zijn rechten te vrijwaren via een proces voor de bevoegde rechter. Iedere rechtsonderhorige heeft recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6.1 van het E.V.R.M. (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden). Gelet op de complexiteit van het recht, in het bijzonder de interpretatie van de " goalletters " bij de arbeidsovereenkomst die ingewikkeld blijkt te zijn, en de techniciteit van de gerechtelijke procedures aanvaardt het Hof dat het een noodzaak was voor de Heer D. zich te laten bijstaan door een juridisch raadsman teneinde zijn zaak zo goed mogelijk in rechte te verdedigen. Overwegende dat de kosten en het honorarium die de Heer D. aan een raadsman diende te betalen het noodzakelijk gevolg zijn van de wanuitvoering van de arbeidsovereenkomst door appellante en derhalve een bestanddeel uitmaken van de door appellante aan geïntimeerde te vergoeden schade benevens en buiten de forfaitaire opzeg- en uitwinningsvergoeding. Overwegende dat de Heer D. vooralsnog helemaal niet de hoegrootheid bewijst van de door hem aan zijn raadsman betaalde noodzakelijke kosten voor zijn juridische bijstand. De vordering kan slechts provisioneel worden toegekend ten belope van 1 euro en wordt voor het meergevorderde naar de Bijzondere Rol verzonden voor instaatstelling.
  22. De tegenvordering van advocaatkosten in hoofde van SUN. SUN stoelt deze vordering op een onrechtmatige daad begaan in hoofde van de Heer D. nl. doordat hij zijn recht tot procederen zou hebben misbruikt door een roekeloos en tergend geding aan te spannen jegens zijn werkgever daar waar een zorgvuldig en voorzichtig persoon dit zou hebben nagelaten. Daar deze tegenvordering stoelt op een (beweerde) onrechtmatige daad nl. procesmisbruik en aldus op feiten die zich na het einde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen hebben voorgedaan, is niet artikel 15 A.O.-wet doch de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van toepassing (Burgerlijk Wetboek artikel 2262 bis). De vordering is derhalve ontvankelijk. Uit wat hoger in dit arrest is uiteengezet is bewezen dat de Heer D. met recht en reden aanspraak maakte op achterstallig commissieloon, aanvullende opzeg- en uitwinningsvergoeding zodat zijn oorspronkelijke vordering helemaal niet tergend en roekeloos of procesmisbruik was. Deze tegenvordering van SUN is derhalve ongegrond.
  23. Over de intresten. De Heer D. vordert loonintresten op de nettobedragen vanaf de opeisbaarheid van deze bedragen tot 30 juni 2005 en vanaf 1 juli 2005 tot op de dag van de betaling, op de bruto bedragen van de veroordeling. Het vonnis a quo dient volgens hem in die zin te worden hervormd. Vakantiegeld is geen loon zodat hierop geen wettelijke loonintresten verschuldigd zijn zoals bedoeld in artikel 10 Loonbeschermingswet, enkel moratoire of gerechtelijke intresten en op het nettobedrag ervan. Het wordt niet door partijen betwist dat op de eindejaarspremie, commissielonen, uitwinnings- en opzegvergoeding wettelijke intresten verschuldigd zijn zoals bedoeld in artikel 10 van de Loonbeschermingswet. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 10 maart 1986 is het vaste rechtspraak dat voor de toepassing van voormeld artikel onder loon enkel het loon wordt begrepen waarop de werknemer aanspraak kan maken ten aanzien van zijn werkgever, of met andere woorden, het netto loon. Behoudens andersluidend beding heeft de werknemer immers niet het recht om het bedrag van bedrijfsvoorheffing of de werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid op te eisen, zodat er op beide bedragen geen intresten verschuldigd zijn aan de werknemer (zie Cassatie, 10 maart 1986, S.R.K. 1986, 101; Cassatie, 17 november 1986, S.R.K. 1987, Arr. Cass. 1986-1987, 760; Cassatie, 16 maart 1987, R.W. 1987-1988, 327; Cassatie, 8 november 1993, J.T.T. 1994, 143, noot). Overwegende dat de Sluitingswet dd. 26 juni 2002 (B.S. 9 augustus 2002) (art. 82) houdende wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet volgens het Hof geen interpretatieve wet is ten behoeve van interpretatie van artikel 10 van de Loonbeschermingswet doch een wet strekkende tot wijziging van artikel 10, zoals artikel 82 van de Sluitingswet zelf duidelijk stelt en zoals blijkt uit haar voorbereidende werken (Parl. Doc. Kamer 2001-2002, doc. 50, 1687/001, p. 48-49). De memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 12 maart 2002 betreffende de sluiting van onderneming, zoals besproken in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordiging, spreekt duidelijk van een wetswijziging. Overwegende dat artikel 82 van de Sluitingswet volgens het Hof geen interpretatieve wet is doch een dwingende bepaling met onmiddellijke uitwerking voor de toekomst. Artikel 2 Burgerlijk Wetboek stelt immers uitdrukkelijk dat de wet enkel beschikt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft. Als algemene regel geldt de onmiddellijke werking van de rechtsregel. Retro-activiteit is de uitzondering, die uitdrukkelijk moet bepaald zijn of minstens duidelijk moet blijken uit de bewoordingen of de strekkingen van de norm, wat in casu volgens het Hof niet het geval is. De wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet trad in voege vanaf 1 juli 2005 volgens het K.B. van 3 juli 2005 (B.S. 12 juli 2005) tot uitvoering van de artikelen 81 en 82 van de Sluitingswet van 26 juni
  24. Artikel 90 § 1 van deze wet verleende aan de Koning de bevoegdheid om de datum te bepalen vanaf wanneer zij in werking zou treden. Een nieuwe wet is in principe van toepassing op de situaties die ontstaan na haar inwerkingtreding doch tevens op de toekomstige gevolgen van de situaties ontstaan onder de vroegere wet doch die verder duren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, voor zover dit evenwel geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten (Cassatie, 25 november 1991, J.T.T. 1992, p. 221). Volgens deze algemene regel zijn intresten verschuldigd op bruto loonbedragen vanaf 1 juli 2005, datum waarop de nieuwe wet in werking trad. Artikel 2 van het reeds genoemde K.B. van 3 juli 2005 stelt evenwel dat artikel 1 van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
  25. Het Hof meent dat de Koning overeenkomstig artikel 90 § 1 van de Sluitingswet gemachtigd was de datum van haar inwerkingtreding te bepalen. De Koning was evenwel niet gemachtigd af te wijken van het algemene principe volgens hetwelk de nieuwe wet toepasselijk is niet alleen op toestanden die ontstaan zijn na haar inwerkingtreding doch tevens op de toestanden die ontstonden onder de toepassing van de oude wet en die verder duren onder de nieuwe wet (Cassatie, 25 november 1991 o.c.). Voor zover artikel 2 van het K.B. van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 slechts van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005 is dit onwettelijk en wordt het door het Hof niet toepasbaar geacht (artikel 159 Grondwet). OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere besluiten verwerpend als niet dienend, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, Verklaart het incidenteel hoger beroep grotendeels ongegrond behoudens wat de intresten betreft, Verklaart het hoger beroep gegrond in hierna volgende beperkte mate nl. voor zover het de door de eerste rechter toegekende bedragen betreft, Trekt de zaak in haar geheel tot zich en hervormt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, Over de oorspronkelijke vordering van de Heer D. Verklaart deze gegrond als volgt : Veroordeelt de N.V. SUN MICROSYSTEMS BELGIUM tot betaling aan de Heer J.-P. D. : - 30.885,87 euro bruto ten titel van achterstallig commissieloon fiscaal jaar 2004, - 2.530 euro bruto ten titel van achterstallig commissieloon fiscaal jaar 2005, - 37.620,84 euro ten titel van aanvullende opzegvergoeding, - 10.748,81 euro ten titel van aanvullende uitwinningsvergoeding, - 2.784,65 euro ten titel van prorata eindejaarspremie, te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf 13 september 2004 en gerechtelijke intresten op de overeenstemmende NETTO bedragen ervan (na aftrek van sociale en fiscale bijdragen) tot 30 juni 2005 en op de brutobedragen ervan vanaf 1 juli 2005 tot de dag van de algehele betaling, 5.125,99 euro bruto ten titel van vertrekvakantiegeld te vermeerderen met gerechtelijke intresten vanaf 8 september 2005 op het overeenstemmend nettobedrag ervan, 1 euro provisioneel te vermeerderen met compensatoire intresten netto ten titel van schadevergoeding wegens advocaatkosten, Zendt de zaak voor instaatstelling met betrekking tot het definitieve bedrag van deze schadevergoeding naar de Bijzondere Rol, Wijst de Heer D. van zijn overige vorderingen af. Over de oorspronkelijke tegeneis van de N.V. SUN. Verklaart deze ontvankelijk doch ongegrond. Over de kosten van het geding. Veroordeelt de N.V. SUN MICROSYSTEMS BELGIUM tot de kosten van het geding in eerste aanleg. Veroordeelt partijen ieder tot de helft van de kosten van hoger beroep, tot heden begroot op : In hoofde van appellante : Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 218,64 euro Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 291,52 euro In hoofde van geïntimeerde : Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 218,64 euro Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 291,52 euro Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 september 2007, waar aanwezig waren : Mevrouw B. CEULEMANS, Eerste Voorzitter, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van Mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek)., Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de Heer R. WAEYAERT, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek)., De Heer E. VAN DER SMISSEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, B. CEULEMANS. L. REYBROECK E. VAN DER SMISSEN. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070907.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.