id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070910.5 Rolnummer: 46.559 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-22 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 15:58 Fiche Art. 164 van de gecoördineerde ziektewet met betrekking tot de terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties staat een toepassing van artikel 17 van het handvest van de sociaal verzekerde niet in de weg. Art. 17 vult deze regel aan en voert een beperking in ten voordele van de sociaal verzekerde wanneer de vergissing uitgaat van de instelling van sociale zekerheid tenzij de betrokkene wist of moest weten dat hij geen recht had op prestaties. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) - Handvest sociaal verzekerde - W. 11 april 1995 SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Zelfstandigen Vrije woorden: HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE - Sociale zekerheid voor zelfstandigen - Ziekteverzekering - Ten onrechte betaalde invaliditeitsuitkeringen - Vergissing begaan door de verzekeringsinstelling - Terugvordering - Toepassing van het Handvest van de sociaal verzekerde. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 17 - 44 ELI link Pub nr 1995022286 Nota: Gerangschikt onder XV (Wet van 11 april 1995), art. 17. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 september 2007. 9e kamer Z.I.V. Zelfstandigen Tegensprekelijk Definitief. Not. Art. 581§2 GW. In de zaak: V.D.K. L., Appellant,verschijnt in persoon. Tegen: LANDSBOND VAN NEUTRALE ZIEKENFONDSEN, met zetel te 1060 Brussel, Chaleroisesteenweg 145, Geïntimeerde,vertegenwoordigd door Mr. H. Demeester, advocaat te 9000 Gent. Na beraad spreekt de 9de kamer van het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: -Het eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 10 maart 2005 door de 14de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel in de zaak met AR 49867/97. -Het beroepsverzoekschrift ontvangen op de griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 april 2005. -De besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 30 mei 2005 en op 16 augustus 2006. -De besluiten vanwege appellante neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 25 juli 2005. -De Beschikking overeenkomstig art. 750 §2 GW van 14 november 2006. - De stukken van partijen Gehoord partijen in hun middelen en verdediging tijdens de openbare terechtzitting van 7 mei 2007. De debatten werden gesloten. De zaak wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie voor schriftelijk advies. Neer te leggen ter griffie uiterlijk op 14 mei 2007. Partijen beschikken over een termijn van 3 weken voor repliek. Vanaf de datum van kennisgeving wordt de zaak ambtshalve in beraad genomen. Voor uitspraak gesteld op 10 september 2007. I. RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING Mevrouw V.D.K. was sedert 1 januari 1988 als zelfstandige aangesloten. Zij werd vanaf 3 september 1990 arbeidsongeschikt verklaard en door de geneeskundige raad voor invaliditeit verder als arbeidsongeschikt erkend tot en met 31 maart 1997. Tijdens haar arbeidsongeschiktheid betaalde het ziekenfonds haar arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Naar aanleiding van een onderzoek ingesteld door het RIZIV kwam aan het licht dat het ziekenfonds per vergissing bijdragebons op naam van de genaamde V. Ludo in aanmerking had genomen om het recht van mevrouw V.D.K. L. vast te stellen en als gevolg daarvan had aangenomen dat zij met betrekking tot het jaar 1990 sociale zekerheidsbijdragen in hoofdberoep had betaald, hetgeen niet het geval was. De betaling berustte derhalve op een vergissing. Aan mevrouw V.D.K. werd voor het jaar 1989 geen bijdrageplicht opgelegd aangezien zij als zelfstandige een bescheiden inkomen genoot. Voor het jaar 1990 werd een code "12" toegepast die betrekking heeft op personen onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen in toepassing van art. 37 en 40 van het KB van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het KB nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Op vraag van het RIZIV werd de fout rechtgezet en verzocht de Landsbond van neutrale ziekenfondsen (hierna genoemd als LNZ) mevrouw V.D.K. , bij brief van 2 juni 1997 een bedrag van 12.626,73 Euro overeenstemmend met de ten onrechte uitbetaalde invaliditeitsuitkeringen voor de niet verjaarde periode van 1 maart 1995 tot 31 maart 1997 terug te betalen omdat haar sociale bijdragen in hoofdberoep niet volledig vereffend waren voor die periode. Met verzoekschrift aangetekend verzonden naar de griffie van de arbeidsrechtbank op 1 juli 1997(ingeschreven onder AR nr. 49867/97) betwistte mevrouw V.D.K. de beslissing van de LNZ. Met verzoekschrift aangetekend verzonden naar de griffie op 9 september 1997, ingeschreven onder AR nr.53168/97 vorderde de LNZ de veroordeling van mevrouw V.D.K. tot terugbetaling van het bedrag van 12.626,73 Euro dat zij haar ten onrechte had uitbetaald voor de periode van 1 maart 1995 tot 31 maart 1997. Met het bestreden vonnis voegde de Arbeidsrechtbank beide zaken samen. Zij verklaarde de door mevrouw V.D.K. ingestelde vordering ontvankelijk doch ongegrond en de door de LNZ ingestelde vordering ontvankelijk en gegrond. Zij veroordeelde mevrouw V.D.K. bijgevolg tot betaling aan de LNZ van de som van 12.626,73 Euro en legde de kosten ten laste van de LNZ overeenkomstig art. 1017 2de lid Gerechtelijk Wetboek. VORDERING IN HOGER BEROEP Mevrouw V.D.K. is het niet eens met de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Zij vordert dat het Hof deze zou teniet doen en opnieuw recht sprekend, de oorspronkelijke vordering van eiseres (bedoeld wordt de LNZ) zou afwijzen en haar in de kosten van beide instanties te verwijzen. De LNZ verzoekt het Hof het hoger beroep ongegrond te verklaren en zijn oorspronkelijke vordering te bevestigen. II. BEOORDELING: 1.Ontvankelijkheid: Het bestreden vonnis werd bij gerechtsbrief van 18 maart 2005 ter kennis gebracht van mevrouw V.D.K. . Het hoger beroep, ingesteld bij verzoekschrift dat op 11 april 2005 ter griffie werd ontvangen werd derhalve ingesteld binnen de wettelijke termijn. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Het hoger beroep is derhalve ontvankelijk. 2.Ten Gronde: Krachtens art 3,1°,
- c)van het koninklijk besluit van 20-7-1971 zijn gerechtigd op de in dat besluit ingestelde verzekering: De personen bedoeld in art 37§1, 1ste lid
- a)en
- b)van het koninklijk besluit van 19-12-1967 houdende algemeen reglement ter uitvoering van het KB nr. 38 van 27-7-1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, die gebruik maken van de mogelijkheid (tot bijdragebetaling) die hen door die bepaling geboden wordt. Volgens het door het door het RIZIV gevoerde onderzoek werden verminderde of geen bijdragen betaald door mevrouw V.D.K. vanaf 1 januari 1989 op grond van art 40§2
- b)KB 19-12-1967. Die bepaling heeft betrekking op het verlenen van een toelating om geen voorlopige bijdragen te betalen bij het begin van bezigheid indien de verzekeringsplichtige meent dat haar inkomen een bepaald plafond niet zal bereiken. De attesten van Multipen, het sociaal verzekeringsfonds van mevrouw V.D.K. vermelden een code 12 overeenstemmend met ontbreken van bijdragebetaling of verminderde bijdragebetaling. Om recht te hebben op invaliditeitsuitkeringen moest mevrouw V.D.K. haar bijdragen geregeld hebben met betrekking tot het jaar 1990, met inbegrip van het kwartaal waarin ze ziek was geworden. Mevrouw V.D.K. stelt dat zij naar aanleiding van de weigering tot gelijkstelling in 1992, haar ziekenfonds contacteerde. Het ziekenfonds zou haar hebben voorgesteld de bijdragen als hoofdberoep te regulariseren opdat zij aanspraak zou kunnen maken op de invaliditeitsverzekering. Zij stelt dat alle stukken met betrekking tot de betrokken periode werden overgemaakt aan haar voormalig raadsman, de heer A. die intussen geen advocaat meer is en dat het bundel niet meer kon worden teruggevonden. Zij legt wel een brief voor die haar toenmalig raadsman op 31 oktober 1997 aan haar sociaal verzekeringsfonds, Multipen zou hebben gestuurd met volgende inhoud: "De heer De Boeck van het Neutraal Ziekenfonds nam in 1992 contact met uw diensten op teneinde te vernemen of er nog iets moest gedaan worden om de situatie te regulariseren; er werd hem gemeld dat mits het betalen van de som van 9.145 BEF de toestand van mijn cliënte volledig geregulariseerd werd en zij recht zou hebben op dagvergoedingen. Er werd haar dan ook een regularisatiestaat overgemaakt. Zij deed nog een betaling van 29.576 BEF waardoor haar toestand volledig geregulariseerd wordt; dit stuk geeft duidelijk een overzicht van alle betalingen die nog dienden te gebeuren tot op 23 april 1993... Zij beweert in de mening te hebben verkeerd dat alles geregulariseerd werd zodat zij er kon op vertrouwen dat zij volledig in orde was om uitkeringen te kunnen genieten. Volgens de documenten uitgaande van haar sociaal verzekeringsfonds die mevrouw V.D.K. in de beroepsprocedure overlegt heeft een regularisatie plaats gevonden voor het jaar 1989. Of er ook voor het jaar 1990 een regularisatie werd doorgevoerd is nog steeds niet duidelijk. Volgens de brief van mr. A. en het voorgelegde overschrijvingsorder zou dit wel het geval zijn doch er blijkt niet dat die brief daadwerkelijk werd verstuurd aan Multipen en dat de betaling betrekking had op een saldo voor het jaar 1990. Het document waarop dit saldo wordt vermeld heeft immers betrekking op het jaar 1992. Uit de stukken blijkt dat de materiële vergissing uitging van de verzekeringsinstelling. Zij betaalde de ziekte-uitkeringen uit op basis van een inlichtingenfiche die zij had overgemaakt aan het sociaal verzekeringsfonds, "Steunt elkander" . Die daarop op 19 februari 1991 had ingevuld dat de betrokkene in orde was met de kwartaalbijdragen voor het volledige jaar 1990. Deze fiche vermeldde volgende handgeschreven inlichtingen: Naam: V. K. Ludo, Adres: Nummer inschrijving bij de verzekeringsinstelling: 076880072-15 Aanvangsdatum arbeidsongeschiktheid: 23 juli 1990. Indien de handgeschreven vermelding Ludo nog tot de verkeerde lezing van Linda kon leiden, waren er voldoende andere gegevens die het ziekenfonds konden toelaten vast te stellen dat er een verkeerde identificatie gebeurde. Aangezien mevrouw V.D.K. enerzijds aan haar sociaal verzekeringsfonds bedragen had betaald ter regularisatie van haar bijdragen en de ziekteverzekering anderzijds de ziekteuitkeringen uitbetaalde, kon zij erop vertrouwen dat zij gerechtigd was op de ontvangen uitkeringen. Naar aanleiding van een vraag van de heer advocaat-generaal met betrekking tot de toepassing van art. 17 van de wet van 11-4-1995 tot invoering van het " handvest van de sociaal verzekerde" namen partijen daarover standpunt in. Deze bepaling opgenomen onder het hoofdstuk "herziening" bepaalt: Wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring. Onverminderd de toepassing van art. 18 heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand na kennisgeving ervan als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht. Het vorige lid is niet van toepassing indien de sociaal verzekerde weet of moest weten, in de zin van het KB van 31-5-1933 betreffende de verklaringen af te legen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, dat hij geen recht heeft of meer heeft op het gehele bedrag van de prestatie." De LNZ argumenteert in conclusie en in zijn repliek op het advies van het openbaar ministerie als volgt: -Het handvest is niet van toepassing omdat het aangetekend schrijven van 2 juni 1997 waarmee ter kennis werd gebracht dat het terug te betalen bedrag 12.626,73 Euro bedroeg geen uitvoerbare kracht had en derhalve niet als een beslissing kan worden beschouwd als bedoeld in art. 2,8° van het Handvest van de sociaal verzekerde. De verkeerde beoordeling nopens de hoegrootheid van een bestaand recht is geen beslissing met enig rechtsgevolg voor de sociaal verzekerde want zijn rechtstoestand wordt in niets gewijzigd. -Er is geen sprake van een herzieningsbeslissing, nu er evenmin sprake is van een oorspronkelijke beslissing tot toekenning in de zin van art. 2,8° van het Handvest. -het algemeen principe vervat in art. 1376 en 1377 Burgerlijk Wetboek is van toepassing. Voor het geval de redenering wordt toegepast dat de bijzondere regeling primeert op de algemene regeling verwijst zij naar de bijzondere regeling van de ZIV-wet die voorrang heeft op de algemene regeling in het Handvest. Volgens mevrouw V.D.K. is aan alle voorwaarden voldaan opdat art. 17 van het handvest toepassing zou kunnen vinden en gaat die bepaling voor op deze van art. 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek. Door de vergissing van de verzekeringsinstelling is een situatie tot stand gekomen die het haar onmogelijk maakte om de toestand nog te regulariseren. Het Openbaar Ministerie steunt deze stelling op gemotiveerde wijze en het Hof onderschrijft dat standpunt volkomen. Een bestuurshandeling in de zin van art. 2, 8° van de wet van 11-4-1995 houdende het handvest van de sociaal verzekerd is "de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een instelling van sociale zekerheid en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer sociaal verzekerden". Daarin wordt niet bepaald dat die beslissing een uitvoerbaar karakter moet hebben zodat ze zonder tussenkomst van de rechter kan worden uitgevoerd. (J. Martens- commentaar bij arrest arbitragehof van 21.12.05. Soc kron 06 p. 574) Art. 2,2e,
- a)van die wet wijst als instellingen van sociale zekerheid voor de uitvoering en toepassing van de wet ook de meewerkende instellingen van sociale zekerheid aan, dit zijn de instellingen van privaat recht die erkend zijn om mee te werken aan de toepassing van de sociale zekerheid. De definitie die het handvest geeft van "een beslissing " is geïnspireerd op de omschrijving van bestuurshandeling in de uitdrukkelijke motiveringswet van 29-7-1991. Volgens omschrijving in art. 1 van die wet is een bestuurshandeling een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Die omschrijving is ruim. Vallen er niet onder gewone feitelijke vaststellingen, maatregelen van orde, eenvoudige materiele handelingen, louter declaratieve handelingen en in principe evenmin de circulaires noch de meerzijdige administratieve rechtshandelingen, zoals de contracten. Wat overblijft zijn bestuurshandelingen nl. bewuste daden (van het bestuur) met het oog op de rechtsgevolgen waarin de wet voorziet. (P.Van Orshoven, de uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, RW 91-92 p. 489 en aldaar vermelde verwijzingen) Deze omschrijving omvat ruim het begrip van bestuurshandeling in de zijn van art. 14 Raad van State wet van 23 december 1946. Volgens de raad van State Wet, kan een bestuurshandeling zelfs bestaan uit het stilzwijgen van het bestuur. ( zie art. 14§3 Raad van State wet van 23-12-1946 zoals gewijzigd bij wet van 25-5-1999.) Zelfs een mondelinge bestuurshandeling is mogelijk. (M.Leroy, le contentieux de l'annulation, p. 196 en aldaar vermelde verwijzingen) De beslissing tot terugvordering uitgaande van de LNZ beoogde wel degelijk rechtsgevolgen te hebben voor mevrouw V.D.K. , niet in het minst het stuiten van de verjaring. Dat wat eveneens het geval voor de beslissing tot toekenning van de uitkeringen waarmee erkend werd dat zij voldeed aan de wettelijke voorwaarden, (verzekerbaarheid, arbeidsongeschiktheid) Dit vloeide impliciet voort uit de toekenning van uitkeringen nadat mevrouw V.D.K. deze had aangevraagd. Met de terugvordering werd de eerdere beslissing tot toekenning herzien,en werd een nieuwe beslissing getroffen waarin werd gesteld dat mevrouw V.D.K. niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden om uitkeringen te genieten tijdens de betrokken periode en tot terugvordering werd beslist van de onverschuldigde betaalde bedragen in de mate de verjaring niet was ingetreden. In een arrest van 21-12-2005 (arrest nr 196/2005) oordeelde het Arbitragehof dat art. 17,2de lid van de wet van 11-4-1995 in die zin geïnterpreteerd dat het niet van toepassing zou zijn op een beslissing tot terugvordering indien een juridische of materiële vergissing werd begaan, genomen door een privaatrechtelijk instelling, niet bestaanbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet. Het arbitragehof overwoog daarbij: B 5.1 Het is in het licht van de doelstellingen van de wetgever niet ter zake dienend de sociaal verzekerde rechthebbenden op verschillende wijze te behandelen naargelang de prestaties worden toegekend ter uitvoering van een beslissing genomen door een privaatrechtelijke instelling of door een publiekrechtelijke instelling. B 5.2Aangezien de niet- retroactiviteit ertoe strekt de rechtsbescherming van de sociaal verzekerde te verhogen "ingeval van vergissingen van de instellingen van sociale zekerheid" (Parl. Stukken, kamer, 1996-1997, DOC 49-0907/001, p. 16), is het niet verantwoord de sociaal verzekerde die nadeel heeft van een vergissing van een instelling van privaatrecht, verschillend te behandelen ten opzichte van diegene die nadeel heeft van een vergising van een instelling van publiek recht. De omstandigheid dat in de sector van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen de meeste beslissingen worden genomen door private instellingen die meewerken aan de sociale zekerheid, namelijk de ziekenfondsen, kan tevens de ongelijke behandeling niet verantwoorden. Het feit dat de genomen beslissingen naderhand dienen te worden gecontroleerd door het RIZIV en dat die controle materieel onmogelijk kan geschieden binnen de termijn van drie maanden, de periode waarbinnen beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank en waarbinnen de instelling haar beslissing kan herzien, kan dat verschil in behandeling evenmin verantwoorden." Het hof van Cassatie sprak zich in dezelfde zin uit in een arrest van 6 mei 2002 (nr. S.01.0119N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.10) Art. 164 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14-7-1994 met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigde bedragen staat een toepassing van art. 17 van het handvest niet in de weg, evenmin als het geval is voor art. 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek. Wat die laatste bepalingen betreft geldt de regel dat de bepalingen van de bijzondere wet (hier het handvest) voorrang hebben op de bepalingen van gemeen recht, te meer nu de sociale zekerheidswetgeving de openbare orde raakt. Art. 164 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14-7-1994 stelt als algemene regel dat hij die ten gevolge van een vergissing of bedrog ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de verzekering geneeskundige verzorging ,van de uitkeringsverzekering of van de moederschapsverzekering verplicht is de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. Art. 17 van het Handvest vult deze regel aan en voert een beperking in ten voordele van de sociaal verzekerde wanneer de vergissing uitgaat van de instelling van sociale zekerheid tenzij de betrokkene wist of moest weten dat hij geen recht had op prestaties. Die bepaling is van latere datum dan deze van art. 164 gecoördineerde ZIV-wet en er dient rekening mee gehouden te worden dat het handvest beoogde aan de sociaal verzekerden een juridische beveiliging te verlenen t.a.v. het optreden van de instellingen van sociale zekerheid in het algemeen. Naar aanleiding van de bespreking van de wet van 11-4-1995 werd tot tweemaal toe een amendement ingediend om de bepaling van art. 17 te schrappen, doch deze amendementen werden niet aangenomen gelet op de bijzondere bescherming die de bepaling aan de sociaal verzekerde verschafte. (Verslag namens de Commissie voor Sociale Zaken, Parl. St. Kamer 91-92, nr. 353/5,57) Bij de bespreking van het wetsontwerp dat de wet van 25-6-1997 tot wijziging van het handvest zou worden, werd de regel van de niet-retroactiviteit opnieuw in vraag gesteld. Bij die gelegenheid werd uitdrukkelijk verwezen naar de budgettaire implicaties van die regel in de sector ziekte-en invaliditeitsverzekering. Daarom werd een art 18 bis ingevoegd waaraan door de Koning verder uitvoerig dient te worden verleend. Art 17 werd niettemin gehandhaafd. (fgl. Verslag namens de Commissie van Sociale Zaken over het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11-4-1995 tot invoering van een handvest van de sociaal verzekerde; Parl. St. Kamer 96-97, nr 907/5,29) Daaruit blijkt nogmaals dat het de duidelijke bedoeling was van de wetgever dat het handvest de verhouding tussen de sociaal verzekerden en de instellingen van sociale zekerheid volledig zou beheersen. Nu niet blijkt dat mevrouw V.D.K. wist of moest weten dat zij geen recht had op uitkeringen voor de betrokken periode, kon de herzieningsbeslissing van de Landsbond van neutrale ziekenfondsen bij toepassing van art. 17 van het Handvest geen retroactieve uitwerking hebben. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, in het bijzonder artikel 24 Rechtsprekend op tegenspraak Gehoord het O.M. in zijn eensluidend schriftelijk advies, neergelegd ter griffie op 14 mei 2007 waarop partijen gelegenheid kregen tot repliceren binnen de drie weken. Gelet op de opmerkingen met betrekking tot dit advies door de landsbond van neutrale ziekenfondsen ter griffie neergelegd op 1 juni 2007. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis. Verklaart de oorspronkelijke vordering van de Landsbond van Neutrale Ziekenfondsen ontvankelijk doch ongegrond, de oorspronkelijke vordering van mevrouw V.D.K. ontvankelijk en gegrond. Zegt voor recht dat zij niet gehouden is tot terugbetalinge van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die haar werden uitbetaald tijdens de periode van 1 maart 1995 tot 31 maart 1997. Legt de kosten van beide aanleggen ten laste van de Landsbond van Neutrale Ziekenfondsen bij toepassing van art. 1017, 2de lid Gerechtelijk Wetboek. Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot: Voor appellante partij: 285,52 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 209,62 Euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg Voor geïntimeerde partij: Deze kosten werden niet begroot. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 9de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 10 september tweeduizend en zeven. Waren aanwezig: G. Balis: kamervoorzitter. M. De Cuyper: Raadsheer, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). W. Reynders: raadsheer in sociale zaken als Zelfstandige arbeider I. Hurkmans gedelegeerd adjunct-griffier G. Balis I. Hurkmans M. De Cuyper W. Reynders PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070910.5 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div