id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 13 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070913.3 Rolnummer: 46.364 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-01 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 16:00 Fiche Het O.C.M.W. van de plaats waar een dakloze, die gewoonlijk elders verblijft, wordt gehospitaliseerd dient op te treden als steunverlenend centrum wanneer de gevraagde hulp dringend noodzakelijk is. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - WET BETREFFENDE HET TEN LASTE NEMEN VAN DE STEUN VERLEEND DOOR DE OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - Maatschappelijke dienstverlening - Steunverlenend centrum - Dakloze - Kosten van opname in een ziekenhuis. Wettelijke bepalingen: Wet - 02-04-1965 - 1, 1e - 01 ELI link Pub nr 1965040210 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN 7de KAMER Not. 580, 8° G.W. Maatschappelijke dienstverlening Tegensprekelijk Definitief In de zaak: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BRUSSEL, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Hoogstraat 298 A, appellant, vertegenwoordigd door Mr. N. Dugardin loco S. Wahis, advocaat te 1060 Brussel, Tegen: V. D. M., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. J. Van Laethem loco Mr. E. Bral, advocaat te 9000 Gent, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 20 januari 2005; het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 22 februari 2005; de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; de aanvullende besluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 3 mei 2007, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij beslissing van appellant dd. 12 juni 2002 worden de kosten veroorzaakt voor hospitalisatie van geïntimeerde niet ten laste genomen met als motivering dat appellant niet het steunverlenend centrum is voor de opneming van geïntimeerde in het Universitair Ziekenhuis Gent overeenkomstig de wet van 2 april 1965 gewijzigd door die van 9 juli
- Bij verzoekschrift dd. 10 juli 2002 tekent geïntimeerde beroep aan bij de Arbeidsrechtbank te Brussel. Bij vonnis dd. 20 januari 2005 van de Arbeidsrechtbank te Brussel wordt de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en wordt voor recht gezegd dat appellant ertoe gehouden is tussen te komen in de kosten van de opname in het ziekenhuis van geïntimeerde in de periode van 28 mei tot 31 mei 2002 ten belope van een bedrag van 1.893,79 Euro. De eerste rechter was van oordeel dat van de gewone bevoegdheidsregeling slechts kan worden afgeweken indien het gaat om een aanvraag die de dringende tussenkomst van een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn noodzakelijk maakt (verwijzing naar D. Simoens, O.C.M.W. Dienst-verlening, Die Keure, 2003, p. 419-420 en het arrest van de Raad van State van 30 maart 1992 nr. 39.095) en dat toegepast op de situatie van geïntimeerde dient vastgesteld dat de hulpaanvraag slechts geformuleerd werd na het einde van de ziekenhuisopname en geen betrekking had op het verlenen van enige directe tussenkomst door het Openbaar Centrum maar enkel op de betaling van de ziekenhuisfactuur. Ten gronde overwoog de eerste rechter als volgt : " Indien het juist is dat het in de regel niet de taak is van het centrum om tussen te komen in de schulden van een behoeftige, vermits het hebben van schulden op zichzelf niet tot een situatie leidt of moet leiden die de menselijke waardigheid in het gedrang brengt, dan staat daar tegenover enerzijds dat het één van de kerntaken is van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn om medische bijstand te verlenen en zeker dringende medische bijstand (die zelfs moet verleend worden aan de personen die onwettelijk op het grondgebied verblijven) en anderzijds dat de weigering van het bevoegde centrum om tussen te komen in de kosten van de dringende medische hulpverlening ertoe kan leiden in het algemeen of in het concrete geval dat de behoeftige in de toekomst uitgesloten wordt van de medische helpverlening door particuliere instelling. Indien eiseres zich niet toevallig op het grondgebied van de stad Gent zou bevonden hebben doch wel op het grondgebied van de stad Brussel, waar zij haar gewone verblijf had, zou er ten andere geen discussie over bestaan hebben dat verweerder aan eiseres de dringende medische hulp had dienen te verlenen die zij nodig had". Appellant tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en bijgevolg de oorspronkelijke vordering van geïn-timeerde ongegrond te verklaren en de beslissing van appellant dd. 12 juni 2002 te bevestigen. Ten hoofdelijke titel stelt appellant dat het O.C.M.W. van Brussel territoriaal onbevoegd is en niet als steunverlenend centrum kan worden beschouwd en dat er in casu moet afgeweken worden van de algemene bevoegdheidsregel, aangezien het gaat om een aanvraag tot tenlasteneming van medische hulp waarvan het dringend karakter aangetoond wordt door een verklaring van het Universitair Ziekenhuis van Gent waar de hulp werd verstrekt. Ten subsidiaire titel stelt appellant dat sociale hulp niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Geïntimeerde verzoekt het Hof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis a quo te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding. Geïntimeerde stelt dat de gewone en feitelijke verblijfplaats Brussel was, dat appellant de staat van behoeftigheid had erkend en dat appellant dan ook het steunverlenend centrum in de zin van artikel 1, 1° van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, was. Geïntimeerde stelt dat de notie dringende hulp foutief wordt geïnterpreteerd door appellant en dat door de Raad van State met het arrest dd. 30 maart 1992 (Raad van State nr. 39.095, 30 maart 1992, Arr. Raad van State 1993 z.p.) twee voorwaarden worden gesteld opdat het O.C.M.W. van de plaats waar de patiënt wordt verzorgd als steunverlenend centrum kan optreden namelijk de gevraagde hulp moet dringend noodzakelijk zijn en de hulpaanvraag moet worden geformuleerd tijdens het ziekenhuisverblijf. Geïntimeerde stelt tevens dat de bijzondere bepaling van artikel 57 bis van de wet van 8 juli 1976 zoals van toepassing op het ogenblijk van de aanvraag daar niets aan verandert. Wat de grond betreft stelt geïntimeerde dat het enige criterium dat moet in aanmerking worden genomen, de menselijke waardigheid is. In aanvullende besluiten stelt geïntimeerde dat de aanvraag tot tussenkomst dateert van na het ontslag uit het ziekenhuis met name op 4 juni 2002 toen zij reeds opnieuw in het Brusselse verbleef. Feiten Geïntimeerde is een Belgische vrouw van 56 jaar oud. Ze bood zich aan op de permanentie van de Sociale Dienst van appellant op 24 januari
- Tijdens het sociaal onderzoek verklaarde geïn-timeerde dat zij eind de jaren ¿7O België verliet. Na ongeveer 25 jaar in Ierland vertoefd te hebben en nadien door gans Europa rondgetrokken te hebben is zij terug naar België gekomen, eerst in Antwerpen, waar ze in een opvangtehuis zou verbleven hebben en door het O.C.M.W. van Antwerpen geholpen zou geweest zijn, en dan in Brussel. Geïntimeerde verklaarde dat zij familie en vrienden in België had maar niet bij hen terecht kon. Ook zou ze kinderen hebben maar die zouden in Ierland leven. Tenslotte vertelde geïntimeerde nog dat zij tot dan geleefd had van de opbrengt van de verkoop van een onroerend goed in Ierland voor een bedrag van ongeveer 125.000 Euro (5.000.000 BEF). Op het ogenblik dat geïntimeerde zich aanbood op de permanentie van de Sociale Dienst van appellant leefde ze op de straat en overnachtte ze in het sociaal Casu. Ze leek volledig uitgeput en gedesoriënteerd en vroeg bestaansmiddelen, een dak over haar hoofd, een plaats waar zij kon rusten en hulp om de klachten die zij had neergelegd wegens slagen en verwondingen te kunnen volgen. Appellant gaf haar het bestaansminimum voor daklozen (verdeeld in weken en na aftrek van een "reserve" om eventueel iets te huren) en een medische kaart. Verder besliste het Speciaal Comité van de Sociale Dienst van appellant in zijn zitting van 11 februari 2002 om geïntimeerde een referentieadres bij appellant toe te kennen en zijn akkoord voor een huurwaarborg te geven, indien er geen vrije plaats was in een onthaaltehuis. Geïntimeerde ontving het bestaansminimum voor daklozen en de medische kaart van appellant van 1 februari 2002 tot 21 juni
- Van de mogelijkheid om een referentieadres te hebben maakte geïntimeerde geen gebruik : hoewel appellant haar op 29 april 2002 een attest overmaakte waarin hij verklaarde dat ze aan de voorwaarden voldeed om een referentieadres bij hem te bekomen diende ze nooit een aanvraag tot inschrijving in. Op 25 juni 2002 vroeg zij haar inschrijving aan in Sint-Gillis (effectieve inschrijving op 4 juli 2002). Op 22 mei 2002 had zij immers een huurovereenkomst afgesloten voor een appartement in de Merodestraat in Sint-Gillis, voor een duur van één jaar (verleng-baar), vanaf 1 juni
- In de huurovereenkomst stond vermeld dat zij kwam van de Mededelingstraat in Anderlecht (waarschijn-lijk wordt bedoeld de Mededingingstraat). Op 4 juni 2002 stelde de Sociale Dienst van het UZ Gent appellant ervan op de hoogte dat geïntimeerde van 28 tot en met 31 mei 2002 om dringende reden opgenomen werd in hun ziekenhuis en dat zij appel-lant vroeg de totale kosten van de hospitalisatie (toen nog niet begroot) ten laste te nemen. Beoordeling door het Hof Bevoegd O.C.M.W. Artikel 1, 1° van de wet van 2 april 1965 betref-fende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt dat voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder "steunverlenend O.C.M.W.", het O.C.M.W. van de gemeente op wiens grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft, wiens staat van behoeftigheid door dit centrum erkend werd en aan wie zij steun verleent waarvan de aard, en zo nodig, het bedrag door haar beoordeeld en bepaald zal worden. Eigenlijk is het de gemeente op het grondgebied waarvan de behoeftige verblijft die hem in principe moet ondersteunen (Parl. St. Kamer 1960-1961, nr. 703/1,15). Algemeen wordt aanvaard dat het O.C.M.W. van de plaats van een toevallig of intentioneel verblijf wel moet optreden wanneer dringende hulp is vereist en deze uitzondering wordt algemeen door de recht-spraak aangenomen. In de arresten van de Raad van State nr. 128.194 dd. 16 februari 2004 en nr. 134.584 dd. 6 september 2004 waarnaar appellant verwijst in de repliek op het advies van het Auditoraat-generaal wordt gesteld dat "daargelaten de vraag welke betekenis precies moet worden gehecht aan de woorden "zich bevindt" in artikel 1, 1°, van de wet, aangenomen wordt dat zij in hun letterlijke betekenis moeten worden opgevat, wanneer de betrokken persoon dringend moet worden opgenomen in een verplegingsinstelling, welke op het grondgebied van die gemeente is gevestigd en bij de opname in die verplegingsinstelling of tijdens de duur van zijn verblijf aldaar nood heeft aan maatschappelijke steunverlening, dat wil zeggen dat het kan gaan om een louter toevallig of zelfs intentioneel vertoeven" en wordt overwogen dat, de vraag of steunverlening nodig was echter pas is gerezen op het moment dat de betrokkene uit het ziekenhuis zou worden ontslagen en hij dan om die steunverlening heeft verzocht, zodat het O.C.M.W. van de gemeente waar betrokkene zich op dat moment bevond bevoegd is om de vraag tot steunverlening te onderzoeken. Geïntimeerde werd op 28 mei 2002 dringend gehospi-taliseerd in het Universitair Ziekenhuis te Gent en werd er op 31 mei 2002 ontslagen. Op de datum van haar ontslag heeft geïntimeerde een verzoek tot ten laste nemen door het O.C.M.W. van de kosten van hospitalisatie en/of van de verzorging gemaakt in het Universitair Ziekenhuis te Gent, ondertekend (zie stuk 5 dossier appellant). Verwijzend naar de voormelde arresten van de Raad van State is het Hof van oordeel dat het O.C.M.W. van Brussel derhalve niet bevoegd is (geïntimeerde bevond zich op het ogenblik van de vraag tot tenlaste name te Gent) om de steunaanvraag te onderzoeken. Het Hof merkt op dat in de zaak behandeld door de Raad van State in het arrest dd. 30 maart 1992 voormeld, de behoeftige patiënt reeds naar zijn woonplaats was teruggekeerd toen hij de steunaan-vraag indiende. Het vonnis a quo wordt vernietigd. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk advies voorgelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 10 mei 2007; Gelet op de termijn verleend aan partijen tot 5 juni 2007 om replieken neer te leggen; Gelet op de repliek van appellant ontvangen ter griffie op 5 juni 2007; Ontvangt het hoger beroep, Verklaart dit gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis, behalve wat de beschikking omtrent de gerechtskosten betreft, welke bevestigd wordt; en opnieuw rechtsprekend voor al het overige; Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond; Wijst geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres , ervan af. Bevestigt de bestreden beslissing dd. 12 juni 2002 van appellant. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellant, kosten tot op heden begroot op : voor appellant 285,57 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep voor geïntimeerde 287,57 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op dertien september tweeduizend en zeven. Waar aanwezig waren : Mevrouw M. DELANGE, Raadsheer, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van mevr. B. VAN DE VELDE, Voorzitter, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). de heer I. VAN DAMME, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer J.P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER M. DELANGE J.P. VAN CONINGSLOO I. VAN DAMME PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070913.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div