id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 05 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071005.8 Rolnummer: 47.272 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-08-26 Raadplegingen: 153 - laatst gezien 2026-07-02 16:06 Versie(s): Vertaling FR Fiche De brief houdende de dringende reden met vermelding « zware beroepsfout en vermijden van alle contacten met de kinderen van de instelling » en met bijvoeging van de C4 met vermelding « zedenfeiten » zoals aangevuld met een schrijven afgegeven tijdens de confrontatie « zwaar vergrijp » toegediend aan sommige jongens verblijvend in het internaat, gecombineerd met een gesprek van de werknemer met de directie in aanwezigheid van twee syndicaal afgevaardigden, waaruit tevens bewezen wordt dat de feiten aan de werknemer werden uiteengezet zijn voldoende precies om de rechtbank toe te laten na te gaan over welke feiten de dringende redenen handelen. Bij de beoordeling van de dringende reden zijn de feiten op zich alleen niet determinerend, wel de omstandigheden dat de werknemer opvoeder is en hij zich in een gezagspositie bevindt ten aanzien van de jongeren van de instelling, dat de jongens in het internaat van de instelling reeds kwetsbaar zijn door wat zij beleefd hebben en dat ook blijkt dat de jongens niet durfden te reageren uit vrees voor hun opvoeder. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Ontslag - Dringende reden - Preciesheid van de ingeroepen reden - Begrip dringende reden. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gepubliceerd in JTT 2008, p.
- Gerangschikt onder II AAN art.
- Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2008(114-116) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 oktober
- 3e kamer Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V.D.W. D., wonende te [xxx], Appellant,vertegenwoordigd door Mr. Swennen, advocaat te 1731 Zellik; Tegen: V.Z.W. Levenslust, met zetel te 1750 Lennik, Scheestraat 74, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. B. Blanpain, advocaat te 1150 Brussel; Na beraad spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald: Gelet op het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de tweede Kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 18 december 1998 met A.R.: 76909/95 Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 januari
- Gelet op de beroepsbesluiten van appellant ontvangen op de griffie van het Arbeidshof te Brussel op 10 november
- Gelet op de besluiten en aanvullende besluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel respectievelijk op 18 juni 1999 en 8 mei
- Gelet op de stukkenbundel van appellant neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 juli
- Gelet op de stukkenbundel van geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 29 augustus
- Gelet op de kennisgeving van rechtsdag conform art. 750 §1 op 6 december
- Gehoord de partijen in al hun middelen van verdediging op de openbare terechtzitting van 7 september 2007, waarna de debatten gesloten werden, en de zaak in beraad genomen werd, voor uitspraak gesteld op 5 oktober
- I. Feiten en procedurevoorgaanden: Bij schrijven van 25 oktober 1994 overhandigd aan de heer V.D.W. tijdens een gesprek met de directie in aanwezigheid van twee vertegenwoordigers van de vakvereniging, meldt de VZW Levenslust: " heden werd ons medegedeeld dat u bij het uitoefenen van uw dienst als opvoeder een zwaar vergrijp hebt toegediend aan sommige jongens verblijvende in het internaat. Daarom werd in de directievergadering beslist dat u het instituut onmiddellijk dient te verlaten en tevens alle contacten met de kinderen van het instituut dient te vermijden" Tijdens hetzelfde gesprek werd voorgesteld dat de VZW Levenslust een einde zou stellen aan de arbeidsovereenkomst geantidateerd op 25 april
- Dit document kon niet worden ondertekend bij gebreke aan aanwezigheid van de voorzitter van de VZW en deze optie kon evenmin worden aanvaard door de Raad van Bestuur van de VZW. Appellant tekende voor ontvangst. Bij schrijven van 26 oktober 1994, aangetekend verzonden, wordt de heer V.D.W. ontslagen in de volgende bewoordingen: " Met dit schrijven deel ik u mede dat wij besloten hebben een einde te stellen aan de arbeids-overeenkomst die ons bindt, wegens zware beroepsfout. Uw prestaties binnen de instelling eindigen onmiddellijk op 26 oktober
- De directie heeft beslist dat u alle contacten met de kinderen van het instituut dient te vermijden. Dit impliceert ook het verbod om het domein te betreden." De C4 van 26 oktober 1994 vermeldt als juiste oorzaak van de werkloosheid: "grove beroepsfout wegens zedenfeiten." De raadsman van de heer V.D.W. betwist onmiddellijk bij brief van 15 november 1994 de dringende reden. Hij bevestigt het bestaan van de oproeping bij de directie op 25 oktober evenals de feiten die zich op 27 oktober hebben afgespeeld bij de rijkswacht en alwaar hij vroeg geconfronteerd te worden met de betrokken kinderen als met de directie en de psychologe. Na dagvaarding meent de eerste rechter dat de feiten zoals deze in het strafbundel worden bewezen. Grieven van appellant: Appellant verzoekt het vonnis a quo te vernietigen en de dringende reden teniet te doen bijgevolg de VZW Levenslust te veroordelen tot het betalen van: Een verbrekingsvergoeding ten belope van 22.399,83 Euro; Een eindejaarspremie pro rata ten belope van 1.336,37 Euro; Een morele schadevergoeding ten belope van 24.789,35 Euro meer de wettelijke en gerechtelijke intresten op de voormelde bruto bedragen. Appellant meent dat het ontslag laattijdig is en dateert van meer dan een jaar terug, en tevens dat de dringende reden onnauwkeurig werd weergegeven in het ontslagschrijven. II. Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep: Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd. Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. Ten gronde: De brief van 25 april 1994 is geen voorafgaande verbreking van de arbeidsovereenkomst, bij gebreke aan wilsuiting en handtekening van geïntimeerde en ook appellant heeft niet voor akkoord ondertekend. Het opstellen van een brief kan gebeuren in het kader van minnelijke onderhandelingen of als een voorstel doch zij is onvoldoende om de wilsuiting van de persoon bevoegd voor het ontslag en de rechtspersoon verbindend te bewijzen. Het schrijven van 25 oktober 1994 vermeldt "zwaar vergrijp, toegediend aan sommige jongens verblijvende in het internaat en alle contacten met de kinderen te vermijden". Dit schrijven geeft nadere toelichting en houdt in dat de arbeids-overeenkomst geschorst wordt en dat alle contacten met de kinderen voor appellant verboden zijn. De termijn van drie werkdagen waarbinnen het ontslag moet worden gegeven vangt pas aan wanneer de tot ontslag bevoegde persoon voldoende kennis heeft van de feiten die het ontslag moeten rechtvaardigen. (Hof van Cassatie 7 december 1998 RW 99-2000 ,848) Uit de verklaringen gedaan aan de psychologe blijkt dat de feiten slechts zeer recent aan het licht kwamen door de kinderen bij een opvoeder; ook de directe overste Opligtenberg had nog nooit iets over dergelijke feiten gehoord. Dit wordt eveneens bevestigd door de verklaring van de kinderen waaruit blijkt dat deze zich toch ongerust maakten over de gevolgen van hun verklaring. Ook in de verklaringen van het proces-verbaal blijkt dat de kinderen gezwegen hebben over deze feiten. De brief houdende de dringende reden met vermelding "zware beroepsfout en vermijden van alle contacten met de kinderen van de instelling" en met bijvoeging van de C4 met vermelding "zedenfeiten" ,zoals aangevuld met het schrijven van 25 oktober 1994 afgegeven tijdens de confrontatie "zwaar vergrijp" toegediend aan sommige jongens verblijvend in het internaat, gecombineerd met een gesprek van appellant op 25 oktober 1994 met de directie in aanwezigheid van 2 syndicaal afgevaardigden, waaruit tevens bewezen wordt dat de feiten aan appellant werden uiteengezet(verklaring syndicaal afgevaardigde Smeuninckx) zijn voldoende precies om aan de Rechtbank toe te laten na te gaan over welke feiten de dringende redenen handelen en ook appellant is meer dan voldoende op de hoogte welke feiten hem ten laste worden gelegd. Het woord "zedenfeiten" naar de kinderen van de instelling volstaat als dringende reden en het is niet noodzakelijk in detail alle gebaren reeds in detail te omschrijven. Het Arbeidshof meent dat er voldoende ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens in het dossier voorhanden zijn om aan te nemen als bewijs dat de C4 tegelijkertijd met het ontslagschrijven werd ter kennis gebracht aan appellant. Eerst en vooral is het formulier C4 opgesteld op dezelfde datum en dus op hetzelfde ogenblik als het ontslagschrijven. Daarenboven mocht appellant de instelling niet meer betreden en was briefwisseling de enige weg tot ter kennisbrenging. Er wordt geen afzonderlijke brief van verzending van de C4 bijgebracht en het is logisch gezien dezelfde datum dat hij samen met de ontslagbrief is verzonden. Vervolgens is er geen enkel gegeven waaruit zou blijken dat appellant zijn C4 zou hebben opgevraagd omdat hij deze niet onmiddellijk zou hebben ontvangen. De Arbeidsrechtbank te Brussel heeft op zeer grondige en pertinente wijze de feiten vermeld op blz. 4 en 5 eerste alinea van het vonnis, weergegeven en als bewezen beschouwd met vermelding telkens naar de bewuste verklaringen in het proces-verbaal van het gevoerde strafonderzoek. Appellant beweert dat de verklaring van Beugnies verzonnen is omdat hij geen goede verstandhouding had met deze laatste. De klachten zijn niet aan het licht gekomen door Beugnies maar door SDL (verklaring Herten). De feiten werden door talrijke kinderen bevestigd, dit eerst naar de opvoeder en psychologe toe en later in de individuele verklaringen in het strafdossier. Het zonder gevolg klasseren van een strafonderzoek belet niet dat de feiten die er het voorwerp van uitmaken toch een dringende reden uitmaken. Voor het bestaan van een dringende reden is geen opzet vereist en gelden alleen de voorwaarden van artikel 35 van de wet van 3 juli
- De feiten, zoals door de rechter werden weergegeven, blijken echter niet alleen uit de verklaring van Beugnies, maar worden bevestigd door talrijke andere verklaringen van B. (vluchtige kus op mond) V. (kus op wang) M. Deze verklaringen blijken niet alleen uit het gevoerde strafonderzoek, doch tevens uit het verhaal door de jongens van de instelling gedaan ten opzichte van de psychologe van de instelling,op haar beurt gealarmeerd door een opvoeder die had gehoord over ongewenste aanrakingen in douche en sauna. Het naast een jongen liggen of het geven van een gebaar van affectie zoals een knuffel wordt ook bevestigd door de onmiddellijke chef van appellant de heer Opligtenberg dewelke eraan toevoegt dat appellant een andere moraal hanteert inzake lichamelijke aanrakingen en zich niet bewust is dat dergelijke handelingen niet getolereerd worden door de samenleving. Het is normaal dat de directie geen confrontatie heeft gewenst tussen appellant, die zich in een gezagspositie bevindt met de jongens, en de jongens zelf over deze zeer delicate feiten, dewelke psychologische gevolgen kunnen hebben en waarover de jongens reeds een vrees hadden dat appellant hen na hun verklaringen nadeel zou kunnen berokkenen. Een verhoor is geen wettelijke voorwaarde voorzien in artikel 35 WAO voor de geldigheid van een ontslag om dringende reden en uit het bundel blijkt dat appellant werd geconfronteerd met de directie, in aanwezigheid van 2 syndicaal afgevaardigden waarbij hij het ontslag met gemeenschappelijk akkoord voor ontvangst ondertekende. Overeenkomstig artikel 35 lid 2 van de wet op de arbeidsovereenkomsten wordt onder dringende reden verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele verderzetting van de arbeids-overeenkomst tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Volgens constante rechtspraak kan voor een dringende reden enkel een tekortkoming in aanmerking worden genomen die zo ernstig en foutief is dat ze de onmiddellijke en definitieve onmogelijkheid van verderzetting van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt en dat van de ontslaggevende partij niet kan worden verwacht dat de professionele samenwerking nog zal worden verdergezet. Een ontslag om dringende reden kan enkel worden gegeven wanneer deze daadwerkelijk bestaat, en aan- rekenbaar is aan de ontslagen partij dat wil zeggen uitsluitend te wijten aan de fout van deze laatste. Het moet dus gaan om feiten die uitsluitend of hoofdzakelijk aan een partij te wijten zijn en waarvoor haar schuld of verantwoordelijkheid vast staat. Het is daarbij weinig relevant of appellant dit gedrag vertoont bij wijze van grap of als pesterij. Benevens het foutief karakter dient de rechter dus ook de ernst van de tekortkoming te beoordelen. Hierbij dient rekening te worden gehouden met omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden, die het feit het karakter geven van een zwaarwichtig motief. De dringende reden is deze welke het vertrouwen der- mate schaadt dat hierdoor elke verderzetting van de contractuele relatie definitief en onmiddellijk onmogelijk wordt gemaakt. De dringende reden wordt dus voornamelijk beoordeeld op grond van de vertrouwensrelatie en de impact van de feiten op deze vertrouwensrelatie. Het vertrouwen wordt dus beoordeeld op basis van het geheel van omstandigheden, eigen aan de zaak gezien niet de feiten op zich alleen determinerend zijn doch de menselijke houding die eruit weerspiegelt en de weerslag ervan op de professionele activiteiten. Na de werkgever is het uiteindelijk de rechter die, zoals bepaald in artikel 35 lid 1 voormeld, oordeelt of de ingeroepen dringende reden het ontslag zonder opzeggingstermijn of -vergoeding wettigt. De rechter dient bijgevolg in eerste instantie na te gaan over de beweerde feiten houdende dringende reden bewezen worden om vervolgens te onderzoeken of de sanctie in proportie staat met de bewezen tekortkoming. In deze zaak zijn de omstandigheden dat appellant opvoeder is en hij zich dus in een gezagspositie bevindt ten aanzien van de jongeren van de instelling, dat de jongens in het internaat van de instelling reeds kwetsbaar zijn door wat zij beleefd hebben; dat ook blijkt dat de jongens niet durfden te reageren uit vrees voor hun opvoeder. Zelfs de handelingen zoals het geven van een kus op de wang van een opvoeder naar een jongen van de instelling toe, als het initiatief nemen van seksueel getinte gesprekken met de jongens, zijn in deze omstandigheden ernstige beroepsfouten. De feiten zoals bewezen en hierboven uiteengezet die verder gaan zoals aanrakingen, kus op mond en daadwerkelijke seksuele spelletjes schenden het vertrouwen dermate en zijn in deze omstandigheden zeker een onmiddellijke dringende reden. Het hoger beroep is ontvankelijk en ongegrond OM DEZE REDENEN Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, in het bijzonder op artikel
- Rechtsprekend op tegenspraak. Alle andere middelen en conclusies verwerpende. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis . Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: Voor appellante partij: 58,23 Euro uitgaven 279,60 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Voor geïntimeerde partij: 285,55 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op 5 oktober tweeduizend en zeven. Waren aanwezig: B. Ceulemans: Eerste voorzitter. R. Waeyaert Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van mevr. L. Reybroeck, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). A. Leurs Raadsheer in Sociale Zaken als Werknemer- bediende I. Hurkmans Gedelegeerd Adjunct- Griffier B. Ceulemans I. Hurkmans R. Waeyaert A. Leurs PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071005.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div