← België

ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071204.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071204.15 Rolnummer: 46.261 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-08-27 Raadplegingen: 159 - laatst gezien 2026-07-02 16:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit de samenlezing van de bepalingen van de Europese Richtlijn 94/45/EEG en de Wet van 19 maart 1991 volgt dat de werknemer die werd ontslagen zonder dat de wettelijke procedures werden nageleefd, naast de forfaitaire vergoeding zoals voorzien in artikel 16 van de Bijzondere Ontslagregelingswet van 19 maart 1991, aanspraak kan maken op een variabele vergoeding zoals voorzien in artikel 17 van die wet gelijk aan het loon tot het einde van het langst durende mandaat. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN - ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19 MAART 1991 - Ontslag - Beschermde werknemer - Cumul mandaat ondernemingsraad en Europese ondernemingsraad - Omvang beschermingsvergoeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 16 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: Gepubliceerd in JTT 2008, p.

  1. IV Bis C, art.
  2. Eveneens gerangschikt onder IV Bis C, art. 17 en IX D 6 (Richtlijn 94/45/EG van 22/09/1994), art
  3. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 17 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: Gepubliceerd in JTT 2008, p.
  4. IV Bis C, art.
  5. Eveneens gerangschikt onder IV Bis C, art. 16 en IX D 6 (Richtlijn 94/45/EG van 22/09/1994), art
  6. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Europese ondernemingsraad Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP - RICHTLIJNEN VAN DE EEG - RICHTLIJN 94/45/EG - Ontslag - Beschermde werknemer - Wet van 19 maart 1991 - Cumul mandaat ondernemingsraad en Europese ondernemingsraad - Omvang beschermingsvergoeding. Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 94/45/EG - 22-09-1994 - 10 - 41 Link Justel databank 19940922-41 Nota: Gepubliceerd in JTT 2008, p.
  7. IX D 6 (Richtlijn 94/45/EG van 22/09/1994), art
  8. Eveneens gerangschikt onder IV Bis C, artt. 16 en
  9. Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2008(162-164) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 DECEMBER
  10. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer B. J., Appellant, vertegenwoordigd door Mter A. Vermoortele, advocaat te 1540 Herne; Tegen : DE N.V. SANOFI AVENTIS (voorheen DE N.V. AVENTIS PHARMA), met maatschappelijke zetel gevestigd te 1831 Diegem, Twin Squares, Navona Building, Cuilligemlaan 1 c, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter D. Votquenne, advocaat te 1170 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis gewezen op tegenspraak door de 12de Kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 22 oktober 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 18 januari 2005; - de besluiten, aanvullende en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 14 juni 2005 en 26 april 2007; - de besluiten van appellant neergelegd ter griffie op 15 maart 2007; - de bundel met stukken van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 29 oktober 2007; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 6 november
  11. Appellante partij legde een bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING. De Heer B. was sinds 8-5-1984 als medisch afgevaardigde in dienst van de N.V Rhône-Poulenc Rorer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Bij de sociale verkiezingen van 1995 was hij kandidaat-personeelsafgevaardigde voor de Ondernemingsraad en voor het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk, doch hij werd niet verkozen. Begin 1999 werd hij door opvolging, effectief personeelsafgevaardigde, zowel in de Ondernemingsraad als in het Comité. Voor de groep bestaande uit Rhône-Poulenc Rorer en Rhodia, bestond reeds sinds 1994 een Europees overlegorgaan IDE (Instance de Dialogue Européen) genaamd. De werkingsregels van de IDE werden vastgesteld in een geactualiseerde overeenkomst van 15-1-1999, gesloten tussen de internationale directie van de groep en de werknemersorganisaties. Voorheen gold de overeenkomst van 14-11-1994 en een bijlage van 6-12-
  12. Volgens die overeenkomst (die werd afgesloten nadat de fusie tussen Rhône Poulenc Rorer en Hoescht tot Aventis Pharma was aangekondigd, op 1-12-98) werden de leden die als nationale correspondenten in de IDE zetelden, aangesteld voor een hernieuwbare periode van drie jaar. De Belgische werknemers van de filialen Rhône-Poulenc Rorer en Rhodia, beschikten over vier mandaten in de IDE. Volgens het proces-verbaal van de ondernemingsraad van beide filialen van februari '99 dienden twee Belgische vertegenwoordigers, de Heren B en V vervangen te worden. Als vervangers werden de Heer Ba en Mevrouw C. voorgesteld. Volgens het proces-verbaal van de vergadering van de ondernemingsraad van maart '99 blijkt dat Mevrouw C. en de Heer B. werden aangeduid om de werknemers van de Belgische vestigingen van Rhône-Poulenc Rorer en Rhodia te vertegenwoordigen in de IDE. In het kader van de fusie van Rhône-Poulenc Rorer en Hoechst-Marion-Roussel die leidde tot de oprichting van Aventis Pharma, eind 1999, werd een bijzondere onderhandelingsgroep (BOG) samengesteld met het oog op de oprichting van een Europese Ondernemingsraad binnen de groep Aventis Pharma. Zodra deze zou opgericht zijn, zou de IDE van Rhône-Poulenc Rorer verdwijnen. Door de afsplitsing van Rhodia van de groep Rhône-Poulenc in september '99, diende de Benelux-correspondent in de IDE die tot Rhodia behoorde, vervangen te worden door iemand die nog steeds tot Rhône-Poulenc Rorer behoorde. Volgens het proces-verbaal van de vergadering van de ondernemingsraad van 20 oktober ‘99 werd de Heer B. voorlopig Benelux-correspondent voor de vergadering van oktober. Als gevolg van de herstructurering die gepaard ging met de fusie tussen Rhône-Poulenc Rorer en Hoechst-Marion-Roussel, werden een aantal werknemers ontslagen, waaronder de Heer B. op 3-12-‘99, zonder dat de procedures voorzien in de wet van 19-3-1991 werden nageleefd. Er werd hem een opzeggingsvergoeding en aanvullende sociale voordelen voorgesteld. De Heer B. weigerde op dit voorstel in te gaan en vroeg zijn reïntegratie aan bij aangetekende brief van 9-12-
  13. De N.V. Rhône-Poulenc ging niet in op zijn verzoek tot reïntegratie en betaalde hem de beschermingsvergoeding uit voorzien in de artikels 16 en 17 van de wet van 19-3-1991: - een forfaitaire vergoeding gelijk aan 3 jaar loon, hetzij 6.429.813 F op grond van art 16 (anciënniteit van 15 jaar en 7 maanden), - het loon voor het resterende gedeelte van het mandaat in de Belgische Ondernemingsraad en in het Comité tot juni
  14. Bij brief van zijn vakorganisatie van 21-1-2000 maakte de Heer B. aanspraak op een vergoeding gelijk aan het loon tot 30-9-2002, hetzij 27 maanden loon. Hij meende dat geen rekening was gehouden met zijn mandaat in de IDE dat volgens hem liep tot oktober
  15. De Europese ondernemingsraad van Aventis Pharma, ter vervanging van de Europese ondernemingsraden van Rhône-Poulenc Rorer, Hoechst-Marion-Roussel en AgrEvo, werd opgericht bij overeenkomst van 13-4-
  16. Volgens die overeenkomst kreeg België 1 vertegenwoordiger. Daarin werd verder bepaald: in elk land zullen de vertegenwoordigers aangeduid worden door de werknemers of de representatieve werknemersorganisaties volgens de regels van aanduiding voorzien door hun wetgeving of hun gebruiken in het kader van de toepassing eigen aan elk land van de richtlijn van 22-9-
  17. De duur van het mandaat wordt bepaald op 4 jaar onder voorbehoud van bevestiging van de nationale mandaten (vertaling). Met dagvaarding van 11-10-2000 spande de Heer B. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank te Brussel. Hij vorderde de veroordeling van de N.V. Aventis Pharma tot betaling van in hoofdorde -een bedrag van 119.543,18 Euro als variabel gedeelte van de bijzondere ontslagvergoeding gelijk aan 27 maanden loon, overeenstemmend met de periode van juli 2000 tot oktober 2002 op grond van artikel 17 van de wet van 19-3-1991 en de wettelijke en gerechtelijke intresten op het overeenstemmend nettobedrag. In ondergeschikte orde Bij uitbreiding van de vordering bij conclusie neergelegd op 5-8-2003 overeenkomstig artikel 807 Gerechtelijk Wetboek, vorderde hij -een bedrag van 21.956,43 Euro als saldo van het forfaitair gedeelte van de bijzondere ontslagvergoeding, -een bedrag van 4.083,45 Euro als saldo van het variabel gedeelte van de bijzondere ontslagvergoeding voor de periode tot juni 2000, -137.113,63 Euro als variabel gedeelte van de bijzondere ontslagvergoeding voor de periode van juli 2000 tot oktober 2002, de wettelijke en gerechtelijke intresten op de daarmee overeenstemmende nettobedragen. Met het bestreden vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond II. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP. De Heer B. is het niet eens met de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Hij verzoekt het Hof deze te vernietigen, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg de N.V. Sanofi Aventis te veroordelen tot betaling van een bedrag van 119.543,18 Euro als variabel gedeelte van de bijzondere ontslagvergoeding gelijk aan 27maanden of de periode van juli 2000 tot oktober 2002 op grond van artikel 17 van de wet van 19-3-1991, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en met veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen. De vennootschap verzoekt het Hof het bestreden vonnis te bevestigen met veroordeling van appellant tot de kosten van het geding. III. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Nu geen betekeningsakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.Ten gronde. Standpunt van de Heer B. De wet van 19-3-1991, inclusief artikel 17, is van toepassing op het mandaat als lid en als correspondent van de IDE, op grond van: -artikel 10 van de richtlijn 94/45 EG van de Raad van 22-9-1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, -artikel 9 van de wet van 23-4-1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese Ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, -artikel 17§1 van de wet van 19-3-
  18. Zowel de richtlijn 94/45 EG van 22-9-1994 als de wet van 23-4-1998, breiden het toepassingsgebied van de wet van 19-3-91 uit tot de werknemersvertegenwoordigers in de Europese Ondernemingsraad. De interpretatie door de Arbeidsrechtbank dat voor de beschermingsvergoeding alleen rekening kan worden gehouden met een verkozen (nationaal) mandaat, zodat de bescherming niet kan toegepast worden op de vertegenwoordigers die werden aangewezen (zoals in de IDE) is betwistbaar. Dergelijke interpretatie zou de wet van 23-4-‘98 elke inhoud ontnemen. Artikel 17 van de wet van 19-3-‘91 en artikel 9 van de wet van 23-4-‘98 verwijzen naar de duur van het mandaat. De duur van het mandaat in de Europese ondernemingsraad is vastgesteld in de overeenkomst van 15-1-‘99 tot instelling van de IDE waarin de duur van het mandaat als lid van de Europese Ondernemingsraad op 2 jaar is bepaald en het mandaat als correspondent van de Europese Ondernemingsraad op 3 jaar. Artikel 24 van de C.A.O. nr. 62 van 6-2-‘96 betreffende de instelling van de Europese ondernemingsraad ...voorziet dat de duur van de mandaten op Europees niveau vastgelegd worden in een overeenkomst. De wet van 23-4-‘98 spreekt over aanwijzing van de werknemersvertegenwoordigers van de bijzondere onderhandelingsgroepen en de Europese Ondernemingsraad, zonder enige verwijzing naar een nationaal mandaat. De Heer B. cumuleert geen verschillende beschermingsvergoedingen. Hij vraagt slechts één beschermingsvergoeding waarvoor wat het variabel gedeelte betreft, moet rekening gehouden worden met het langst durende mandaat. Zijn mandaat was niet voorlopig. Het mandaat als lid van de IDE op grond van de overeenkomst van 15-1-1999 zou een einde nemen in maart
  19. Het mandaat van correspondent in de IDE dat minimum drie jaar loopt zou pas in oktober 2002 beëindigd zijn. Feiten die dateren van na zijn ontslag , o.m. de opheffing van de IDE ingevolge een nieuwe overeenkomst voor de Europese Ondernemingsraad van Aventis op 13-4-2000 kunnen geen invloed hebben op de beschermingsvergoeding die op datum van het ontslag moet worden bepaald. Standpunt van de vennootschap Uit de samenlezing van artikel 9 van de wet van 23-4-‘98 en de wet van 19-3-‘91 volgt dat de werknemersvertegenwoordiger in de bijzondere onderhandelingsgroep of de Europese ondernemingsraad die tevens een personeelsafgevaardigde is in de lokale ondernemingsraad geen bijkomende bescherming geniet. Op hem is immers reeds de bijzondere ontslagbescherming bepaald door de wet van 19-3-‘91 van toepassing, volgens dewelke hij bij onrechtmatig ontslag recht heeft op o.m. het loon voor het resterend gedeelte van de periode tot het eind van het mandaat in de (nationale)ondernemingsraad en derhalve niet tot het einde van het mandaat in de bijzondere onderhandelingsgroep of in de Europese ondernemingsraad. De beschermingsbepalingen zijn van openbare orde en dus van strikte interpretatie en kunnen niet naar analogie toegepast of uitgebreid worden. Het doel van artikel 9 van de wet van 23-4-‘98 is de ontslagbescherming te verlenen aan de werknemers die een Europees mandaat bekleden en die deze bescherming nog niet genieten op grond van een mandaat of van een kandidaatstelling in de nationale organen. Dit wordt bevestigd door artikel 10 van de Europese richtlijn 94/
  20. De vertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad die niet verkozen werd of geen kandidaat was bij de sociale verkiezingen van de lokale overlegorganen heeft bij onrechtmatig ontslag -ofwel een gelijke ontslagbescherming met toekenning van de variabele vergoeding berekend op basis van de resterende periode van de lokale mandaten, -ofwel bij restrictieve toepassing van artikel 17, heeft hij enkel aanspraak op het forfaitair gedeelte van de beschermingsvergoeding. In ondergeschikte orde Er dient rekening te worden gehouden met de werkelijke duur van het mandaat en niet met de theoretische duur ervan. Het Hof van Cassatie heeft zich in een arrest van 14-4-2003 in die zin uitgesproken in een zaak waarin de beschermde werknemer ontslagen werd voor de verlenging van de duur van het mandaat door de wet van 5-3-‘
  21. De Heer B. bewijst niet dat zijn mandaat als correspondent van de IDE definitief was en gold voor de duur van drie jaar. De mandaten van de Heer B. moesten in ieder geval een einde nemen op 13-4-2000 bij de ontbinding van de onderhandelingsgroep en de Europese ondernemingsraad IDE van Rhône-Poulenc Rorer. De Heer B. kan derhalve in geen geval aanspraak maken op een bijkomende vergoeding. IV. BEOORDELING DOOR HET HOF. De betwisting betreft de omvang van de beschermingsvergoeding waarop de Heer B. ingevolge zijn ontslag aanspraak kon maken, gelet op zijn mandaat van personeelsafgevaardigde in de Belgische overlegorganen, zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad IDE van Rhône-Poulenc Rorer en zijn mandaat van correspondent Volgende wettelijke bepalingen zijn van toepassing op het voorliggend geschil: - De Richtlijn 94/45EG van de Raad van 22-9-1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (P.B. 30-9-1994, L254/64-72) Artikel 10 van die richtlijn bepaalt: De leden van de bijzondere onderhandelingsgroep, de leden van de Europese ondernemingsraad en de werknemersvertegenwoordigers die hun taak in het kader van artikel 6 lid 3 vervullen, genieten bij het verrichten van hun taak éénzelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen als de werknemersvertegenwoordigers bij of krachtens de nationale wetgeving en/of gebruiken in het land waar zij hun dienstbetrekking hebben. - De wet van 23-4-‘98 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese Ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (BS 21-5-1998, 2192) die uitvoering geeft aan de richtlijn; Artikel 9 van die wet bepaalt: "De werknemersvertegenwoordigers van de bijzondere onderhandelingsgroepen en in de Europese Ondernemingsraden evenals de werknemersvertegenwoordigers die hun taak vervullen in het kader van procedures ter informatie en raadpleging die in voorkomend geval in de plaats van een Europese Ondernemingsraad en hun vervangers, genieten de bijzondere bescherming bepaald door de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede de kandidaat -personeelsafgevaardigden. Deze bijzondere regeling is op hen van toepassing voor elk ontslag dat plaats vindt in een periode die aanvangt de dertigste dag voorafgaand aan hun aanwijzing en die eindigt de dag waarop hun mandaat een einde neemt." De bedoeling van die wetgeving was een bescherming te bieden die de normale uitoefening van het mandaat door de betrokken werknemersvertegenwoordigers moest waarborgen. Uit artikel 9 tweede lid van de wet van 23-4-‘98 volgt dat die bescherming loopt tot het einde van het mandaat. De vraag die voorligt in huidig geschil heeft betrekking op de omvang van de bescherming in het geval de betrokkene zowel een mandaat bekleedt in de nationale overlegorganen als in de Europese overlegorganen. Het Hof is van mening dat de samenlezing van de bepalingen van de Europese richtlijn, waaraan uitvoering werd gegeven bij de wet van 23-4-‘98 en de wet van 19-3-1991 ertoe leidt dat de vergoeding die toekomt aan de werknemer die werd ontslagen zonder dat de wettelijke procedures werden nageleefd en waarvan de reïntegratie werd geweigerd, naast de forfaitaire vergoeding als voorzien in artikel 16 van de bijzondere ontslagregelingswet van 19-3-‘91, de variabele vergoeding behelst voorzien door artikel 17 van die wet, gelijk aan het loon tot het einde van het langst durende mandaat. De vergoedingsregeling (artikel 16 zowel als artikel 17 wet 19-3-‘91) maakt deel uit van de bijzondere bescherming waarvan de beschermde werknemers genieten. Deze bescherming is geen privilege voor de werknemersvertegenwoordigers. De wetgever heeft deze ingevoerd in het belang van de functie om te beletten dat door willekeurig ontslag de normale werking van de overlegorganen zou worden lam gelegd. Het Hof van Cassatie onderlijnde dit in zijn arrest van 23-3-‘81, Soc.Kron. ‘81,
  22. Terecht stelt de Heer B. dat het tegenstrijdig zou zijn dat de vergoeding voorzien in artikel 17 van de wet van 19-3-‘91 niet de volledige periode tot het eind van zijn Europese mandaten zou dekken. Het Hof deelt de opvatting niet dat de in artikel 17 van de wet van 19-3-‘91 voorziene vergoeding niet kan toegepast worden omdat de Heer B. in zijn Europees mandaat niet werd verkozen. De Heer B. wijst er terecht op dat ook het aanwijzen door stemming van vertegenwoordigers als verkiezing kan gelden. Bovendien spreekt artikel 9 van de wet van 23-4-‘98, die in een gelijkaardige bescherming voorziet als die van de wet van 19-3-'91 wel degelijk van een bescherming die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanwijzing en die eindigt de dag waarop het mandaat een einde neemt. De toepassing van artikel 17 op de duur van het Europees mandaat, kan niet beschouwd worden als een cumul van beschermingsvergoedingen. Het betreft de berekeningsbasis van de vergoeding. Er is slechts één vergoeding die wordt toegekend ten belope van het langst durende mandaat. Indien een werknemersafgevaardigde die naast een mandaat in een nationaal overlegorgaan, een mandaat in een Europees overlegorgaan bekleedt, slechts zou beschermd worden voor de duur van zijn nationaal mandaat, zou dit voor gevolg hebben dat wanneer zijn Europees mandaat langer duurt dan zijn mandaat in een nationaal overlegorgaan, hij voor zijn Europees mandaat niet dezelfde bescherming zou genieten als deze die aan zijn nationaal mandaat is gekoppeld. Het komt het Hof voor dat dit ertoe zou leiden dat de door de richtlijn beoogde bescherming niet wordt gewaarborgd. Er dient voor ogen te worden gehouden dat de voorziene beschermingsregels in geval van ontslag van een beschermde werknemer vooral de bescherming van het mandaat beogen en dat de Europese richtlijn bepaalt dat éénzelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten worden toegekend als in het nationaal recht. De rechters in de Europese Gemeenschap zijn ertoe gehouden de nationale wetgeving richtlijn conform te interpreteren, zowel de wetgeving die dateert van voor de richtlijn als de latere wetgeving. Daarbij moet rekening gehouden worden met het door de richtlijn beoogde doel (H.v.J. 16-12-‘93, J.T.T. ‘94, p. 284; H.v.J. 13-11-‘90, nr C 106/89 Marleasing; Jur. '90,I; 4135, R.O 8; K. Lenaerts en P.Van Huffel, Europees recht in hoofdlijnen, Maklu '95, nr.689). De vraag is of die kwestie in huidig geschil relevant is gelet op de duur van het mandaat. Het is niet betwist dat bij toepassing van de overeenkomst van 15-1-‘99 m.b.t. De IDE van Rhône-Poulenc Rorer de duur van het mandaat van de leden werknemersvertegenwoordigers twee jaar bedroeg en de duur van het mandaat van de correspondenten 3 jaar. Nu acht het Hof inderdaad niet bewezen dat de Heer B. als correspondent werd aangewezen voor de duur van 3jaar. In het verslag van de ondernemingsraad van oktober ‘99 wordt immers vermeld dat de leden van de ondernemingsraad een nieuwe correspondent zouden moeten aanwijzen -ter vervanging van deze die behoorde tot de afgesplitste onderneming Rodia- en dat in afwachting, de Heer B. als voorlopig correspondent werd aangewezen voor de volgende vergadering. De Heer B. toont niet aan dat hij definitief als correspondent werd aangewezen. Het mandaat van de Heer B. in de IDE Rhône-Poulenc duurde in principe tot maart
  23. Aan dit mandaat kwam evenwel een einde eens de Europese Ondernemingsraad IDE Rhône-Poulenc werd opgedoekt als gevolg van de fusie tussen de groep Rhône- Poulenc en de groep Hoescht en de creatie van een nieuwe ondernemingsraad binnen Aventis Pharma. Dit was het geval op 13 april
  24. Op die datum zou derhalve hoe dan ook aan het mandaat een einde zijn gekomen. In zijn arrest van 14-4-2003, waarnaar de vennootschap verwijst, oordeelde het Hof van Cassatie dat "de bijkomende vergoeding luidens de termen van artikel 17 (moet) worden bepaald met inachtneming van de werkelijke duur van de beschermingsperiode, dit is gedurende het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen, verkozen bij de vorige verkiezingen, waarvoor de niet gereïntegreerde personeelsafgevaardigde kandidaat was... schendt de aangewezen wetsbepaling niet, het arrest dat te kennen geeft dat het feit dat het recht op die vergoeding in beginsel vanaf de weigering tot herplaatsing of na verloop van de hiervoor bepaalde termijn ontstaat, geen afbreuk doet aan de bepaling van de hoegrootheid van de vergoeding met inachtneming van latere gegevens omtrent de periode waarvoor het loon verschuldigd is (www.cass.be) ". Aangezien de vennootschap de vergoeding op grond van artikel 17 van de wet van 19-3-‘91 betaalde tot juni 2000, met in acht neming van de duur van de beschermingsperiode voor het mandaat in de nationale overlegorganen, is aan de Heer B. geen bijkomende vergoeding verschuldigd nu zijn mandaten in de Europese organen op die datum alleszins beëindigd zouden geweest zijn. Zijn vordering is derhalve ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis,zij het niet geheel op dezelfde gronden, Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de Heer B., tot op heden begroot op : In hoofde van appellant : Niet begroot. In hoofde van geïntimeerde : Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 285,57 euro Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 4 december 2007, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Kamervoorzitter, De Heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer M. WAMPERS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, G. BALIS, Ch. LAURIERS. M. WAMPERS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071204.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.