id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071206.5 Rolnummer: 49.016 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-05-09 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 16:27 Fiche Een O.C.M.W. mag aan een persoon die inlichtingen over zijn financiële toestand verzwijgt geen schorsing in de vorm van een administratieve sanctie opleggen wat zijn maatschappelijke dienstverlening voor de komende maanden betreft, zoals met toepassing van artikel 30 R.M.I -wet wel mogelijk is. Anders dan het O.C.M.W. voorhoudt gaat het hier niet om een 'terugvordering'. Door de financiële steun als alleenstaande van geïntimeerde in te trekken voor de periode van 1 maart 2006 tot en met 30 april 2006, omdat deze werkte als interim op 26 maart 2004 en op 4 en 23 april 2004, heeft het O.C.M.W. wel degelijk een sanctie opgelegd en is het niet overgegaan tot terugvordering van maatschappelijke dienstverlening. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Steun OCMW Vrije woorden: Sociale Voorzorg - Openbare Centra voor maatschappelijk Welzijn - maatschappelijke dienstverlening - verzwijgen van het genieten van een inkomen - sanctie Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 60 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN 7de KAMER Not. 580, 8° G.W. Maatschappelijke dienstverlening Tegensprekelijk Definitief In de zaak: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DILBEEK, met kantoren te 1700 Dilbeek, Itterbeeksebaan 210, appellant, vertegenwoordigd door Mr. K. De Puydt, advocaat te 1080 Brussel, Tegen: D. B., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. F. Tampere, advocaat te 1800 Vilvoorde, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 4 juli 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 september 2006; - de besluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd op 3 oktober 2006; - de besluiten in hoger beroep door appellant neergelegd door 22 juni 2007; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 8 november 2007, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. RELEVANTE FEITEN Geïntimeerde vroeg in België politiek asiel aan op 24 januari 2000, doch zijn aanvraag werd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen ontvankelijk doch ongegrond verklaard op 22 juli
- De vaste beroepscommissie bevestigde deze beslissing op 18 december 2002 waarna geïnti-meerde een verzoek tot nietigverklaring en schorsing indiende bij de Raad van State op 21 januari 2003; deze zaak zou thans nog hangende zijn. Met het oog op maatschappelijke dienstverlening werd geïntimeerde toegewezen aan het O.C.M.W. van appellant, die hem een financiële steun toekent sinds 21 juni
- Bij een onderzoek via de kruispuntbank, uitgevoerd op 9 januari 2006 werd vastgesteld dat geïntimeerde voor een interim bureau gewerkt had op 26 maart 2004 en op 4 en 23 april 2004, zonder dit aan appellant gemeld te hebben. Op basis hiervan wordt op voorstel van de maatschappelijk assistente door appellant de bestreden beslissing genomen, inhoudende dat, gelet op het bedrieglijk opzet van geïntimeerde de financiële steun als alleenstaande ten bedrage van 625,60 EURO voor de periode van 1 maart 2006 tot en met 30 april 2006 wordt ingetrokken. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 7 maart 2006 stelt geïntimeerde beroep in tegen deze beslissing en vraagt de verdere toekenning van financiële steun als alleenstaande voor de periode van 1 maart 2006 tot 30 april
- Bij vonnis van 4 juli 2006 vernietigt de Arbeids-rechtbank te Brussel de bestreden beslissing, omdat de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn niet voorziet in sancties, doch enkel in artikel 98 bepaalt dat er een mogelijkheid is van terugvordering voor prestaties die bekomen werden op basis van bewust onjuiste of onvolledige verklaringen ; het O.C.M.W. heeft derhalve ten onrechte een niet bestaande sanctieregeling toegepast. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN Het O.C.M.W. is het niet eens met het standpunt van de Arbeidsrechtbank en houdt voor dat de terugvordering van artikel 98 van de O.C.M.W.-wet eveneens een sanctie is waarbij het O.C.M.W. enkel het bedrag van de terugvordering vaststelt; het O.C.M.W. laat zich hierbij leiden door de strafmaat van de sancties die voorzien zijn in artikel 60 van de O.C.M.W.-wet en in artikel 30 van de R.M.I.-wet. Geïntimeerde van zijn kant meent dat er wel degelijk een onderscheid moet gemaakt worden tussen een sanctie enerzijds en een terugvordering in de zin van artikel 98 O.C.M.W.-wet anderzijds; een terugvordering heeft betrekking op het verleden en een schorsing van de dienstverlening voor de volgende twee maanden betreft een sanctie die na de feiten van toepassing wordt ; geïntimeerde verwijst voor het verschil tussen maatschappelijke dienstverlening ingevolge de O.C.M.W.-wet en het recht op maatschappelijke integratie ingevolge de R.M.I.-wet naar het arrest van het Arbitragehof nummer 74/2004 van 5 mei
- BEOORDELING Door de financiële steun als alleenstaande van geïntimeerde in te trekken voor de periode van 1 maart 2006 tot en met 30 april 2006, omdat deze werkte als interim op 26 maart 2004 en op 4 en 23 april 2004, heeft appellant wel degelijk een sanctie opgelegd en is het O.C.M.W. niet overgegaan tot terugvordering van maatschappelijke dienstverlening. Terecht verwijst geïntimeerde naar het arrest van het Arbitragehof nr. 74/2004 van 5 mei 2004, waarbij de vraag aan de orde was of er geen ongelijkheid is tussen het feit dat het O.W.M.W.-wet in artikel 60 geen administratieve sanctie verbindt aan de verplichting tot het verstrekken van de nodige inlichtingen terwijl dit wel gebeurt in artikel 30 van de R.M.I.-wet ten aanzien van de aanvrager van leefloon. Het Arbitragehof onderzocht de bedoelingen van de wetgever met betrekking tot beide regelingen en besloot: "B.6.2 Uit wat voorafgaat volgt dat de wetgever, door de wet van 26 mei 2002 aan te nemen, een eventuele subsidiaire toepassing van de wet van 8 juli 1976 ten gunste van een persoon die niet of niet langer recht op maatschappelijke integratie zou kunnen genieten, niet heeft willen uitsluiten B.7 Rekening houdend met de bovenvermelde respectieve kenmerken van een recht tot maatschappelijke integratie en van maatschappelijke dienstverlening alsook met de mogelijke residuaire functie die met het stelsel van maatschappelijke dienstverlening kan worden vervuld, is de wetgever op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet ertoe gehouden een onjuiste of onvolledige verklaring in beide stelsels op dezelfde wijze te bestraffen." De conclusie die uit dit arrest te halen is, is dat het O.C.M.W. aan een persoon die inlichtingen over zijn financiële toestand verzwijgt geen schorsing in de vorm van een administratieve sanctie mag opleggen wat zijn maatschappelijke dienstverlening voor de komende maanden betreft, zoals met toepassing van artikel 30 R.M.I.-wet wel mogelijk is (B. Simoens, O.C.M.W. dienstverlening, Die Keure, 2003 pag. 346/10) Anders dan het O.C.M.W. zegt, is het niet tot terugvordering overgegaan, maar heeft het een sanctie in de toekomst opgelegd, zodat het hoger beroep toelaatbaar is doch ongegrond. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, In zijn mondeling eensluidend advies, terstond uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 november 2007, waarop de partijen afzien van hun repliek, Ontvangt het hoger beroep, Wijst dit evenwel af als zijnde ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen; Verwijst overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, appellant tot de kosten van het hoger beroep, kosten tot op heden begroot op: - voor appellant 279,62 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde niet begroot Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zes december tweeduizend en zeven. Waar aanwezig waren : De heer L. LENAERTS, Raadsheer de heer J. BOULOGNE, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer D. REGA, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer K. GACOMS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, mar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER L. LENAERTS D. REGA J. BOULOGNE PDF document ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071206.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div