← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080107.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080107.7 Rolnummer: 42.720 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-04-04 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 16:50 Fiche De in België toepasselijke wetgeving geeft geen enkele indicatie voor de beoordeling van de zeldzaamheid van het uitzonderlijk karakter van een aandoening. Het Arbeidshof acht zich niet gebonden door de verwijzing naar de EG verordening nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen waarbij geopteerd werd voor een aanwijzingscriterium van 5 personen die lijden aan de aandoening per 10.000 om het zeldzaam karakter van een aandoening te weerhouden. Het Hof meent door de zeer omstandige verslagen van de behandelend geneesheer van de betrokkene over voldoende inlichtingen te beschikken om te besluiten dat de gevraagde tegemoetkoming voor een nervus vagusstimulator een uitzonderlijke verstrekking is, gelet op het beperkt aantal toepassingen dat hij vermeldt, bedoeld als behandeling van een zeldzame aandoening die in het voorliggend geval dan nog onder een zeldzame en uiterst hardnekkige vorm voorkomt en die zijn vitale functies aantast. Het Hof acht de aanstelling van een deskundige niet noodzakelijk. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Verzekering geneeskundige verzorging - Organen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE-EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Gecoördineerde wet van 14 juli 1994 - Bijzonder Solidariteitsfonds - Zeldzame aandoening - Nervus Vagusstimulator. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 25 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 januari

  1. 7e kamer Z.I.V. werknemers Tegensprekelijk Definitief Notificatie art. 580 §2 Ger. Wb. In de zaak: P. H. Appellant, vertegenwoordigd door Mr. F. De Keersmaecker, advocaat te 1800 Vilvoorde; Tegen:
  2. Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, Eerste Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. P. Roels loco Mr. M. Van Bever, advocaat te 1850 Grimbergen;
  3. Landsbond der Christelijke mutualiteiten, met zetel te 1030 Brussel, Haachtsesteenweg 579 b.40, Tweede geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor hen. ó ó ó Na beraad spreekt de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: -Het eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 9 november 2001 door de 10de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel in de zaak met AR 23.116/
  4. -De akte van hoger beroep betekend aan geïntimeerden per deurwaardersexploot van 1 februari
  5. -De besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten voor eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 2 juli 2002, 17 maart 2003, 27 juli 2006 en 13 april
  6. -De besluiten voor appellant neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 31 oktober
  7. -Het bundel van appellant neergelegd ter griffie op 12 december
  8. -Het bundel van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 23 november 2007 -De Beschikking overeenkomstig art. 747 §2 GW van 8 februari
  9. -De zaak werd gepleit op 14 juni 2007 en in beraad genomen op 20 september 2007, wegens de onmogelijkheid de geldige zetel samen te stellen, stelt het hof het beraad ambtshalve uit op donderdag 8 november
  10. -Het voor eensluidend verklaard afschrift van arrest dd. 8 november 2007, waarbij de debatten werden heropend op 3 december 2007, wegens de onmogelijkheid de zetel samen te stellen die van de zaak kennis heeft genomen. Gehoord partijen in hun middelen en verdediging tijdens de openbare terechtzitting van 3 december 2007 door een anders samengestelde zetel van het hof. De debatten werden gesloten. De zaak werd medegedeeld aan het O.M. voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie binnen een termijn van 7 dagen. Partijen beschikken over een termijn van 14 dagen vanaf de kennisgeving van dit advies om hun eventuele repliekbesluiten neer te leggen. De zaak werd van rechtswege in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op 7 januari
  11. ó ó ó I. RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer P. vroeg op 6-1-2000 via zijn ziekenfonds, de Landsbond der Christelijke mutualiteiten, bij het College van geneesheren-directeurs van het RIZIV een tegemoetekoming aan in de kosten van een nervus vagusstimulator door het Bijzonder Solidariteitsfonds, overeenkomstig art 25§2 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14-7-
  12. Hij lijdt aan een refractaire epilepsie met secundaire generalisatie, hetgeen betekent dat een behandeling met anti-epileptica de aanvallen niet kan onderdrukken. Bij brief van 25-5-2000 deelde het RIZIV aan de LCM mee dat de tussenkomst geweigerd werd. De LCM gaf op zijn beurt kennis van deze beslissing aan de heer P. op 29-6-
  13. De heer P. stelde daartegen een verhaal in bij de arbeidsrechtbank met verzoekschrift dat op 21-9-2000 aangetekend naar de griffie van de arbeidsrechtbank werd verzonden. Met het bestreden vonnis, verklaarde de arbeidsrechtbank, rechtsprekend op tegenspraak t.a.v. de heer P. en het RIZIV en bij verstek t.a.v. LCM, de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Zij sloot zich aan bij de motivering van het College van Geneesheren Directeurs dat het niet ging om een uitzonderlijke geneeskundige verstrekking nu een stimulator ook in andere behandelingen werd gebruikt en het bovendien niet ging om een zeldzame aandoening die de vitale functies van de rechthebbende aantastte. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP: De heer P. is het niet eens met de uitspraak van de arbeidsrechtbank. Hij verzoekt het hof deze te vernietigen en te zeggen voor recht dat hij in aanmerking komt voor tussenkomst van de plaatsing van een nervus vagusstimulator. In ondergeschikte orde verzoekt hij om de aanstelling van een geneesheer - deskundige met als opdracht te bepalen of de epilepsie waaraan hij lijdt voldoet aan de voorwaarden van art. 25 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14-7-1994 Het RIZIV verzoekt het hof het bestreden vonnis te bevestigen. De LCM liet het hof per brief van 13-3-2007 dat hij verstek zou laten gaan en zich schikt naar de wijsheid van het Arbeidshof. II. BEOORDELING: 1.Ontvankelijkheid: Van het bestreden vonnis werd aan de heer P. kennis gegeven bij gerechtsbrief van 3 januari 2002 overeenkomstig art. 792 Ger. Wb. Het hoger beroep werd bijgevolg tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
  14. Ten Gronde: De heer P. vordert de tussenkomst van het Bijzonder Solidariteitsfonds voor de kosten van een nervus vagusstimulator, ingeplant op 17-12-
  15. Hij meent te voldoen aan de voorwaarden gesteld door art. 25 §2 van de gecoördineerde ZIV-wet. Die bepaling luidt als volgt: "Het College van geneesheren-directeurs verleent aan de in art. 32 en 33 bedoelde rechthebbenden, binnen de perken van de overeenkomstig §1 vastgestelde financiële middelen, tegemoetkomingen in de kosten van de uitzonderlijke geneeskundige verstrekkingen die niet vergoedbaar zijn door de verzekering voor geneeskundige verzorging, met inbegrip van de farmaceutische producten die niet in aanmerking komen voor vergoeding krachtens de reglementaire bepalingen betreffende de vergoeding van de farmaceutische verstrekkingen en die voldoen aan volgende voorwaarden: 1) duur zijn 2) betrekking hebben op een zeldzame aandoening die de vitale functies van de rechthebbende aantast 3) beantwoorden aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch - sociaal vlak absoluut is 4) een wetenschappelijke waarde en een doeltreffendheid bezitten die door de gezaghebbende medische instanties in ruime mate worden erkend 5) het experimenteel stadium voorbij zijn 6) voorgeschreven zijn door een geneesheer die gespecialiseerd is in de behandeling van de betreffende aandoening en toestemming heeft om in België de geneeskunde uit te oefenen Het zijn de eerst twee voorwaarden die hier in het geding zijn, de andere voorwaarden werden door het College kennelijk niet in twijfel getrokken. De bestreden beslissing vermeldt echter niet waarom het College die voorwaarden niet vervuld achtte. Het college meende dat de nervus vagus stimulator geen uitzonderlijke verstrekking was omdat stimulatoren ook in andere behandelingen werd gebruikt, o.m. bij pijnbehandeling, de ziekte van Parkinson, blaasbehandelingen etc. De heer P. merkt daarbij op dat een nervus vagus stimulator niet gelijk gesteld kan worden met om het even welke neurostimulator. Hij brengt daarvoor volgende pertinente argumenten aan: -Daar waar de neurostimulator bedoeld in de nomenclatuur (1995-2000) gebruikt wordt voor de behandeling van langdurige neurogene pijnsyndromen van het centraal zenuwstelsel of van het ruggenmerg, is de nervus vagusstimulator bedoeld om epileptische aanvallen onder controle te houden die losstaan van enig pijnsyndroom en in verband staan met een afwijkende structuur van de hersenen. -De plaatsing van beide is ook verschillend: De neurostimulator ter behandeling van pijn wordt laag in de rug ingeplant, de nervus vagusstimulator onder het linker sleutelbeen. -de nervus vagusstimulator werd vanaf maart 2000 apart opgenomen in de nomenclatuur, hetgeen aantoont dat hij niet als een gewone neurostimulator wordt beschouwd. Een uitzonderlijke verstrekking is een verstrekking "buiten norm" (AH.Bergen, 9-6-2000, AR 15.793 en 16.077; AH Luik 26-11-2002, Informatieblad RIZIV 2003/1) In dit laatste arrest oordeelde het Arbeidshof te Luik dat de inplanting van een neurostimulator ter behandeling van de ziekte van Parkinson een uitzonderlijke verstrekking is. Dr. P. B., behandelend geneesheer van de heer P. en verbonden aan het Universitair Ziekenhuis te Gent, polikliniek voor neurologie, gespecialiseerd in dergelijke aandoeningen, verklaarde in een medisch attest van 15-1-2002 -dat de heer P. H. lijdt aan een zeldzame vorm van refractaire partiële epilepsie waarvoor hij uitvoerig werd onderzocht in het Referentiecentrum voor Refractaire Epilepsie van het Universitair Ziekenhuis te Gent. -dat na grondige evaluatie werd voorgesteld een nervus vagusstimulator in te planten, een techniek die nog zeer weinig wordt toegepast in Europa en voor België zonder enige twijfel een uitzonderlijke verstrekking is indien men de implantatie van enkele 10-tallen stimulatoren stelt ten opzichte van een prevalentie van epilepsie van 60 tot 100.
  16. Dat de argumenten zoals aangehaald in het vonnis van de arbeidsauditeur van 16-11-2001 niet op reële gegevens berusten. In zijn medische verslagen van 31-8-1998 en van 24-11-2006 vermeldt Dr.B.: Een geleidelijke achteruitgang van mentale en motore functies sinds juni 91 en de ontwikkeling van gedragsstoornissen, het optreden van een episode van subcomateuse toestand in september 1993, het optreden van gemiddeld twee (tot drie) aanvallen per maand met een duur tussen 60 en 90 seconden Dit wijst erop dat de aandoening wel degelijk een bedreiging is voor vitale functies meer bepaald de hersenactiviteit. De bedoeling van een adequate epilepsiebehandeling is hersenbeschadigingen te vermijden. In 1998 nam de heer P. wel een 5 tal verschillende anti - epileptica die evenwel het optreden van frequente majeure aanvallen niet konden onderdrukken. In zijn verslag van 24-6-2006, daterend van na de implantaties, verklaart Dr. Boon dat het om een uiterst hardnekkige refractair complexe partiële epilepsie gaat, dat na de implantatie van de nervusvagus stimulator zich geen majeure convulsies of langduriger complex partiële aanvallen meer hebben voorgedaan en de aanvalsproblematiek beperkt is tot enkele zeer kortdurende afwezigheden per maand, een verbetering die de patiënt heeft toegelaten zelfstandig te wonen. Na de implantatie kon de heer P. ook voor het eerst vakantie nemen met zijn ouders. Er blijkt dat er zowel op medisch als op sociaal vlak een indicatie was voor de implantatie die de heer P. kennelijk heeft toegelaten een zelfstandiger leven te leiden. Dr. B. verklaart verder nog dat epilepsiechirurgie niet mogelijk was. (verklaring van 1-2-99) Volgens het RIZIV zouden in Frankrijk het aantal gevallen van pharmaco-resistente epilepsie tussen de 60 en 80.000 gevallen betreffen (op een bevolking geschat op 60 miljoen inwoners). Het acht de cijfers voor België vergelijkbaar, hetzij een 6000 tot 8000 gevallen van refractaire epilepsie, (op 10 miljoen inwoners) , een tiental gevallen op 10.000 inwoners hetgeen het RIZIV niet zeldzaam acht. In het stuk waarnaar het Riziv verwijst, een document besproken op de "consensus conferentie over de ten laste neming van de parmaco - resistente partiële epilepsie waaraan verschillende gespecialiseerde verenigingen meewerkten,,worden de cijfers in de voorwaardelijke wijze geciteerd. Er zouden zoveel gevallen zijn. Er wordt op gewezen dat er geen epidemiologisch onderzoek is gebeurd voor dit soort aandoening, zodat gesteund wordt op epidemiologisch onderzoek over epilepsie waarbij op een aantal punten voorbehoud wordt gemaakt. Er wordt o.m. op gewezen dat er geen consensus is over de definitie van de pharmaco resistentie. Verder stelt de tekst dat er verschillende definities van de pharmaco-resistente epilepsie worden gehanteerd. Er wordt op gewezen dat een aantal gevallen van pseudoresistentie eerst moet geëlimineerd worden: (verkeerde diagnose van epilepsie, onaangepaste of ontoereikende therapie etc). Uit de bespreking blijkt dat de vooropgestelde cijfers slechts approximatief kunnen zijn en dat het aantal werkelijke pharmaco-resistene vormen wellicht lager is. Een tweede stuk uitgaande van het "Institute of Neurology, National Hospital vor Neurology en Neruosurgery" te London, Engeland geeft vergelijkbare cijfers: In ontwikkelde landen: prevalentie van 50 tot 80 epilepsiegevallen per 10.000 inwoners. 40% van het totaal aantal epilepsiegevallen is chronisch en refractair en bij ongeveer 20% zijn de aanvallen niet onder controle te krijgen met bestaande agentia, of respectievelijk 20 tot 32 gevallen per 10.000 inwoners en 10 tot 16 per 10.000 inwoners. Het Auditoraat - generaal treedt de zienswijze van het RIZIV bij met verwijzing naar de EG Verordening nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16-12-99 inzake weesgeneesmiddelen waarbij geopteerd werd voor een aanwijzingscriterium van 5 personen die lijden aan de aandoening per 10.000 om het zeldzaam karakter van een aandoening te weerhouden. Het hof acht zich door die aanwijzing niet gebonden. De in België toepasselijke wetgeving geeft geen enkele indicatie voor de beoordeling van de zeldzaamheid van het uitzonderlijk karakter van een aandoening. De aangewezen verordening beoogde het stimuleren van maatregelen ter bevordering en ontwikkeling van weesgeneesmiddelen vanuit de vaststelling dat de pharmaceutische industrie de geneesmiddelen voor de diagnose, preventie en behandeling van bepaalde (zeldzame) aandoeningen waarvan de kosten niet zouden worden gedekt door de verwachte verkoop ervan niet zou ontwikkelen tegen normale marktvoorwaarden. Als indicatie voor een zeldzame aandoening wordt een prevalentie van maximum 5 gevallen per 10.000 inwoners als passende drempel aangenomen, doch de verordening aanvaardt een hogere prevalentie voor geneesmiddelen ter behandeling van levensbedreigende, ernstig invaliderende en chronische aandoeningen, onder bepaalde voorwaarden omdat ook voor die gevallen het recht op dezelfde kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid moet worden gewaarborgd. De drempel die in aanmerking wordt genomen houdt verband met deze die de kostprijs voor de pharmaceutische industrie te hoog zou doen oplopen om de geneesmiddelen voor dergelijke aandoeningen tegen normale marktvoorwaarden te produceren. (Zodat diegenen die aan die aandoeningen lijden verstoken zouden blijven van een behandeling. Voorliggend geval is niet in dezelfde context te situeren en aangenomen dat dezelfde criteria per analogie zouden moeten gehanteerd worden dan moet er ook rekening meegehouden worden dat voor levensbedreigende, ernstig invaliderende en chronische aandoeningen een hogere drempel kan aanvaard worden. Het hof meent door de zeer omstandige verslagen van Dr. B. over voldoende inlichtingen te beschikken om te besluiten dat de gevraagde tegemoetkoming voor een nervus vagusstimulator een uitzonderlijke verstrekking is, gelet op het beperkt aantal toepassingen dat hij vermeldt, bedoeld als behandeling van een zeldzame aandoening die in het geval van de heer P. dan nog onder een zeldzame en uiterst hardnekkig vorm voorkomt en die zijn vitale functies aantast. Het blijkt dat de aandoening ernstig invaliderend is en chronisch. Uit de door het RIZIV voorgelegde stukken blijkt overigens dat de mortaliteitsgraad bij dergelijke aandoening 2 tot 10 maal hoger ligt dan bij de gewone bevolking en dat behandeling er o.m. op gericht is deze mortaliteitsgraad te verminderen. De heer P. legt een 4-tal vonnissen voor waarin de Arbeidsrechtbanken telkens op basis van deskundige verslagen tot de conclusie kwam dat de implantatie van een nervus vagus stimulator een uitzonderlijke verstrekking voor een uitzonderlijke aandoening betrof die voldeed aan de voorwaarden gesteld in art 25§2 b van de ZIV-wet. (Arb.rb.Brussel, 9-11-07, AR 23.116,001;Arb.rb. Gent 28-10-04, AR 149.890/00; Arb.rb.Gent 22-4-2004, AR 153145/01; Arbrb.Turnhout, 1-3-2002, AR 23.772) Het hof acht de aanstelling van een deskundige niet noodzakelijk om een beslissing te heffen. Het hof beslist derhalve dat de heer P. in aanmerking komt voor de gevraagde tegemoetkoming; Het RIZIV stelt terecht dat het Bijzonder Solidariteitsfonds vrij beslist over de omvang van de tegemoetkoming binnen het jaarlijks door de Minister vastgestelde budget en dat de arbeidsgerechten daarover slechts een marginale toetsing kunnen uitoefenen. Wat de kosten betreft, meent het RIZIV dat de heer P. de kosten dient te dragen van het instellen van het hoger beroep per deurwaardersexploot terwijl hij dit per verzoekschrift had kunnen doen. De heer P. merkt terecht op dat het hoger beroep naar keuze kan worden ingesteld bij verzoekschrift of bij deurwaardersexploot. Art. 1017 2de lid gerechtelijk wetboek bepaalt dat de kosten van het geding ten laste worden gelegd van de overheid of instelling belast met het toepassen van wetten en verordeningen waaronder ook de ZIV-reglementering, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is. Dat zulk het geval zou zijn, beweert het RIZIV niet en blijkt overigens niet. De kosten van het geding vallen derhalve ten laste van geïntimeerde partijen, ook deze van de beroepsakte. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, in het bijzonder artikel
  17. Rechtsprekend op tegenspraak. Gelet op het niet eensluidend schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd 10 december
  18. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond Hervormt het bestreden vonnis Vernietigt de bestreden beslissing van het College van geneesheren-directeurs van het RIZIV van 25-5-2000 Zegt voor recht dat de kosten voor een nervus vagus stimulator die op 16-12-1998 bij appellant werd ingeplant in aanmerking komen voor tegemoetkoming in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds, die door eerste geïntimeerde dienen te worden begroot Legt de kosten van beide aanleggen ten laste van eerste geïntimeerde Deze kosten werden tot op heden begroot op: Voor appellante partij: 100,40 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 133,86 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Voor eerste geïntimeerde partij: Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg werd niet begroot 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Voor tweede geïntimeerde: Deze werden tot op heden niet begroot. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 januari tweeduizend en acht. Waren aanwezig: G. Balis: kamervoorzitter. G. Jacobs: Raadsheer in sociale zaken als werkgever D. Rega Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer- arbeider. I. Hurkmans Gedelegeerd Adjunct- Griffier. G. Balis I. Hurkmans G . Jacobs D. Rega PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080107.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.