← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080107.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080107.8 Rolnummer: 45.543 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2008-04-04 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 16:50 Fiche Art. 488 bis van het burgerlijk wetboek bepaalt dat de betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een voorlopig bewindvoerder is toegevoegd, gedaan worden aan diens woon-en verblijfplaats. Het betreft de betekeningen en kennisgevingen die betrekking hebben op het voorlopig bewind zoals bepaald in art. 488bis c en 488 bis f burgerlijk wetboek, dat beperkt is tot het beheer van de goederen van de betrokkene. Betekeningen en kennisgevingen die de beschermde persoon zelf betreffen, dienen derhalve gedaan te worden aan diens woonplaats. Die bepaling vermeldt echter niet dat de betekening in het raam van het voorlopig bewind dient te gebeuren onder de naam van de voorlopig bewindvoerder. Nu de aangetekende brief is geadresseerd aan de pupil, op het adres van zijn voorlopig bewindvoerder, diende die ervan uit te gaan dat deze wel degelijk het beheer van de goederen van de beschermde persoon betrof, te meer nu die brief uitging van de dienst uitkeringen van de LLM en de voorlopig bewindvoerder als beheerder van de goederen, de Z.I.V.-uitkeringen van zijn pupil ontving. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Voorlopige bewindvoering - Gevolgen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - terugvordering van onrechtmatig genoten uitkeringen - verjaring - stuiting - ingebrekestelling aan een voorlopig bewindvoerder Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 488 bis - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 JANUARI

  1. 7e kamer ZIV werknemers Tegensprekelijk Definitief. Not. Art. 580 §2 Ger. Wb. In de zaak: Mr. René Van Cleynenbreugel,advocaat, in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder over J. L. Appellant Tegen: De Landsbond Der Liberale Mutualiteiten, met zetel te 1030 Brussel, Koninginneplein 51/52 Geïntimeerde, verschijnt niet noch iemand voor haar. ó ó ó Na beraad spreekt de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: -Het eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 28 april 2004 door de 2de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel in de zaak met AR 1047/
  2. -Het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof te Brussel op 4 juni
  3. -De besluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 5 juli
  4. -De besluiten voor appellant neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 27 november
  5. -De Beschikking overeenkomstig art. 747 §2 GW van 26 april
  6. -De zaak werd op 14 juni 2007 gepleit voor een anders samengestelde zetel van het hof. Het Openbaar Ministerie gaf lezing van zijn advies op 28 juni
  7. Wegens de onmogelijkheid om de zetel samen te stellen werd het beraad uitgesteld op 8 november
  8. - Bij arrest van 8 november 2007 werd de heropening der debatten bevolen op 3 december
  9. Ter openbare terechtzitting van 3 december 2007 werden partijen opnieuw gehoord in hun middelen en verdediging voor een anders samengestelde zetel van het hof. De Raadsman van appellant legde een stukkenbundel neer. De debatten werden gesloten. De zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie uiterlijk binnen een termijn van 14 dagen. Partijen beschikten over een termijn van 14 dagen vanaf de kennisgeving van dit advies om hun eventuele repliekbesluiten neer te leggen, waarna de zaak van rechtswege in beraad zou worden genomen. Appellante partij legde repliekbesluiten neer. De zaak werd in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op 7 januari
  10. ó ó ó RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING: De heer Van Cleynenbreugel is voorlopig bewindvoerder van de heer J.. Bij beslissing van 3-4-2003 waarvan kennis werd gegeven op 4-4-2003, vorderde de LLM een onverschuldigd betaald bedrag terug van 834,89 Euro van de heer J. voor de periode gaande van 1-10-2000 tot 30-9-2001 De heer Van Cleynenbreugel heeft op 18-4-2003 ter griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven een verzoekschrift neergelegd om te horen zeggen voor recht dat de door de terugvordering verjaard was wat de periode betreft gaande van 1-10-2000 tot 4-4-
  11. Verder vorderde hij betaling van een bedrag van 210,20 Euro dat te weinig werd betaald over de periode van 1-9-2001 tot 31-3-2003 aan de heer J.. In ondergeschikte orde vorderde hij dat de arbeidsrechtbank zou zeggen voor recht dat het geval van de heer J. behartenswaardig is zodat aan geïntimeerde verzaking aan de terugvordering dient opgelegd te worden. Met op 14-10-2003 ter griffie neergelegde conclusie stelde de LLM een tegenvordering in ten einde terugbetaling te bekomen van een bedrag van 834,80 Euro ten onrechte ontvangen uitkeringen. Met het bestreden vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de hoofdvordering ontvankelijk doch ongegrond en de tegenvordering ontvankelijk en gegrond. Zij veroordeelde de heer Van Cleynenbreugel bijgevolg tot betaling van de som van 834,89 Euro als ten onrechte ontvangen uitkeringen en verwees de LLM in de kosten van het geding bij toepassing van art. 1017 2de lid Gerechtelijk Wetboek. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP: De heer Van Cleynenbreugel is het niet eens met de uitspraak van de Arbeidsrechtbank en verzoekt het hof de oorspronkelijke vordering toe te wijzen. De LLM verzoekt het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. II. BEOORDELING: 1.Ontvankelijkheid: Nu geen betekeningsakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.Ten Gronde: Met betrekking tot de verjaring: Volgens de LLM werd de verjaring geldig gestuit met een aangetekende brief van 24-10-2001 gericht aan de heer J. op het adres van zijn voorlopig bewindvoerder, te Tienen, Oude Vestenstraat,
  12. De heer Van Cleynenbreugel betwist dat die brief de verjaring geldig zou hebben gestuit omdat de brieven werden verzonden op naam van de heer J. maar op het adres van de voorlopig bewindvoerder, in plaats van op naam van de heer Van Cleynenbreugel in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder. Hij stelt dat uitdrukkelijk bij art. 488bis van het Burgerlijk Wetboek inzake voorlopig bewind is bepaald dat de ingebrekestellingen en kennisgevingen moeten worden verzonden aan de woonplaats van de voorlopig bewindvoerder in die hoedanigheid. Hij betoogt dat de wet op de voorlopige bewindvoering niet toelaat dat de voorlopig bewindvoerder de privé briefwisseling van zijn beschermeling ontvangt en opent aangezien hij uitsluitend vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft m.b.t. tot het actief van zijn beschermeling en dan nog binnen de perken van de wet op het voorlopig bewind, nl. het beheer van de goederen, zoals geregeld voor de wetswijziging van mei
  13. Het openen van de briefwisseling van zijn beschermeling zou een schending uitmaken van het briefgeheim dat strafrechtelijk werd gesanctionneerd. Daarom heeft hij die brief die niet aan hem was gericht niet aanvaard en niet geopend. De tweede ingebrekestelling bij brief van 3-4-2003 acht hij niet rechtsgeldig omdat deze evenmin aan de voorlopig bewindvoerder werd meegedeeld en bovendien niet werd ondertekend, zoals blijkt uit de stukken van de LLM zodat deze brief niet rechtsgeldig de verjaring kon stuiten. Art. 488bis van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een voorlopig bewindvoerder is toegevoegd, gedaan worden aan diens woon- en verblijfplaats. Het betreft de betekeningen en kennisgevingen die betrekking hebben op het voorlopig bewind zoals bepaald in art. 488 bis c en 488 bis f Burgerlijk Wetboek, dat beperkt is tot het beheer van de goederen van de betrokkene. Betekeningen en kennisgevingen die de beschermde persoon zelf betreffen dienen derhalve gedaan te worden aan diens woonplaats. De bepaling vermeldt niet dat de betekening in het raam van het voorlopig bewind dient te gebeuren onder de naam van de voorlopig bewindvoerder. Nu de aangetekende brief in voorliggend geval is geadresseerd aan de heer J. op het adres van zijn voorlopig bewindvoerder, diende die ervan uit te gaan dat deze wel degelijk het beheer van de goederen van de beschermde persoon betrof, te meer nu die brief uitging van de dienst uitkeringen van de LLM en de voorlopig bewindvoerder als beheerder van de goederen, de ZIV- uitkeringen van de heer J. ontving. Het hof meent dat de verjaring van de vordering ingesteld door de LLM met verzoekschrift op 14-10-2003 neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank, geldig is gestuit door de aangetekende brief van 24-10-
  14. Overeenkomstig art. 174,5° van de gecoördineerde ZIV- wet van 14-7-1994, verjaart de vordering tot terugbetaling na twee jaar. Indien de voorlopig bewindvoerder toch nog zou twijfelen kon hij met de heer J. overleggen of de afzender van de brief daarover ondervragen. Het door de LLM teruggevorderde bedrag is als zodanig niet betwist en komt volgens de voorgelegde stukken correct voor. De heer van Cleynenbreugel verzoekt in ondergeschikte orde dat het hof zou oordelen dat het geval van de heer J. behartenswaardig is. De arbeidsrechtbank wees er terecht op dat overeenkomstig art. 22 §2 van de wet van 11-4-1995 houdende het handvest van de sociaal verzekerde, de bevoegde instelling van sociale zekerheid, binnen de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité en goedgekeurd door de bevoegde minister, afzien van de terugvordering van het onverschuldigd betaalde in behartenswaardige gevallen. De arbeidsgerechten hebben een toetsingsrecht over dergelijke beslissingen. Zij kunnen echter geen verzaking bevelen indien die niet eerst aan de bevoegde instelling werd voorgelegd, zoals de arbeidsrechtbank terecht beslist heeft; OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, ingezonderd artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gehoord het OM in zijn eensluidend schriftelijk advies neergelegd op 28 juni 2007 Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond Bevestigt het bestreden vonnis. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de LLM bij toepassing van art 1017, 2de lid Gerechtelijk Wetboek. Deze kosten werden tot op heden door partijen bepaald op Voor appellante partij: Deze werden tot op heden niet begroot. Voor geïntimeerde partij: Deze werden tot op heden niet begroot. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 januari tweeduizend en acht. Waren aanwezig: G. Balis: kamervoorzitter. G. J.: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever D. Rega: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. I. Hurkmans Gedelegeerd Adjunct- Griffier. G. Balis I. Hurkmans G. J. D. Rega PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080107.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.