id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080107.9 Rolnummer: 45.284 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-06-02 Raadplegingen: 166 - laatst gezien 2026-07-02 16:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Er is sprake van een overgang van onderneming wanneer een overgedragen entiteit haar identiteit behoudt. Inzake een bedrijfsrestaurant maken bedrijfslokalen, keuken en restaurant, uitrusting en klantenkring de economische identiteit uit. De overnemer verbreekt op onrechtmatige wijze de arbeidsovereenkomst door de toegang te weigeren aan een werknemer verbonden aan de overgedragen activiteit. Vermits het om een onrechtmatig ontslag gaat, heeft de werknemer recht op een verbrekingsvergoeding en een vergoeding wegens willekeurig ontslag. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Overgang onderneming Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - NATIONALE ARBEIDSRAAD - Conventionele overgang van onderneming - Begrip overdracht - Cateringbedrijf - Paritair comité 302 - Ontslag door overnemer - Verbrekingsvergoeding - Willekeurig ontslag. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-05-1952 - 5bis - 01 ELI link Pub nr 1952052902 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 32bis - 6,L.2 Nota: Gerangschikt onder IV D 5bis (CAO 32bis), 6, al.
- Eveneens gerangschikt onder IV C - CPC 302 (CAO 25/06/1997). Gepubliceerd in JTT 2008, p.
- Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - PARITAIRE COMITES - CPC 302 - Conventionele overgang van onderneming - Begrip overdracht - Cateringbedrijf - Ontslag door overnemer - Verbrekingsvergoeding - Willekeurig ontslag. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 25-06-1997 - 13 Link Justel databank 19970625-13 Nota: Gerangschikt onder IV C - CPC 302 (CAO 25/06/1997). Eveneens gerangschikt onder IV D 5bis (CAO 32bis), art. 6, al.
- Gepubliceerd in JTT 2008, p.
- Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2008(308-310) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 JANUARI
- 5DE KAMER Arbeidscontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak : N.V. SODEXHO BELGIE, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1160 BRUSSEL, Charles lemairestraat
- Appellante, vertegenwoordigd door Mr. A. VANDEN ABEELE, advocaat te Brussel. Tegen :
- M.D. , wonende te [xxx]. Geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. A. VAN LANGENDONCK loco Mr N. SLUSE, advocaat te Brussel.
- N.V. BELGOCATERING, met maatschappelijke zetel gevestigd te 9300 AALST, Wijngaardveld
- Geïntimeerde op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr L. DE SCHRIJVER, advocaat te Gent. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 4de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 5 januari 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 25 maart 2004; de besluiten en aanvullende besluiten van de partijen; - het tussenarrest van dit Hof d.d. 10 juli 2006; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 17 december 2007 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. Gelet op het arrest gewezen op tegenspraak door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel d.d. 10 juli 2006 waar de debatten werden heropend teneinde beide partijen toe te laten zich te verdedigen omtrent het arrest dat gewezen werd door het Hof van Justitie 6de kamer van 20 november 2003 C 340/01(carlito/ N.V.Sodhexho). Het begrip van de overgang van onderneming en het behoud van rechten van de werknemers bij die overdracht maken het voorwerp uit van de Richtlijn 77/187/EEG van 14.02.1977, zoals gewijzigd door de Richtlijn 98/50/EG. Artikel 1.2 van de richtlijn 98/50 heeft ook de artikelen 1 tot 7 van de richtlijn 77/187 vervangen. Die wijzigingen zijn krachtens artikel 3 van de richtlijn 98/50/EG in werking getreden op de dag van haar bekendmaking in het publicatieblad van de Europese gemeenschappen, zijnde op 17 juli
- Uit de preambule van de richtlijn 77/187 blijkt reeds dat de bescherming van de werknemers beoogd wordt in de gevallen van verandering van ondernemer. Er werd door het Hof van Justitie geoordeeld dat de bepalingen van de richtlijn in zoverre als dwingend te beschouwen zijn dat er niet in voor de werknemers ongunstige zin van mag worden afgeweken, waaruit a contrario kan worden afgeleid dat van de bepalingen van de richtlijn wel kan worden afgeweken in voor de werknemers gunstige zin. Artikel 1 van de richtlijn 77/187/EEG dient vanaf haar inwerkingtreding steeds te worden uitgelegd zoals het wordt uitgelegd door het Hof van Justitie ongeacht het tijdstip van deze interpretatie. De nationale rechter moet trachten het met de richtlijn beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249 derde lid van het EEG verdrag te voldoen, luidens welk een richtlijn verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat. De rechter die het nationale recht uitlegt zonder op de toepasselijke richtlijn acht te slaan, miskent de uit het EEG verdrag voortvloeiende verplichtingen en verantwoordt zijn beslissingen niet naar recht (Cassatie 2 december 1996, arresten Cassatie 1996,470). De rechtspraak van het Hof van Justitie is als dusdanig niet bindend voor de nationale rechter en zij geeft een interpretatie van de Richtlijn. De nationale rechter moet bij de toepassing van de bepalingen van nationaal recht, ongeacht of zij van een eerdere of latere datum zijn dan de richtlijn, die zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het hiermede beoogde resultaat te bereiken. De richtlijn 98/50/EG heeft tot doel onder meer gehad het begrip overgang ter wille van de rechtszekerheid en transparantie te verduidelijken in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, zonder dat die verduidelijking een wijziging vormt van de werkingssfeer van de RL 77/187/EG, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. Het tweede lid van artikel 6 van de CAO nr 32bis werd ingevoegd bij CAO 32 quinquies dat als overgang beschouwt de overgang, met het oog op de voortzetting van een al dan niet hoofdzakelijke economische activiteit, van een economische activiteit, van een economische eenheid die haar entiteit behoudt, waaronder een geheel van georganiseerde middelen wordt verstaan. De CAO quinquies is de implementatie van de Richtlijn 98/50/EG en deze is ontleend aan de reeds lang bestaande rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Het is dan ook niet relevant dat de CAO quinquies nog niet van kracht was in onderhavig geval aangezien de richtlijn 77/187 en de interpretatie van artikel 1 eraan gegeven door het Europees Hof van Justitie, reeds bestonden. Ook in de zaak Abler was de richtlijn 98/50 nog niet omgezet in nationaal Oostenrijkse recht en toch besliste het Hof van Justitie dat artikel 1 van de richtlijn 77/187 derwijze moest worden uitgelegd dat de feitelijke situatie, die identiek is aan de onderhavige, een overdracht van onderneming uitmaakt in de zin van artikel 1 van de oorspronkelijke richtlijn. Door de toepassing van richtlijn 77/187/EG aangevuld met richtlijn 98/50/EG, dient de CAO 32 bis aangevuld met de CAO 32 quinquies dewelke bepalingen zijn van nationale recht, ongeacht of zij van eerder of later datum zijn van de richtlijn, te worden uitgelegd in het licht van de interpretatie zoals gegeven door het Hof van Justitie. De Belgische Hoven en Rechtbanken dienen, gelet op de voorrang van het gemeenschapsrecht, het begrip onderneming in art. 6 van de CAO 39bis in elk geval te interpreteren zoals het Hof van Justitie dat doet (Van Schoebeke CAO 32bis, Or 2002, 169 voetnoot 1). In deze interpretatie van de CAO 32 bis wordt door een overdracht van een onderneming zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie, de arbeidsovereenkomst van de bestaande werknemers overgedragen aan de overnemende onderneming, zonder dat een wilsovereenstemming tussen de werkgever en werknemer vereist is. Volgens het Europees Hof van Justitie is de richtlijn 77/187 van toepassing telkens wanneer in het kader van contractuele betrekkingen een wijziging plaatsvindt van de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van de onderneming en die als werkgever verplichtingen aangaat jegens de werknemers van de onderneming. Het is bijgevolg niet noodzakelijk voor de toepassing van de voornoemde richtlijn dat er rechtstreekse contractuele betrekkingen tussen de vervreemder en de verkrijger bestaan, aangezien de overdracht kan gebeuren via een derde, zoals de eigenaar of de verhuurder (arrest Europees Hof van Justitie Merckx 7 maart 1996 C171/94 en C172-; arrest Suzen C13/95; arrest Temco C- 51/00). In casu is de overdracht ingevolge overeenkomst bewezen gezien Ernst en Young op 1 oktober 2000 de uitbatingsovereenkomst, voor de uitbating van haar restaurant in haar lokalen, met de N.V. Sodexho beëindigde, om ze vervolgens contractueel toe te kennen aan de N.V. Belgocatering. Het begrip onderneming van art. 6 van de CAO 32bis dient te worden geïnterpreteerd en in 2000 reeds op grond van de richtlijn 98/50/EG en de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie dat op grond van een aantal indiciën onderzoekt of er sprake is van overdracht van onderneming. De richtlijn 77/187 heeft tot doel, ook bij verandering van eigenaar, de continuïteit van de in het kader van een economische eenheid bestaande arbeidsverhoudingen te waarborgen. Het beslissende criterium is of de identiteit van de betrokken eenheid bewaard blijft, wat blijkt uit het feit dat de exploitatie daarvan in feite wordt voortgezet of hervat. In de rechtspraak van het Hof van Justitie over de criteria die in aanmerking komen om uit te maken of een overgedragen entiteit haar identiteit behoudt, is een evolutie vast te stellen, die wordt omschreven als een overgang van de zogenaamde activiteitsleer naar de zogenaamde organisatieleer (zie hierover Bayaert outsourcing en overdracht van onderneming- rechtspraak Hof van Justitie Or , 11 en v). Voordien was er sprake van een identiteitscontrole die uitgevoerd werd op de activiteit van de onderneming. Er was sprake van een overgang van onderneming indien de overdrager en overnemer een identieke activiteit voerden. Sinds de rechtspraak van het Hof van Justitie vanaf 1996 wordt meer gelet op de plaats waar de activiteit wordt uitgevoerd en zal sprake zijn van een overdracht van onderneming wanneer een identieke of gelijkaardige organisatie wordt overgenomen (Hof van Justitie 10 december 1998 Hernandez C127/96,C229/96 C74/97 Hidalgo C 173/96 en Ziehman Gmbh C 247/96, Hof van Justitie 2 december 1999 Allen C 234/98 en C172/99). Door het inlassen van het tweede lid in artikel 6 door de CAO 32 quinquies werd de organisatieleer die reeds door het Hof van Justitie bestond vanaf 1996 in feite overgenomen (Vanschoebeke CAO 32 bis inzake overdracht van onderneming geactualiseerd en herschreven Or 2002,162 en 169). Het wordt in de feiten niet betwist dat de uitbating van de catering, voordien waargenomen door de N.V. Sodexho en vervolgens door de N.V. Belgocatering, plaatsvinden in de ter beschikking gestelde bedrijfsruimten die voor de exploitatie nodig zijn, eigendom van Ernst en Young. Ook de gehele keukenuitrusting, restaurantuitrusting gaande van kookfornuis en ovens, borden en afwasmachines, doch ook de energievoorzieningen en watervoorzieningen die zich in de bedrijfsruimten van Ernst en Young bevinden, werden overgedragen; de omzeggens gehele klantenkring van voorganger Sodexho werd eveneens overgenomen aangezien het personeel van het bedrijf Ernst en Young geen ander cateringbedrijf kan kiezen. Bijgevolg leidt het Arbeidshof uit deze niet betwiste feiten af dat bedrijfslokalen, keuken- en restaurantuitrusting en klantenkring in casu de economische identiteit vormen dewelke in het kader van contractuele betrekkingen werd overgedragen. Dit werd overigens in een arrest van het Europees Hof van Justitie bevestigd dat bij cateringactiviteit is de uitrusting de voornaamste factor is bij deze activiteit (arrest Abler 20.11.2003 C 340/01). In deze zaak is er sprake van onderneming zijnde dezelfde bedrijfsuitrusting, zelfde bedrijfsplaats en klantenkring in de zin van artikel 1 van de richtlijn 77/
- Zo blijven minimale voorwaarden dezelfde zoals voldoende stocks om te voorzien in de behoeften; respecteren van uurroosters in functie van het(zelfde) personeel; uithanging en bekendmaking van de menu's voor het personeel. Het feit dat Ernst en Young eigenaar blijft van de bedrijfsruimtes en van de uitrusting die nodig zijn voor de voortzetting van de activiteit, het feit dat geen werknemers door de overnemer worden overgenomen verzetten zich er niet tegen dat een gewone wijziging van opdracht nemer toch als een overgang van economische eenheid dient te worden beschouwd. Een economische activiteit met eigen doelstelling en identiteit werd overgenomen. Nu eisende partij zowel het ene als het andere bewijst is sprake van een overdracht van onderneming in de zin van de CAO 32 bis , zoals geïnterpreteerd door het rechtspraak van het Hof van Justitie. De CAO 14 van PC nr 302 voorziet bijgevolg wel in een situatie waarop de CAO 32 bis eveneens van toepassing is, zoals geïnterpreteerd door de rechtspraak van het Hof van Justitie, en zij is bijgevolg hiermee niet strijdig. Ondergeschikt kan worden gesteld dat niets er zich tegen schijnt te verzetten dat op het niveau van de sectoren het toepassingsgebied van de regeling wordt voorzien in ruimere gevallen dan deze van de CAO 32 bis, dit mede gelet op het cassatiearrest van 22 mei
- De commentaar van art. 6 van de CAO 32 bis, wellicht impliciet afgeschaft door de richtlijn 98/50, voorzag reeds "als ‘overgang van een onderneming krachtens overeenkomst' kunnen onder meer worden beschouwd de wijziging van het juridisch statuut van een onderneming, de invennootschapsstelling, de cessie, de fusie en de absorptie. De opsomming is bijgevolg niet limitatief... Zij doet evenmin afbreuk aan de interpretatie zoals gegeven door de rechtspraak van het Hof van Justitie te Luxemburg". Ook de CAO 32 bis dient gelezen in het licht van de interpretatie van het Hof van Justitie en de richtlijn 98/50/EG. Niet zozeer art. 7 van de CAO 32bis is belangrijk, dit is het gevolg, maar art. 6, zoals gezien in het licht van de Richtlijnen en de rechtspraak van het Europees Hof zijn dit, gezien de behanteerde begrippen overgang van onderneming krachtens overeenkomst. De vaste norm is de definitie van het woord onderneming van de CAO 32 bis, zoals uitgelegd door het Europees Hof. Het gaat niet over minimum of maximum normen of over niet toegelaten uitbreidingen. Het Hof onderzoekt alleen of de situatie die zich in dit geval voordoet valt onder de CAO 32 bis en in bevestigend geval is in casu op dit punt de CAO 14 eveneens van toepassing. De CAO 32bis is geen minimum of maximumnorm die kan worden gewijzigd door een lagere rechtsnorm; de begrippen overgang van onderneming en ingevolge overeenkomst zijn begrippen die dienen geïnterpreteerd zoals door het Europees Hof van Justitie wordt gedaan. Het is tevens belangrijk te noteren dat de conclusies van advocaat Geelhoed niet werden gevolgd door het Europees Hof van Justitie en dat de CAO 32 bis alleen in het licht van de interpretatie van de arresten van het Europees Hof van Justitie dienen te worden geïnterpreteerd. Ook het arrest Suzen is niet gebaseerd op dezelfde feiten dan onderhavige aangezien hier in casu bedrijfsuitrusting en bedrijfslokalen overgedragen werden. Ondergeschikt kan worden vastgesteld dat het arrest Temco/Samir van 24.01.2002 het arrest Suzen zeer sterk relativeert. Zo is ieder arrest een analyse van alle feitelijke elementen in die specifieke zaak en zijn de diverse criteria ter beoordeling in een globale balans ter weging opgenomen, zonder dat een afzonderlijk criterium op zich doorslaggevend is. Wat het Hof betreft, is het verwijt naar de CAO van 3 december 2002 in haar art. 2 ondermeer al. 2 wat betreft de toepasselijkheid "ongeacht of de operatie gepaard gaat met een overname van economische entiteit, en dus ongeacht het aantal werknemers EN ongeacht het belang van de activa elementen overgenomen door de cessionaris" niet te vergelijken met de CAO 14 waarin deze bewoordingen niet voorkomen. Doordat de CAO van 3.12.2002 uitdrukkelijk de voorwaarde van de overname van een economische entiteit verwerpt, heeft de minister blijkbaar de algemeen verbindendverklaring geweigerd. Deze argumenten doen niets af aan de verplichting voor de rechter, de bewoordingen van de CAO 14 te interpreteren, indien daar reden toe is, aan de hand van extrinsieke of intrinsieke elementen, of de bedoeling der partijen bij de CAO, conform de geldende interpretatieregels. Alle verdere middelen zijn niet meer relevant; zo ondermeer de bepaling in de arbeidsovereenkomst met eerste geïntimeerde dat de werkgever de arbeidsplaats mocht wijzigen. Evenals het argument dat de derde, Ernst en Young, wel een discontinuïteit wenste. De wensen van de derde zijn niet terzake doende. Er is evenmin sprake van enige ongelijke behandeling tussen werkgevers of concurrentievervalsing of niet toepassing van art. 2 omwille van het woord "onderaannemingscontract" van de CAO 14, aangezien alle overnemende bedrijven, vallende onder de sector 302, aan dezelfde voorwaarden dienen over te nemen, met name deze van de CAO 32 bis. De overwegingen van de Advocaat-generaal Geelhoed werden door het Hof van Justitie niet gevolgd. Zowel uit de intrinsieke elementen van de te interpreteren CAO met name het gebruik door partijen van de woorden "in het kader van een hergunning of heraanbesteding", als uit extrinsieke elementen zijnde de uitlegging in een latere CAO door dezelfde partijen blijkt de toepasselijkheid van artikel 2 van de CAO in geval van beëindiging van een cateringsuitbatingscontract in de lokalen van en met de bedrijfsuitrusting van de opdrachtgever dewelke deze toevertrouwt aan een ander cateringsbedrijf in dezelfde omstandigheden nl. overdracht van bedrijfslokalen en -uitrusting en klantenkring. Zowel uit de bepalingen van art. 1 voornoemd, waarin men spreekt zowel van de cedent- cessionnaris OF de onderaannemer, als uit de definitie van gunning, dit is het toewijzen van een leverantie, een aanbesteding (zie Van Dale woordenboek) evenals uit de bedoelingen van de contracterende partijen bij de CAO van 97, zoals uiteengezet en explicieter gesteld in de latere CAO van 3 december 2002, blijkt dat de bepalingen van voornoemde CAO van 1997 van toepassing zijn op aannemingscontracten en niet alleen op onderaannemingscontracten. De CAO nr.14 algemeen verbindend verklaard bij KB van 10.1.98 en verschenen in B.S. van 3.3.99 gaat inderdaad niet verder dan hetgeen voorzien is in de richtlijn 77/187 zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. Een CAO tot behoud van de rechten van de werknemers in geval van de wijziging van de werkgever valt niet onder de verbodsbepalingen van artikel 2§1 van de wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging. Zo blijkt ontslag na de overdracht nog steeds mogelijk door de overnemer. Tevens bevinden alle bedrijven dewelke door hun activiteiten vallen onder hetzelfde paritair comité zich in dezelfde situatie. Er is geen reden tot prejudiciële vraagstelling nu de feiten in deze zaak volledig identiek zijn aan de feiten in de zaak Abler en de N.V. Belgocatering, door haar uitbatingsovereenkomst met Ernst en Young niet neer te leggen, evenmin bewijst, wat zij inroept, met name dat zij een eigen specifieke wijze van catering dienst verzorgt, met eigen organisatie en know how en met een feitelijke discontinuïteit in de cateringdiensten. Een deskundige kan hiertoe niet worden aangesteld nu het bewijs ervan door stukken kan worden bijgebracht (de eigen contracten met de klant) doch door geïntimeerde zelf wordt medegedeeld dat zij wegens de vertrouwelijkheid van de bedrijfsinformatie niet worden neergelegd. De wijziging van werkgever is het gevolg van de overgang van onderneming en hierdoor is de arbeidsovereenkomst door de overdracht en op dat ogenblik op Belgocatering overgegaan. Nu door de overdracht de arbeidsovereenkomst van 1ste geïntimeerde is overgegaan op N.V. Belgocatering heeft deze, door de toegang te weigeren aan 1ste geïntimeerde de arbeidsovereenkomst op onrechtmatige wijze verbroken. Het gaat dus niet om een ontslag op grond van art. 4 van de Richtlijn. Mevrouw M.D. maakt terecht aanspraak op een verbrekingsvergoeding t.b.v. 1.179,75 Euro evenals op een vergoeding wegens willekeurig ontslag ten belope van 7.668,41 Euro lastens de N.V. Belgocatering. De gevorderde bedragen van de verbrekingsvergoeding en vergoeding willekeurig ontslag worden door de N.V. Belgocatering niet betwist. De N.V. Belgocatering bewijst evenmin dat het aangaan van de uitbatingsovereenkomst met Ernst en Young het ontslag van mevrouw M.D. noodzakelijk maakte. Het hoger beroep evenals het incidenteel hoger beroep komt voor als gegrond. Alle overige middelen worden als niet relevant afgewezen. De N.V. Belgocatering roept terecht in dat de intresten de slechts verschuldigd zijn op de met de verschuldigde vergoedingen overeenstemmende netto bedragen en dit aan de wettelijke intresten voelt. Het Hof van Cassatie heeft reeds geoordeeld dat de wet van 26 juni 2002 op de sluiting van de ondernemingen geen interpretatieve karakter had, zodat op die grond geen intresten op de bruto vergoedingen kan worden toegekend (Cassatie 6 februari 2006, JTT 2006,250). Het KB van 3 juli 2005, waarbij uitvoering wordt gegeven aan artikel 81 en 82 van de sluitingswet van 26 juni 2002 met betrekking tot de intresten, bepaalt niet enkel de datum van inwerkingtreding van de wet doch stelt eveneens dat de intresten op de brutoloonbedragen slechts verschuldigd zijn voor de lonen verschuldigd vanaf 1 juli
- Dit koninklijk besluit werd echter niet voor advies voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Nochtans diende het KB, voormeld dat een reglementair karakter heeft, aan de afdeling wetgeving van de Raad van State te worden voorgelegd. Dit is niet gebeurd, zonder dat enig motief van hoogdringendheid werd vermeld in de preambule van het koninklijk besluit. De verplichting tot het inwinnen van advies raakt de openbare orde. Het Hof van Cassatie is van oordeel dat de hoven en rechtbanken, zonodig ambtshalve moeten weigeren een organiek koninklijk besluit toe te passen dat, tenzij op voorwaarde van behoorlijk gemotiveerde hoogdringendheid, niet werd voorgelegd aan het voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat deze consultatie die voorgeschreven werd door een wet van openbare orde, een substantieel vormvoorschrift is, waarvan de niet-naleving de onwettigheid van het besluit meebrengt (Cassatie 10 maart '55 Pas I 50I 760; AH Luik 6 januari 2004 sociale kroniek 12 1 2004;397). De N.V. Belgocatering roept terecht in dat het KB van 3 juli 2005 onregelmatig is, zodat er geen rekening mee kan worden gehouden en er moet vanuit gegaan worden dat aan artikel 81 en 82 van de sluitingswet van 26 juni 2002 geen uitvoering werd gegeven (zie in deze zin eveneens AH Antwerpen 25 april 2007 JTT 2007,369 en AH Brussel AR 46.127 van 23 november 2007). OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep gegrond als volgt; Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw wijzend; Verklaart de vordering van mevrouw M.D. lastens de N.V. Belgocatering ontvankelijk en gegrond; Veroordeelt N.V. Belgocatering tot betaling van de som van : - euro 1.179,75 ten titel van verbrekingsvergoeding, - euro 7.668,41 ten titel van vergoeding wegens willekeurig ontslag, meer de wettelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet op de overeenstemmende nettobedragen; Veroordeelt de N.V. Belgocatering tot afgifte van een formulier C4 zonder dat in de huidige stand van het geding aanleiding is tot het opleggen van dwangsom; Verklaart de vordering van mevrouw M.D. lastens N.V.Sodhexho ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt de N.V. Belgocatering tot de kosten van onderhavig geding; Deze kosten werden tot op heden begroot op : - voor appellante partij N.V. Sodexho : euro 297,47 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, - voor eerste geïntimeerde partij M.D. : euro 279,45 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, euro 61,95 aanvullende rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, - voor 2de geïntimeerde partij N.V. Belgocatering : euro 297, 45 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 januari 2008, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS: Eerste Voorzitter, De Heren : E. MAGNUS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, D. DE RAEDT: Griffier, E. MAGNUS D. VANHAGENDOREN D. DE RAEDT B. CEULEMANS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080107.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div