← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080207.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080207.7 Rolnummer: 49.532 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2008-05-09 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 17:00 Fiche 1 Op grond van artikel 21 van de arbeidswet mag de duur van elke werkperiode niet korter zijn dan drie uren; deze minimumduur kan worden gewijzigd door de koning of door een C.A.O., gesloten op het vlak van de bedrijfstak of door een C.A.O. gesloten op het vlak van de onderneming. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 juni 1990 wordt bepaald dat voor de volgende werknemers kan worden afgeweken van de grens van drie uren : De werklieden waarvan het werk er uitsluitend in bestaat de lokalen, waarin hun werkgever voor beroepsdoeleinden gehuisvest is, schoon te maken. Deze uitzonderingsbepaling is niet van toepassing op de werknemer aan wie een conventioneel bediendenstatuut werd toegekend. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Arbeids- en rusttijden - Arbeidsduur Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOR WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - bijdrageregeling - minimumduur van tewekstelling Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1971 - 21 - 02 ELI link Pub nr 1971031602 Fiche 2 Uit artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet vloeit voort dat wanneer de werkgever het conventionele bediendes ta tuut aan een werknemer toekent, hij alleen de voordelen en niet de eventuele nadelen verbonden aan het bediendestatuut kan verlenen. De werkgever kan zich niet meer beroepen op een uitzonderingsbepaling van de regel dat elke werkperiode niet korter mag zijn dan drie uren, die enkel voor werklieden geldt en die tot gevolg heeft dat de werknemer over minder bestaansmiddelen beschikt en wordt onderworpen aan de strenge werkloosheidsregels. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht - Titularis auteursrecht - Arbeidsovereenkomst/statuut SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Bedienden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Conventioneel bediendestatuut - Gevolgen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gepubliceerd in R.A.B.G. 2008, p. 876 + noot Vincent Dooms. Gerangschikt onder II AAN art.

  1. Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - Dooms(Vincent) - 2008(876-886) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Sociale Zekerheid Bijdragen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V. I. J., appellant, vertegenwoordigd door Mr. V. De Geeter loco Mr. F. De Croo-Desguin, advocaat te 9660 Brakel, Tegen: de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel,, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr.S. Claeys loco Mr. B. De Geest, advocaat te 1700 Dilbeek, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 15 januari 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 14 februari 2007; - de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; - de synthesebesluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 29 november 2007, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. I. DE FEITEN Appellant, de heer J. V. I. baatte een éénmanszaak uit te G,, Mevrouw M. B. d'E., toen zijn echtgenote, was in dienst sedert 2 mei 1985; op die datum werd een arbeidsovereeenkomst deeltijdse arbeid opgemaakt voor telkens twee uur per dag van 14 uur tot 16 uur (maandag tot zaterdag), waarin mevrouw B. d'E. systematisch werd aangeduid als de bediende. Bij deze arbeidsovereenkomst werd op dezelfde datum ook nog een aanvulling afgesloten waarin werd uiteengezet wat volgt : " de werknemer is in dienst van de werkgever om schoonmaaktaken uit te voeren. De werkgever is uitdrukkelijk akkoord aan de werknemer de voordelen van het statuut van bediende toe te kennen onder P.C.
  2. De werknemer werd aangeworven om op het kantoor van de werkgever gevestigd te G. schoon te maken". Op 18 oktober 1999 werd door een sociaal inspecteur van de toenmalige Inspectie van de sociale wetten vastgesteld dat appellant als werkgever inbreuk pleegde op artikel 21 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door mevrouw B. d'E. te werk te stellen voor een periode korter dan drie uren per dag, namelijk gedurende slechts twee uren, zes dagen per week. De inspectiedienst stelde vast dat geen uitzonderingen voorzien zijn in de schoot van het Paritair Comité 218 voor wat betreft de minimum tewerkstellingsduur van drie uur per gewerkte periode. Aldus werd appellant uitgenodigd tot regularisatie over te gaan tot 13 juni 1999; vanaf 14 juni 1999 werkte mevrouw B. d'E. immers drie uren per dag à rato van vijf dagen per week. Appellant weigerde op dit verzoek tot regularisatie in te gaan zodat de R.S.Z. op 25 oktober 2000 een bericht van wijziging van bijdragen opstelde voor een bedrag van 8.073,69 EURO overeenkomstig de gegevens vermeld op het formulier F33 van 15 juni
  3. Appellant werd ook nog vervolgd voor de Correc-tionele Rechtbank te Brussel wegens inbreuk op ondermeer artikel 21 van de wet van 16 maart 1971 (minder dan drie uur tewerkstelling zonder dat er een uitzondering gold, het niet betalen van sociale zekerheidsbijdragen op de correcte lonen, het niet betalen van het correcte dubbel vakantiegeld en van het correcte loon). De Correctionele Rechtbank sprak op 25 april 2001 appellant vrij omwille van het bestaan van een schulduitsluitingsgrond, met name onoverwinnelijke dwaling, die werd afgeleid uit de houding van de R.V.A. die de situatie zou gedoogd hebben door een inkomensgarantie-uitkering tot te kennen. II. PROCEDURE Op 30 maart 2001 dagvaardde de R.S.Z. appellant in betaling van een bedrag van 10.812,50 EURO meer de wettelijke intresten op 8.073,69 EURO vanaf 30 februari 2001 tot de dag der laatste betaling meer de gerechtelijke intresten en de kosten. In het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank Brussel van 15 januari 2007 wordt de vordering gegrond verklaard en worden de drie argumenten van huidige appellant verworpen:
  4. Appellant verwees naar het koninklijk besluit van 18 juni 1990 waarin wel in een afwijking op de minimumduur van drie uren, zoals bepaald in artikel 21 van de arbeidswet, zou zijn voorzien; de eerste rechter stelde vast dat dit koninklijk besluit van toepassing was op de werklieden ( arbeiders), terwijl mevrouw B. d'E. als bediende te werk gesteld was.
  5. Het ontvangen van de inkomensgarantie-uitkering door de R.V.A.; de eerste rechter aanvaarde niet dat de R.V.A. de arbeidsovereenkomst van twee uur gedoogd had, daar deze instelling de inkomensgarantie-uitkering van één uur per dag had teruggevorderd; tevens kan de houding van een andere administratie niet ter zake doen in verband met de rechten van de R.S.Z.
  6. Het gevolg van de correctionele vrijspraak; de eerste rechter wijst erop dat alleen, wat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist, gezag van gewijsde heeft; de vrijspraak was gebaseerd op een schulduitsluitingsgrond van onoverwinnelijke dwaling, zodat enkel het moreel bestanddeel van het misdrijf niet bewezen werd geacht. De strafrechter heeft dus niet beslist dat de tewerkstelling wettig was. Bij verzoekschrift in hoger beroep dd. 13 februari 2007, neergelegd ter griffie op 14 februari 2007 stelde de heer J. V. I. beroep in tegen dit vonnis en hernam hij zijn oorspronkelijke argumenten. III.BEOORDELING
  7. De afwijkingsmogelijkheid van artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 juni 1990 Op grond van artikel 21 van de arbeidswet mag de duur van elke werkperiode niet korter zijn dan drie uren; deze minimumduur kan worden gewijzigd door de Koning of door een C.A.O., gesloten op het vlak van de bedrijfstak of door een C.A.O. gesloten op het vlak van de onderneming. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 juni 1990 wordt bepaald dat voor volgende werknemers kan worden afgeweken van de grens van drie uren : De werklieden waarvan het werk er uitsluitend in bestaat de lokalen, waarin hun werkgever voor beroepsdoeleinden gehuisvest is, schoon te maken. Terecht wijst het Openbaar Ministerie erop dat deze uitzonderingsbepaling niet van toepassing is op appellant daar hij aan mevrouw B. d'E. een conventioneel bediendestatuut heeft toegekend. Het staat de partijen bij een arbeidsovereenkomst immers vrij overeen te komen dat de werknemer, ongeacht de werkelijke aard van prestaties, in ieder geval recht heeft op de voordelen van de rechtspositie van bedienden, op grond waarvan de betrokken werknemer in beginsel deze voordelen mag opeisen (Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt 21 oktober 1986, Limb. Rechtl. 1987, 36; Arbeidshof Brussel 24 mei 1991, R.S.R. 1991, 433 en Arbeidshof Brussel 4 oktober 1990, Soc. Kron. 1991, 186). De rechter mag de werknemer de voordelen niet ontnemen, die deze werkgever hem heeft willen toekennen door hem onder de rechtspositie van bediende te plaatsen (Arbeidsrechtbank Dinant 7 januari 1978, Jur. Liège 1978, 118). Het Openbaar Ministerie merkt hierbij terecht op dat de werkgever alleen de voordelen en niet de eventuele nadelen verbonden aan het bediendestatuut kan verlenen ( Arbeidshof Gent, afdeling Brugge 19 december 1988, R.W. 1989-1990, 440). In zijn repliek begrijpt appellant deze regel verkeerd, daar hij van oordeel is dat de drie urenregel een nadeel is, dat aan het bediendestatuut kleeft; hij meent voor zich zelf het voordeel te mogen opeisen van de uitzondering van artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 juni
  8. De regel dat enkel voordelen en niet de nadelen conventioneel worden toegekend is een uitvloeisel van artikel 6 van de arbeidsovereenkomstenwet, waarin wordt bepaald dat contractuele bedingen nietig zijn voor zover zij ertoe strekken de rechten van de werknemer in te korten of zijn verplichtingen te verzwaren. Bij een arbeidsovereenkomst verbindt de werknemer er zich toe om arbeid te verrichten en de tegenprestatie hiervan is dat hij een loon bekomt. Het loon geeft aan de werknemer de mogelijkheid om in zijn levensonderhoud te voorzien (zie H. Lenaerts, Inleiding tot het sociaal recht, 1995, pag. 187 - 188 nr. 136); door het afsluiten van een arbeidsovereenkomst geniet de werknemer van zijn recht op arbeid, waardoor hij beschermt wordt tegen werkloosheid (zie H. Lenaerts, a.w pag. 11 nr. 7) door te kunnen werken en aldus gevrijwaard te blijven van werkloosheid, bekomt de werknemer dus alleszins een voordeel waardoor hij beter in zijn levensonderhoud kan voorzien. Wanneer appellant het kunnen profiteren van de werkloosheidsregeling als voordeel wil laten doorgaan, veronachtzaamt hij dat hiermee de rechten van de werknemer wel degelijk worden ingekort; zijn standpunt gaat uit van zijn oogpunt; waarbij hij de bescherming van de arbeidswet, waardoor verplichtingen aan de werkgever worden opgelegd, beschouwt als een nadeel, maar artikel 6 van de arbeidsovereenkomstenwet heeft juist tot doel dat de voordelen voor de werknemer zouden gevrijwaard worden. Wanneer appellant dus het conventionele bediendestatuut heeft toegekend, dan kan hij zich niet meer beroepen op een uitzonderingsbepaling die enkel voor werklieden geldt en die tot gevolg heeft dat de werknemer over minder bestaansmiddelen beschikt en onderworpen wordt aan de strenge werkloosheidsregels. Het Hof ziet geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof m.b.t. een verschil tussen arbeiders en bedienden omtrent het uitvoeren van schoonmaakprestaties ; in casu vloeit dit verschil niet voort uit een wettelijke bepaling, maar uit de eigen keuze van de werkgever die het bediendestatuut conventioneel had toegekend.
  9. De houding van de R.V.A. Het is evident dat een foute wetstoepassing, ook al gebeurt deze door een sociale zekerheidsinstelling zoals de R.V.A., geen rechten kan doen ontstaan ten voordele van de werkgever. Terecht heeft de eerste rechter er op gewezen dat de R.V.A., wanneer zij de juiste toedracht had ingezien een beslissing tot terugvordering heeft genomen; de Arbeidsrechtbank van Brussel heeft in zijn vonnis van 10 januari 2005 de gevolgen van deze terugvorderingsbeslissing voor de werkloze beoordeeld vanuit de bepalingen van het Handvest van de sociaal verzekerde. Appellant kan hieruit geen voordeel putten en betoogt ten onrechte dat een mogelijke fout van iemand anders hem ook het recht zou geven om een wetsovertreding te begaan.
  10. Non bis in idem Terecht heeft de eerste rechter erop gewezen dat het gezag van gewijsde in strafzaken ten aanzien van de burgerlijke rechter beperkt is tot wat zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist (Cass. 17 december 1990, J.T.T. 1991, 33, Cass. 27 september 1982, R.W. 1983-1984, kol. 116). In het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brussel 52ste kamer dd. 25 april 2001 wordt uitdrukkelijk enkel uitspraak gedaan omtrent de schulduitsluitingsgrond van de onoverwinnelijke dwaling, zodat de materialiteit van de inbreuk niet werd onderzocht. In casu betreft het een burgerlijke vordering met betrekking tot de rechten van de R.S.Z. op het invorderen van correcte bijdragen. De strafrechter heeft hierover geen uitspraak gedaan en ten onrechte wil appellant een argument vinden in artikel 14, 7de lid van het BUPO-verdrag dat betrekking heeft op het verbod om iemand voor een tweede keer te berechten of te straffen voor een strafbaar feit waarvoor hij veroordeeld is of waarvan hij is vrijgesproken. Huidige procedure heeft geen betrekking op een nieuwe strafrechtelijke berechting, zodat artikel 14, 7de lid van het BUPO-verdrag ten onrechte wordt ingeroepen. Evenmin kan appellant een argument halen uit het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 23 oktober 1995 inzake Grandinger/Oostenrijk dat betrekking had op een nieuwe administratieve strafrechtelijke vervolging, terwijl de RSZ hier een burgerlijke vordering instelde, waarbij ze aan haar verschuldigde bijdragen opvorderde.
  11. Wat het bedrag betreft van de gevorderde bijdragen In toepassing van artikel 21 van de arbeidswet van 16 maart 1971 diende de minimumduur van de werkperiodes van Mevrouw B. d'E. drie uur te bedragen. Mevrouw B. d'E. werd slechts voor twee uur aangegeven. Voor elke werkperiode diende derhalve een regularisatie met 1 uur (50 %) doorgevoerd te worden. Het is in die zin dat de sociale inspectie de lonen regulariseerde (vgl. formulier F33 van 15 juni 2000). De geregulariseerde bedragen vindt men terug op het bericht van wijziging van bijdragen van 25 oktober
  12. Appellant kan niet vragen vrijgesteld te worden van de betaling van de opslagen en verwijlintresten nu hij geen gevolg gaf aan de aangetekende brief van de R.S.Z. van 18 oktober 2000 en het bericht van wijziging van bijdragen van 25 oktober 2000 hem uitnodigde het bedrag van 323.692 fr. (8.073,7 EURO) sociale zekerheidsbijdragen m.b.t. de periode maart 1995 t.e.m. februari 1999 te betalen. Geïntimeerde heeft terecht toepassing gemaakt van artikel 28 e.v. van de wet van 27 juni 1969 en artikel 54 van het Koninklijk Besluit van 28 november
  13. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn eensluidend schriftelijk advies neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 12 december 2007; Gelet op de repliekconclusie van appellant neergelegd ter griffie op 4 januari 2008; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant 297,45 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde niet begroot Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeven februari tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : De heer L. LENAERTS, Raadsheer de heer J. BOULOGNE, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer D. REGA, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER L. LENAERTS D. REGA J. BOULOGNE PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080207.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.