← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080222.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour du travail de Bruxelles Jugement/arrêt du 22 février 2008 No ECLI: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080222.3 No Rôle: 49.079 Domaine juridique: Droit du travail Date d'introduction: 2008-04-04 Consultations: 153 - dernière vue 2026-07-02 17:04 Version(s): Traduction NL Fiche Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Cession d'entreprise Bases légales: Loi - 29-05-1952 - 5bis - 01 Lien ELI No pub 1952052902 Convention collective de travail numérotée - 32 bis - 07-06-1985 - 31 Lien DB Justel 19850607-31 Texte de la décision - Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 22 FEBRUARI

  1. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + heropening der debatten voor neerlegging stukken overeenkomstig artikel 879 G.W. op 23 mei 2008 om 14 uur. In de zaak:
  2. DE N.V. METAALBOUW VRANCKX, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1910 Kampenhout, Oudestraat, 9, ondernemingsnummer 0421 231 705, en inschrijving in het handelsregister te Brussel onder nr. 431.661,
  3. DE B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1910 Kampenhout, Oudestraat, 9, ondernemingsnummer 0452 793 624, en inschrijving in het handelsregister te Brussel onder nr. 582.495, Appellanten, geïntimeerden op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter E. Lachaert loco Mter W. Van Roeyen, advocaat te 9051 Sint-Denijs-Westrem; Tegen : De Heer K. , Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mter S. Vandebroek loco Mter J. Nulens; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel (2de kamer ) op 12 juni 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 29 september 2006; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 26 april 2007 en 22 juni 2007; - de besluiten van appellanten neergelegd ter griffie op 30 mei 2007; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 21 juni 2007; - de bundel met stukken van appellante partij neergelegd ter griffie op 27 december 2007; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 25 januari 2008, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. DE FEITEN. De heer K. kwam in dient van de N.V. METAALBOUW VRANCKX op 18 mei 2001 als technisch commercieel directeur met een schriftelijke arbeidsovereenkomst ondertekend op 4 april
  4. Artikel 9 van deze arbeidsovereenkomst bepaalt dat een anciënniteit van 11 jaar wordt overgenomen. Artikel 11 voorziet dat naast de vaste bruto maandwedde de heer K. een premie van 10 % per trimester geniet op de nettowinst, na belasting plus afschrijving van het boekjaar te verminderen met de huur en de correctie van de wedde van de heer Vranckx. Tevens bepaalt artikel 11 dat de groepsverzekering bij De Vaderlandsche zal overgenomen worden. In artikel 4 wordt zijn bruto maandwedde vastgelegd op 183.905 BEF., naast een budget voor de wagen van 1.500.000 BEF + B.T.W. samen met een aankoopkrediet van 15.000 BEF. Bij brief van 30 mei 2003 vraagt de heer K. de betaling van de hiernavolgende bijkomende looncomponenten voor een periode van 2 jaar : - de trimestriële uitkering van 10 % op de nettowinst, - de overname van de groepsverzekering en de betaling van de premie, - een aankoopkrediet van 371,84 euro per maand. De N.V. METAALBOUW VRANCKX antwoordt hierop dat de 10 % op de nettowinst niet verschuldigd is omdat er geen nettowinst werd gerealiseerd ; voor de groepsverzekering vroeg de N.V. METAALBOUW VRANCKX dat de heer K. zelf de nodige schikkingen zou treffen in verband met de overdracht en de N.V. METAALBOUW VRANCKX betwist dat het aankoopkrediet per maand werd toegekend, maar dat dit slechts per jaar gold en dat het enkel van toepassing is wanneer de heer K. aankopen verricht, wat niet het geval is geweest. Daags nadien op 26 juni 2003 beëindigt de N.V. METAALBOUW VRANCKX de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn gelijk aan 5 maanden, aanvangend op 1 juli 2003 en in deze opzeggingsbrief worden een aantal redenen van ontslag ingeroepen, die de heer K. vervolgens betwist in een antwoordschrijven van 8 juli 2003; tevens betwist hij de motieven van de N.V. METAALBOUW VRANCKX i.v.m. het niet verschuldigd zijn van de bijkomende looncomponenten. Op 1 november 2003 gebeurde er een overdracht van overneming van de N.V. METAALBOUW VRANCKX naar de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES en op 3 november 2003 ondertekenden de heer K. en de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES een overdracht van arbeidsovereenkomst met verwijzing naar de C.A.O. nr. 32bis van de Nationale Arbeidsraad. Op 18 december 2003 wordt de heer K. met dringende redenen ontslagen; de dringende redenen hebben allen te maken met het feit dat de heer K. voor zichzelf een "car port " bouwde en er werd hem verweten dat hij hierbij onregelmatigheden pleegde die kunnen samengevat worden in drie verwijten :
  5. het bestellen op naam van het bedrijf van 32 ankerpunten zonder medeweten van de werkgever en met namaking van de paraaf van de heer Vranckx,
  6. het laten spuiten van de " car port " bij één van de leveranciers van de B.V.B.A. met name METALIX, met vraag dat de kostprijs zou worden berekend in de facturen van de B.V.B.A,
  7. het laten vervaardigen van de ankerplaten van de " car port " in het eigen atelier. Bij aangetekende brieven van de raadsman van de heer K. dd. 31 december 2003 betwistte deze ten aanzien van de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES en de N.V. VRANCKX METAALBOUW de redenen van ontslag en herinnerde hij aan het verschuldigd zijn van de looncomponenten, waaromtrent eerder briefwisseling werd gevoerd. Uit de antwoordbrieven van 26 januari 2004 volgt dat partijen niet tot overeenstemming kwamen en mekaars beweringen met klem bleven aanvechten. II. DE PROCEDURE. Aldus werd op 6 februari 2004 door de heer K. dagvaarding uitgebracht lastens beide vennootschappen tot het bekomen van een hoofdelijke en solidaire veroordeling, minstens een veroordeling in solidum van volgende bedragen : - een aanvullende opzeggingsvergoeding van 84.294,80 euro , - een groepsverzekering : 11.960,21 euro , - een eindejaarspremie 2003 : 4.871,39 euro , - vakantiegeld einde dienst 2003-2004 : 1.483,59 euro , - variabele wedde op nettowinst provisioneel : 2.500 euro , - een aankoopkrediet voor 31 maanden of 11.527,05 euro te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de kosten; tevens werd afgifte gevraagd van de gebruikelijke fiscale en sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van de 2de Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel dd. 12 juni 2006 werd deze vordering gedeeltelijk gegrond verklaard en werd de N.V. METAALBOUW VRANCKX veroordeeld tot - achterstallig vakantiegeld bij vertrek a rato van 1.004,13 euro , de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES werd veroordeeld tot betaling van - een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 10 maanden en 5 dagen becijferd op 63.914 euro ., - een eindejaarspremie 2003 : 4.871,39 euro , - de betaling van 11.960,31 euro in de over te nemen polis van De Vaderlandsche, - achterstallig vertrekvakantiegeld 2003 : 200,87 euro . deze bedragen te verhogen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf 18 december 2003 op de overeenstemmende nettobedragen; wat betreft de winstdeelname werden de debatten heropend om de vennootschappen toe te laten de balansen voor te brengen zoals neergelegd bij de Nationale Bank en dit voor de periode van 18 mei 2001 tot en met 18 december 2003; aldus werden de kosten aangehouden. Bij verzoekschrift tot hoger beroep dd. 29 september 2006 tekende de vennootschap beroep aan en vroeg om het vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vorderingen van de heer K. af te wijzen als zijnde ongegrond. De heer K. tekende incidenteel hoger beroep aan teneinde het volledig voordeel te bekomen van zijn oorspronkelijke vordering. III. BEOORDELING.
  8. Ontvankelijkheid. Nu geen betekeningsakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep.
  9. Ten gronde. A. De dringende reden.
  10. De driedagentermijn. Op grond van artikel 35, 3de lid van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert tenminste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Op grond van artikel 35, laatste lid dient de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs te leveren. De eerste rechter was van mening dat de N.V. METAALBOUW VRANCKX niet aantoont dat zij deze driedagentermijn heeft nageleefd. (Hierbij dient opgemerkt te worden dat het ontslag niet gegeven werd door de N.V. METAALBOUW VRANCKX doch wel door de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES in haar hoedanigheid van overnemende werkgever.) De heer K. sluit zich aan bij deze beoordeling van de eerste rechter. De B.V.B.A. erkent het feit dat de heer K. een " car port " liet maken, wat overigens verliep via de B.V.B.A, aangezien het aanmaken van de platen gebeurde door de zoon van de zaakvoerder in de eigen ateliers van de onderneming. (zie pagina 37 van hun beroepsconclusies). Bovendien brengt de heer K. de plans en schetsen voor op basis waarvan deze " car port " werd gemaakt (stukken 21 en 28 van de heer K.) en uit zijn stuk 26 volgt dat het project ook in de weekplanning van 31 oktober 2002 werd opgenomen en een projectnummer toebedeeld kreeg, m.n.
  11. Aldus was de fabricage van de " car port " voor de werkgever een bekend gegeven. Alhoewel de B.V.B.A. in verband met het derde feit inroept dat niet het vervaardigen van de " car port " zelf het probleem was maar wel dat deze door de heer K. niet werd betaald, kan dit laatste moeilijk in aanmerking genomen worden, omdat er nergens in het dossier enig spoor is dat de B.V.B.A. aan de heer K. betaling heeft gevraagd en er bovendien een systeem van aankoopkrediet bestond, dat ten voordele van de heer K. kon gelden. In verband met de aankoop van de ankers dateerde de bestelling reeds van 8 november 2001 (stuk 27 de heer K.). De factuur ten bedrage van 32 stuks x 1,48 euro = 47,36 euro dateert van 28 november 2002 (stuk 29 de heer K.) en er wordt zonder betwisting van de kant van de B.V.B.A. voorgehouden dat de betaling gebeurde op 3 maart
  12. Ook al kan men moeilijk anders dan aanvaarden dat de bestelling door de vennootschap aanvaard werd, want betaald, toch legt de B.V.B.A. i.v.m. het eerste feit van de ontslagbrief de nadruk op de authenticiteit van de paraaf op de bestelbon, wat minder dan drie werkdagen voor het ontslag aan de werkgever bekend zou geworden zijn. Het Hof aanvaardt echter alleszins dat het tweede feit minder dan drie werkdagen aan de werkgever bekend was en dit wordt aangetoond door stuk 19 van appellanten. Dit onderdeel van de dringende reden heeft immers betrekking op het feit dat de heer K. zijn " car port " zou hebben laten schilderen door de N.V. METALIX en de kosten voor dit persoonlijk werk zou hebben laten mee verrekenen in facturen van zijn werkgever. Deze mogelijke werkwijze van verrekening werd door de N.V. METALIX via haar algemeen directeur Kempeneers ter kennis gebracht aan appellanten via fax van 16 december 2003, terwijl de ontslagbrief dateert van 18 december 2003, zijnde dus binnen de drie werkdagen. Omtrent dit feit werd de heer K. bovendien nog verhoord op de datum van ontslag. Wanneer het arbeidsgerecht de tijdigheid van het ontslag om dringende redenen moet beoordelen, dient het alleen te onderzoeken of de aangevoerde kennis van het feit niet meer dan drie werkdagen bestond en doet het daarbij nog geen uitspraak over het bestaan van de feiten en het zwaarwichtig karakter ervan (cfr. Cassatie, 19 maart 2001, J.T.T. 2001,249). Wanneer verschillende feiten worden ingeroepen, dan is het ontslag tijdig wanneer het laatst gepleegde feit binnen de drie werkdagen vóór het ontslag ter kennis kwam aan de werkgever. Aangezien alleszins het tweede ingeroepen feit, met name het laten verrekenen van het schilderen van de " car port " in de facturen van de werkgever, ter kennis kwam aan de werkgever binnen de drie werkdagen vóór het ontslag, is het ontslag dan ook tijdig.
  13. Het bewijs en de gegrondheid van de dringende reden. Op grond van artikel 35, laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet moet de partij die een dringende inroept hiervan het bewijs leveren. - In verband met het aankopen van de ankerpunten bewijst de werkgever geenszins dat deze bestelling buiten zijn medeweten zou zijn gebeurd en dat de paraaf van de zaakvoerder op de bestelbon niet door hem zou zijn aangebracht, maar wel door de heer K.. Het betreft een zeer kleine aankoop binnen een project dat in de productie van de onderneming was opgenomen en zelfs een projectnummer had. De bestelling werd door de leverancier gefactureerd en er wordt niet betwist dat deze factuur ook werd betaald, zodat de vennootschappen maar moeilijk kunnen doen aannemen dat deze bestelling buiten hun medeweten zou zijn gebeurd. De heer K. toont met verwijzing naar de paraaf van de heer Henri Vranckx op andere bestelbons aan dat er geen noemenswaardig verschil is tussen deze parafen en de paraaf op de bestelbon aan MERO-FIX dd. 8 november 2002 (vergelijk de stukken 33 en 27 van de heer K.). Alhoewel de werkgever in de ontslagbrief uitdrukkelijk valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken lastens de heer K. inroept, heeft hij hieromtrent geen enkele klacht neergelegd en heeft hij evenmin gebruikt gemaakt van de valsheidsprocedure zoals voorzien in de artikelen 895 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, zodat hij niet het bewijs voorbrengt voorzien in artikel 35, laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet. De verklaring van mevrouw Meeus (stuk 18 van appellanten) doet geen afbreuk aan het feit dat de werkgever de hem ter beschikking staande bewijsmiddelen niet aanwendde en is op zich dan ook onvoldoende bewijskrachtig. - Het schilderen van de " car port " gebeurde door de N.V. METALIX maar uit de bestelbon van dit werk blijkt dat de bestelling niet verliep via de werkgever, maar persoonlijk gebeurde door de heer K. (zie stuk 19 van de B.V.B.A en stuk 32 van de heer K.). De bewering van de heer Kempeneers dd. 16 december 2003 (stuk 19 van de B.V.B.A.) als zou de heer K. de kosten van dit werk hebben laten mee verrekenen in de facturen van zijn werkgever wordt tegengesproken door de verklaring van de heer Willy Stevens van de N.V. METALIX (stuk 34 van de heer K.), waarin de rechtstreekse betaling door de heer K. bevestigd wordt en overigens heeft de heer Kempeneers zijn aanvankelijke bewering ingetrokken op 28 juni 2005 (stuk 36 van de heer K.). Aldus brengt de werkgever geen enkel bewijs voor van zijn bewering als zou de kost van het schilderen verrekend zijn in facturen van hemzelf. - In verband met het derde feit werd hierboven reeds vastgesteld dat de heer K. de " car port " in het atelier van zijn werkgever heeft laten vervaardigen door de zoon van de zaakvoerder en dit in alle openheid, daar aan het project zelfs een projectnummer werd toegekend en het werd ingeschaald in de weekplanning, terwijl de financiële aanrekening van dit werk uiteraard door de N.V. diende te gebeuren. Het Arbeidshof besluit dan ook dat de dringende redenen wel degelijk tijdig zijn ingeroepen maar door de werkgever niet ten genoege van recht zijn bewezen. De overige beschouwingen zijn dan ook niet meer ter zake dienend. B. De opzeggingsvergoeding. De heer K. meent dat een opzeggingstermijn van 17 maanden in acht had moeten worden genomen, terwijl de werkgever samen met de eerste rechter van oordeel is dat een opzeggingstermijn van 15 maanden als redelijk kan worden beschouwd. Voor het vaststellen van de opzeggingstermijn moet rekening gehouden worden met de kans voor de bediende om spoedig een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd, zijn functie en zijn loon, naargelang van de elementen eigen aan de zaak (zie o.m. Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1409; Cass., 9 mei 1994, Arr. Cass. 1994, 461; Cass., 2 december 2002, S.R.K. 2002, 166; Cass., 3 februari 2003, J.T.T. 2003, 262). De eerste rechter begrootte het basisjaarloon op 75.439,47 euro , zijnde : - maandloon : 4.871,39 euro x 13,92 : 67.809,75 euro - patronale bijdrage en de groepsverzekering : 4.629,72 euro - voordeel van de bedrijfswagen : 250 euro x 12 = 3.000 euro ofwel een totaal bedrag van 75.439,47 euro . De heer K. tekent incidenteel hoger beroep aan en meent dat de waarde van de firmawagen kan worden geraamd op 400 euro per maand; het Arbeidshof treedt de waardering door de eerste rechter bij, daar enkel het privé-gebruik van de wagen in rekening kan worden gebracht. Wat betreft het aankoopkrediet heeft de eerste rechter op goede gronden overwogen dat de heer K. nergens aantoont dat hij hiervan effectief gebruik heeft gemaakt en dat hij dit evenmin aantoont door de voorlegging van facturen, terwijl evenmin uit de overeenkomst blijkt dat hij gerechtigd is om bij gebreke aan opname van het koopkrediet het bedrag in speciën te ontvangen. Partijen zijn het erover eens dat gelet op de conventioneel toegekende anciënniteit deze dient te worden vastgesteld op 13 jaar en anderhalve maand, terwijl de heer K. op het ogenblik van de opzegging een leeftijd had van 45 jaar en 11 maanden. Hij was tewerkgesteld in de functie van technisch directeur. Mits een juiste evaluatie van deze elementen heeft de eerste rechter terecht een opzeggingstermijn van 15 maanden in rekening gebracht zodat, rekening houdend met de gepresteerde opzeggingstermijn van 4 maanden en 25 kalenderdagen, nog een saldo opzeggingsvergoeding van 10 maanden en 5 kalenderdagen verschuldigd was en de opzeggingsvergoeding dan ook terecht door de eerste rechter becijferd werd op 63.914 euro . C. De variabele wedde op de nettowinst. De heer K. vordert op grond van artikel 11 van de arbeidsovereenkomst 10 % per trimester op de gerealiseerde nettowinst en de eerste rechter heeft appellanten reeds bevolen om de balansen zoals neergelegd bij de Nationale Bank van België voor te brengen tot staving van het feit dat gedurende de periode van tewerkstelling van de heer K., met name van 18 mei 2001 tot en met 18 december 2002, geen winst werd gemaakt. Tot op heden hebben appellanten aan dit verzoek geen gevolg willen geven, zodat het Arbeidshof een laatste maal de kans wil geven aan appellanten om het noodzakelijke bewijs van hun standpunt voor te brengen en het Arbeidshof maakt hierbij uitdrukkelijk toepassing van de artikelen 877 en 879 van het Gerechtelijk Wetboek. D. Het koopkrediet. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst werd aan de heer K. een koopkrediet van 15.000 BEF. toegekend. Partijen zijn in betwisting of dit bedrag per maand dan wel per jaar bedoeld was. Bij toepassing van 1162 van het Burgerlijk Wetboek dient de overeenkomst te worden uitgelegd ten nadele van hem die bedongen heeft en ten voordele van hem die zich verbonden heeft, zodat aangenomen dient te worden dat het koopkrediet op jaarbasis werd toegekend. De werkgever legt echter uit dat dit krediet enkel werd toegestaan in zoverre de werknemer aankopen deed in de onderneming en dit blijkt inderdaad uit het gebruik van het woord " krediet ", terwijl de heer K. niet aantoont dat hij van een dergelijk krediet gebruik heeft gemaakt, zodat de eerste rechter terecht de vordering in uitbetaling van dit bedrag in speciën als zogenaamd supplementair loon verworpen heeft. E. De groepsverzekering. De eerste rechter veroordeelde de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES tot betaling van een bedrag van 11.960,21 euro in de over te nemen polis van De Vaderlandsche met nummer 530-6386-
  14. De B.V.BA. heeft echter aangeboden om het verschuldigd bedrag rechtstreeks aan de heer K. uit te betalen (zie zijn stuk 15) en de vordering van de heer K. kwam hierop ook neer, zodat ze het hierover eens zijn. Partijen zijn echter in discussie omtrent de inhoud van de groepsverzekering en betwisten of de hospitalisatieverzekering hierin is opgenomen. De heer K. brengt onder zijn stuk 13 het certificaat groepsverzekering van De Vaderlandsche voor, waarnaar verwezen wordt in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst van 4 april
  15. Uit dit certificaat volgt dat de afrekening van de heer K. in verband met de totale kost op jaarbasis van 4.629,76 euro kan gevolgd worden, terecht maakt de heer K. dan ook aanspraak op betaling van 4.629,76 euro : 12 = 385,81 euro x 31 maanden = 11.960,21 euro . F. Eindejaarspremie
  16. Niet betwist wordt dat de onderneming van de werkgever ressorteert onder het paritair subcomité van de Provincie Antwerpen voor de metaalfabricatennijverheid (P.C. 209), zodat de C.A.O. van 20 februari 1991 en 19 april 1991, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 10 oktober 1994, van toepassing is. Een eindejaarspremie is aldus verschuldigd, wanneer het ontslag om dringende redenen niet weerhouden wordt. De becijfering van deze eindejaarspremie door de heer K. op 4.871,39 euro wordt door appellanten niet betwist. G. Vakantiegeld einde dienst. Anders dan bij het gewone vakantiegeld moet bij het vakantiegeld einde dienst wel degelijk rekening gehouden worden met de eindejaarspremies (Cassatie, 28 oktober 1985, J.T.T. 1986, 27). Appellanten werpen terecht op dat het privé-gebruik van de bedrijfswagen door de heer K. overschat wordt en hierboven werd reeds aangeduid dat dit kan worden geraamd op 250 euro per maand. De eerste rechter heeft het vakantiegeld einde dienst dan ook terecht becijferd op 1.205 euro . H. Artikel 8 van de C.A.O. nr. 32bis. Per 1 november 2003 werd de arbeidsovereenkomst van de heer K. overgedragen door de N.V. METAALBOUW VRANCKX aan de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES. De opzegging van de heer K. gebeurde voor deze datum; zijn ontslag om dringende redenen vond plaats na deze datum. Vraag is welke gevolgen deze overdracht kan hebben op de verschuldigde opzeggingsvergoeding, de betaling groepsverzekering, de eindejaarspremie, het vakantiegeld einde dienst en de eventuele variabele wedde op nettowinst. De heer K. roept in dat er een onvolmaakte schuldoverdracht plaatsvond omdat er geen bewijs geleverd wordt van de overdracht van het handelsfonds, noch van een overdracht van ondernemingen in de zin van de C.A.O. nr. 32bis, terwijl hij niet ingestemd heeft met de overdracht, zoals vereist door artikel 1275 B.W.. Terecht verwijzen appellanten echter naar de overdracht van de arbeidsovereenkomst, ondertekend op 3 november 2003 door de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES en de heer K.. In deze overeenkomst meldt de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES de overname van het handelsfonds per 1 november 2003 van de N.V. METAALBOUW VRANCKX en dat ingevolge daarvan bij toepassing van de C.A.O. nr. 32bis de arbeidsovereenkomst van de heer K. door de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES wordt overgenomen, wat inhoudt dat de werknemer alle rechten integraal behoudt, inbegrepen anciënniteit en andere loon- en arbeidsvoorwaarden. De heer K. ondertekende dit ter goedkeuring. Ten overvloede wordt de overdracht dan nog aangetoond door de stukken 23, 24 en 25 van appellanten, waaruit blijkt dat alle personeelsleden van de N.V. METAALBOUW VRANCKX werden overgenomen door de B.V.B.A. VRANCK INDUSTRIES op datum van 3 november
  17. Aldus moet rekening gehouden worden met artikel 8 van de C.A.O. nr. 32bis gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 7 juni 1985, die uitvoering gaf aan oorspronkelijk de Europese Richtlijn nr. 77/187 van 14 februari 1977, thans de Richtlijn 2001/23 van 12 maart
  18. Dit artikel luidt als volgt : " De vervreemder en de verkrijger zijn in solidum gehouden tot betaling van de het op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, 1° bestaande schulden, die uit de op dat tijdstip van de bestaande arbeidsovereenkomsten voortvloeien, met uitzondering van de schulden uit hoofde van aanvullende regimes van sociale voorzieningen, zoals bedoeld bij artikel 4 van deze overeenkomst ". De heer K. wil uit deze bepaling afleiden dat de overdrager en de overnemer in solidum gehouden zijn tot de betaling van de schulden ontstaan na de overdracht van onderneming, omdat artikel 8 anders in strijd komt met artikel 1275 van het Burgerlijk Wetboek, dat een hogere rechtsnorm uitmaakt. De Europese Richtlijn 77/187 verleende aan de Lid-Staten echter de mogelijkheid om te voorzien in een aansprakelijkheid van de overdrager en de overnemer en uit het feit dat België van deze mogelijkheid alleen gebruik gemaakt heeft voor de schulden uit het verleden, moet afgeleid worden dat tot de schulden, ontstaan na de overdracht, enkel de werkgever-overnemer gehouden is (zie Arbeidshof Bergen, 29 mei 1996, J.T.T. 1996, 171; Arbeidshof Luik, 29 juli 1997, J.T.T. 1997, 469; Arbeidshof Brussel, 1 oktober 1997, J.T.T. 1997, 467; C. Willems en F. Lagasse, La responsabilité de l'employeur cédant lors du transfert d'entreprise, J.T.T. 1992, 101-104; V. Vannes, Le contrat de travail : Aspect théorique et pratique, Brussel, 1996, 455 en C. Engels, Outsourcing, De individuele en collectieve rechten van de werknemer bij overgang van onderneming , J.T.T. 1999, 140). De N.V. METAALBOUW VRANCKX is dan ook niet hoofdelijk of solidair aansprakelijk voor de schulden die ontstaan zijn na de overdracht van onderneming. De aanvullende opzeggingsvergoeding die door het Arbeidshof wordt toegekend, vindt zijn rechtsgrond in het feit dat het ontslag om dringende redenen niet aanvaard wordt en dit ontslag had plaats op 18 december 2003 dus na de overdracht van de arbeidsovereenkomst, zodat enkel de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES hiertoe gehouden is. Wat de groepsverzekering betreft, hiervoor kan men zich niet baseren op artikel 8 van de C.A.O. nr. 32bis, omdat de aanvullende regimes van sociale voorzieningen hierin uitgesloten worden. Het is met name de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES, die op 9 december 2003 aan de heer K. het voorstel heeft gedaan om de patronale premies groepsverzekering gewoon aan hem uit te betalen gelet op zijn nakende uitdiensttreding; de vordering van de heer K. beoogt ook de rechtstreekse uitbetaling aan hemzelf, zodat wij hier te maken hebben met een verbintenis die na de overdracht van de onderneming uitgegaan is van de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES. Het is dan ook zij die tot deze verplichting gehouden is. Ook de eindejaarspremie 2003 is verschuldigd voor de werknemer, die op 30 november van het desbetreffende jaar in dienst is, zodat wij ook hier te maken hebben met een schuld die ontstaan is na de overgang van onderneming en derhalve ten laste komt van de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES. Wat betreft het vakantiegeld einde dienst heeft de eerste rechter het bedrag gesplitst naargelang de periode vóór of na de overdracht van onderneming. Uit stuk 24 van de heer K. volgt inderdaad dat de N.V. METAALBOUW VRANCKX op 31 oktober 2003 het vakantiegeld einde dienst tot op deze datum aan de diverse werknemers heeft uitbetaald. De door de eerste rechter toegepaste uitsplitsing kan dan ook behouden worden, maar gelet op artikel 8 van de C.A.O. nr. 32bis zijn beide vennootschappen samen in solidum gehouden wat betreft het gedeelte ten bedrage van 1.004,13 euro , wat de eerste rechter enkel ten laste van de N.V. METAALBOUW VRANCKX heeft gelegd. In deze zin is het incidenteel hoger beroep van de heer K. gegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond, Hervormt het vonnis van de eerste rechter in zoverre het enkel de N.V. METAALBOUW VRANCKX veroordeelde tot betaling van het achterstallig vakantiegeld bij vertrek voor het jaar 2003 ten bedrage van 1.004,13 euro , bedrag te verhogen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf 18 december 2003 en zegt dat deze veroordeling in solidum geldt voor zowel de N.V. METAALBOUW VRANCKX als de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES. Hervormt tevens het vonnis in zoverrre het de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES veroordeelt tot betaling van een bedrag van 11.960,21 euro in de over te nemen polis van De Vaderlandsche met nummer 530-6386-0005 en veroordeelt de B.V.B.A. VRANCKS INDUSTRIES tot betaling van dit bedrag aan de heer K., dit bedrag eveneens te verhogen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf 18 december 2003 te berekenen op de overeenstemmende nettobedragen, Beveelt de B.V.B.A. VRANCKX INDUSTRIES en de N.V. METAALBOUW VRANCKX op grond van de artikelen 877 en 879 van het Gerechtelijk Wetboek om de balansen, die neergelegd zijn bij de Nationale Bank van België voor te brengen tot staving van het feit dat gedurende de periode van tewerkstelling van de heer K. met name van 18 mei 2001 tot en met 18 december 2003 er door beide vennootschappen geen winst werd gemaakt, Heropent de debatten op dit punt. Stelt deze heropening der debatten vast op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 23 mei 2008 om 14 uur, Bevestigt het vonnis van de eerste rechter voor al het overige, Houdt de kosten aan, Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 22 februari 2008, waar aanwezig waren : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, De Heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer E. VAN DER SMISSEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, Ch. LAURIERS. E. VAN DER SMISSEN. Document PDF ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080222.3 Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.