id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 28 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080228.17 Rolnummer: 50.024 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-05-09 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-02 17:08 Fiche Het begrip 'uitdiensttreding' dat gehanteerd wordt in artikel 129 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 dient gelezen te worden als 'ontslag'. Er kan nergens uit opgemaakt worden dat het de bedoeling zou geweest zijn om van het courant gebruikte begrip 'ontslag' ('licenciement') van de Franstalige versie af te wijken, om gebruik te maken van een ander begrip. Er wordt in het bijzonder geen reden gegeven om m.b.t. de anciënniteitstoeslag een verschil te maken tussen de werknemers die op hetzelfde tijdstip ontslagen worden, naargelang het ontslag onmiddellijk met een opzeggingsvergoeding plaats vindt, of met een opzeggingstermijn. De regelgeving dient zo geïnterpreteerd te worden dat zij geen discriminatie creëert tussen deze categorieën van ontslagen werknemers UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Berekening uitkering - Andere uitkeringen Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - werkloosheidsuitkering - anciënniteitstoeslag. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 129 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 74 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Werkloosheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. R. Swennen, advocaat te 1731 Asse. Tegen: D. D. , geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep vertegenwoordigd door Mr. N. Van Gheluwe, advocaat te 1160 Brussel. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de toepasselijke wetgeving, inzonderheid : - Het Gerechtelijk Wetboek. - De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. - De besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en het koninklijke besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - Het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel op 11 juni 2007, met kennisgeving aan de R.V.A. op 19 juni
- - Het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 5 juli
- - Het administratief dossier, door het Openbare Ministerie neergelegd op 22 augustus
- - De besluiten, de aanvullende besluiten en het dossier van de Heer D., neergelegd op 28 september 2007 en 23 november
- - Het eensluidend schriftelijk advies door de heer André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie op 16 januari 2008, waarop geen repliek van partijen. Gehoord de partijen ter openbare terechtzitting van 3 januari
- De zaak werd op 31 januari 2008 in beraad genomen. I. DE BESLISSING Bij beslissing, die aan de Heer D. bij schrijven van zijn uitbetalinginstelling van 20 april 2006 medegedeeld is, beslist de R.V.A. : - dat de Heer D. geen recht heeft op de anciënniteittoeslag. De R.V.A. meent inderdaad dat deze toeslag niet toegekend kan worden in toepassing van artikelen 126 en 129 van het koninklijk besluit 25 november 1991 houdende regeling van de werkloosheidsuitkeringen, en art. 74 van het ministerieel besluit van 26 november 1996 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. II. HET VONNIS Met het vonnis van 11 juni 2007 heeft de Arbeidsrechtbank van Brussel de beslissing vernietigd en voor recht gezegd dat : - de Heer D. gerechtigd is op de anciënniteittoeslag vanaf 1 februari 2007, vermeerderd met de intresten vanaf 1 juli
- III. DE HOGERE BEROEPEN De R.V.A. tekent beroep aan, en verzoekt zijn beslissing integraal te bevestigen. De Heer D. dient een incidenteel beroep in. Hij verzoekt : - Het vonnis gedeeltelijk te hervormen en de intresten toe te kennen vanaf 1 februari
- - Voor het overige, het vonnis te bevestigen. * De hogere beroepen werden tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en zijn derhalve ontvankelijk. IV. DE FEITEN De Heer D. is geboren op 29 november
- Vanaf de 12 mei 1969 is hij als bediende tewerkgesteld bij (verschillende werkgevers die overgenomen werden of gefusioneerd zijn tot :) AXA Belgium. Hij werkt voltijds. De werkgever valt onder het paritair comité n° 306 voor de verzekeringsondernemingen. Op 24 december 2002 geeft Axa Belgium aan de Heer D. ontslag met een opzeggingstermijn van 35 maanden ingaande op 1 januari 2003, en dit in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst van 4 februari 2000 m.b.t. "de nieuwe arbeidsorganisatie". Op de datum van het ontslag is de Heer D. 55 jaar oud. Op 31 december 2002 komen de partijen overeen dat : - De opzeggingstermijn gepresteerd zal worden voor 7 maanden. - De periodes van wettelijke vakantie en ziekte zullen de gepresteerde opzeggingstermijn opschorten. - De periode van 28 maanden moet niet gepresteerd worden. - Na afloop van deze periodes zullen de arbeidsrelaties definitief worden beëindigd. Op 31 augustus 2005 neemt de arbeidsovereenkomst een einde. Axa Belgium betaalt een verbrekingsvergoeding gelijk aan 5 maanden loon. Op de datum waarop de arbeidsovereenkomst een einde neemt is de Heer D. 57 jaar oud. Vanaf 1 februari 2007 werden zijn werkloosheids-uitkeringen betaald, op een bedrag dat de anciënniteittoeslag niet bevat. V. DISCUSSIE A. De anciënniteittoeslag
- De datum van "uitdiensttreding" dient bepaald te worden : - Enerzijds in de zin van art. 129 eerste lid 2° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. - Anderzijds in de zin van art. 74 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheids-reglementering. Ofwel gaat het over het "ontslag". Op de datum van het ontslag (24 december 2002) was de Heer D. 55 jaar oud. Ofwel is het "de datum waarop de arbeidsovereenkomst effectief een einde neemt". Op die datum (31 augustus 2005) was de Heer D. 57 jaar oud.
- De anciënniteittoeslag is inderdaad niet verschuldigd indien de Heer D. de leeftijd van 57 jaar op de datum van "uitdiensttreding" bereikt had. In dit geval behoort hij tot de categorie van art. 129 eerste lid 2° van het koninklijk besluit (hij voldoet aan de tweede voorwaarde van art. 129 eerste lid 2°, de anciënniteitvereiste voor het brugpensioen) : - De werknemer die op de datum van "uitdiensttreding" de (minimum brugpensioenleeftijd, voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst die geldt voor de onderneming voor de categorie van werknemers waartoe hij behoort, verminderd met twee jaar, hetzij in de verzekeringssector :) leeftijd van 56 jaar bereikt heeft. Maar in dit geval voldoet de Heer D. niet aan de voorwaarde van art. 74 1° van het ministerieel besluit : - De werknemer die de leeftijd van 55 jaar niet bereikt heeft op het tijdstip van de "uitdiensttreding".
- Krachtens art. 126 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, wordt een anciënniteittoeslag aan bepaalde oudere werklozen toegekend (50 jaar oud, volledig werkloos, geen recht op de aanpassingsvergoeding van art. 114§2, niet werknemer met gezinslast, 20 jaar beroepsverleden, geen aanvullende vergoeding in het kader van het conventioneel brugpensioen /koninklijk besluit van 19 september 1980, geen weigering van brugpensioen). De Heer D. voldoet aan de voorwaarden van art.
- In het bijzonder heeft hij geen brugpensioen geweigerd : de werkgever heeft hem ontslagen met een voldoende opzeggingstermijn, en heeft het initiatief genomen om effectief een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst op 31 augustus
- Krachtens art. 129 eerste lid worden per ministerieel besluit bijkomende voorwaarden opgelegd aan de werklozen, die wel aan de bij art. 126 bepaalde voorwaarden voldoen, maar die tot één van drie categorieën behoren (1°, 2° en 3°). Art. 74 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 stelt de bijkomende voorwaarden voor de oudere werklozen van art. 129 eerste lid 1° en 2° : de toeslag wordt betaald aan de werkloze die één van vijf voorwaarden vervult. Art. 75 stelt de voorwaarden voor de oudere werklozen van art. 129 eerste lid 3°.
- Uit artikelen 126 en 129 van het koninklijk besluit en artikelen 74 en 75 van het ministerieel besluit volgt dat aan de oudere werkloze van art. 126, die behoort tot de categorieën van werknemers van art. 129 eerste lid 1° of 2° een anciënniteittoeslag slechts betaald wordt indien hij aan één van de voorwaarden bepaald in art. 74 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 voldoet. Het feit dat die oudere werkloze eveneens tot de categorie van art. 129 eerste lid 3° behoort, en dat hij aan het bepaalde in art. 75 van het ministerieel besluit voldoet, volstaat niet (Cass., 26 november 2007, S.07.0005.N, juridat.be). De anciënniteittoeslag kan aldus niet verleend worden op grond van art. 129 eerste lid 3° van het koninklijk besluit en art. 75 van het ministerieel besluit, in het geval dat de Heer D. eveneens onder de categorieën valt van art. 129 eerste lid 1° of 2° van het koninklijk besluit en aan de voorwaarden van art. 74 van het ministerieel besluit niet voldoet.
- De toeslag kan niet geweigerd worden op grond van art. 129 eerste lid 1° van het koninklijk besluit : de Heer D. behoort niet tot deze categorie. De toeslag kan evenmin verleend worden op grond van art. 129 eerste lid 2° van het koninklijk en art. 74, 2° tot 5° van het ministerieel besluit : de Heer D. voldoet aan geen enkel van deze vier voorwaarden (minder dan vijf jaar in dienst, deeltijdse werknemer, onderneming in moeilijkheden, faillissement van de wekgever).
- Samenvattend zijn art. 129 eerste lid 2° van het koninklijk besluit, art. 74, 1° van het ministerieel besluit, en de datum van de "uitdiensttreding", doorslaggevend.
- De Nederlandstalige versie van art. 129 van het koninklijk besluit verschilt van de Franse versie. In het Nederlands komt het woord "uitdiensttreding" voor in art. 129 eerste lid 1° en 2° van het koninklijk besluit, en in art. 74 1° van het ministerieel besluit. In de Franstalige versie echter, wordt er bij art. 129 eerste lid 1° en 2° sprake van "licenciement", hetzij "ontslag". Wel wordt in art. 74, 1° van het ministerieel besluit de uitdrukking "le moment où le contrat a pris fin" gebruikt, hetzij de datum waarop de arbeidsovereenkomst een einde genomen heeft. Krachtens art. 7 van de wet van 31 mei 1961 op het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, het bekendmaken en inwerkingtreding van wetten en verordeningen, worden verschillen tussen de Nederlandse en de Franse tekst opgelost naar de wil van de wetgever, die bepaald wordt volgens de gewone interpretatie en zonder dat aan de ene tekst de voorkeur wordt gegeven boven de andere. Met de Openbare ministerie meent het Arbeidshof dat "uitdiensttreding" in de zin van "ontslag" moet worden gelezen in art. 129 eerste lid 2° van het koninklijk besluit : - Het "ontslag" ("licenciement") van de Franse versie is een algemeen gekende juridisch begrip, dat op een constante wijze in de wetgeving en de reglementering gebruikt wordt. Het woord "uitdiensttreding" daartegen komt zelden in de regelgeving voor en heeft geen duidelijke definitie (het wordt niet opgenomen in het Groot woordenboek Van Dale der Nederlandse taal, 1995). - Uit het geheel van de toepasselijke bepalingen kan er geen wil van de regelgever vastgesteld worden, om van het courant gebruikte begrip "ontslag" van de Franstalige versie af te wijken, en om gebruik te maken van een ander begrip. Er wordt in het bijzonder geen reden gegeven om m.b.t. de anciënniteittoeslag een verschil te maken tussen de werknemers die op hetzelfde tijdstip ontslagen worden, naargelang het ontslag onmiddellijk met een opzeggingsvergoeding plaats vindt, of met een opzeggingstermijn. De regelgeving dient zo geïnterpreteerd te worden dat zij geen discriminatie creëert tussen deze categorieën van ontslagen werknemers (art. 10 en 11 van de Grondwet). Ten overvloede moet worden opgemerkt dat de R.V.A. zelf in zijn documentatie, het woord "ontslag" gebruikt voor "uitdiensttreding" ("Anciënniteittoeslag : schema 2" - Documentatie R.V.A. - stuk 7 van de Heer D.).
- De Heer D. behoort dan ook niet tot de categorie van werklozen van art. 129 eerste lid 2° : op de datum van "uitdiensttreding" (27 november 1991) was hij slechts 55 jaar oud. De anciënniteittoeslag is verschuldigd vanaf 1 februari
- B. De verwijlintresten
- De Heer D. vordert de verwijlintresten op basis van art. 1153 van het Burgerlijk wetboek, vanaf 1 februari
- Verwijlintresten zijn ten vroegste verschuldigd vanaf de opeisbaarheid van de geldsom (art. 20 van het handvest van de sociale verzekerde, wet van 11 april 1995; art. 1153 van het Burgerlijk wetboek). De gerechtelijke intresten zijn door de rechter toegekende verwijlintresten. Op sociale prestaties zijn die verschuldigd in toepassing van art. 20 van het handvest of in toepassing van art. 1153 van het Burgerlijk wetboek. Zij zijn aldus ten vroegste verschuldigd vanaf de opeisbaarheid. In de regel worden sociale prestaties ten vroegste vier maanden na de beslissing van de instelling van sociale zekerheid opeisbaar (art. 12 van het handvest). Die regel geldt ook wanneer de prestatie in toepassing van een gerechtelijke beslissing verschuldigd is, gerechtelijke beslissing die de (negatieve) administratieve beslissing hervormt. Inderdaad had in dit geval de prestatie per administratieve beslissing toegekend moeten worden, en was die betaalbaar vier maanden na deze toekenningbeslissing. De sociale prestatie is dan ook opeisbaar vier maanden na de (weigering- of toekenning-) beslissing. De verwijlintresten lopen ten vroegste vanaf deze datum (Arbh. Luik, 24 februari 2004, Fonds voor beroepsziektes t. T.A. en T.A. t. Fonds, AR n° 29787-01, juridat.be; Arbrb. Brugge, 1 februari 2005, L.G. t. F.V.B., A.R. n° 103648, juridat.be). De Heer D. bewijst niet dat de op 20 april 2006 medegedeelde beslissing laattijdig is. In huidig geval lopen de intresten ten vroegste vier maanden na de beslissing van 20 april 2006, hetzij vanaf 20 augustus
- Daar de prestatie echter slechts vanaf 1 februari 2007 betaalbaar is, lopen de intresten vanaf die laatste datum. Zij lopen immers ten vroegste vanaf de opeisbaarheid van de prestatie, hetzij in huidig geval vanaf 1 februari
- Ofwel zijn de verwijlintresten van rechtswege verschuldigd in toepassing van art. 20 van het handvest vanaf de opeisbaarheid van de prestatie. De toeslag is opeisbaar vanaf de datum waarop de prestaties hadden moeten uitbetaald worden. In die interpretatie is er geen verschil in behandeling tussen sociaal verzekerden : zij kunnen aanspraak maken op verwijlinteresten op de hun verschuldigde prestaties op dezelfde datum, ongeacht of die ter uitvoering van een administratieve beslissing of van een rechterlijke beslissing worden toegekend (A.H. 78/2002 van 8 mei 2002 en 35/2005 van 16 februari 2005). In de mate dat art. 163bis van het koninklijk besluit houdende regeling van de werkloosheids-uitkeringen, minder gunstig is m.b.t. in uitvoering van een rechterlijke beslissing betaalde sociale prestaties, wordt het niet toegepast (art. 20 van het handvest; art. 159 van de Grondwet) Art. 20 van het handvest maakt dan ook een bijzondere regeling uit, en wijkt af van art. 1153 van het Burgerlijk wetboek. Art. 1153 B.W.is niet van toepassing. In toepassing van art. 20 van het handvest zijn de verwijlintresten verschuldigd vanaf 1 februari
- Ofwel is art. 20 van het handvest niet van toepassing op sociale prestaties die niet in uitvoering van een administratieve toekenningbeslissing, maar wel in uitvoering van een gerechtelijke beslissing, verschuldigd zijn. In dit geval is art. 1153 van het Burgerlijk wetboek wel van toepassing. De verwijlintresten zijn op aanmaning verschuldigd, ten vroegste vanaf de opeisbaarheid. In de mate dat art. 163bis van het koninklijk besluit houdende regeling van de werkloosheids-uitkeringen minder gunstig, wordt het niet toegepast. Het koninklijk besluit mag inderdaad niet van de wet afwijken (art. 159 van de Grondwet) In huidig geval dateert de aanmaning van 31 maart 2006 (aanmaning van de raadsman van de Heer D.). In toepassing van art. 1153 van het Burgerlijk wetboek zijn de verwijlintresten eveneens verschuldigd ten vroegste vanaf 1 februari
- Samenvattend moet de R.V.A. de verwijlintresten betalen vanaf de opeisbaarheid van de toeslag, en ten vroegste vanaf 1 februari
- OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van de R.V.A. ontvankelijk maar ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep van de Heer D. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat het de beslissing van de R.V.A. vernietigt en voor recht zegt dat : - De Heer D. recht heeft, volgens de wettelijke en reglementaire voorwaarden, op de anciënniteittoeslag vanaf 1 februari
- Vernietigt het vonnis uitsluitend m.b.t. de intresten. Zegt voor recht dat : - De R.V.A. de intresten moet betalen vanaf de opeisbaarheid van de toeslag, en ten vroegste vanaf 1 februari
- Bevestigt het vonnis m.b.t. de kosten van eerste aanleg. Legt de kosten van hoger beroep, in overeenstemming met artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.V.A., kosten die tot op heden Door de Heer D. op 145,78 EURO begroot zijn. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op achtentwintig februari tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : mevrouw M. DELANGE, Raadsheer de heer J. VAN HOLM, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER M. DELANGE H. SILON J. VAN HOLM PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080228.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div