id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 28 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080228.18 Rolnummer: 50.023 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-22 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 17:07 Fiche Het begrip 'uitdiensttreding' voorkomend in artikel
- eerste lid. 2° van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 dient gelezen te worden als 'ontslag'. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Berekening uitkering - Andere uitkeringen Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING — WERKLOOSHEID — anciënniteittoeslag voor oudere werklozen — begrip 'uitdiensttreding' Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 129 , 1 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 74 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Nota: V A N art 129, eerste lid M.B. van 26 november 1991, art 74 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ACHT. 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Werkloosheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, geïntimeerde op incidetneel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. R. Swennen, advocaat te 1731 Asse. Tegen: C. G., Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. N. Van Gheluwe, advocaat te 1160 Brussel. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de toepasselijke wetgeving, inzonderheid : Het Gerechtelijk Wetboek. De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en het koninklijke besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: Het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel op 11 juni 2007, met kennisgeving aan de R.V.A. op 19 juni
- Het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 5 juli
- Het administratief dossier, door het openbare ministerie neergelegd op 22 augustus
- De besluiten, de aanvullende besluiten en het dossier van Mevrouw C., neergelegd op 28 september 2007, 28 november 2007 en 23 november
- Het eensluidend schriftelijk advies door de heer André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie op 16 januari 2008, waarop geen repliek door partijen. Gehoord de partijen ter openbare terechtzitting van 3 januari
- De zaak werd op 31 januari 2008 in beraad genomen. I. DE BESLISSING Bij beslissing van 15 mei 2006 beslist de R.V.A. : dat Mevrouw C. geen recht heeft op de anciënniteittoeslag. De R.V.A. meent inderdaad dat deze toeslag niet toegekend wordt aan de werknemer die op de datum van de uitdiensttreding de minimum brugpensioenleeftijd, voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst die geldt in de onderneming voor de categorie van werknemers waartoe hij behoort verminderd met 2 jaar, bereikt heeft, voor zover hij op deze minimumleeftijd aan de anciënniteitvereiste voor het brugpensioen zou voldoen (art. 126 en 129 eerste lid 2° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende regeling van de werkloosheidsuitkeringen). De R.V.A. stelt dat bij de uitdiensttreding, Mevrouw C. de leeftijd van 57 jaar bereikt had, hetzij meer dan de brugpensioenleeftijd verminderd met 2 jaar (in de verzekeringssector : 58 jaar, verminderd met 2). II. HET VONNIS Met het vonnis van 11 juni 2007 heeft de Arbeidsrechtbank van Brussel de beslissing vernietigd en voor recht gezegd dat : Mevrouw C. gerechtigd is op de anciënniteittoeslag vanaf 1 maart 2006, vermeerderd met de intresten vanaf 1 juli
- III. DE HOGERE BEROEPEN De R.V.A. tekent beroep aan, en verzoekt zijn beslissing integraal te bevestigen. Mevrouw C. dient een incidenteel beroep in. Zij verzoekt : Het vonnis gedeeltelijk te hervormen en de intresten toe te kennen vanaf 1 maart 2006 of tenminste vanaf 15 mei
- Voor het overige, het vonnis te bevestigen. * De hogere beroepen werden tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en zijn derhalve ontvankelijk. IV. DE FEITEN Mevrouw C. is geboren op 15 juni
- Vanaf de 3 mei 1966 is zij als bediende tewerkgesteld bij (verschillende werkgevers die overgenomen werden of gefusioneerd zijn tot :) AXA Belgium. Zij werkt voltijds. De werkgever valt onder het paritair comité n° 306 voor de verzekeringsondernemingen. Op 27 november 2001 geeft Axa Belgium aan Mevrouw C. ontslag met een opzeggingstermijn van 36 maanden ingaande op 1 december 2001, en dit in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst van 4 februari 2000 m.b.t. "de nieuwe arbeidsorganisatie". Op de datum van het ontslag is Mevrouw C. 54 jaar oud. Op 4 december 2001 komen de partijen overeen dat : De opzeggingstermijn gepresteerd zal worden gedurende 10 maanden. De periodes van wettelijke vakantie de gepresteerde opzeggingstermijn zullen opschorten. De periode van 26 maanden niet moet gepresteerd worden. De arbeidsrelaties definitief worden beëindigd na afloop van deze periodes. Vanaf 1 oktober 2002 wordt Mevrouw C. vrijgesteld van prestaties. Op 30 november 2004 neemt de arbeidsovereenkomst een einde. Axa Belgium betaalt een verbrekingsvergoeding gelijk aan 2 maand loon (verlenging van de opzeggingstermijn omwille van schorsing gedurende de jaarlijkse vakantie). Op de datum waarop de arbeidsovereenkomst een einde neemt is Mevrouw C. 57 jaar oud. Vanaf 1 maart 2006 werden haar werkloosheidsuitkeringen herleid, tot een bedrag dat de anciënniteittoeslag niet bevat. V. DISCUSSIE A. De anciënniteittoeslag
- De datum van "uitdiensttreding" dient bepaald te worden : Enerzijds in de zin van art. 129 eerste lid, 2° en 2° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Anderzijds in de zin van art. 74 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. Ofwel gaat het over het "ontslag". Op de datum van het ontslag (27 november 2001) was Mevrouw C. 54 jaar oud. Ofwel is het "de datum waarop de arbeidsovereenkomst effectief een einde neemt". Op die datum (30 november 2004) was Mevrouw C. 57 jaar oud.
- De anciënniteittoeslag is inderdaad niet verschuldigd indien Mevrouw C. de leeftijd van 57 jaar op de datum van "uitdiensttreding" bereikt had. In dit geval behoort zij tot de categorie van art. 129 eerste lid 2° van het koninklijk besluit (zij voldoet aan de tweede voorwaarde van art. 129 eerste lid 2°, de anciënniteitvereiste voor de brugpensioen) : De werknemer die op de datum van "uitdiensttreding" de (minimum brugpensioenleeftijd, voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst die geldt in de onderneming voor de categorie van werknemers waartoe hij behoort, verminderd met twee jaar, hetzij in de verzekeringssector :) leeftijd van 56 jaar bereikt heeft. Maar in dit geval voldoet Mevrouw C. niet aan de voorwaarde van art. 74 1° van het ministerieel besluit : De werknemer die de leeftijd van 55 jaar niet bereikt heeft op het tijdstip van de "uitdiensttreding".
- Krachtens art. 126 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, wordt een anciënniteittoeslag aan bepaalde oudere werklozen toegekend (50 jaar oud, volledig werkloos, geen recht op de aanpassingsvergoeding van art. 114§2, niet werknemer met gezinslast, 20 jaar beroepsverleden, geen aanvullende vergoeding in het kader van het conventioneel brugpensioen/koninklijk besluit van 19 september 1980, geen weigering van brugpensioen). Mevrouw C. voldoet aan de voorwaarden van art.
- In het bijzonder heeft zij geen brugpensioen geweigerd : de werkgever heeft haar ontslagen met een voldoende opzeggingstermijn, en heeft het initiatief genomen om effectief een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst op 30 november
- Krachtens art. 129 eerste lid worden per ministerieel besluit bijkomende voorwaarden opgelegd aan de werklozen, die wel aan de bij art. 126 bepaalde voorwaarden voldoen, maar die tot één van drie categorieën behoren (1°, 2° en 3°). Art. 74 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 stelt de bijkomende voorwaarden voor de oudere werklozen van art. 129 eerste lid 1° en 2° : de toeslag wordt betaald aan de werkloze die één van vijf voorwaarden vervult. Art. 75 bepaalt de voorwaarden voor de oudere werklozen van art. 129 eerste lid 3°.
- Uit artikelen 126 en 129 van het koninklijk besluit en artikelen 74 en 75 van het ministerieel besluit volgt dat aan de oudere werkloze van art. 126, die behoort tot de categorieën van werknemers van art. 129 eerste lid 1° of 2° een anciënniteitstoeslag slechts betaald wordt indien hij aan één van de voorwaarden bepaald in art. 74 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 voldoet. Het feit dat die oudere werkloze eveneens tot de categorie van art. 129 eerste lid 3° behoort, en dat hij aan het bepaalde in art. 75 van het ministerieel besluit voldoet, volstaat niet (Cass., 26 november 2007, S.07.0005.N, juridat.be). De anciënniteittoeslag kan aldus niet verleend worden op grond van art. 129 eerste lid 3° van het koninklijk besluit en art. 75 van het ministerieel besluit, in het geval dat Mevrouw C. eveneens onder de categorieën valt van art. 129 eerste lid 1° of 2° van het koninklijk besluit en aan de voorwaarden van art. 74 van het ministerieel besluit niet voldoet.
- De toeslag kan niet geweigerd worden op grond van art. 129 eerste lid 1° van het koninklijk besluit : Mevrouw C. behoort niet tot deze categorie. De toeslag kan evenmin verleend worden op grond van art. 129 eerste lid 6° van het koninklijk en art. 74, 2° tot 5° van het ministerieel besluit : Mevrouw C. voldoet aan geen enkel van deze vier voorwaarden (minder dan vijf jaar in dienst, deeltijdse werkneemster, onderneming in moeilijkheden, faillissement van de wekgever).
- Samenvattend zijn art. 129 eerste lid 2° van het koninklijk besluit, art. 74 1° van het ministerieel besluit, en de datum van de "uitdiensttreding", doorslaggevend.
- De Nederlandstalige versie van art. 129 van het koninklijk besluit verschilt van de Franse versie. In het Nederlands komt het woord "uitdiensttreding" voor in art. 129 eerste lid 1° en 2° van het koninklijk besluit, en in art. 74 1° van het ministerieel besluit. In de Franstalige versie echter, wordt er bij art. 129 eerste lid 1° en 2° sprake van "licenciement", hetzij "ontslag". Wel wordt in art. 74 1° van het ministerieel besluit de uitdrukking "le moment où le contrat a pris fin" gebruikt, hetzij de datum waarop de arbeidsovereenkomst een einde genomen heeft. Krachtens art. 7 van de wet van 31 mei 1961 op het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, het bekendmaken en inwerkingtreding van wetten en verordeningen, worden verschillen tussen de Nederlandse en de Franse tekst opgelost naar de wil van de wetgever, die bepaald wordt volgens de gewone interpretatieregels en zonder dat aan de ene tekst de voorkeur wordt gegeven boven de andere. Samen met het Openbare Ministerie meent het Arbeidshof dat "uitdiensttreding" in de zin van "ontslag" moet worden gelezen in art. 129 eerste lid 2° van het koninklijk besluit : - Het "ontslag" ("licenciement") van de Franse versie is een algemeen gekend juridisch begrip, dat op een constante wijze in de wetgeving en de reglementering gebruikt wordt. Het woord "uitdiensttreding" daartegen komt zelden in de regelgeving voor en heeft geen duidelijke definitie (het wordt niet opgenomen in de Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, 1995). - Uit het geheel van de toepasselijke bepalingen kan er geen wil van de regelgever vastgesteld worden, om van het courant gebruikte begrip "ontslag" van de Franstalige versie af te wijken, en om gebruik te maken van een ander begrip. Er wordt in het bijzonder geen reden gegeven om m.b.t. de anciënniteittoeslag een verschil te maken tussen de werknemers die op hetzelfde tijdstip ontslagen worden, naargelang het ontslag onmiddellijk met een opzeggingsvergoeding plaats vindt, of met een opzeggingstermijn. De regelgeving dient zo geïnterpreteerd te worden dat zij geen discriminatie creëert tussen deze categorieën van ontslagen werknemers (art. 10 en 11 van de Grondwet). Ten overvloede wordt opgemerkt dat de R.V.A. zelf in zijn documentatie, het woord "ontslag" gebruikt voor "uitdiensttreding" ("Anciënniteittoeslag : schema 2" - Documentatie R.V.A. - stuk 7 van Mevrouw C.).
- Mevrouw C. behoort dan ook niet tot de categorie van werklozen van art. 129 eerste lid 2° : op de datum van "uitdiensttreding" (27 november 1991) was zij slechts 54 jaar oud. De anciënniteitstoeslag is verschuldigd vanaf 1 maart
- B. De verwijlintresten
- Mevrouw C. vordert de verwijlintresten op basis van art. 1153 van het Burgerlijk wetboek, vanaf haar ingebrekestelling van 1 maart 2006 of tenminste vanaf de beslissing van 15 mei
- Verwijlintresten zijn ten vroegste verschuldigd vanaf de opeisbaarheid van de geldsom (art. 20 van het handvest van de sociale verzekerde, wet van 11 april 1995; art. 1153 van het Burgerlijk wetboek). De gerechtelijke intresten zijn door de rechter toegekende verwijlintresten. Op sociale prestaties zijn die verschuldigd in toepassing van art.20 van het handvest of in toepassing van art. 1153 van het Burgerlijke wetboek. Zij zijn aldus ten vroegste verschuldigd vanaf de opeisbaarheid. In de regel worden sociale prestaties ten vroegste opeisbaar vier maanden na de beslissing van de instelling van sociale zekerheid (art. 12 van het handvest). Die regel geldt ook wanneer de prestatie verschuldigd is in toepassing van een gerechtelijke beslissing die de (negatieve) administratieve beslissing hervormt. Inderdaad had in dit geval de prestatie per administratieve beslissing toegekend moeten worden, en was die betaalbaar vier maanden na de beslissing. De sociale prestatie is dan ook opeisbaar vier maanden na de (weigerings- of toekennings-) beslissing. De verwijlintresten lopen ten vroegste vanaf deze datum (Arbh. Luik, 24 februari 2004, Fonds voor beroepsziektes t. T.A. en T.A. t. Fonds, AR n° 29787-01, juridat.be; Arbrb. Brugge, 1 februari 2005, L.G. t. F.V.B., A.R. n° 103648, juridat.be). Mevrouw C. bewijst niet dat de beslissing van 15 mei 2006 laattijdig is. In huidig geval lopen de intresten ten vroegste vier maanden na de beslissing van 15 mei 2006, hetzij vanaf 15 september
- Ofwel zijn de verwijlintresten van rechtswege verschuldigd in toepassing van art. 20 van het handvest vanaf de opeisbaarheid van de prestatie. De toeslag is opeisbaar vanaf de datum waarop de prestaties hadden moeten uitbetaald worden. In die interpretatie is er geen verschil in behandeling tussen sociaal verzekerden : zij kunnen aanspraak maken op verwijlinteresten op de hun verschuldigde prestaties op dezelfde datum, ongeacht of die ter uitvoering van een administratieve beslissing of van een rechterlijke beslissing worden toegekend (A.H. 78/2002 van 8 mei 2002 en 35/2005 van 16 februari 2005). In de mate dat art. 163bis van het koninklijk besluit houdende regeling van de werkloosheids-uitkeringen, minder gunstig is m.b.t. in uitvoering van een rechterlijke beslissing betaalde sociale prestaties, wordt het niet toegepast (art. 20 van het handvest; art. 159 van de Grondwet). Art. 20 van het handvest maakt dan ook een bijzondere regeling uit, en wijkt af van art. 1153 van het Burgerlijk wetboek. Art. 1153 B.W. is niet van toepassing. In toepassing van art. 20 van het handvest zijn de verwijlintresten verschuldigd vanaf 15 september
- Ofwel is art. 20 van het handvest niet van toepassing op sociale prestaties die niet in uitvoering van een administratieve toekenningbeslissing, maar wel in uitvoering van een gerechtelijke beslissing, verschuldigd zijn. In dit geval is art. 1153 van het Burgerlijk wetboek wel van toepassing. De verwijlintresten zijn op aanmaning verschuldigd, ten vroegste vanaf de opeisbaarheid. In de mate dat art. 163bis van het koninklijk besluit houdende regeling van de werkloosheids-uitkeringen minder gunstig is, wordt het niet toegepast. Het koninklijk besluit mag inderdaad niet van de wet afwijken (art. 159 van de Grondwet). In huidig geval dateert de aanmaning van 13 juni 2006 (inleidende verzoekschrift). In toepassing van art. 1153 van het Burgerlijk wetboek zijn de verwijlintresten eveneens verschuldigd ten vroegste vanaf 15 september
- Samenvattend moet de R.V.A. de verwijlintresten betalen vanaf de opeisbaarheid van de toeslag, en ten vroegste vanaf 15 september
- OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van de R.V.A. ontvankelijk maar ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep van Mevrouw C. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat het de beslissing van de R.V.A. van 15 mei 2006 vernietigt en voor recht zegt dat : Mevrouw C. recht heeft, volgens de wettelijke en reglementaire voorwaarden, op de anciënniteittoeslag vanaf 1 maart
- Vernietigt het vonnis uitsluitend m.b.t. de intresten. Zegt voor recht dat : De R.V.A. de intresten moet betalen vanaf de opeisbaarheid van de toeslag, en ten vroegste vanaf 15 september
- Bevestigt het vonnis m.b.t. de kosten van eerste aanleg. Legt de kosten van hoger beroep, in overeenstemming met artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.V.A., kosten die tot op heden voor Mevrouw C. op 145,78 EURO begroot zijn. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op achtentwintig februari tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : mevrouw M. DELANGE, Raadsheer de her J. VAN HOLM, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale zakn mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER M. DELANGE H. SILON J. VAN HOLM PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080228.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.