← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080229.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 29 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:

§1

). De werkingssfeer van die wet was gelijkaardig deze van de wet van 10-5-2007 die ze vervangt (

§4

: arbeid in loondienst, onbetaalde arbeid of als zelfstandige, privé en overheidssector zowel wat aanstelling en selectie, bevorderingskansen als ontslag en bezoldiging betreft.

§5bevat het proportionaliteitsbeginsel in geval van afwijkingen.

Art 19 §1 bepaalt uitdrukkelijk dat de Voorzitter van de rechtbank van 1ste aanleg, Arbeidsrechtbank, Rechtbank van koophandel bevoegd zijn om overtredingen vast te stellen en staking te bevelen en Art. 25 voegt aan art. 578 Gerechtelijk Wetboek een 12°lid toe waarbij de bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank terzake wordt uitgebreid. De Voorzitter van de Arbeidsrechtbank heeft derhalve terecht haar bevoegdheid terzake van de ingeroepen discriminatie vastgesteld op grond van dewet van 10-5-2007 die in de plaats was getreden van de wet van 25-2-2003. Wat de beslissing van 5-9-2007 betreft: DE HEER B.G. houdt voor dat het zeer ongebruikelijk is een scheidsrechter op te roepen om te worden gehoord wanneer geen fout werd vastgesteld door een "controleur" en geen klachten werden neergelegd door spelers of door een club, hetgeen niet het geval is geweest en het bovendien een vriendschappelijke wedstrijd betrof. Hij ziet hierin een poging om hem onder druk te zetten zijn degradatie te aanvaarden, te meer nu beslist werd hem geen aanwijzingen meer te geven zolang hij zich niet aanbood om uitleg te verschaffen, hoewel hij zich om professionele redenen had verontschuldigd. Hij beschouwt deze beslissing als een schorsing wegens zijn weigering de degradatie te aanvaarden. Ook in het feit dat hij met betrekking tot de eerste beslissing werd opgeroepen op een ogenblik dat hij met vakantie was ziet hij een blijk van kwade trouw. Het hof dient vast te stellen dat DE HEER B.G. niet gereageerd heeft op de brief van 3-7-2007 waarbij hij werd uitgenodigd om op die datum te worden gehoord, zodat hij er zelf schuld aan heeft dat geen andere afspraak werd gemaakt. Het hof acht kwade trouw niet bewezen. DE HEER B.G. is niet ingegaan op het verzoek van de Commissie om zich aan te bieden om uitleg te geven over het niet op het wedstrijdblad vermelde voorval dat zich voordeed tijdens de wedstrijd van 31-7-2007 dat de KBVB via de pers vernam. Zeker nu hij voorhoudt dat de KBVB zijn werkgever was, had die het recht om hem aangaande dit voorval te horen en was hij verplicht om aan zijn uitnodiging gevolg te geven, zelfs al was dit ongebruikelijk, hetgeen overigens niet wordt aangetoond. Dat het hier enkel een drukkingsmiddel betrof om hem te verplichten zijn degradatie te aanvaarden acht het hof niet bewezen. DE HEER B.G. had zelf de mogelijkheid ervoor te zorgen dat de beslissing van 5-9-2007 geen uitwerking zou hebben door zich aan te bieden, doch hij hield het been stijf zodat hij de situatie zelf in de hand heeft gewerkt. Het hof meent derhalve dat er geen hoogdringendheid kan worden vastgesteld wat die beslissing betreft. Ten gronde: DE HEER B.G. houdt voor dat de beslissing van 13-6-2007 berust op een ongeoorloofde discriminatie wegens zijn leeftijd. Hij was op dat ogenblik 36 jaar oud. (geboren op 18-2-'70) Krachtens art. 7 van de wet van 10-5-2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie vormt elk direct onderscheid op grond van een van de beschermde criteria een directe discriminatie, tenzij het objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken ervan passend en noodzakelijk zijn. De leeftijd is één van die beschermde criteria, opgenomen in art. 4,4° van de wet. Het proportionaliteitsbeginsel wordt verder verduidelijkt in art. 8 van de wet. Art. 8 §1 van die wet voorziet in afwijking op art 7, en onverminderd de overige bepalingen van titel II van de wet, dat een direct onderscheid op grond van leeftijd, seksuele geaardheid, geloof of levensbeschouwing of een handicap in de in art 5 §1,4°, 5° en 7° bedoelde aangelegenheden uitsluitend gerechtvaardigd kan worden op grond van wezenlijke en bepalende beroepsvereisten. In art. 8§2 (

§1

wet 25-2-03) wordt verder verduidelijkt wat daaronder dient te worden verstaan -een bepaald kenmerk dat verband houdt met leeftijd, seksuele geaardheid, geloof of levensbeschouwing of een handicap, vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, wezenlijk en bepalend is; -het vereiste berust op een legitieme doelstelling en evenredig is ten aanzien van deze nageleefde doelstelling. Art. 8 §3 laat het aan de rechter over in elk concreet geval te onderzoeken of een bepaald kenmerk een wezenlijk en bepalende beroepsvereiste uitmaakt. Volgens art. 5 §2 is het discriminatieverbod ook van toepassing op de beroepen- en functieclassificatie (1°), de bevordering van de arbeids- en loonsverbetering van de werknemers (2°), hetgeen eveneens geldt wanneer deze door eenzijdige werkgeversbeslissingen, arbeidsreglementen of bestuurlijke statutaire regelingen worden geregeld. Krachtens art. 9 van die wet vormt ook elk indirect onderscheid op grond van een van de beschermde criteria een indirecte discriminatie, -tenzij de ogenscheinlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze die aan de grondslag ligt van dit indirect onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn of -tenzij in het geval van indirect onderscheid op grond van een handicap, aangetoond wordt dat geen redelijke aanpassingen kunnen getroffen worden. Art. 12§ 1 van die wet (art. 2§5 wet 25-2-03) bepaalt verder nog dat op het vlak van de arbeidsbetrekkingen en in afwijking van art. 8 en onverminderd andere bepalingen van titel II van die wet, een direct onderscheid op grond van leeftijd geen discriminatie vormt wanneer het objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of elk ander vergelijkbaar legitiem doel, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. De bepalingen strijdig met deze wet en de bedingen die bepalen dat een of meer contracterende partijen bij voorbaat afzien van de rechten die door de wet worden gewaarborgd zijn nietig krachtens art. 15 van diezelfde wet. (art 18 wet 25-2-03) De Voorzitter van de arbeidsrechtbank heeft, vanuit haar marginale toetsingsbevoegdheid, gemeend dat de beslissing tot stopzetting van de opleiding als scheidsrechter voor de 1ste afdeling in de lijn lag met de beoordelingen van de prestaties van DE HEER B.G. tijdens de wedstrijden die hij op proef heeft geleid in eerste klasse en niet kennelijk onrechtmatig was en er geen discriminatie op grond van de leeftijd van DE HEER B.G. uit blijkt. Volgens de beslissing waarvan op 13-6-2007 kennis werd gegeven voldeed DE HEER B.G. niet aan de selectiecriteria om voor het seizoen 2007-2008 wedstrijden in eerste klasse te leiden. Een eerste opmerking van DE HEER B.G. die niet door de KBVB wordt weerlegd is dat deze beslissing werd genomen zonder dat DE HEER B.G. vooraf werd gehoord, zonder dat hem inzage van het dossier werd verleend en zonder verhaalsmogelijkheid. Volgens het bondsreglement art. VI/1 punt 221 zijn de beslissingen in verband met de rangschikking administratieve beslissingen die niet vatbaar zijn voor hoger beroep. In de motivering van de beslissing wordt uitdrukkelijk verwezen naar de leeftijd. De beslissing verwijst tevens naar het werkplan van de CSC. In het werkplan 2007-2008 duikt het criterium leeftijd eveneens op. De scheidsrechters cat. B worden onderverdeeld in 4 groepen volgens hun leeftijd. De scheidsrechters categorie B die de leeftijd van 36 jaar hebben bereikt of ouder zijn komen volgens dat plan niet meer in aanmerking voor promotie naar de 1ste nationale afdeling. DE HEER B.G. behoorde tot die groep. Zij worden hoofdzakelijk ingezet als 4de official tijdens de wedstrijd -zij dienden minstens 12 wedstrijden als 4de official te fungeren. Verder werd ook het aantal wedstrijden in de tweede nationale afdeling beperkt tot drie en voor het overige in derde of vierde afdeling. Er werden twee examens voorzien. Aangezien de vergoeding voor een wedstrijd in 1ste afdeling 900 Euro bedraagt, tegen 250 of 300 Euro in tweede afdeling en in derde en vierde afdeling enkel een onkostenvergoeding wordt uitbetaald en een vergoeding van 50 Euro, had de beslissing ook belangrijke financiële implicaties. De groepen 2 en 3 komen volgens dat werkplan wel in aanmerking voor promotie naar de 1ste afdeling zoals voorheen en betreffen respectievelijk de scheidsrechters van 32 jaar of jonger en deze tussen 32 en 36 jaar. De groep 1 geldt voor de beloften (jonger dan 27 jaar en ouder dan 27 jaar) die voor de wedstrijden in 2de afdeling (of 3de en 4de afdeling of als Official 4 kunnen worden aangeduid. Het behoorde tot de doelstellingen van de CSC om kwalitatief beloftevolle jongeren vlugger te laten doorstromen naar de top en op korte termijn een reserve van kandidaat internationalen op te bouwen waarbij als maximum leeftijd voor een nieuwe internationaal de leeftijd van 37 jaar wordt vooropgesteld. De oudere elementen zouden specifiek worden aangeduid als vierde official.(stuk 11 KBVB) DE HEER B.G. merkt daarbij op dat dit werkplan (2007-2008) werd aangepast nadat was geweten dat de maximumleeftijd om als FIFA-scheidsrechter internationale wedstrijden te mogen fluiten was verlaagd, reden waarom beslist werd jongere scheidsrechters sneller te laten doorstromen. De KBVB houdt voor dat dit enkel te maken heeft met het feit dat de oudere scheidsrechters wegens hun ervaring een gunstigere evaluatieprocedure genoten dan de jongere. Op de leeftijd van 37 jaar diende DE HEER B.G. gedurende een 3 tal wedstrijden in 2de nationale afdeling worden geëvalueerd en zou hij 2 examens moeten afleggen, terwijl de jongeren gedurende een 7 tal wedstrijden in 2de nationale zouden worden geëvalueerd en 4 examens zouden moeten afleggen. Dit argument kan het hof niet overtuigen. Het werkplan biedt geen mogelijkheid voor scheidsrechters die fysiek en technisch goed zijn met de nodige ervaring voor een hogere leeftijdscategorie voor wedstrijden in eerste afdeling aan te duiden. Uit het werkplan blijkt wel degelijk een direct onderscheid naargelang de leeftijd, een beschermd criterium volgens de niet-discriminatie wet van 10-7-

  1. De verbinding die in de bestreden beslissing wordt gelegd tussen de leeftijd van DE HEER B.G., het werkplan van de CSC en de "toekomstperspectieven" van DE HEER B.G. vormen in die context een aanwijzing dat de leeftijd doorslaggevend was voor de beslissing. Het hof merkt op dat de KBVB niet reageerde op de brief van de raadsman van DE HEER B.G. van 20-6-2007 waarin geprotesteerd werd tegen het hanteren van de leeftijdsvoorwaarde als uitsluitingsgrond. De KBVB betwist ten stelligste dat er sprake zou zijn van een discriminatie op grond van de leeftijd. Hij houdt voor dat uit het feit dat DE HEER B.G. tijdens het seizoen 2005- 2006 op 35 jarige leeftijd wel werd toegelaten tot de opleiding tot 1ste klasse duidelijk blijkt dat hij zich niet door de leeftijd liet leiden. Bovendien stelt hij dat de beslissing verwees naar het werkplan van 2006-2007 waarin geen leeftijdsgrenzen waren opgenomen en niet naar dat van 2007-
  2. Het hof acht deze uitleg onwaarschijnlijk nu het seizoen 2006-2007 op zijn einde liep en het nieuwe seizoen moest worden gepland waarbij het werkplan voor 2007-2008 zou worden uitgevoerd. Dat in de motivering verwezen wordt naar de "toekomstperspectieven" van DE HEER B.G. wijst erop dat wel degelijk het werkplan 2007-2008 werd bedoeld. Dat de leeftijdsgrens tijdens het seizoen 2005-2006 niet in aanmerking werd genomen houdt volgens DE HEER B.G. hiermee verband dat op dat ogenblik nog geen indeling volgens leeftijd gold. DE HEER B.G. wees er reeds op dat de KBVB geen enkele scheidsrechter aanwees, ouder dan 36 jaar die in de categorie B stag. 1 werd behouden en dat de scheidsrechters ouder dan 36 jaar die hij aanwees tot de A categorie behoren waarop het nieuwe werkplan (op basis van leeftijd) niet van toepassing was. Met nieuwe elementen die de KBVB aanvoert in repliekconclusie na het advies van het auditoraat-generaal kan geen rekening worden gehouden. Deze conclusie kan enkel antwoorden op argumenten aangevoerd in het advies waarover tussen partijen geen tegenspraak was gevoerd. Het hof dient vast te stellen dat DE HEER B.G. reeds voordien had opgeworpen dat de KBVB geen enkele scheidsrechter van categorie B stag 1 ouder dan 36 kon aanwijzen die in categorie B stag 1 werd behouden zonder dat dit door de KBVB werd weerlegd. De bestreden beslissing verwijst tevens naar de geleverde prestaties tijdens het seizoen 2006-
  3. De KBVB houdt voor dat DE HEER B.G. niet slaagde in zijn stage wegens zijn ondermaatse prestaties en dat de bestreden beslissing om die reden werd genomen. Dit werd evenwel in de bestreden beslissing niet vermeld en er wordt bij die prestaties geen enkele toelichting gegeven. Men vraagt zich trouwens af waarom nog andere motieven dienden te worden aangehaald indien de beslissing enkel op grond van de prestaties werd getroffen. Het hof stelt vast dat dezelfde standaardmotivering werd gehanteerd in een collectieve beslissing die ook andere scheidsrechters betrof, hetgeen de KBVB overigens zelf onderlijnt, erop wijzend dat dit het geval was ongeacht of deze werden opgenomen in categorie A (Efongo Ndolo, geboren in '74) in categorie B bleven met opname als stagiair in 1 (Geldhof , geboren in 76) of in B bleven maar niet meer in aanmerking kwamen voor wedstrijden 1ste nationale. (DE HEER B.G. en De Bock, beide geboren in '70). Het hof merkt op dat de aangehaalde beslissingen volledig in de lijn liggen van het in het werkplan gemaakte onderscheid volgens leeftijd zodat het de vraag blijft of de prestaties wel degelijk beslissend waren. De beoordelingsverslagen m.b.t. die wedstrijden werden tijdens de procedure in eerste aanleg pas voorgelegd nadat de Voorzitter daarom uitdrukkelijk had verzocht hetgeen toch eigenaardig voorkomt nu de KBVB beweerde dat haar beslissing op die resultaten was gegrond. Wat de opleiding tot 1° klasse betreft merkt het hof op dat het bondsreglement in art VI/1 punt 21 slechts een algemene regel bevat volgens dewelke bevordering tot een hogere categorie afhankelijk is van het slagen in proeven onder toezicht van de CSC. De duur van de opleiding gaat volgens de KBVB verder gedurende een door de Centrale Scheidsrechterscommissie te bepalen periode. Die duur wordt kennelijk niet vooraf vastgesteld. Er ontbreken regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder kan worden beslist om de opleiding stop te zetten. Er worden geen voorschriften meegedeeld m.b.t. de ondertekening en mededeling van de schriftelijke verslagen. DE HEER B.G. meent dat nu hij zijn twee stagewedstrijden in 2005-2006 achter de rug had waarvoor hij gunstig werd beoordeeld het recht om in 1ste afdeling te fluiten verworven was. Dit kan niet opgemaakt worden uit de voorgelegde reglementering. Het arbitreren van wedstrijden in 1ste klasse gebeurde nog steeds in het kader van de opleiding en dus "op proef". De werkingsmodaliteiten voor het seizoen 2006-2007 bepalen het volgende: "De scheidsrechters van de categorieën A en de stagiairs in 1D zullen een examen krijgen telkens ze arbitreren in 1ste Nationale".(stuk 19 KBVB p 4) Het reglement voorziet feed back na de wedstrijd en stelt dat enkel de besproken punten in het verslag mogen worden opgenomen doch dat de quotering in geen geval mag worden meegedeeld aan de betrokkene. De betrokkene moet echter op grond van het onderhoud kunnen vermoeden wat de quotatie zal zijn. (p 8) De volledige inhoud van het rapport wordt tijdens de provinciale trainingen aan de scheidsrechter meegedeeld (p 11). Na elke wedstrijd in eerste afdeling wordt een praktisch verslag opgemaakt over volgende criteria: algemene houding,signalisatie en fluitsignalen, plaatsing en verplaatsing, toepassing van de spelregels, principe van het voordeel, samenwerking met de assistenten en gezag en wordt een conclusie toegevoegd. Verder wordt daarin de moeilijkheidsgraad van de wedstrijd weergegeven en de mogelijkheden voor de toekomst. (stuk 19 p 10 5.1) De quotatie bedraagt een cijfer van 1 tot 20.Zij dient gemotiveerd te worden en overeen te stemmen met de opmerkingen. 14/20 punten wordt als een normale prestatie beschouwd. Bij een prestatie die lager of hoger dan de normale is wordt beoordeeld moet imperatief een positieve of negatieve motivering worden gegeven (markante feiten - correcte/onjuiste beslissingen met invloed op het resultaat of het verloop van de wedstrijd.) DE HEER B.G. merkt op dat voor de aanpassing van het werkplan 12/20 een normale prestatie was, terwijl dit in het nieuwe werkplan, plots eenzijdig op 14/20 werd bepaald hetgeen het volgens hem onmogelijk maakt dat nog iemand voor elke wedstrijd kan slagen. Indien die resultaten algemeen gelden kunnen zij hem nochtans niet bijzonder benadelen. Dat DE HEER B.G. tijdens het eerste opleidingsjaar ( 2005-2006) gunstig werd geëvalueerd is niet betwist. Tijdens het seizoen 06-07 arbitreerde hij 6 wedstrijden, (7 volgens hem. Er was kennelijk een wedstrijd in Nederland die niet in aanmerking werd genomen). Dit zijn er slechts een drietal minder dan scheidsrechters uit de A -categorie De Bleeckere en Flament, stelt DE HEER B.G., zonder op dit punt te worden tegengesproken. De KBVB merkt op dat de evaluatie van zijn wedstrijdprestaties niet voldeed aan de norm van 14 punten en dat hij een onvoldoende had voor de fysieke proeven om te worden opgenomen in categorie A. De beslissing gaat echter verder nu zij DE HEER B.G. niet meer de mogelijkheid bood te fungeren als stagiair
  4. De voorgelegde verslagen werden niet ondertekend (noch door DE HEER B.G. noch door de evaluator). DE HEER B.G. houdt voor dat de inhoud ervan nooit aan hem werd meegedeeld tijdens de provinciale trainingen, alhoewel het bondsreglement dit voorschrijft. De KBVB betwist dit doch bewijst niet dat dit wel het geval was. In ieder geval geeft hij toe dat de schriftelijke verslagen pas vanaf 2007-2008 aan de scheidsrechters worden meegedeeld. Volgens de KBVB werden ze wel besproken met DE HEER B.G.. DE HEER B.G. ontkent dit niet doch beweert dat hem bij die gelegenheid enkel gezegd dat hij goed bezig was. De verslagen werden als volgt beoordeeld:  19-8-06: "middelmatige prestatie ...aangezien DE HEER B.G. diende vervangen te worden, geen beoordelingscijfer, te herzien"  30-9-06: "een goede prestatie van de heer B.G....14" Zijn opleiding moet worden voortgezet  18-11-06:"goed beheer van de wedstrijd weliswaar ,niet echt waardig voor 1ste Afd. het spelniveau was zwak (dit betreft de wedstrijd) maar de verdienste van de scheidsrechter was om geconcentreerd te blijven tot het einde; -13 Bij de verschillende items worden enkel goede evaluaties vermeld, behalve voor de verplaatsing  10-2-07: prestatie gekenmerkt door een onvoldoende plaatsing en verplaatsing .
  5. Toch wordt vermeld dat DE HEER B.G. nooit in de problemen kwam en het wedstrijdgebeuren beheerste en wordt eraan toegevoegd :" Een wedstrijd "leiden" kan B.G., maar ...hij moet beseffen dat conditie en verplaatsing onontbeerlijk zijn op het hoogste niveau. Hij is de commissie een revanche verschuldigd."  10-3-07:B.G. heeft de wedstrijd goed geleid en had geen moeite om zich te doen respecteren. Ik kan echter dergelijke verplaatsingen op dat niveau niet toelaten rekening houdend met de gevolgen hierdoor zowel op technisch vlak als bij de beoordeling van de fouten ...
  6.  21-4-07 Zwakke prestatie van deze scheidsrechter tijdens een gemakkelijke wedstrijd ...te veel technische gebreken. 11 In zijn advies wees het Openbaar Ministerie er reeds op dat de verslagen niet steeds eenduidig waren: zo wordt in het verslag van 30-9-2006 vermeld: goede fysieke conditie met verandering van ritme en goede achteruitloop, terwijl in een later verslag van 21-4-2007 plots sprake is van "een gebrek aan snelheid en zeen zekere onbeweeglijkheid" en een zwakke fysieke conditie. De KBVB repliceert daarop dat op een paar maand tijd een conditie die niet wordt onderhouden kan evolueren van goed naar zwak en verwijst daarbij naar de Fifa looptest waarbij DE HEER B.G. op 10-10-2006 slaagde, op 2-12 en 23-1 afwezig was en op 6-3 gekwetst. Deze opmerking is terecht doch houdt eveneens in dat de conditie weer op korte termijn op peil kan worden gebracht. De beslissing houdt echter kennelijk een definitieve stopzetting in van de mogelijkheid tot doorstroming naar klasse A, gelet op het werkplan 2007-
  7. In het advies van het Openbaar Ministerie werd er ook reeds op gewezen dat in het verslag van de wedstrijd van 18-11-2006 (stuk 26 KBVB) een positieve vermelding voorkwam in de Nederlandse tekst die in de Franse tekst werd weggelaten. De KBVB antwoordt daarop dat alle verslagen behalve dit van 10-2-07 (stuk 29) oorspronkelijk in het Frans werden opgesteld en er in stuk 26 een vergissing gebeurde bij de Nederlandse vertaling waarbij een vermelding van een ander verslag werd overgenomen dat er in de oorspronkelijke tekst niet stond. Daaruit blijkt derhalve dat de verslagen niet altijd even zorgvuldig worden opgesteld en dat vermeldingen kunnen worden toegevoegd of weggelaten. De toegekende lage quoteringen voor een aantal wedstrijden contrasteert met de positieve evaluatie van zijn mogelijkheden tot het leiden van een wedstrijd, de essentiële taak van een scheidsrechter. DE HEER B.G. wijst erop dat hij door de vakpers bij de beste scheidsrechters van de Belgische voetbalcompetitie werd gerangschikt voor het seizoen 2006-
  8. De krant Het Laatste Nieuws rekende hem tot de vijf beste scheidsrechters en "Sport en Voetbalmagazine" kende hem zelfs de tweede plaats toe. In die rangschikking waren ook de scheidsrechters van de A-categorie begrepen. De quotaties in de vakpers gingen in dezelfde richting: -Scheidsrechter Efong-Nzolo die na afloop van het seizoen 06-07 werd opgenomen in categorie A bekwam als quotatie 6,5 en 6,6 -Scheidsrechter Vereecke 6,9 en 6,33 -Scheidsrechter Van De Velde 6,6 en 6,31 -DE HEER B.G. 6,4 en 6,57 -Scheidsrechter Colemonts 6,4 en 6,22 -Scheidsrechter Burie 6,3 en 6,43 -Scheidsrechter Verbist 6,3 en 6,28 -Scheidsrechter Allaerts 6,2 en 6,47 -Scheidsrechter Gumienny 6,1 en 6,22 -Scheidsrechter Delacour 6 en 6 -Scheidsrechter Pots 6 en 6,11 -Scheidsrechter Vervecken 6 en 6,12 Het is opmerkelijk dat DE HEER B.G. die volgens die quotaties amper minder scoort dan de heer Nzolo, één van de best gequoteerde scheidsrechters, en ruim beter dan de heer Geldhof (5,3 en 5,75) die wel behouden werd als scheidsrechter categorie B, stag 1, een negatieve beoordelingen kreeg van de CSC. Bovendien blijkt uit de lijst van de quotaties die de vakpers gaf aan de scheidsrechters van categorie A(stuk 1 DE HEER B.G.) dat DE HEER B.G., op uitzondering van de heer Vereecke na hoger scoorde dan zijn collega's van categorie A, hetgeen toch moeilijk in overeenstemming te brengen blijkt met het feit dat hij volgens de CSC ongeschikt zou zijn om op te treden in de hoogste voetbalafdeling. De KBVB maakt hierbij de opmerking dat het de pers niet toekomt de prestaties van de scheidsrechters te beoordelen en dat bovendien in die quotaties en rangschikking geen rekening wordt gehouden met de moeilijkheidsgraad van de wedstrijd. Hij stelt dat DE HEER B.G. enkel eerder gemakkelijke wedstrijden heeft gearbitreerd. Dit blijkt inderdaad uit de quotering van het wedstrijdgehalte op de verslagen. De toetsingsbevoegdheid van de kortgedingrechter, is met betrekking tot de genomen beslissing slechts marginaal en het komt hem niet toe in de plaats te treden van de KBVB wat de beoordeling van sportieve prestaties zelf betreft doch slechts de redelijkheid en de legaliteit ervan te toetsen. De aangehaalde elementen doen twijfel rijzen bij de objectiviteit van de evaluatieverslagen. Het is niet onmogelijk dat de evaluaties zo werden opgesteld dat zij ertoe zouden leiden dat scheidsrechters die behoorden tot de leeftijdcategorie die binnen het nieuwe werkplan niet meer zouden kunnen doorstromen naar 1ste afdeling uit de opleiding werden verwijderd. Het is vooral niet duidelijk waarom precies op het ogenblik dat het nieuwe werkingsplan in voege zou treden beslist werd een (definitief) einde te stellen aan de opleiding van DE HEER B.G. tot scheidsrechter 1ste klasse. Verder blijkt dat De heer B.G. wel degelijk voldeed aan de fysische proeven georganiseerd door de KBVB. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat hij hierop vaak afwezig bleef, wegens ziekte of om een andere reden, zodat het aantal resultaten beperkt was. Uit de door DE HEER B.G. voorgebrachte stukken o.m. het rapport van de scheidsrechters in de 1ste nationale afdeling vergeleken met de lijst van A en B-scheidsrechters (stuk 1 KBVB) blijkt dat ook de B1 scheidsrechters op meer dan regelmatige basis en niet occasioneel of tijdelijk wedstrijden in eerste afdeling leidden. De bestreden beslissing had voor gevolg dat DE HEER B.G. geen wedstrijden in 1ste afdeling zou kunnen arbitreren en volgens het werkplan 2007-2008 nog slechts 3 wedstrijden in 2de nationale afdeling, zodat zij een belangrijke financiële weerslag had, gelet op het systeem der vergoedingen. Gelet op het geheel van de voorliggende elementen vnl. het ontbreken van duidelijke criteria waaraan de opleiding qua duur en prestaties moet voldoen, de verwijzing in de bestreden beslissing naar het leeftijdscriterium, het onderbreken van de opleiding op het ogenblik dat het nieuwe (leeftijdsgebonden) werkplan 2007-2008 in werking trad, het niet ondertekenen van de evaluatieverslagen en het feit dat deze niet schriftelijk werden meegedeeld, de tegenstrijdigheden in de evaluatie, en het contrast tussen de beoordeling door de CSC en deze van de vakpers, is het hof van mening dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de bestreden beslissing berust op een discriminatie op grond van leeftijd. Er wordt niet aangetoond dat het onderscheid op grond van leeftijd wordt gerechtvaardigd op grond van een wezenlijke en bepalende beroepsvereisten. Dergelijke discriminatie is niet enkel strijdig met de bepalingen van de wet van 10-5-2007 doch ook met die van de voordien geldende wet van 25-2-
  9. Het hof meent derhalve dat er redenen voorhanden zijn om de beslissing van de Sub-Commissie voor het betaald voetbal van 30-5-2007 die aan DE HEER B.G. ter kennis werd gebracht op 13-6-2007 te schorsen wegens strijdigheid met de bepalingen van art. 7,8, 12 §1 van de wet van 10-5-2007 en de KBVB te bevelen DE HEER B.G. onder dezelfde voorwaarden als voorheen zijn stage te laten verder zetten en een dwangsom op te legen voor zover deze maatregel niet zou worden nageleefd, met dien verstande dat DE HEER B.G. zich eerst zal moeten aanbieden bij de Centrale scheidsrechterscommissie zoals gevraagd, op voorwaarde dat hij nog steeds medisch geschikt wordt bevonden en slaagt in de voorgeschreven conditietesten en op voorwaarde dat hij onverwijld een vordering ten gronde instelt. Wat de gevorderde rechtsplegingsvergoeding betreft, merkt de KBVB terecht op dat het geschil betrekking heeft op een niet in geld waardeerbare vordering, zodat enkel het basisbedrag kan worden toegekend. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF, zetelend in Kort Geding Op eensluidend schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond Hervormt de bestreden beschikking in volgende mate Schorst de bestreden beslissing van de Sub-Commissie voor het Betaald Voetbal van 30-5-2007, aan DE HEER B.G. ter kennis gebracht op 13-6-
  10. Beveelt de KBVB De heer B.G. toe te laten zijn stage onder dezelfde voorwaarden als voorheen te laten verder zetten en tegen een zelfde frequentie als voorheen, op straffe van een dwangsom van 500 Euro per inbreuk en per dag vertraging tot er een uitspraak ten gronde zal zijn, voor zover DE HEER B.G. zich vooraf aanbiedt bij de Centrale Scheidsrechtercommissie om er nadere uitleg te verschaffen over het voorval van 31-7-2007 tijdens de wedstrijd KV Oostende en KSV Roeselare, hij medisch geschikt wordt bevonden en slaagt in de voorgeschreven conditieproeven en voor zover DE HEER B.G. een procedure ten gronde instelt binnen de maand na de onderhavige uitspraak. Hervormt de bestreden beschikking voor het overige Legt de kosten van beide instanties ten laste van de KBVB, als volgt begroot Voor appellante partij: euro 111,55 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 145,78 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Voor geïntimeerde partij: euro 111,55 rechtspleginsvergoeding eerste aanleg euro 145,78 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen door de eerste kamer van het Arbeidshof te Brussel, als volgt samengesteld: G. Balis: kamervoorzitter. S. Alaerts: Raadsheer in sociale zaken als Werkgever F. Vanderschelde: Raadsheer in sociale zaken als werknemer - bediende Bijgestaan door I. Hurkmans: gedelegeerd adjunct -griffier, en ondertekend door G. Balis I. Hurkmans S. Alaerts F. Vanderschelde De Heer Vanderschelde die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen verkeert in de onmogelijkheid om te ondertekenen. Overeenkomstig het artikel 785 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest getekend door Mevrouw Balis, en mevrouw Alaerts. I. Hurkmans Gedelegeerd adjunct - griffier Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de eerste kamer van het Arbeidshof te Brussel op 29 februari 2008 door G. Balis, Bijgestaan door I. Hurkmans G. Balis I. Hurkmans PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080229.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.