id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080306.2 Rolnummer: 49.206 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-05-29 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 17:09 Fiche Wanneer men de bepaling van artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 'gedurende minstens vijf jaar verbonden is geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever' zou lezen als 'gedurende minstens vijf jaar ononderbroken verbonden is geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever', voegt men aan de tekst iets toe, zodat men afwijkt van de normale interpretatieregels. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Beroepsloopbaanonderbreking - Tijdskrediet - Loopbaanonderbreking - Andere Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - TIJDSKREDIET - uitkering - begrip 'gedurende minstens vijf jaar verbonden zijn geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever' - onderbreking. Wettelijke bepalingen: Wet - 22-01-1985 - 103 quater - 30 ELI link Pub nr 1985021271 Koninklijk Besluit - 12-12-2001 - 4 § 1 - 33 ELI link Pub nr 2001013224 Nota: II Q 103 quater KB van 12 december 2001, art 4§1 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES MAART TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Werkloosheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, vertegenwoordigd door Mr. Ch. Jacobs loco Mr. J. De Ketelaere, advocaat te 3000 Leuven, Tegen: V. K. R., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. K. Van Coorenland, advocaat te 3000 Leuven, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 23 oktober 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 13 november 2006; - de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 1 februari 2008, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. I. DE FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer V. K. werkt als bediende bij de K.U.L. Uit het attest van tewerkstelling blijkt dat hij een eerste maal tewerkgesteld was van 15 februari 1996 tot en met 31 augustus 1999 en nadien opnieuw sedert 15 november 2000.(zijn stuk 6) Omwille van zijn tijdskrediet voor de periode van 15 september 2005 tot en met 14 juni 2006 vroeg hij door middel van een formulier C 61/C.A.O.77 bis onderbrekingsuitkeringen aan bij de R.V.A. Op dit formulier duidde de K.U.L. aan dat hij minder dan vijf jaar verbonden was geweest door een arbeidsovereenkomst. In een brief van 28 april 2005 laat de personeels-dienst van de K.U.L. evenwel aan de R.V.A. weten dat de heer V. K. meer dan vijf dienst in de onderneming had en er wordt een gewijzigd formulier C 61/ C.A.O. 77 bis aan de R.V.A. overgemaakt. De R.V.A. beslist dan op 29 april 2005 om aan de heer V. K. de onderbrekingsuitkering toe te kennen van een werknemer met minder dan vijf jaar dienst. Na deze beslissing volgt nog briefwisseling tussen de personeelsdienst van de K.U.Leuven en de R.V.A.,doch deze laatste blijft op haar standpunt, waarna de heer V. K. de R.V.A. dagvaardt voor de Arbeidsrechtbank te Leuven in toekenning van de hoogste uitkering ( + 5 jaar dienst). Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Leuven dd. 23 oktober 2006 wordt de vordering van de heer V. K. ontvankelijk en gegrond verklaard in de zin dat hij voor de periode van zijn tijdskrediet aanspraak kan maken op de uitkering zoals voorzien in artikel 4, par. 1 b van het koninklijk besluit van 12 december 2001. Bij verzoekschrift tot hoger beroep dd. 13 november 2006, uitgaande van de R.V.A. vordert deze het vonnis te vernietigen en de oorspronkelijke beslissing van de directeur van de R.V.A. dd. 29 april 2005 te bevestigen. Dit beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar vorm en ontvankelijk. II Bespreking Artikel 4 § 1 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 bepaalt : " In uitvoering van artikel 103 quater van de herstelwet bedraagt het bedrag van de uitkering van de werknemers die een voltijdse arbeidsprestaties volledig schorsen in toepassing van artikel 3 § 1, 1ste van de C.A.O. 77:
- a)364,55 EURO per maand wanneer de voltijdse werknemer niet gedurende minstens vijf jaar verbonden is geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever
- b)486, 7 EURO per maand wanneer de voltijdse werknemer wel gedurende minstens vijf jaar verbonden is geweest met zijn arbeidsovereenkomst met zijn werkgever". Niet betwist wordt dat de heer V. K. met zijn twee arbeidsperiodes meer dan vijf verbonden is geweest met de K.U. Leuven, maar deze periode van tewerkstelling was niet ononderbroken. De R.V.A. houdt voor dat het arbeidsrechterlijke anciënniteitsbegrip, zoals dit geldt voor de berekening van de opzeggingstermijnen, moet worden toegepast en verwijst hiervoor naar het advies nr. 1.399 van de Nationale Arbeidsraad zoals aangevuld door het advies 1.345. In het koninklijk besluit van 12 december 2001 wordt de omschrijving gebruikt "gedurende minstens vijf jaar verbonden is geweest met een arbeidsover-eenkomst met zijn werkgever". Terecht stelt de eerste rechter dat men zich er voor moet hoeden door middel van interpretatie of uitlegging een toevoeging aan deze tekst te doen. Het woord "anciënniteit", waarnaar de R.V.A. verwijst, komt als dusdanig weinig voor in arbeidsrechterlijke teksten. In artikel 59 van de arbeidsovereenkomstenwet verwijst men naar een aantal jaren dat de werknemer "ononderbroken bij dezelfde onderneming in dienst is gebleven". In artikel 60 luidt het " die minder dan zes maand ononderbroken in dienst van dezelfde onderneming zijn". Het is opvallend dat in deze teksten uitdrukkelijk het woord "ononderbroken" voorkomt wat niet het geval is in artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 december 2001, dat hier moet worden onderzocht. Het is logisch dat men voor de opzeggingstermijnen van bedienden hetzelfde begrip als voor de arbeiders hanteert (Cass. 15 april 1985;, J.T.T. 1985, 356), temeer daar men in artikel 82 spreekt over " elke nieuwe periode van vijf jaar dienst bij dezelfde werkgevers". Het woord "anciënniteit" vinden we wel terug in artikel 14 van de C.A.O. 32 bis van de Nationale Arbeidsraad van 7 juni 1985, maar voor de vaststelling van de opzeggingstermijn of van de opzeggingsvergoeding wil men hier juist wel rekening houden met de periodes van onderbreking van de activiteit van de onderneming. Ook in het advies nummer 1.339 van de Nationale Arbeidsraad pg. 5 onder 2 a. 1, waarnaar appellant verwijst, vraagt de Raad aan de overheid financiële maatregelen en gebruikt de Raad de formulering "in geval de voltijdse werknemer de anciënniteit van vijf jaar als werknemer in de onderneming niet heeft bereikt", waarbij evenmin verwezen wordt naar een ononderbroken anciënniteit. Het feit dat het begrip anciënniteit niet eenduidig is volgt ook uit de rechtspraak die stelt dat men de conventionele loonanciënniteit niet zo maar mag in rekening brengen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding. Gelet op de diverse formuleringen in verschillende teksten, stelt de eerste rechter terecht dat, wanneer men de bepaling van artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 "gedurende minstens vijf jaar verbonden is geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgevers" zou lezen als "gedurende minstens vijf jaar ononderbroken verbonden is geweest met een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever", men aan de tekst iets toevoegt, zodat men afwijkt van de normale interpretatieregels. Aangezien niet betwist wordt dat de heer V. K. vijf jaar verbonden is geweest met een arbeids-overeenkomst met de K.U.Leuven, voldoet hij derhalve aan de voorwaarden van artikel 4 § 1 b van het koninklijk besluit en aldus is het hoger beroep ongegrond. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn mondeling eensluidend advies ter zitting van 7 februari 2008, waarop geen repliek is gevolgd. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis, Veroordeelt de R.V.A. bij toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, tot de kosten van het hoger beroep, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant niet begroot - voor geïntimeerde 145,78 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zes maart tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : de heer L. LENAERTS, Raadsheer de heer J. VAN HOLM , Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER L. LENAERTS H. SILON J. VAN HOLM PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080306.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div