id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080407.5 Rolnummer: 46.510 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-05-29 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 17:16 Fiche Het recht op leefloon is slechts opengesteld voor onderdanen van de EU-lidstaten die effectief en regelmatig in België verblijven. Zij zijn derhalve niet automatisch gerechtigd op leefloon.. Uit de Richtlijnen 90/364, 90/365 en 90/366 (nu 93/96) van de Raad van 28 juni 1990 blijkt dat het verblijfsrecht van een EU -onderdaan niet absoluut is en ondergeschikt is aan twee voorwaarden : zij moeten in het bezit zijn van een ziektekostenverzekering die alle risico's in het gastland dekt en over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de lokale bijstandsregeling komen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE - LEEFLOON - EU-onderdaan Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 3 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN APRIL TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Maatschappelijke dienstverlening Tegensprekelijk Definitief In de zaak: D. J. J. C., die woonstkeuze doet bij haar raadsman Mr. N. Huygels, advocaat te 9170 Sint-Gillis-Waas, Klingedorp 9, appellante, vertegenwoordigd door Mr. D. Bogaerts loco Mr. N. Huygels, advocaat te 9170 Sint-Gillis-Waas, Tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KEERBERGEN, met zetel te 3140 Keerbergen, Gemeenteplein 10, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. D. Pauwels, advocaat te 1840 Londerzeel, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, meer bepaald: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 2 maart 2005; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 maart 2005; - de besluiten voor geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 november 2005; - de besluiten voor appellante ontvangen ter griffie van dit Hof op 15 maart 2006; - de aanvullende besluiten en tevens synthesebesluiten met inventaris van geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 april 2006; - De zaak werd gepleit voor een anders samengestelde zetel op 26 april 2007 en in voortzetting gesteld waarna ze herhaaldelijk op verzoek van partijen werd uitgesteld; - appellante legt haar dossier neer op de openbare terechtzitting van 28 februari 2008; Aangezien de zetel van het Hof die reeds kennis had genomen van de zaak niet meer kon samengesteld worden, werd de zaak op 28 februari 2008 volledig herpleit voor een anders samengestelde zetel van het Hof op 28 februari 2008; De zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies neer te legen ter griffie uiterlijk op 7 maart
- X X X I. DE FEITEN Mevrouw D. J. ,is geboren op 7-12-45 en heeft de Franse nationaliteit. In 1989 is zij in België komen wonen. Zij werkte tot 1995 als zelfstandige naaister en was ingeschreven in het ambachtsregister. Daarna was ze verkoopster in een boetiek die zij in 1997 heeft overgenomen. Ze werd echter failliet verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Nijvel op 18-2-
- Bij vonnis van 29-10-2003 werd zij verschoonbaar verklaard zodat zij in principe opnieuw als zelfstandige aan de slag kon. Mevrouw D. J. had op dat ogenblik geen bestaansmiddelen en ging in Keerbergen wonen in een huis dat eigendom was van haar moeder. Haar moeder was Belgische en woonde in Bonheiden. Vanaf juni 2002 ontving ze een leefloon van het O.C.M.W. te Keerbergen. Voordien was ze gedomicilieerd in Waterloo. Haar EG-kaart verviel op 21-10-2002 en zij vroeg niet tijdig de verlenging aan, zoals blijkt uit haar brief aan de Dienst Vreemdelingenzaken van 23-7-
- In oktober 2002 voerde de politie van de gemeente Waterloo een adrescontrole uit en stelde vast dat zij niet meer in de gemeente verbleef. Zij had geen adreswijziging doorgegeven en werd derhalve afgeschreven naar Frankrijk, gelet op haar Franse nationaliteit. Zij verloor haar verblijfsrecht. Pas op 22-7-2003 liet zij zich inschrijven in de gemeente Keerbergen. Zij bekwam aanvankelijk een attest van immatriculatie, model A geldig tot 3-1-2004 doch dit werd op 23-12-2003 ingetrokken en op dezefde datum werd haar een bevel betekend om het grondgebied te verlaten, gesteund op art 7,1,6° van de vreemdelingenwet omdat zij onvoldoende bestaans-middelen had en niet in de mogelijkheid was om deze te bekomen vermits zij steun vroeg bij het O.C.M.W. Het attest van immatriculatie werd haar ontnomen Mevrouw D. diende een verzoekschrift in bij de Raad van State waar zij bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuit-voerlegging van het bevel vorderde. Zij legde tevens een verzoekschrift neer tot nietigverklaring van het bevel. Het verzoek tot schorsing werd bij arrest van 5-1-2004 afgewezen omdat zij niet aannemelijk maakte dat de schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zou komen, te meer nu vooralsnog geen uitvoeringsmaatregel tegen haar in het vooruitzicht werd gesteld, zodat de dringende noodzakelijkheid niet werd aangetoond. Bij beslissing van 7-1-2004 zette het O.C.M.W. van Keerbergen het leefloon stop wegens het bevel het grondgebied te verlaten tegen 6-1-2004 uiterlijk. Die beslissing werd aan Mevrouw D. meegedeeld bij brief van 12-1-
- Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 24-2-04 vorderde Mevrouw D. dat de beslissing van het O.C.M.W. Keerbergen van 7-1-2004 zou worden hervormd en dat haar recht op leefloon zou worden bevestigd. Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond en bevestigde zij de bestreden beslissing van 7-1-
- Zij overwoog -dat het leefloon is opengesteld voor onderdanen van EU-lidstaten die effectief en regelmatig op het grondgebied verblijven, hetgeen niet het geval was van Mevrouw D. op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd getroffen. -dat Mevrouw D. ingevolge art. 57§2 O.C.M.W.-wet evenmin aanspraak kon maken op steun, met uitzondering van dringende medische hulp, nu zij illegaal in het rijk verbleef. -dat de omstandigheid dat Mevrouw D. op het grondgebied werd gedoogd nog niet inhield dat haar verblijf legaal was. -dat zij niet de hoedanigheid bezat van kandidaat vluchteling. Van het vonnis werd aan Mevrouw D. kennis gegeven bij gerechtsbrief, aangetekend verzonden op 8-3-
- II.VORDERINGEN IN HOGER BEROEP Mevrouw D. vordert dat het Hof het vonnis van de Arbeidsrechtbank zou hervormen, de bestreden beslissing van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst van het O.C.M.W. te Keerbergen van 7-1-2004 teniet zou doen en na te hebben vastgesteld dat de uitbetaling aan Mevrouw D. van het leefgeld ten onrechte werd stopgezet, uitdrukkelijk voor recht zou zeggen dat zij verder gerechtigd is op leefloon en aanspraak kan blijven maken op betaling van leefloon door het O.C.M.W. te Keerbergen, met veroordeling van het O.C.M.W. tot de kosten van het geding. Het O.C.M.W. Keerbergen verzoekt het Hof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen met veroordeling van appellante tot de kosten van beide aanleggen. III.BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Het hoger beroep werd ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis, overeen-komstig art.792,2de lid Gerechtelijk Wetboek. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.Ten Gronde De zaak werd sinds de inleiding in hoger beroep herhaaldelijk verdaagd op verzoek van beide partijen of van appellante, hetgeen op zichzelf al de vraag doet rijzen of Mevrouw D. wel degelijk verstoken was van voldoende middelen van bestaan. Het blijkt dat Mevrouw D. intussen in Frankrijk verblijft. Zij werd op 2-10-2007 voor Frankrijk afgeschreven. Inmiddels heeft de Raad van State in de hangende procedure tot nietigverklaring van het bevel het grondgebied te verlaten, bij arrest van 12-7-2007 de afstand van geding door Mevrouw D. vastgesteld. Eveneens blijkt dat Mevrouw D. inmiddels in het bezit werd gesteld van de nalatenschap van haar moeder die op 11-2-2006 is overleden. Het Hof dient de zaak te beoordelen met in acht neming van de huidige toestand. Art 3 van de wet van 26-5-2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bepaalde: Om recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten moet de persoon tegelijkertijd en onverminderd voldoen aan de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld: 1.Zijn werkelijke verblijfplaats hebben in België in de door de Koning te bepalen zin 2.meerderjarig zijn of hiermee gelijk gesteld zijn overeenkomstig de bepalingen van deze wet 3 behoren tot één van de volgende categorieën van personen: - hetzij de Belgische nationaliteit bezitten - hetzij het voordeel genieten van de toepassing van de verordening (E.E.G.)nr. 1612/68 van 15-10-68 van de raad van de Europese Gemeenschappen betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap - hetzij als vreemdeling ingeschreven zijn in het bevolkingsregister - hetzij vluchteling zijn ...... 4° Niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken noch er aanspraak kunnen op verwerven..... 5° werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids-of billijkheidsredenen niet mogelijk is 6° zijn rechten laten gelden op uitkeringen die hij kan genieten krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. In een arrest van 14-1-2004 (05/2004) vernietigde het Grondwettelijk Hof het tweede streepje van art. 3, 3° in zoverre het de vreemdelingen die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie en effectief en op regelmatige wijze in het Rijk verblijven, maar de toepassing van de verordening E.E.G. nr. 1612/68 van de Raad van 15-10-68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap niet genieten, van de toepassing van de wet uitsluit. Het Hof achtte deze bepaling strijdig met de art. 12 en 17 van het E.E.G.- verdrag. Het Hof verwees hierbij naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot een identieke bepaling i.v.m. het bestaansminimum van 20-9-2001 (Grzelczyk tegen O.C.M.W. Ottignies-Louvain-la Neuve C 184/99) In dat arrest oordeelde het H.v.J: "de artikelen 6 en 8 EG-Verdrag (thans na wijziging, de art 12 EG en 17 EG) staan eraan in de weg dat het recht op een sociale uitkering in het raam van een niet op premiebetaling berustend stelsel, zoals het bij art 1 van de Belgische wet van 7-8-1974 ingevoerde bestaansminimum, voor onderdanen van andere lidstaten dan de ontvangende lidstaat op het grondgebied waarvan deze onderdanen legaal verblijven, afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat zij binnen de werkingssfeer vallen van verordening E.E.G. nr. 1612/68 van de Raad van 15-10-1968 betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, wanneer een dergelijke voorwaarde niet geldt voor onderdanen van de ontvangende lidstaat. In dat zelfde arrest preciseerde het H.v.J. "Deze uitlegging sluit evenwel niet uit, dat de ontvangende lidstaat van mening kan zijn dat een student die een beroep heeft gedaan op de sociale bijstand niet meer voldoet aan de aan zijn verblijfsrecht verbonden voorwaarden en binnen de ter zake door het gemeenschapsrecht gestelde grenzen maatregelen neemt, hetzij om de verblijfsvergunning van de betrokkene in te trekken, hetzij om deze niet te verlengen." In het arrest Martinez Sala,(C85/96, 12-5-98, Jur. 98,I 2691) besliste het H.v.J eveneens dat art. 12 en 18 van het EG -Verdrag een legaal verblijf veronderstelden. Hieruit volgt dat om aanspraak te kunnen maken op het leefloon een EU-onderdaan legaal op het grond-gebied moet verblijven. Het leefloon is slechts opengesteld voor onderdanen van EU-lidstaten die effectief en regelmatig in België verblijven. Zij zijn derhalve niet automatisch gerechtigd op leefloon, hetgeen door de hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie wordt onderschreven. Uit de Richtlijnen 90/364, 90/365 en 90/366 (nu 93/96) van de Raad van 28-6-90 blijkt duidelijk dat het verblijfsrecht van een EU-onderdaan niet absoluut is en ondergeschikt is aan twee voor-waarden: zij moeten in het bezit zijn van een ziektekostenverzekering die alle risico's in het gastland dekt en over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de lokale bijstandsregeling komen. Het verblijf van Mevrouw D. in België was niet langer legaal gelet op de betekening van het bevel het grondgebied te verlaten. Indien zij langer dan drie maanden op het grond-gebied wenste te verblijven, (na haar afschrijving naar Frankrijk) diende zij een aanvraag tot machtiging tot verblijf in te dienen, overeenkomstig art. 42 vreemdelingenwet. Dergelijke aanvraag zou zij volgens de door de Dienst Vreemdelingenzaken aan het Auditoraat-Generaal bij brief van 29-5-2007 verstrekte informatie pas hebben gedaan op 11-12-2006 doch zij zou niet de vereiste documenten hebben ingediend. Mevrouw D. meent haar recht nog te kunnen steunen op een arrest van het Grondwettelijk Hof (arrest 43/98 van 22-4-98). Zij meent dat door het intrekken van het leefloon, haar recht op het daadwerkelijk uitoefenen van een jurisdictioneel beroep wordt geschonden. Het Hof treedt haar hierin niet bij nu zij als Franse onderdaan steeds terecht kon in een aangrenzend land en van daaruit haar verdediging perfect kon voeren. De betwisting omtrent de geldigheid van het bevel het grondgebied te verlaten werd voorgelegd aan de Raad van State waar een verzoek tot nietigverklaring ervan aanhangig werd gemaakt. De Raad van State heeft intussen bij arrest van 12-7-2007 de afstand van het geding vastgesteld omdat Mevrouw D. niet was ingegaan op de uitnodiging de procedure voort te zetten zodat ze kon worden gehoord. Het Hof kan derhalve enkel vaststellen dat het verblijf van Mevrouw D. op het grondgebied onregelmatig was. Het blijkt niet dat zij haar verblijf heeft geregulariseerd en zij verblijft nu in Frankrijk. Het Hof dient vast te stellen dat kennelijk niet voldaan was aan de voorwaarden om een leefloon te bekomen. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Het schriftelijk advies van de heer Andre, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie op 14 maart 2008, waarop geen reliek van partijen volgde, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond Bevestigt het bestreden vonnis. Legt de kosten ten laste van het O.C.M.W. Keerbergen bij toepassing van artikel 1017, 2de lid Gerechtelijk Wetboek, tot op heden begroot op : - voor appellante niet begroot -voor geïntimeerde 285,57 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeven april tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Voorzitter de heer J. VAN HOLM, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer D. REGA, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER G. BALIS D. REGA J. VAN HOLM PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080407.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div