id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080407.6 Rolnummer: 45.239;46.344;45.488 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 17:17 Fiche Als datum van betaling (van de socialezekerheidsbijdragen) dient de datum van creditering van de rekening van de Rijksdienst in acht genomen te worden bij betaling door middel van een overschrijving. De begunstigde van de betaling kan immers over de fondsen niet beschikken zolang zijn rekening niet gecrediteerd is. Nu niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in de beslissing van het beheerscomité van de RSZ van 21 april 1972 voor een tijdige betaling van de bijdragen voor het tweede kwartaal, zijn de interesten verschuldigd vanaf de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal waarop de bijdragen betrekking hebben overeenkomstig art. 34 van het K.B. De administratieve toezegging waarbij de betalingstermijn voor de bijdragen van het tweede kwartaal tot 31 augustus wordt verlengd, moet strikt worden uitgelegd nu de RSZ daarin niet heeft voorzien dat de interesten in geval van laattijdige betaling, pas zouden lopen vanaf 31 augustus. Bijdrageopslagen vormen een hoofdbedrag en worden opgelegd bij wijze van administratieve sanctie.In geval van laattijdige betaling van de gevorderde bijdrageopslagen zijn interesten verschuldigd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Betaling Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - betaling van de sociale zekerheidsbijdragen - datum van betaling - interesten - bijdrageopslagen - interesten Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 28 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 54, 1e lid - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Nota: VII A art.28 K.B. van 28.11.1969 ,art.54, 1e lid Gepubliceerd in J.T.T. 2008, 272-275 Annotaties Publicaties: J.T.T. - - 2008,272-275 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN APRIL TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Sociale Zekerheid Bijdragen Tegensprekelijk Definitief A.R. 45.239 In de zaak: N.V. DELTA LLOYD BANK, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1210 Brussel, Sterrekundelaan 23, appellante, vertegenwoordigd door Mr. L. Nelis, advocaat te 2018 Antwerpen, Tegen:
- de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eerste geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. Pil loco Mr. S. Libeer, advocaat te 1040 Brussel,
- de N.V. STAALBETON, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2310 Rijkevorsel, Sint-Lenaartsesteenweg 7, tweede geïntimeerde, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. L. Schuermans, advocaat te 2300 Turnhout, 3.V.Z.W. DIENSTBETOON SOCIAAL SECRETATIRAAT VOOR HET BOUWBEDRIJF EN DE AANVERWANTE VAKKEN, waarvan de zetel gevestigd is te 2300 Turnhout, Parklaan 44, derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. F. Lemaire, advocaat te 1080 Brussel, A.R. 46.344 In de zaak : N.V. DELTA LLOYD BANK, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1210 Brussel, Sterrekundelaan 23, appellante, vertegenwoordigd door Mr. L. Nelis, advocaat te 2018 Antwerpen, Tegen :
- RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eerste geïntimeerde, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. Pil loco Mr. S. Libeer, advocaat te 1040 Brussel,
- de N.V. Groep Van Roey , waarvan demaatschappelijke zetel gevestigd is te 2310 Rijkevorsel, Sint-Lenaartsesteenweg 7, tweede geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. L. Schuermans, advocaat te 2300 Turnhout,
- V.Z.W. DIENSTBETOON SOCIAAL SECRETARIAAT VOOR HET BOUWBEDRIJF EN DE AANVERWANTE VAKKEN, waarvan de zetel gevestigd is te 2300 Turnhout, Parklaan 44, derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. F. Lemaire, advocaat te 1080 Brussel; A.R. 45.488 Inzake : N.V. STAALBETON, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2310 Rijkevorsel, Sint-Lenaartsesteenweg 7, appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger, vertegenwoordigd door Mr. L. Schuermans, advocaat te 2300 Turnhout, Tegen :
- RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eerste geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. Pil loco Mr. S. Libeer, advocaat te 1040 Brussel,
- V.Z.W. DIENSTBETOON SOCIAAL SECRETARIAAT VOOR HET BOUWBEDRIJF EN DE AANVERWANTE VAKKEN, waarvan de zetel gevestigd is te 2300 Turnhout, Parklaan 44, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. F. Lemaire, advocaat te 1080 Brussel,
- de N.V. DELTA LLOYD BANK, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1210 Brussel, Sterrekundelaan 23, derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. L. Nelis, advocaat te 2018 Antwerpen, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - de voor eensluidende verklaarde afschriften van de bestreden vonnissen, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 23 januari 2004 en 10 november 2004; - de verzoekschriften tot hoger beroep van de N.V. Delta Lloyd Bank, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 maart 2004 en 16 februari 2005; - het verzoekschrift tot hoger beroep van de N.V. Staalbeton ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 19 mei 2004 en gericht tegen het vonnis van 23 januari 2004; - de besluiten en synthesebesluiten door de N.V Delta Lloyd neergelegd; - de besluiten en tweede besluiten door de R.S.Z. neergelegd; - de besluiten en synthesebsluiten door de N.V. Staalbeton en de NV Groep Van Roey neergelegd; - de besluiten en aanvullende besluiten door de V.Z.W. Dienstbetoon neergelegd; - Het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van 22 februari 2007 waarna de debatten heropend werden. - Conclusie na arrest houdende heropening der debatten van 22 februari 2007 van Staalbeton NV en Groep Van Roey NV neergelegd ter griffie op 10 april
- - Besluiten ingevolge arrest van 22 februari 2007 van de VZW Dienstbetoon Sociaal Secretariaat neergelegd ter griffie op 7 september
- - De beroepsbesluiten houdende het incidenteel beroep van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid neergelegd ter griffie 30 januari
- - Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 31 januari
- Alle partijen legden een stukkenbundel neer, waarna de debatten gesloten werden. De zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies binnen een termijn van 8 dagen. Partijen beschikten over een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van dit advies om hun eventuele repliekbeslutien ter griffie neer te leggen. De zaak werd dan van rechtswege in beraad genomen voor uitspraak op 7 april
- ó ó ó In het arrest van 22-2-2007 werd het voorwerp van de verschillende vorderingen reeds uiteengezet evenals het standpunt van de verschillende betrokken partijen. Het hof voegde de zaken met AR nr. 45.239, 45.488 en 46.344 samen ingevolge hun onderlinge samenhang, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar konden zijn wanneer de vorderingen afzonderlijk werden behandeld en beslecht. Vooraleer verder uitspraak te doen werd de heropening der debatten bevolen om volgende redenen: -Het hof stelde vast dat de RSZ in de zaak met AR nr 46.344 geen incidenteel hoger beroep had ingesteld doch wel in de zaken met AR 45.239 en 45.488 en wenste te vernemen wat daarvoor de reden was. -Het hof wenste tevens mededeling te bekomen van de datum van het algemeen reglement van de verrichtingen, neergelegd als stuk 8 in het dossier van de DElTA LLOYD BANK en de neerlegging door de NV STAALBETON van de stukken waaruit de rechtsopvolging van de NV VAN ROEY E&S en de NV GROEP VAN ROEY bleek. -Tenslotte werden partijen ertoe uitgenodigd kennis te nemen van het arrest van het Hof van Cassatie van 15-6-2006 dat door de NV STAALBETON bij haar repliek was gevoegd en hierover tegenspraak te voeren met betrekking tot het tijdstip van betaling. Bij conclusie van 30 januari 2008 stelde de RSZ incidenteel hoger beroep in, in de zaak met AR 46.344 in de mate de Arbeidsrechtbank geen intresten had toegekend op het bedrag der verhogingen waartoe de vennootschap was veroordeeld en verzocht het hof de vennootschap daartoe te veroordelen. Partijen verduidelijken dat enkel de NV VAN ROEY E&S ingevolge naamsverandering op 1-6-2004 nu de benaming NV STAALBETON draagt en de NV GROEP VAN ROEY nog steeds een afzonderlijke rechtspersoon is. Daaruit volgt dat de NV STAALBETON slechts procespartij is in de zaken gekend onder AR45239 en 45488, terwijl de NV GROEP VAN ROEY procespartij is en blijft in de zaak gekend onder AR 46344, in tegenstelling tot hetgeen in het arrest van 22-2-2007 werd vermeld. Met het akkoord van de partijen wordt deze materiele vergissing verbeterd. FEITELIJKE ELEMENTEN: Op woensdag 31-8-1994 gaven zowel de NV VAN ROEY ENGINEERING & SERVICES (thans de NV STAALBETON) als de NV GROEP VAN ROEY aan hun bankinstelling, de GENERALE BANK (thans FORTIS)opdracht tot betaling van de sociale zekerheidsbijdragen voor het tweede kwartaal 1994 aan hun sociaal secretariaat, de VZW DIENSTBETOON SOCIAAL SECRETARIAAT VOOR HET BOUWBEDRIJF EN AANVERWANTE BEROEPEN (hierna genoemd VZW DIENSTBETOON). Het betrof een bedrag van respectievelijk 7.481.075 BF (wat de NV VAN ROEY E&S betrof) en van 868.265 BF (wat de NV GROEP VAN ROEY betrof). De GENERAlE BANK maakte die bedragen over aan de NV BANKUNIE (nu NV DELTA LLOYD) te Turnhout, de bankinstelling van de VZW DIENSTBETOON. De verrekening gebeurde via de Verrekenkamer te Turnhout op 31-8-'
- De VZW DIENSTBETOON zou pas op vrijdag 2 september'94 na 16u kennis hebben gekregen op haar bankagentschap van het dagafschrift 94.0164 van haar zichtrekening nr. 646.0191200-27 bij de NV BANKUNIE waarop de overschrijving van het door de vennootschappen betaalde bedrag werd vermeld. Het afschrift dateerde van 2-9-'94 en droeg als valutadatum 1-9-94, zoals blijkt uit de brief van 21-2-95 van de NV BANKUNIE (nu DELTA LLOYD BANK )aan de VZW DIENSTBETOON. Op maandag 5-9-'94 heeft de VZW DIENSTBETOON aan de NV BANKUNIE (NU DELTA LLOYD BANK) opdracht gegeven om de ontvangen bedragen door te storten aan de RSZ. Volgens de VZW kon die overschrijving niet meer gebeuren op 2-9-'94 omdat de bank na 16 u geen verrichtingen meer kon uitvoeren. Het bedrag werd slechts op 9-9-‘94 gecrediteerd op de rekening van de RSZ, dit is na de vervaldag. Daarop legde de RSZ burgerlijke sancties op en vorderde bijdrageopslagen t.b.v. respectievelijk 729.690BF en 81.447 BF en de intresten t.b.v. 63.239 BF en 7.058 BEF. De vennootschappen waren het daarmee niet eens en meenden dat de betaling tijdig was gebeurd. Zij verzochten om een vermindering van de burgerlijke sancties. De RSZ willigde dit verzoek in ten belope van 50%van de bijdrageopslagen. Aangezien de vennootschappen weigerden het resterende bedrag te betalen, ging de RSZ over tot dagvaarding. I. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid: Het bestreden vonnis van 23-1-2004 (zaak 45.239 en 45.488) werd betekend op 29-4-
- Van het bestreden vonnis van 10-11-2004 wordt geen betekeningsakte voorgelegd. Derhalve kan worden aangenomen dat de hogere beroepen werden ingesteld binnen de wettelijke termijn. Zij zijn regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Zij zijn derhalve ontvankelijk. 2.Ten Gronde: Het is niet betwist dat de rekening van de RSZ op 6-9-'94 nog niet was gecrediteerd met de bedragen van de door de vennootschappen verschuldigde kwartaalbijdragen voor het 2de kwartaal '
- Dit gebeurde pas op 9-9-'
- De betwisting betreft de vraag wie daaraan schuld had en daarvoor in voorkomend geval aansprakelijk kan worden gesteld. De wettelijke grondslag met betrekking tot de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen is te vinden in Art 34,1ste,5e en 6e lid van het Koninklijk Besluit van 28-11-69 tot uitvoering van de wet van 27-6-'69 tot herziening van de besluitwet van 28-12-'44 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Daarin wordt bepaald: Het bedrag van de bijdragen is door de werkgever aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid verschuldigd op de navolgende vier data van elk jaar: 31maart, 30juni, 30 september en 31december. De bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, alsook het saldo van die bijdragen, wanneer het een bij het tweede lid beoogde werkgever betreft, dienen door de werkgever, uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal te worden betaald. De erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken over een termijn van zes werkdagen te rekenen van het verstrijken van de bij het tweede lid beoogde termijnen en van twintig werkdagen te rekenen van het verstrijken van de bij het derde lid beoogde termijnen om de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de bijdragen te doen geworden die zij binnen die termijnen van hun aangeslotenen hebben bekomen. Ingevolge een administratieve toezegging werd die termijn voor wat betreft de bijdragen voor het tweede kwartaal verlengd tot 31 augustus. De onderrichtingen ten behoeve van de sociale secretariaten van 25-3-74 bepalen: Wat evenwel in de toekomst de betalingen in verband met de bijdragen voor het tweede kwartaal betreft, die door de werkgevers in de loop van de maand augustus, doch na het afsluiten van bedoelde driemaandelijkse verdeellijst worden gedaan, zullen de erkende sociale secretariaten een aanvullende verdeellijst mogen opmaken voor de betalingen die ze tussen die afsluitdatum en 31 augustus van hun aangeslotenen ontvangen. Deze bedragen, evenals de juiste datum waarop het sociaal secretariaat het geld heeft ontvangen, zullen worden ingeschreven in de kolommen die voorbehouden zijn aan de inschrijving der na de wettelijke vervaldatum gedane betalingen. Die aanvullende verdeellijsten, evenals de globale betaling der daarop voorkomende bedragen moeten uiterlijk de 5de werkdag na 31 augustus bij de RMZ aankomen In een brief van de Unie van de Erkende Sociale Secretariaten van Werkgevers gericht aan de VZW DIENSTBETOON wordt de tekst geciteerd van de beslissing van de RSZ van 21-4-1972 zoals meegedeeld op de Algemene Vergadering van 28-2-'74 ..."Indien de betaling door de werkgever aan het sociaal secretariaat geschiedt na het verzenden van de verdeellijst van het kwartaal, moet het sociaal secretariaat de betaling per individuele storting overmaken en wordt de datum van ontvangst door de Rijksdienst als betaaldatum aangezien. Er wordt aan herinnerd dat bij beslissing van 21-april 1972 het Beheerscomité aangenomen heeft dat de te late betaling van het 2de kwartaal niet weerhouden wordt op voorwaarde dat de werkgever de totaliteit der voor het bedoeld kwartaal verschuldigde bijdragen stort voor 31 augustus. De diensten zijn van mening dat ook de betaling aan het sociaal secretariaat in de loop van de maand augustus moet aangezien worden als een tijdige betaling, mits volgende voorwaarden nageleefd worden: · dat de betaling uiterlijk op 31 augustus op het sociaal secretariaat ontvangen werd en het sociaal secretariaat aan de RMZ desgevallend hiervan het ontegensprekelijk bewijs levert; · dat de betaling door de RSZ werd ontvangen binnen de vijf werkdagen na 31 augustus met bijvoeging van een verdeellijst. Dit betekende dat de door de vennootschappen verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal '94 uiterlijk op 31 augustus ‘94 door het sociaal secretariaat, de VZW DIENSTBETOON moesten worden ontvangen en deze ervoor diende te zorgen dat de RSZ het verschuldigd bedrag uiterlijk op 6 september ontving met bijvoeging van de verdeellijst. Het sociaal secretariaat beschikt niet meer bijkomend over de in het art 34,6de voorziene termijn van 20 werkdagen om de bijdragen over te maken aan de RSZ.(Cass. 27-10-76, Arr.Cass. '77, 244-246). Omtrent het tijdstip waarop een betaling daadwerkelijk plaats vindt bestaat discussie. Volgens sommigen is het tijdstip bepalend waarop de girale betaling in de verrekenkamer wordt verrekend, volgens anderen de datum waarop de rekening van de begunstigde wordt gecrediteerd. De overschrijving is een betalingsverrichting waarbij een financiële instelling, op verzoek van haar klant diens rekening debiteert met een bepaald bedrag om een andere rekening te crediteren. Dit kan gebeuren door tussenkomst van een enkele of van twee verschillende financiële instellingen, zoals in voorliggend geschil het geval was. Zijn er twee instellingen betrokken dan dienen de fondsen scripturaal van de ene naar de andere over te gaan. Het debiteren van de rekening van de opdrachtgever bestaat enerzijds in de uitvoering door de bank van de restitutie van de gelden die op de rekening werden geplaatst en is tevens de eerste stap in de uitvoering van de scripturale overdracht van fondsen door de bank. Het crediteren van de rekening van de begunstigde voltooit de overdracht en drukt formeel uit dat de fondsen op de rekening van de begunstigde werden gedeponeerd..De opdracht die aan de bank wordt gegeven bestaat er precies in de rekening van de bestemmeling te crediteren. (P.Wery, la nature juridique du virement bancaire de fonds JT '88.p 387-389) De begunstigde kan over die fondsen niet beschikken zolang zijn rekening niet gecrediteerd is, tenzij de bank dit tolereert. De fondsen zijn scripturaal immers niet te zijner beschikking zolang dit niet gebeurd is. Bovendien is hij voor dit tijdstip in principe niet geïnformeerd over de betaling. In principe heeft hij immers geen kennis van de betalingsopdracht. De meerderheidsopvatting in rechtspraak en rechtsleer meent dat als betalingsdatum de datum van creditering van de rekening in acht moet genomen worden bij betaling door middel van overschrijving. (RA.Bruyneel, Le virement, in La banque dans la vie quotidienne, ed. Jeune barreau de Bruxelles, '86, p 387-389; P. Wéry,o.c. p 385; Luik, 22-11-91, Rev.t.v.a. 91 p 577; AH Bergen, 1-7-94, Soc.Kron. 95 p 437 noot; S.Stijns, D.Van Gerven, P.Wéry, overzicht rechtspraak verbintenissen JT '99 p 836; ) Ook het Hof van Cassatie heeft zich in die zin uitgesproken bij arrest van 30-1-2001 (nr P990971N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010130.9t. Indien de betaling via cheque gebeurt wordt eveneens het ogenblik van het crediteren van de rekening in aanmerking genomen als tijdstip van betaling.( Cass. 6-1-72, Pas. 72, I, 438; Cass. 21-11-75, Pas '76,I, 370, Cass.23-9-82, Pas.83,I 118; Cass. 2-5-86, Pas.'86, I,1066). De vennootschappen menen uit het Cassatiearrest van 15-6-2006 te kunnen afleiden dat het ogenblik van de betaling datgene is waarop de compensatie gebeurt in de verrekenkamer bij een interbancaire overschrijving. Dat arrest heeft betrekking op een geschil over een derdenbeslag op een bankrekening. Aan de orde was de vraag of de sommen die later(na het beslag) op de rekening van de beslagene gecrediteerd werden onder het beslag vielen of niet. Het Hof van Cassatie overwoog -dat bij beslag op een bankrekening, al hetgeen de bank op het tijdstip van het beslag, krachtens de rechtsverhouding tot de rekeninghouder aan deze verschuldigd is, het voorwerp vormt van het beslag en dat daaronder ook de bedragen vallen die nog niet op de rekening waren ingeschreven maar vaarvoor de bank reeds ten tijde van het beslag een verplichting tot afdracht aan de rekeninghouder heeft. -dat wanneer de beslagene de begunstigde is van een overschrijving die interbancair verloopt, de verplichting van de bank tot afdracht aan de rekeninghouder van de gelden die voortkomen uit deze overschrijving, ontstaat op het ogenblik van de verrekening tussen de betrokken banken. Het Hof van Cassatie ging er dus van uit dat het beslag onder derden ook de schuldvorderingen omvat waarvan het ontstaan afhangt van een toekomstige gebeurtenis op voorwaarde dat zij ten tijde van het beslag hun grondslag vinden in een reeds bestaande rechtsverhouding tussen de beslagene en de derde. In een eerder arrest van 12-5-89 (RW 89-90, 1347 ) oordeelde het Hof dat bij derdenbeslag in handen van een notaris ook de opbrengst van verkoop van onroerende goederen die na het beslag aan de notaris werden betaald onder het beslag vielen omdat de cliënt reeds over een vordering tot afgifte van die gelden beschikte, niettegenstaande het feit dat de notaris die gelden nog niet had ontvangen. Het Hof voegde eraan toe dat het beslag ook geldt voor een "eventuele schuldvordering". (zie noot onder R.Fransis onder Cass. 15-6-2006, RW 2007-2008, p 232) Uit het Arrest van 15-6-2006 kan derhalve enkel worden afgeleid dat de plicht tot afdracht van de bank bestaat vanaf het ogenblik dat zij over de elementen beschikt om de begunstigde te identificeren en de omvang van haar plicht tot afdracht te bepalen, hetzij vanaf de verrekening in de verrekenkamer. Bij een overschrijvingsopdracht via dezelfde bank kan de begunstigde afgifte vorderen alvorens de creditering van zijn rekening te moeten afwachten, zodra de opdracht door de opdrachtgever niet meer kan worden herroepen. Hieruit kan enkel geconcludeerd worden dat de begunstigde van de betaling een schuldvordering heeft t.o.v. zijn bank vanaf het ogenblik van de compensatie in de verrekenkamer, doch dit betekent nog geen betaling, zoals het geval van het beslag bij de notaris duidelijk illustreert. Wéry stelt hierbij terecht de vraag of men van een betaling zou kunnen spreken in het geval de bank de gelden waarmee zij de rekening van de begunstigde van een overschrijving dient te crediteren verkeerdelijk op de rekening van een derde overschrijft. (O.Wéry, o.c. p 389). Toepassing op voorliggend geschil: De VZW DIENSTBETOON heeft steeds beweerd en dit blijkt uit het door de DELTA LLOYD BANK opgestelde rekeninguittreksel van 2-9-1994 dat de door de vennootschappen opgedragen betaling pas op 1-9-94 op de rekening van de VZW Dienstbetoon werd geboekt zodat deze pas op die datum over de fondsen kon beschikken om ze door te storten aan de RSZ. Daaruit volgt dat de betaling door de vennootschappen aan het sociaal secretariaat laattijdig is, zoals het Openbaar Ministerie terecht stelt in zijn advies. Nu het hof uitspraak dient te doen over de vraag of er sprake is van een laattijdige betaling aan de RSZ waarvoor de VZW DIENSTBETOON en/of de NV DELTA LLOYD aansprakelijk is, dient het hof de betaling te onderzoeken in het licht van de hierboven aangehaalde voorwaarden waaraan deze diende te voldoen om als tijdige betaling te kunnen gelden. Aangezien de betaling door de vennootschappen de VZW DIENSTBETOON niet toekwam op uiterlijk 31 augustus '94, dient het hof vast te stellen dat niet voldaan werd aan de eerste van de twee door de RSZ vooropgestelde betalingsvoorwaarden. Het is dan verder zonder belang of de betaling door de VZW DIENSTBETOON aan de RSZ binnen de 5 werkdagen na 31 augustus '94 gebeurde. Indien dit het geval was geweest, was er immers nog steeds niet voldaan aan de eerste door de RSZ gestelde voorwaarde voor een tijdige betaling. Deze laattijdige betaling is volledig toe te schrijven aan de vennootschappen die tot het allerlaatste ogenblik hebben gewacht vooraleer opdracht tot betaling te geven, terwijl zij reeds over een extra maand beschikten, ingevolge de toezegging door de RSZ. Zij zijn derhalve de door de RSZ gevorderde bijdrageopslagen en intresten verschuldigd. De vordering jegens de VZW SOCIAAL DIENSTBETOON en van de VZW DIENSTBETOON jegens DELTA LLOYD BANK in tussenkomst en vrijwaring Deze vordering is gesteund op de fout die de VZW of DELTA LLOYD BANK zou hebben begaan door het (tijdig) ontvangen bedrag niet onverwijld te hebben doorgestort aan de RSZ opdat de opgelegde vervaldatum zou worden gerespecteerd. Nu er geen tijdige betaling vanwege de vennootschappen heeft plaats gevonden, was in ieder geval niet voldaan aan de door de RSZ opgelegde betalingsvoorschriften, zodat bijdrageopslagen en intresten verschuldigd waren en geen fout van de VZW of van DELTA LLOYD BANK daarmee in causaal verband staat. De vordering in tussenkomst en vrijwaring is derhalve ongegrond. De vordering in vrijwaring jegens DELTA LLOYD BANK De vennootschappen steunen deze vordering op de extracontractuele aansprakelijkheid van de bank. De bank werpt zowel de verjaring van die vordering als de ongegrondheid ervan op. Die vordering werd ingesteld bij conclusie van 13-11-2003 (syntheseconclusie voor de arbeidsrechtbank). De vennootschappen wijzen erop dat de verjaring van de vordering wegens extracontractuele aansprakelijkheid, gesteund op art 2262bis §1, 2de lid Burgerlijk Wetboek,zoals ingevoerd bij de wet van 10-6-98, verjaart door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Zij stellen pas kennis te hebben gekregen van de schade op het ogenblik van de dagvaarding door de RSZ en pas bij conclusie van 6-5-2003 van de VZW DIENSTBETOON van de door DELTA LLOYD begane fout zodat de verjaring pas op dat ogenblik kon aanvangen. Het hof treedt het standpunt van de bank bij dat de verjaring is ingetreden. De vennootschappen waren immers door de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van de VZW DIENSTBETOON en de door de bank op 25-9-97 neergelegde conclusie op de hoogte dat de bank op 6-9-94 de overschrijving van de VZW DIENSTBETOON had verwerkt en ingegeven. De vennootschappen stellen ten onrechte dat met de exceptie van verjaring geen rekening zou mogen worden gehouden daar deze laattijdig zou zijn ingeroepen. Naar luidt van art 2224 Burgerlijk Wetboek kan de verjaring immers in elke stand van het geding worden ingeroepen. Het blijkt niet dat de bank afstand zou hebben gedaan van het recht zich op de verjaring te beroepen. In ieder geval zou deze vordering, ook al was ze niet verjaard, ongegrond zijn.Deze vordering is immers eveneens gesteund op de fout van de bank de betalingsopdracht niet tijdig te hebben uitgevoerd zodat de betaling niet gebeurde binnen de door de RSZ opgelegde vervaldatum. Aangezien de laattijdige betaling door de vennootschappen op zichzelf reeds tot dit resultaat leidde, is de vordering ongegrond in de mate zij gesteund is op de extracontractuele aansprakelijkheid van DELTA LLOYD. Intresten op de bijdragen van het 2de kwartaal '94: Art 54,1ste lid van het KB van 28-11-69 voorziet volgende burgerlijke sancties: "Op de bijdragen die niet betaald zijn binnen de termijnen bepaald in het art. 34... is de werkgever een bijdrage -opslag van 10% van hun bedrag verschuldigd alsmede een verwijlintrest van 8% per jaar, te rekenen van het verstrijken van deze termijnen tot op de dag waarop de betaling plaats heeft. De intresten zijn derhalve verschuldigd vanaf de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal waarop de bijdragen betrekking hebben overeenkomstig art 34 van het KB. Nu niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in de beslissing van het beheerscomité van de RSZ van 21-4-72 voor een tijdige betaling van de bijdragen voor het tweede kwartaal '94, vordert de RSZ terecht intresten vanaf 1-8-94 tot de datum van betaling, d.i. op 9-9-
- De arbeidsrechtbank overwoog terecht dat de administratieve toezegging waarbij de betalingstermijn voor de bijdragen van het tweede kwartaal tot 31 augustus werd verlengd strikt moet worden uitgelegd nu de RSZ daarin niet heeft voorzien dat de intresten in geval van laattijdige betaling pas zouden lopen vanaf 31-8-
- Het betreft immers een uitzonderingsregeling waarvan de draagwijdte beperkt is.( Cass. 27-10-76 Pas. 77, 243; AC 77,244) Hoewel in het aangehaalde cassatiearrest te toezegging van een individuele betalingstermijn aan de orde is, blijkt daaruit nochtans duidelijk dat een uitzondering op de algemene regel een beperkte draagwijdte heeft. De vennootschappen menen ten onrechte dat het niet activeren van de procedure door de RSZ tussen 1996 en 2003 het verval zou meebrengen van het recht op intresten. Iedere procespartij beschikt immers over de mogelijkheid om de procedure te benaarstigen en aldus de periode in te perken waarover intresten zouden verschuldigd zijn. Intresten op de bijdragen -opslagen: De vordering van de RSZ tot het bekomen van intresten op de niet betaalde bijdrage -opslagen werd door de Arbeidsrechtbank als ongegrond afgewezen. De RSZ stelde hiertegen incidenteel hoger beroep in. Het hof acht dit hoger beroep gegrond. Deze intresten zijn inderdaad verschuldigd wegens het nalaten de gevorderde bijdragen -opslagen te betalen. De RSZ merkt terecht op dat deze bijdragen -opslagen een hoofdbedrag vormen en bij wijze van administratieve sanctie worden opgelegd. Alle partijen vragen het basisbedrag voor de rechtsplegingsvergoeding. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, in het bijzonder artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het (gedeeltelijk) eensluidend advies van het Openbaar Ministerie Verklaart de principale zowel als de incidentele hogere beroepen ontvankelijk, Verklaart het hoger beroep van de NV DELTA LLOYD als volgt gegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep van de NV STAALBETON en van de NV GROEP VAN ROEY jegens de RSZ ongegrond Verklaart de incidentele hogere beroepen van de RSZ gegrond Verklaart het incidenteel hoger beroep van de NV STAALBETON en van de NV GROEP VAN ROEY jegens de VZW DIENSTBETOON met betrekking tot de vordering in tussenkomst en vrijwaring ongegrond, Verklaart het in ondergeschikte orde geformuleerde incidenteel hoger beroep van de VZW DIENSTBETOON zonder voorwerp Bevestigt het bestreden vonnis van 10-11-2004 in de mate het de hoofdvordering van de RSZ jegens de NV GROEP VAN ROEY gegrond verklaarde, zei het op andere gronden Bevestigt het bestreden vonnis van 23-1-2004 in de mate het de hoofdvordering van de RSZ jegens de NV STAALBETON gegrond verklaarde, zei het op andere gronden Hervormt de bestreden vonnissen van 10-11-2004 en 23-1-2004 voor het overige Verklaart de vordering van de RSZ tot het bekomen van de gerechtelijke intresten op de bijdrageopslagen gegrond Veroordeelt de NV STAALBETON derhalve bovendien tot betaling aan de RSZ van de gerechtelijke intresten op het bedrag van euro 10.611,88 Veroordeelt de NV GROEP VAN ROEY derhalve bovendien tot betaling aan de RSZ van de gerechtelijke intresten op het bedrag van euro 994,11 Verklaart de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de NV GROEP VAN ROEY en de NV STAALBETON jegens de VZW DIENSTBETOON ongegrond Verklaart de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de NV STAALBETON en van de NVGROEP VAN ROEY onontvankelijk voor zover gericht tegen de NV DELTA LLOYD Verklaart de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de VZW DIENSTBETOON jegens de NV DELTA LLOYD ontvankelijk doch ongegrond. M.b.t. de procedure in eerste aanleg Veroordeelt de NV STAALBETON: -tot de door de RSZ jegens haar gemaakte dagvaardingskosten t.b.v. euro 78,33 -tot de dagvaardingskosten met betrekking tot de vordering in tussenkomst en vrijwaring die zij instelde jegens de VZW DIENSTBETOON t.b.v. euro 87,18 -tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding jegens de RSZ euro 205,26 jegens de VZW DIENSTBETOON: euro 205,26 -tot betaling van de helft van de rechtspegingsvergoeding jegens de NV DELTA LLOYD: euro 205,26 :2= euro 102,63 -haar eigen kosten: euro 205, 26 Veroordeelt de NV GROEP VAN ROEY -tot de door de RSZ jegens haar gemaakte dagvaardingskosten t.b.v. euro 56,22 -tot de dagvaardingskosten met betrekking tot de vordering in tussenkomst en vrijwaring die zij instelde jegens de VZW DIENSTBETOON euro 56,74 -tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding jegens de RSZ: euro 209,62 jegens de VZW DIENSTBETOOn: euro 209,62 -tot betaling van de helft van de rechtsplegingsvergoeding jegens de NV DELTA LLOYD euro 102,63 :2 = euro 51,31 -haar eigen kosten: euro 209,62 Veroordeelt de VZW DIENSTBETOON -tot de dagvaardingskosten van de eis en in tussenkomst en vrijwaring jegens de NV DELTA LLOYD : euro 83,56 + euro 85,57 = euro 169,13 -tot de helft van de rechtsplegingsvergoeding van de NV DELTA LLOYD in beide procedures, hetzij euro 102,63 en euro 51,31 M.b.t. de procedure in hoger beroep Veroordeelt de NV STAALBETON en de NV GROEP VAN ROEY, tot betaling, -van de rechtsplegingsvergoeding jegens de RSZ, hetzij een bedrag van euro 1100, waarvan de eerste vennootschap euro 400 zal betalen en de tweede euro 700 -jegens de VZW DIENSTBETOON: hetzij een bedrag van euro 1100, waarvan de eerste vennootschap euro 400 zal betalen en de tweede euro 700 -de helft van de rechtsplegingsvergoeding van de NV DELTA LLOYD: hetzij een bedrag van euro 550, waarvan de eerste vennootschap euro 200 zal betalen en de tweede vennootschap euro 350 zal betalen. en tevens tot hun eigen kosten Veroordeelt de NV DIENSTBETOON tot betaling van de helft van de rechtsplegingsvergoeding van de NV DELTA LLOYD: euro 550 ó ó ó Aldus gewezen en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeven april tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, KamerVoorzitter de heer J. VAN HOLM, Raadsheer in Sociale zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale zaken als werknemer arbeider mevrouw I. HURKMANS, Gedelegeerd Adjunct - Griffier G. Balis I. Hurkmans H. SILON J. Van Holm PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080407.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010130.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div