id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080407.8 Rolnummer: 46.685 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-05 Raadplegingen: 478 - laatst gezien 2026-07-03 08:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het instaan voor eigen fouten is een duidelijke aanwijzing van eigen aansprakelijkheid die niet in overeenstemming is met deze van een werknemer. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - Onderwerping - Algemeen bouwbedrijf - Beroep op onderaannemers - Vakman in fijn metselwerk - Geen schriftelijke overeenkomst. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 3 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gepubliceerd in JTT 2008, p.
- Gerangschikt onder VII A art.
- Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2008(270-272) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 april
- 7e kamer Bijdragen Sociale Zekerheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Rijksdienst voor sociale zekerheid, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, Appellant, vertegenwoordigd door Mr. S. De Kerpel loco Mr. P. Derveaux, advocaat te 1930 Zaventem: nakijken Tegen: N.V. Algemeen Aannemingsbedrijf De Coninck, met zetel te 3020 Veltem - Beisem, Kroonstraat 170, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. M. Verswijver loco Mr. Y. Nelissen, advocaat te 3001 Leuven. Na beraad spreekt de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: -Het eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 7 juni 2004 door de 2de kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven met algemeen rolnummer: 2927/01, 466/02 en 721/
- -Het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof te Brussel op 12 mei
- -De besluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 augustus
- -Het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van 19 oktober 2006 -De besluiten van appellant en geïntimeerde na tussenarrest -Het bundel van appellant neergelegd ter griffie op 3 oktober 2007 -Het bundel van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 26 januari
- Gehoord partijen in hun middelen en verdediging tijdens de openbare terechtzitting van 3 maart
- Geïntimeerde partij legde een kostennota neer. De debatten werden gesloten. De zaak werd in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op 7 april
- In het arrest van 19-10-2006 werd het voorwerp van het geschil reeds uiteengezet, evenals de beslissing van de arbeidsrechtbank en de vorderingen van partijen in hoger beroep. Tijdens het beraad was gebleken dat het dossier van de rechtspleging van de Arbeidsrechtbank te Leuven met AR nr. 346/02 dat aanleiding gaf tot het vonnis van 25-2-2002 niet was gevoegd bij het dossier met AR. 721/02 ingeleid op verzet tegen dat vonnis, zodat dit bij de Arbeidsrechtbank opgevraagd diende te worden. Het hof stelde verder vast dat de prestaties van de heer Snoecks werden onderworpen aan de sociale zekerheid der werknemers en niet deze van Haesaerts Maurice, Vacabo, Debrier Daniel, KVE, Landrain-Schots, Barbosa Soares Fabio zoals vermeld in de brief van de raadsman van de heer Snoecks van 8-8-2001 zodat het hof van de RSZ wenste te vernemen waarin het verschil in gezagsuitoefening lag t.a.v. de heer S. en t.a.v. de overige onderaannemers. Het hof wenste verder het AR nr. van het cassatiearrest van 26-5-2006 te vernemen daar de opzoeking op die datum geen rechtspraak i.v.m. schijnzelfstandigheid opleverde. Om al die redenen beval het hof de heropening der debatten, na het hoger beroep ontvankelijk te hebben verklaard. De vennootschap merkt op dat de conclusie genomen met het oog op de heropening der debatten slechts die punten mocht bespreken waarvoor het hof de debatten had heropend. De RSZ ontwikkelt een hele argumentatie geput uit de programmawet van 27-12-2006, arbeidsrelatiewet. Deze wet is voor wat de art. 328,331 t.e.m.333 en 340 betreft pas in werking getreden op 1-1-
- De periode waarover de betwisting handelt dateert van lang voor dat tijdstip. Het is derhalve niet op basis van die wet dat de contractuele relatie tussen de NV De Coninck en de heer S. zal worden beoordeeld. FEITELIJKE ELEMENTEN: De NV Algemeen Aannemingsbedrijf De coninck is actief in de bouwsector als algemeen bouwbedrijf, schrijnwerkerij en containervervoer. In de afdeling algemeen bouwbedrijf waren een 35-tal werknemers te werk gesteld. Tijdens een controle uitgevoerd door de controledienst van de RVA op een bouwwerf van de NV De Coninck, werd de heer S. aangetroffen met 5 werknemers van de vennootschap die metselwerken uitvoerden hetgeen bij de controleurs vragen deed rijzen m.b.t. de aard van de arbeidsrelatie. Dit feit werd doorgegeven aan de RSZ die daarop in maart 1998 een onderzoek startte. Op basis van dat onderzoek meende de RSZ dat de drie constitutieve bestanddelen van een arbeidsovereenkomst voorhanden waren en ging hij over tot ambtshalve aangifte van de prestaties en lonen voor de periode gaande van het eerste kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal van 1998 op grond van art. 22 van de wet van 27-6-
- Dit werd bij aangetekende brief van 17-4-2001 ter kennis gebracht van de NV DE Coninck. De heer S. verklaarde dat hij voor 1986 voor zijn vader werkte die zelfstandige aannemer was en dat hij nadien werkzaam was als zelfstandig metselaar. De NV De Coninck kocht materiaal over van de vader van de heer S. toen die zijn bedrijf stopzette en de heer S. ging prestaties leveren voor de NV Deconinck. Uit de vaststellingen van de RSZ blijkt - dat de heer S. sedert 1992 exclusief voor de NV De Coninck metselwerken uitvoert hetgeen o.m. kon worden afgeleid uit de factuurnummering. -dat tussen partijen geen schriftelijke overeenkomst werd vastgesteld -dat de heer S. een vakman is gespecialiseerd in fijn metselwerk, sierschouwen, sierlijsten, venstertabletten verluchtingskanalen, gevels e.d. het plaatsen van cassetten, boogmetselwerk -dat hij was ingeschreven in het handelsregister en over een vestigingsgetuigschrift beschikt sedert 18-7-86 en eveneens was aangesloten bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen. -dat de NV De Coninck de materialen ter beschikking stelt -dat de facturatie beperkt is tot vermelding van "werken uitgevoerd voor de NV De Coninck", zonder verdere detaillering. -dat tot 1998 een uurloon gefactureerd werd doch na de ondervraging door de RSZ specifieke opdrachten vanaf februari 1998 gefactureerd werden per vierkante meter en voor de regie-uren nog steeds een uurloon werd aangerekend. -dat in de facturen geen kosten voor hulpgrondstoffen aangerekend werden, hetgeen in overeenstemming is met de verklaring van de heer Snoecks dat de grondstoffen door de NV De Coninck ter beschikking werden gesteld, hoewel de NV De Coninck beweert dat de heer S. daar zelf voor zorgde. -de heer S. werkte volgens zijn eigen verklaring en die van de zaakvoerder met zijn eigen materiaal. -uit de facturatie blijkt dat hij 8 u per dag werkte, 5 dagen per week. -er werden geen offertes of bestelbons opgesteld of voorgelegd. Op die vaststelling steunde de RSZ zijn beslissing I. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid: Nu geen betekeningsakte van het bestreden vonnis werd neergelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.Ten Gronde: Algemene overwegingen: Volgens Art. 1§1 van de RSZ wet van 27-6-69 is die wet toepasselijk op werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden en op de door de Koning aangewezen categorieën. De vordering van de RSZ kan derhalve slechts gegrond zijn indien de heer S. door een arbeidsovereenkomst verbonden was met de NV Deconinck. In Art. 2,3,4 en 5 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3-7-1978 wordt de arbeidsovereenkomst omschreven als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich er tegen loon toe verbindt om onder het gezag van de andere partij, de werkgever, de overeengekomen arbeidsprestaties te verrichten. Deze regel is van dwingend recht en partijen kunnen er niet van afwijken door aan die overeenkomst een andere kwalificatie te geven. (Cass. 3-5-2004 AR S030108N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23) Art. 1,5°b van de arbeidsrelatiewet van 27-12-2006 (BS 28-12-2006), van toepassing sedert 1-1-2007 hanteert een analoge definitie. Van de drie constitutieve bestanddelen: het verrichten van arbeid, het loon, de gezagsverhouding of het ondergeschikt verband, is het derde bestanddeel determinerend. Het leveren van arbeid tegen betaling van een vergoeding wordt immers ook in andere overeenkomsten aangetroffen. Art. 3 §1 van het KB nr.38 van 27-7-67 houdende het sociaal statuut der zelfstandigen hanteert een residuair criterium door als zelfstandige aan te duiden "ieder natuurlijk persoon die in België een beroepsactiviteit uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of een statuut verbonden is." De gezagsverhouding bestaat zodra iemand in feite toezicht kan uitoefenen op de handelingen van een ander persoon.(Cass. 10-9-2001 Rnr. S000187F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010910.10;Cass. 23-6-97, JTT 97, 335; Cass. 9-1-95, Pas. 95, 28; Cass. 14-11-94, JTT 95, 68). Dit betekent dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat iemand de bevoegdheid heeft gezag uit te oefenen over andermans handelen. (W.Van Eeckhoutte, gezag in de cassatierechtspraak, NJW 2005 p 5) Het volstaat dat de werkgever de juridische mogelijkheid heeft om gezag uit te oefenen. (Cass. 8-5-78, TSR 78, 409; Cass. 13-6-68, AC 68, 1239) Het recht om bevelen te geven en toezicht uit te oefenen duidt op een juridische afhankelijkheid. Anderzijds kan de opdrachtgever in het raam van een overeenkomst tot zelfstandige samenwerking ook bepaalde richtlijnen geven en toezien op de uitvoering ervan zonder dat daaruit het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan worden afgeleid. Een economische afhankelijkheid volstaat op zichzelf niet om te besluiten tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Het bestaan van een gezagsverhouding dient door de feitenrechter te worden onderzocht aan de hand van de feitelijke gegevens.(W.Van Eeckhoutte, o.c.p 2 en aldaar opgenomen verwijzingen.) Doorgaans zal een gezagsverhouding slechts kunnen worden afgeleid uit een geheel van feitelijke elementen in hun samenhang gezien. In de rechtspraak werd daarbij uitgegaan van een aantal indiciën waarvan er een aantal in de nieuwe arbeidsrelatiewet worden overgenomen. Op de RSZ rust de bewijslast m.b.t. het bestaan van een arbeidsovereenkomst, hetgeen betekent dat hij moet aantonen dat de overeenkomst werd uitgeoefend onder het gezag van de opdrachtgever. (Cass. 20-3-2006, AR S.050069.N; Cass.2-5-2005, AR S.03.0121.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050502.2 ;Cass. 3-5-2004 AR S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23.) Volgens de Rechtspraak van het Hof van Cassatie kan de rechter de kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven niet wijzigen indien de elementen die aan zijn beoordeling worden onderworpen niet onverenigbaar zijn met die kwalificatie. Daaruit blijkt dat de wilsautonomie van partijen voorop staat. (Cass. 22-5-2006; AR S.050014.F; Cass. 3-5-04, NJW 2005,18;Cass. 28-4-03, JTT 03, 261;Cass.23-12-02, JTT 03, 271;) Art 331 van de arbeidsrelatiewet stelt eveneens de wilsautonomie van partijen voorop en bepaalt dat herkwalificatie slechts mogelijk is bij onverenigbaarheid met de feiten, met dien verstande dat in die wet reeds vier algemene criteria worden bepaald op grond waarvan de aanwezigheid van ondergeschikt verband wordt beoordeeld. De rechter behoudt bij de beoordeling zijn soevereine beoordelingsmacht. De feitelijke uitvoering van de overeenkomst heeft evenwel voorrang op de gebruikte bewoordingen.(Dass. 15-2-82, Arr.Cass.82-83, 772;Cass. 11-9-78, Arr.Cass.78-79, 32). Er dient rekening mee te worden gehouden dat de wettelijke bepalingen m.b.t. het toepassingsgebied van de onderscheiden professionele sociale zekerheidsstelsels, de werkingssfeer, de voorwaarden tot toekenning van rechten en de verschuldigde bedragen de openbare orde raken. (Cass. 1-2-93, Pas.93,I, 129; Cass. 24-4-89, RW 89-90, 1460).Partijen kunnen niet zelf beslissen over de toepasselijkheid van het sociaal recht.(Cass. 11-9-78,Arr.Cass.78-79,29) De rechter dient derhalve aan de hand van de feitelijke gegevens na te gaan of de werkelijke uitvoering van de overeenkomst overeenstemt met de kwalificatie die partijen eraan hebben gegeven.(Cass. 24-4-89, RW 89-90, 1460; Cas. 2-11-92, RW 92-93, 959; Cass. 7-9-92, JTT 93, 317; Toepassing op voorliggend geschil De NV De coninck is een aannemingsbedrijf . Als hoofdaannemer sluit zij overeenkomsten met de bouwheren en voor bepaalde werken doet zij een beroep op onderaannemers, zoals gebruikelijk in de bouwsector. Dit blijkt inderdaad uit de stukken. In dat kader is het normaal dat algemene richtlijnen worden gegeven, dat er afspraken worden gemaakt om de werken gecoördineerd te laten verlopen en dat er een algemeen toezicht wordt gehouden op de door de onderaannemers uitgevoerde werken. Aangezien de bouwheer doorgaans met de hoofdaannemer contracteert, is deze verantwoordelijk voor het resultaat van de overeengekomen werken. De arbeidsrechtbank wees er in dit verband reeds op dat algemene richtlijnen te onderscheiden zijn van exacte richtlijnen. De RSZ stelt geen nadere inlichtingen te kunnen verstrekken m.b.t. de andere onderaannemers die regelmatig met de vennootschap samen werkten.. Sommigen daarvan waren vennootschappen, anderen natuurlijke personen. Kennelijk werd geen onderzoek gevoerd naar de manier waarop de NV Deconinck met hen samen werkte. De RSZ verklaart dat enkel de heer S. met de andere werknemers van het bedrijf werd aangetroffen op een werf zodat zijn onderzoek beperkt bleef tot de contractuele relatie met de heer S.. De NV De Coninck en de heer S. hebben geen schriftelijke overeenkomst aangegaan zodat niet kan worden nagegaan tegen welke voorwaarden zij hun samenwerking hebben willen organiseren en enkel rekening kan worden gehouden met de feitelijke uitvoering ervan. Op zich is dit feit reeds opmerkelijk. Normaal worden er immers wel overeenkomsten opgesteld met onderaannemers of minstens offertes voorgelegd, zoals de heer Frank De Coninck bij zijn verhoor trouwens zelf opmerkte. De hoofdaannemer zal immers t.a.v. de bouwheer rekening dienen af te leggen en moet dus weten waaraan zich te houden en een verhaal hebben tegen de onderaannemers. Beide partijen hebben verklaard dat zij op zelfstandige basis samen werkten en de heer S. heeft zich daarnaar gedragen door bijdragen in het stelsel der zelfstandigen te betalen. Hij was in het bezit van een vestigingsattest en van een BTW-nummer en factureerde zijn prestaties. Deze formele gegevens zijn echter slechts als een neutraal criterium te beschouwen bij de beoordeling van de contractuele relaties, nu zij in principe voorvloeien uit het statuut van de betrokkenen en niet omgekeerd. In het onderzoeksverslag worden een aantal elementen aangehaald die eerder gebruikelijk zijn in het raam van een arbeidsovereenkomst doch opdat de arbeidsverhouding geherkwalificeerd zou kunnen worden, dienen de voorliggende elementen een zelfstandig samenwerkingsverband uit te sluiten, gelet op de keuze die partijen kennelijk hebben gemaakt. Uit de voorgelegde facturen blijkt dat de heer S. steeds 8 u per dag en 5 dagen per week ononderbroken werkte en enkel voor de NV De Coninck. Deze exclusieve tewerkstelling, die eerder kenmerkend is voor een arbeidsovereenkomst, impliceert reeds een belangrijke economische afhankelijkheid t.o.v. de NV De Coninck hetgeen evenwel nog niet volstaat voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. De heer S. beweerde dat hij de mogelijkheid had om zich ten aanzien van derden te verbinden, doch die bewering kan niet geverifieerd worden nu niet blijkt dat hij voor anderen prestaties leverde. Hij gaf zelf toe dat hij reeds lang exclusief voor de NV De Coninck werkte. De NV Deconinck stelt verder dat hij de mogelijkheid had om een opdracht te weigeren doch daarvan wordt geen enkel concreet voorbeeld gegeven zodat ook die bewering niet kan geverifieerd worden. Zijn verregaande economische afhankelijkheid van de NV De Coninck maakt die bewering niet erg waarschijnlijk. De heer S. verklaarde dat hij zelf het begin- en einduur van zijn werkzaamheden bepaalde en de NV Deconinck geen toezicht hield op zijn werktijden. Hij voegde er wel aan toe dat zijn werkuren doorgaans wel samen vielen met deze van de andere werknemers, hetgeen gemakkelijk was indien hij hulp nodig had. Ook blijkt dat hij zich, in 20% van de gevallen, samen met de andere werknemers met het door de NV De Coninck georganiseerd vervoer naar het werk begaf - wanneer de werven ver af lagen - zodat hij zich dan wel moest houden aan de uren die voor de andere werknemers golden. In de andere gevallen begaf hij zich met eigen vervoer naar de werf. Nochtans kan uit de afgelegde verklaringen niet worden besloten dat hij bepaalde werkuren opgelegd kreeg, deze verplicht moest naleven en kon gesanctioneerd worden indien hij zich daar niet aan hield. Nu uit de elementen van het dossier blijkt dat de heer Snoecks het fijne metselwerk uitvoerde o.m. aan raam- en deurlijsten, sierlijsten e.d. volgt daaruit dat zijn werk moest afgestemd zijn op dit van de andere werknemers. Coördinatie van de werkzaamheden was dus zeker noodzakelijk doch dit sluit op zich nog geen zelfstandige samenwerking uit. Het gebeurde tevens dat hij hulp kreeg van de andere werknemers van de vennootschap en omgekeerd werkte hij, volgens de verklaring van de heer Deconinck soms samen met hen aan dezelfde gevel, doch dit zou uitzonderlijk geweest zijn, en bovendien enkel aan het fijne metselwerk dat hij apart uitvoerde. Arbeidsverdeling is kenmerkend voor een arbeidsovereenkomst doch gebeurde kennelijk niet op permanente basis. Wat de controle over de werkzaamheden betreft, stelt de NV De Coninck dat uit de fysieke aanwezigheid van de aannemer op de werf nog niet kan afgeleid worden dat er een hiërarchische controlemogelijkheid bestond. De heer De Coninck verklaarde echter zelf "Ik ga dagelijks naar hem(S.) op de werf om te zeggen wat hij dient uit te voeren en om te controleren of het werk naar behoren wordt uitgevoerd". De RSZ meent dat daaruit kan afgeleid worden dat niet vooraf werd besproken welke werken zouden dienen uitgevoerd te worden zodat de heer S. zelfstandig zijn werk kon organiseren, doch dat integendeel elke dag opdrachten werden gegeven. De heer S. verklaarde "De NV houdt geen enkel toezicht op mijn werk of werktijden, zelfs de ploegbaas niet. De verklaringen van beiden zijn niet eensluidend en verder onderzoek werd daarover niet gevoerd zodat niet vaststaat dat er voortdurende richtlijnen werden gegeven en een verregaand toezicht werd uitgeoefend dat niet beperkt was tot het eindresultaat. De heer De Coninck verklaarde tevens dat de heer Snoekx zich niet tijdens weekends of gedurende bouwverloven naar de werven begaf omdat hij zelf dit liever niet had daar hij dan niet op de werven aanwezig was. Daaruit vloeit evenwel nog niet voort dat dit met het oog op toezicht op zijn prestaties was. De heer S. factureerde zijn prestaties tegen een vast uurloon. Dit lag echter wel merkelijk hoger dan voor een geoefend werknemer. Het is pas na de ondervraging door de RSZ in 1998 dat de heer S. factureerde op basis van opmetingen, zonder dat er een detail van die opmetingen werd bijgebracht. Uit de facturen blijkt niet dat hij kosten aanrekende, al houdt de NV De Coninck vol dat die kosten in de facturen werden verrekend. De materialen werden kennelijk door de NV De Coninck aangekocht, ook deze die specifiek betrekking hadden op de door de heer S. uitgevoerde werken, zoals stenen, blauwe steen, marmer of arduin, cassettes voor open haarden etc. Voor bepaalde hulpgrondstoffen die niet gebruikt worden voor grof metselwerk zou hij wel zelf instaan, doch het blijkt niet dat hij dergelijke grondstoffen factureerde of aankocht. Er werd niet gefactureerd per werf of per opdracht en de facturen bevatten geen enkel detail, hetgeen niet in overeenstemming lijkt met de BTW-reglementering. Volgens de vennootschap zou de heer S. om de 6maanden een detail van de werken per werf overmaken en zou dit nadien worden vernietigd. Zijn facturen zouden slechts voorschotfacturen zijn. Op uitdrukkelijke vraag van de RSZ werd wel een detail afgeleverd voor de periode vanaf januari 98 doch er werd vastgesteld dat dit geenszins overeenstemde met wat over dezelfde periode werd gefactureerd. Wel beschikte de heer S. over wat eigen gereedschap, doch het blijkt niet dat regelmatig investeringen werden gedaan voor aankopen van gereedschap en evenmin blijkt dat dit doorgefactureerd werd aan de NV De Coninck. Groot materieel, zoals betonmolens, werd kennelijk eveneens door de NV De Coninck ter beschikking gesteld. Het blijkt niet dat hij over voorraden beschikte. De RSZ wijst erop dat slechts een 5-tal materiaalfacturen worden voorgelegd alle daterend van de periode 87 tot 89 en geen enkele van nadien en dat het materiaal waarop ze betrekking hebben niet meer is dan wat iemand voor zijn hobby aankoopt (1 breekhamer, 1 slijpmachine, 3 bijtels, 1 cirkelzaagmachine en 1 boormachine met twee boren). De NV De Coninck brengt nog stukken bij waaruit blijkt dat de heer S. zelf verantwoordelijk werd gesteld bij fouten in de uitvoering van zijn werk en zich t.a.v. de bouwheer en de architect diende te verantwoorden. De heer S. stelt eveneens dat hij verantwoordelijk was voor de door hem uitgevoerde werken en daarvoor een verzekering had. Volgens de NV De Coninck diende hij de werken op eigen kosten te herbeginnen indien zij niet correct werden uitgevoerd. Het hof is van mening dat de voorliggende elementen niet volstaan om een gezagsuitoefening af te leiden die kenmerkend is voor een arbeidsovereenkomst, onderscheiden van algemene richtlijnen en toezicht op het resultaat dat kenmerkend is voor het uitvoeren van werken in onderaanneming in de bouwsector. Het staat niet vast dat permanent zeer precieze instructies werden gegeven dat uurroosters werden opgelegd en sanctionerend werd opgetreden. Het instaan voor eigen fouten is een duidelijke aanwijzing van eigen verantwoordelijkheid die niet in overeenstemming is met deze van een werknemer. Het overeenkomen van een uurloon en het ter beschikking stellen van materiaal door de opdrachtgever is niet onverenigbaat met een zelfstandige samenwerking, evenmin als de exclusieve tewerkstelling voor één opdrachtgever. Het incidenteel hoger beroep De NV De Coninck meent aanspraak te kunnen maken op een schadevergoeding t.b.v. 24.789,35 Euro op basis van art 1382 Burgerlijk Wetboek, omdat de openstaande vordering van de RSZ haar een negatieve publiciteit bezorgde en haar moeilijkheden opleverde bij openbare aanbestedingen waardoor zij nadeel kon ondervinden. De RSZ is er wettelijk toe verplicht te waken over de toepassing van de wetgeving m.b.t. de sociale zekerheid der werknemers die de openbare orde raakt en tot ambtshalve regularisatie over te gaan indien die dienst op basis van een onderzoek meent dat de constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst voorhanden zijn en de op grond daarvan verschuldigde bijdragen op te vorderen. De RSZ wijst erop dat hij wettelijk verplicht is om derden te informeren m.b.t. schulden die werkgevers jegens de RSZ hebben, o.a. -art 12 van de wet van 27-6-69, legt de RSZ de verplichting op aan ieder die van een gewettigd belang doet blijken en hierom per aangetekende brief vraagt dergelijke informatie mee te delen -dergelijke informatie mee te delen aan de publieke gegevensbank die krachtens art 30bis van de wet van 27-6-69 en KB van 26-12-98 werd ingesteld m.b.t. de opdrachtgevers en aannemers van werken die ressorteren onder het PC van de bouw of voor het verrichten van werken in onroerende staat of daarmee gelijk gestelde handelingen. Deze informatie is bestemd voor opdrachtgevers en aannemers indien er een inhoudingsplicht rust op de aangeboden facturatie door aannemers en onderaannemers. -het KB van 8-1-96 betreffende overheidsopdrachten voor aanneming van werken leveringen en diensten en concessies van openbare werken legt eveneens dergelijke verplichting op (art 90§3 en art 17bis van het KB) De scheidingslijn tussen het bestaan van een arbeidsovereenkomst en een overeenkomst tot zelfstandige samenwerking is de gezagsuitoefening en haar pendant, het ondergeschikt verband. Dit is een rechtsfeit dat aan de appreciatie van de rechter wordt overgelaten en op basis van een geheel van feitelijke elementen wordt beoordeeld. Uit de voorliggende feitelijke elementen blijkt dat de uitvoering van de overeenkomst tussen de NV De Coninck en de heer S. zeker een aantal kenmerken vertoonde die eerder gebruikelijk zijn in het geval van een arbeidsovereenkomst. Het kan de RSZ niet als een fout worden aangerekend dat zij een aantal elementen anders heeft beoordeeld dan de arbeidsrechtbank en het hof. Er blijkt derhalve niet dat een fout in hoofde van de RSZ kan worden vastgesteld. Anderzijds toont de NV De Coninck niet aan schade te hebben geleden door deze publiciteitsvoorschriften. Het incidenteel hoger beroep komt derhalve ongegrond voor. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, in het bijzonder artikel
- Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis; Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de RSZ. Deze kosten worden begroot op het basisbedrag, zoals gevraagd door beide partijen. Voor appellante partij: euro 2000 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Voor geïntimeerde partij: euro 2000 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 april tweeduizend en acht. G. Balis: kamervoorzitter. J. Van Holm: Raadsheer in sociale zaken als werkgever H. Silon: Raadsheer in sociale zaken als werknemer - arbeider I. Hurkmans: Gedelegeerd Adjunct- Griffier. G. Balis I. Hurkmans J. Van Holm H. Silon PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080407.8 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010910.10 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050502.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.