← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080508.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080508.12 Rolnummer: 48.607 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 467 - laatst gezien 2026-07-03 11:58 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer bij afwezigheid van een schriftelijke arbeidsovereenkomst blijkt dat de vennoten waren overeengekomen dat zij alle drie binnen de vennootschap als werkend vennoot zouden meewerken en zij daarbij elk een eigen taak zouden waarnemen op voet van gelijkheid, zonder dat gezag zou worden uitgeoefend, en alle grote beleidsbeslissingen kennelijk gezamenlijk genomen werden, wordt het bestaan van een arbeidsovereenkomst uitgesloten. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Toepassingssfeer Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Sociale zekerheid van de werknemers - Onderwerping - Reisagentschap - BVBA van drie aandeelhouders - Herkwalificatie van de relatie. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gepubliceerd in JTT 2008, p.

  1. Gerangschikt onder II AAN art. 1.en VII A art
  2. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Sociale zekerheid van de werknemers - Onderwerping - Reisagentschap - BVBA van drie aandeelhouders - Herkwalificatie van de relatie. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gepubliceerd in JTT 2008, p.
  3. Gerangschikt onder VII A art
  4. EN II AAN ART 1 Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2008(289-292) J.T.T. - - 2008,289-292 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 mei
  5. 7e kamer Sociale Zekerheid bijdragen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: C., wonende te [xxxxxx], Appellante, vertegenwoordigd door Mr. M. De Leersnyder, advocaat te 1170 Brussel; Tegen: Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. De Kerpel loco Mr. P. Derveaux, advocaat te 1930 Zaventem;    Na beraad spreekt de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: -Het eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 10 februari 2006 door de 8ste kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel. -Het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 mei
  6. -De besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 8 december 2006 en 25 mei
  7. -De besluiten voor appellante neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 8 januari
  8. -De bundels van appellante neergelegd ter griffie op 20 maart 2007 en 20 september
  9. -Het bundel van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 5 maart 2007 Gehoord partijen in hun middelen en verdediging tijdens de openbare terechtzitting van 3 maart
  10. De debatten werden gesloten. De zaak wordt medegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies binnen een termijn van 14 dagen. Partijen beschikken over een termijn van 14 dagen vanaf de kennisgeving van dit advies om hun eventuele repliekbesluiten ter griffie neer te leggen. De zaak werd dan van rechtswege in beraad genomen voor uitspraak op 8 mei
  11.    I. RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De BVBA AB TRAVEL TOURS werd opgericht bij notariele akte van 18-10-85 door de heer A., de heer V. en mevrouw C.. De aandelen waren als volgt verdeeld: de heer B. bezat 900 aandelen en de heer V. en mevrouw C. elk 300 aandelen. De heer B. werd aangesteld als statutair zaakvoerder. De heer B. en de heer V. hadden reeds ervaring in de reissector en de heer B. was volgens zijn verklaring afgelegd aan de inspecteur van de RSZ de enige die over een licentie tot uitbating van een reisbureau kon beschikken. Mevrouw C. is in 1996 gehuwd met de heer B.. Van bij de aanvang werden de drie vennoten als werknemers aangegeven bij de RSZ. Er werd geen schriftelijke arbeidsovereenkomst afgesloten, hoewel mevrouw C. volgens de inlichtingenfiche werknemer slechts deeltijdse prestaties zou leveren. Vanaf 1994 zou mevrouw C. voltijds prestaties hebben geleverd. In de loop van het jaar 2004 verrichtte de RSZ een onderzoek waarbij de drie vennoten werden verhoord. De RSZ kwam tot het besluit dat zij onterecht werden onderworpen aan het stelsel van de sociale zekerheid der werknemers wegens het ontbreken van werkgeversgezag. De RSZ ging daarop over tot ambtshalve schrapping van de aangegeven prestaties voor de periode vanaf het tweede kwartaal 1999 en deelde zijn beslissing aan de betrokkenen mee bij brieven van 27-7-2004 en 1-9-
  12. Aansluitend stelde de RSZ op 17-9-2004 een bericht van wijziging op met betrekking tot de periode van het tweede kwartaal 1999 tot en met het vierde kwartaal van 2002 voor een globaal bedrag van 326.668,97 Euro. Bij dagvaardingsexploten van 17-9-2004 spanden zowel de heer V. als mevrouw C. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank om de beslissing van de RSZ te horen vernietigen en hun statuut als werknemer te zien bevestigen. Bij conclusies verzochten zij in ondergeschikte orde te worden toegelaten tot het getuigenverhoor en maakten zij aanspraak op een schadevergoeding voor alle bedragen die zij zouden verschuldigd zijn als gevolg van de herkwalificatie wegens schending door de RSZ van de beginselen van behoorlijk bestuur. De heer B. vocht de beslissing van de RSZ niet aan en de BVBA TRAVEL TOURS dagvaardde de RSZ eveneens op 17-9-2004 tot terugbetaling van de sociale zekerheidsbijdragen die zij betaalde over de periode lopende van het tweede kwartaal 1999 tot en met het vierde kwartaal 2002 voor de heren B. en V. en voor mevrouw C.. Met het bestreden vonnis voegde de Arbeidsrechtbank de drie zaken samen. Ze verklaarde de vorderingen ontvankelijk. De vordering van de BVBA TRAVEL TOURS verklaarde zij gegrond voor wat de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bijdragen betrof. De vordering van de heer V. en van mevrouw C. verklaarde zij ongegrond. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP: Enkel mevrouw C. stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank. Zij vordert dat het hof het bestreden vonnis zou te niet doen en zou zeggen voor recht -dat zij over de periode vanaf het tweede kwartaal 99 verbonden is gebleven door een arbeidsovereenkomst en haar prestaties derhalve terecht werden aangegeven aan de RSZ -voor zoveel als nodig, de RSZ te bevelen om de schrapping van de prestaties over de voormelde periode ongedaan te maken en de toekomstige aangiften van haar prestaties als werknemer te aanvaarden met veroordeling van de RSZ tot de kosten van beide gedingen In ondergeschikte orde vordert zij te worden toegelaten met getuigenverhoor het bewijs te leveren -dat zij zoals de andere werknemers behandeld werd -dat zij geen gezag uitoefent over de andere werknemers -dat zij in ondergeschikt verband staat t.o.v. de heer B. en in zijn afwezigheid van de heer V. In nog meer ondergeschikte orde, voor zover het hof zou oordelen dat zij als zelfstandige dient te worden beschouwd verzoekt zij te zeggen voor recht dat zij aanspraak heeft op een schadevergoeding van 1Euro provisioneel op alle door haar verschuldigde bedragen als gevolg van de herkwalificatie van de relatie tussen haarzelf en de BVBA, zoals bijdragen aan de RSVZ, wegens schending door de RSZ van de beginselen van behoorlijk bestuur. De RSZ verzoekt het hoger beroep ongegrond te verklaren en mevrouw C. te veroordelen tot de kosten. II. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid: Nu geen betekeningsakte van het bestreden vonnis werd neergelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.Ten Gronde: De betwisting betreft de aard van de contractuele relaties tussen mevrouw C. en de BVBA TRAVEL TOURS en het daaruit volgend sociaal zekerheidsstatuut. Mevrouw C. houdt vol dat zij als werknemer werd tewerkgesteld onder het gezag van de heer B. en bij diens afwezigheid van de heer V.. Zij benadrukt dat de bewijslast van het tegendeel op de RSZ rust. Zij verwijt de RSZ zich uitsluitend te hebben gebaseerd op de PV's van verhoor opgesteld door de sociale inspectie die geen bijzondere bewijswaarde hebben en geen werknemers te hebben ondervraagd. Zij benadrukt dat de wil van partijen primeert bij de kwalificatie van hun contractuele relaties en dat uit de inlichtingsfiche bestemd voor de sociale en fiscale diensten die door de werkgever en haarzelf werd ondertekend blijkt dat geopteerd werd voor een arbeidsovereenkomst. Zij herinnert eraan dat in '97 een onderzoek werd gevoerd door de inspecteur van de RVA die haar hoedanigheid van werknemer niet in vraag heeft gesteld en in tegendeel de vennootschap ertoe heeft aangemaand haar situatie als deeltijds werknemer te regulariseren. Bovendien sluit de wijze waarop de overeenkomst werd uitgevoerd die kwalificatie volgens haar niet uit aangezien zij steeds in ondergeschikt verband handelde naar de instructies van de heer B. of van de heer V. daar zij zelf geen enkele ervaring had in de sector. Zij beweert dat zij haar taak op dezelfde manier uitoefende als haar 13 collega's bedienden, hetgeen blijkt uit hun verklaring en uit deze van de heer B.. De RSZ handhaaft zijn standpunt dat er geen sprake is van ondergeschikt verband. Bij afwezigheid van een overeenkomst van partijen steunt hij zich daarvoor op de andere elementen van het dossier en voornamelijk op de verklaringen die de vennoten zelf hebben afgelegd waaruit volgens hem voldoende blijkt dat zij de beslissingen in de vennootschap gezamenlijk namen. De RSZ wijst erop dat de vennootschap zelf terugbetaling van de werknemersbijdragen heeft gevorderd en dat zij het vonnis van de arbeidsrechtbank niet heeft aangevochten en de heer V. zich er eveneens naar heeft geschikt. Algemene overwegingen. Volgens Art. 1§1 van de RSZ wet van 27-6-1969 is die wet toepasselijk op werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden en op de door de Koning aangewezen categorieën. Art. 3§1 van het KB nr. 38 van 27-7-67, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen past een residuair criterium toe. Het definieert de zefstandige als ieder natuurlijk persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is. In Art. 2,3,4 en 5 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3-7-78 wordt de arbeidsovereenkomst omschreven als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich er tegen loon toe verbindt om onder het gezag van de andere partij, de werkgever, de overeengekomen arbeidsprestaties te verrichten. Deze regel is van dwingend recht en partijen kunnen er niet van afwijken door aan die overeenkomst een andere kwalificatie te geven. (Cass. 3-5-2004 AR S030108N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23) Art 1,5°b van de arbeidsrelatiewet van 27-12-2006 (BS 28-12-2006), van toepassing sedert 1-1-2007 hanteert een analoge definitie. Van de drie constitutieve bestanddelen: het verrichten van arbeid, het loon, de gezagsverhouding of het ondergeschikt verband, is het derde bestanddeel doorslaggevend. Het leveren van arbeid tegen betaling van een vergoeding wordt immers ook in andere overeenkomsten terug gevonden. De gezagsverhouding bestaat zodra iemand in feite toezicht kan uitoefenen op de handelingen van een ander persoon.(Cass. 10-9-2001 Rnr. S000187F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010910.10;Cass. 23-6-97, JTT 97, 335; Cass. 9-1-95, Pas. 95, 28; Cass. 14-11-94, JTT 95, 68). Dit betekent dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat iemand de bevoegdheid heeft gezag uit te oefenen over andermans handelen. (W.Van Eeckhoutte, gezag in de cassatierechtspraak, NJW 2005 p 5) Het volstaat dat de werkgever de juridische mogelijkheid heeft om gezag uit te oefenen.(Cass. 8-5-78, TSR 78, 409; Cass. 13-6-68, AC 68, 1239) Het bestaan van een gezagsverhouding dient door de feitenrechter te worden onderzocht aan de hand van de feitelijke gegevens.(W.Van Eeckhoutte, o.c.p 2 en aldaar opgenomen verwijzingen.) Er dient rekening mee te worden gehouden dat de wettelijke bepalingen m.b.t. het toepassingsgebied van de onderscheiden professionele sociale zekerheidsstelsels, de werkingssfeer, de voorwaarden tot toekenning van rechten en de verschuldigde bedragen de openbare orde raken. (Cass. 1-2-93, Pas.93,I, 129; Cass. 24-4-89, RW 89-90, 1460).Partijen kunnen niet zelf beslissen over de toepasselijkheid van het sociaal recht.(Cass. 11-9-78,Arr.Cass.78-79,29). De rechter dient derhalve aan de hand van de feitelijke gegevens na te gaan of de werkelijke uitvoering van de overeenkomst overeenstemt met de kwalificatie die partijen eraan hebben gegeven.(Cass. 24-4-89, RW 89-90, 1460; Cas. 2-11-92, RW 92-93, 959; Cass. 7-9-92, JTT 93, 317; Op de RSZ rust de bewijslast m.b.t. de afwezigheid van een arbeidsovereenkomst hetgeen betekent dat hij moet bewijzen dat de overeenkomst niet werd uitgeoefend onder het gezag van de opdrachtgever. (Cass. 20-3-2006, AR S.050069.N; Cass.2-5-2005, AR S.03.0121.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050502.2 ;Cass. 3-5-2004 AR S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23.) Volgens de Rechtspraak van het Hof van Cassatie kan de rechter de kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven niet wijzigen indien de elementen die aan zijn beoordeling worden onderworpen die kwalificatie niet uitsluiten. Daaruit blijkt dat de wilsautonomie van partijen voorop staat. (Cass. 22-5-2006; AR S.050014.F; Cass. 3-5-04, NJW 2005,18;Cass. 28-4-03, JTT 03, 261;Cass.23-12-02, JTT 03, 271; De RSZ steunt zich op de criteria van de programmawet van 28-12-2006, verder genoemd arbeidsrelatiewet die in werking is getreden op 1-1-2007, met uitzondering van de art 329 en 330, 334 tot 339 en
  13. Hoewel de beslissing van de RSZ steunt op een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet, verzoekt mevrouw C. uitspraak te doen tot heden zodat inderdaad bij de beoordeling rekening dient gehouden te worden met de arbeidsrelatiewet. Deze ligt echter in de lijn van de vroegere rechtspraak. Ook in de arbeidsrelatiewet is het bestaan van een gezagsband determinerend voor het onderscheiden van de arbeidsrelatie als werknemer of als zefstandige. Het uitgangspunt is dat er principieel een vrije keuze bestaat bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Art. 331 van de arbeidsrelatiewet stelt eveneens de wilsautonomie van partijen voorop en bepaalt dat herkwalificatie slechts mogelijk is bij onverenigbaarheid met de feiten, met dien verstande dat in die wet reeds vier algemene criteria worden bepaald op grond waarvan de aanwezigheid van ondergeschikt verband wordt beoordeeld. De rechter behoudt bij de beoordeling zijn soevereine beoordelingsmacht.. Volgens art. 332 arbeidsrelatiewet is er grond tot herkwalificatie indien de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van de wet en haar uitvoeringsbesluiten onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven. Verder worden daarin als beoordelingscriteria aangewezen: -de vrijheid van organisatie van de arbeid -de vrijheid van organisatie van het werk -de mogelijkheid om een hiërarchische controle uit te oefenen. Volgens art 333§2 worden als neutrale elementen beschouwd die op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn: -de titel van de overeenkomst -de inschrijving bij een instelling van sociale zekerheid -de inschrijving bij de kruispuntbank voor Ondernemingen -de inschrijving bij de administratie van de BTW -de wijze waarop de inkomsten bij de fiscale administratie worden aangegeven De wettelijke regeling kwam er om de verschijnselen van schijnzelfstandigen tegen te gaan, maar ook deze van schijnwerknemers. In het eerste geval wordt in strijd met de werkelijkheid geopteerd voor een zelfstandigenstatuut om te ontsnappen aan de verplichtingen die verbonden zijn aan het werknemersstatuut, zowel arbeidsrechtelijk als op het vlak van de sociale zekerheid, in het andere geval wordt geopteerd voor een werknemersstatuut om te kunnen genieten van de gunstige beschermende bepalingen verbonden aan dat statuut. Toepassing op voorliggend geschil Er wordt geen schriftelijke arbeidsovereenkomst voorgelegd tussen de vennootschap en mevrouw C.. Partijen bij een arbeidsovereenkomst zijn er weliswaar niet toe verplicht een schriftelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan, doch dit is wel het geval bij een deeltijdse tewerkstelling als werknemer, zoals het geval zou geweest zijn voor mevrouw C. tussen 1985 en
  14. Mevrouw C. houdt voor dat wel een schriftelijke arbeidsovereenkomst bestond doch legt deze niet voor. Uit de omstandigheid dat bij de controle door de RVA in 1997 enkel een aanmaning tot regularisatie werd gestuurd m.b.t. de voorschriften aangaande het openbaar maken van de uurroosters, kan niet met zekerheid worden afgeleid dat een schriftelijke arbeidsovereenkomst bestond. Het inlichtingenblad voor de sociale en fiscale diensten ondertekend door de werkgever en de werknemer kan er wel op wijzen dat voor een arbeidsovereenkomst werd geopteerd. Uit de statuten en het PV van de algemene vergadering van 26-5-2004 blijkt dat de heer B. meerderheidsaandeelhouder was met 900 aandelen en mevrouw C. en de heer V. elk 300 aandelen bezaten. De heer B. en de heer V. verklaarden weliswaar dat de twee andere vennoten samen de helft van de aandelen bezaten, doch dit blijkt niet uit de officiële stukken. Het aandelenregister werd kennelijk niet nagekeken en mevrouw C. werd daarover niet ondervraagd. De heer B. was bovendien (enig) statutair zaakvoerder en was derhalve het orgaan belast met het dagelijks bestuur zodat hij in principe de bevoegdheid bezat om gezag uit te oefenen. Ook hij werd echter als werknemer aangegeven, hetgeen absoluut niet strookte met zijn hoedanigheid van zaakvoerder tevens meerderheidsaandeelhouder, zodat aan de keuze van partijen niet al te veel belang kan worden gehecht. Uit de door de drie vennoten afgelegde verklaringen blijkt: -dat er tussen hen een taakverdeling bestond waarbij elk die taken waarnam waarin hij het meest onderlegd was: de heer V. hield zich voornamelijk bezig met de contacten met de bank, met de boekhouding en met de FOD Binnenlandse zaken, met de administratieve aangelegenheden de heer B. met het commercieel beleid, de contacten met de luchtvaartmaatschappijen en de andere dienstenleveranciers. Hij ondertekende alle contracten met financiële gevolgen. Hij stond in voor het personeelsbeleid, daarin bijgestaan door de heer V. mevrouw C. hield zich bezig met het prijsbeleid in vergelijking met de concurrenten, het uitbrengen van nieuwe producten, groepsaanbiedingen, het naleven van hotelcontracten, het contact met de leveranciers en de reisagentschappen, hetgeen in de lijn lag van haar marketingervaring. Binnen dat domein nam zij de beslissingen, zonder dat deze de vennootschap konden verbinden (verklaring C.). Daarnaast hield zij zich als de andere bedienden bezig met reservaties en persoonlijke contacten. Zij zag haar taak als een onderscheiden en onafhankelijke taak binnen dewelke zij haar verantwoordelijkheid opnam -dat alle grote beslissingen werden genomen door de vennoten in onderling overleg,o.m. wat de investeringen betreft (verklaring V. - B. -dat de heer B. geen toezicht uitoefende op de prestaties van de vennoten die in het volste vertrouwen samen werkten elk in hun domein en daartoe voldoende beroepskennis bezaten (verklaring V. - B.) iedereen is sterk betrokken en polyvalent, er is eigenlijk geen baas ( verklaring B.) Volgens de heer B. werd het toezicht over hem door de twee overige vennoten uitgeoefend -over de gewone bedienden wordt toezicht uitgeoefend door de drie vennoten. Wel had hij uiteindelijk het laatste woord (verklaring B.) Volgens mevrouw C. konden de andere personeelsleden bij haar terecht met vragen doch oefende zij over hen geen toezicht uit. -dat de vakantiedagen werden gekozen in functie van de onderneming zodanig dat de vennoten nooit alledrie afwezig waren -dat het loon in onderling overleg met de boekhouder tussen de drie vennoten werd vastgelegd (verklaring V. -verklaring B. ), waarbij het loon van de heer V. en de heer B. gelijk was en dat van mevrouw C. wat lager aangezien zij minder verantwoordeijkheid droeg (verklaring B., C.) -dat de vennoten geen loon voor overuren ontvingen (B.),hetgeen wijst op de uitoefening van een vertrouwensfunctie -dat de vennoten eens per jaar een winstuitkering ontvingen -dat het zaakvoerderschap onbezoldigd was(verklaring B. + statuten) -dat de openingsuren en sluitingsdagen werden vastgesteld door de vennoten in onderling overleg bij het opstarten van de vennootschap dat zij een uurrooster naleefden als voltijds bedienden. Volgens de verklaring van de personeelsleden werd het gezag over hen uitgeoefend door de heer B., was mevrouw C. tewerkgesteld met een bediendenovereenkomst en had zij geen ander voordeel dan de overige bedienden. Uit de verklaring van mevrouw C. zelf blijkt dat zij over een bepaald domein van het vennootschapsgebeuren wel degelijk alleen de verantwoordelijkheid droeg. Het blijkt inderdaad dat mevrouw C. als bediende werd aangegeven, hetgeen nog niet betekent dat inhoudelijk voldaan was aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst met name dat zij haar taak onder gezag uitoefende. Uit het geheel van de voorliggende elementen blijkt dat de vennoten waren overeen gekomen dat zij alle drie binnen de vennootschap als werkend vennoot zouden meewerken en daarbij elk een eigen taak zouden waarnemen op voet van gelijkheid, zonder dat gezag zou worden uitgeoefend. Alle grote beleidsbeslissingen werden kennelijk gezamenlijk genomen. Dit sluit het bestaan van een arbeidsovereenkomst uit. De openings- en sluitingsuren die tegelijk dienden als uitgangspunt voor hun prestatieuren werden in onderling overleg bepaald evenals de vergoeding die hen voor hun prestaties toekwam. Vakantieperiodes werden eveneens in overleg bepaald rekening houdend met het belang van de onderneming. Er blijkt niet dat er enige gezagsuitoefening was op dat punt. Dat mevrouw C. geen gezag zou hebben uitgeoefend over de andere werknemers is daarbij niet relevant, dat zij over geen eigen kantoorruimte beschikte en dezelfde ruimte deelde als de andere werknemers evenmin. Er waren nog andere zelfstandige medewerkers die geen gezag uitoefenden over het personeel van de vennootschap zoals blijkt uit de verklaring van mevrouw Kathleen Van Parijs die als zelfstandige voor de BVBA Travel Tours gewerkt heeft van januari 97 t.e.m. september
  15. Ook het feit dat zij de vennootschap niet alleen kon verbinden betekent niet dat zij bij de uitoefening van haar taak onder gezag stond. Dat mevrouw C. zich niet zou hebben mogen laten vervangen blijkt nergens uit. De vraag werd kennelijk niet gesteld. Tijdens de periode waarop het geschil betrekking heeft was mevrouw C. de echtgenote van de heer B.. Hoewel dit het bestaan van een gezagsverhouding niet uitsluit, wordt het bestaan van een gezagsverhouding er in het licht van de andere elementen in ieder geval nog minder waarschijnlijk door. Ook het feit dat de BVBA de werknemersbijdragen heeft teruggevorderd en het vonnis van de arbeidsrechtbank niet heeft aangevochten pleit tegen het bestaan van een gezagsverhouding. Dat bij de door de RVA uitgevoerde controle op 9-1-97, niet werd vastgesteld dat zij een schijnwerknemer zou zijn kan door mevrouw C. niet als argument worden gebruikt om haar stelling te staven. De RVA -inspectie is immers niet bevoegd om dergelijke vaststellingen te doen en de controle bleef kennelijk beperkt tot de naleving van de voorschriften van toepassing op de formele gegevens m.b.t. het werknemersstatuut. Het hof deelt derhalve de zienswijze van de Arbeidsrechtbank dat mevrouw C. niet onderworpen kon worden aan de sociale zekerheid der werknemers. De vordering in ondergeschikte orde Mevrouw Cantilon vordert schadevergoeding wegens schending door de RSZ van de regels van behoorlijk bestuur omdat hij de situatie meer dan 20 jaar heeft laten voortbestaan vooraleer een onderzoek in te stellen en dit onderzoek bovendien lichtzinnig zou hebben gevoerd. Zij beroept zich op art 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en art 14 van het Vedrag over de Burgerlijke en Politieke rechten (BUPO) die de behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn voorschrijven. Krachtens art 21 e.v. van de wet van 27-6-69, dient iedere verzekeringsplichtige werkgever zich bij de RSZ te laten inschrijven en een aangifte in te dienen van de wettelijk verschuldigde bijdragen overeenkomstig de wet van 27-6-69 en de uitvoeringsbesluiten en op een correcte wijze binnen de wettelijke termijnen te betalen. Op de werkgever rust derhalve de verplichting om een correcte aangifte in te dienen. Het kan derhalve niet aan de RSZ worden verweten dat hij de aangifte heeft aanvaard zonder een onderzoek. Men kan van de RSZ moeilijk verwachten dat eke aangifte op haar waarachtigheid wordt onderzocht. Pas bij controle achteraf kan blijken of de aangifte inderdaad correct, gebeurde, overeenkomstig de wet. In het geval van mevrouw C. die geen statutair zaakvoerder was van de vennootschap, kon niet meteen vanuit de voorgelegde gegevens worden vermoed dat de aangifte niet correct zou zijn. Wanneer de RSZ vaststelt dat onjuiste of onvolledige aangiftes werden gedaan, behoort het tot zijn wettelijke taak over te gaan tot ambtshalve regularisatie overeenkomstig art 22 van de wet van 27-6-69 binnen de verjaringstermijn voorzien door art 42 van de wet van 27-6-
  16. De wettelijke bepalingen met betrekking tot de toepassing van de sociale zekerheidsstelsels, raken de openbare orde. (zie hoger) De RSZ wijst erop dat het onderzoek werd gestart in de loop van het jaar
  17. De processen-verbaal van verhoor dateren van juni 2004 en de beslissing werd onmiddellijk getroffen op 27-7-2004 en slechts met betrekking tot de nog niet verjaarde periode.Dit is binnen een redelijke termijn. Er kan derhalve aan de RSZ geen fout worden verweten wegens onbehoorlijk bestuur; Indien mevrouw C. meent dat de beslissing van de RSZ haar schade toebrengt, zal zij zich eerder dienen te richten tegen de vennootschap wegens foutieve aangifte. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, in het bijzonder artikel
  18. Rechtsprekend op tegenspraak. Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie neergelegd door de heer Jean - Jacques André, substituut - generaal op 13 maart 2008 Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van mevrouw C.. Voor appellante partij: euro 650 Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Voor geïntimeerde partij euro 650 Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op 8 mei tweeduizend en acht. G. Balis: kamervoorzitter. J. Van Holm: Raadsheer in sociale zaken als werkgever H. Silon: Raadsheer in sociale zaken als werknemer - bediende I. Hurkmans: Gedelegeerd Adjunct- Griffier. G. Balis I. Hurkmans J. Van Holm H. Silon PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080508.12 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010910.10 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050502.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.