id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080508.9 Rolnummer: 48.944 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 17:26 Fiche De scheiding der machten verhindert dat de rechter in de plaats van de regelgever treedt (P. Popelier, Lacunes in verordenend optreden, R.W. 2004-2005. 979). Bij schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel door de Koning wordt de rechter, bij toepassing van de exceptie van onwettigheid van artikel 159 van de Grondwet niet zelf bevoegd om het gemiste voordeel toe te kennen aan wie door de discriminatie wordt benadeeld (Cass. 17 maart 2003, J.T.T. 2003, 457; R.W. 2003-2004. 1 542. De niet toepassing van een Koninklijk Besluit op grond van artikel 159 van de grondwet levert voor de betrokkenen geen rechten noch verplichtingen op (Cass. 12 december 2003, R.W. 2004-2005 met noot P. Popelier. N.J.W. 2004, 1203 met noot F. Judo en R.A.B.G. 2004. 845 met noot V. Dooms). UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP — RECHT — WETGEVING — schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel — bevoegdheid voor de rechter om het gemiste voordeel toe te kennen aan wie door de discriminatie wordt benadeeld. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10, 11 en 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT MEI TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Ziekte- en Invaliditeitsverzekering Tegensprekelijk Definitief In de zaak: D. M,, gynaecoloog, B.V.B.A. Dokter M. D. Burgerlijke vennootschap, gevestigd te 2018 Antwerpen, appellanten, vertegenwoordigd door Mr. K. Kramers, advocaat te 2180 Ekeren, Tegen : LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, waarvan de zetel gevestigd is te 1030 Brussel, Haachtsesteenweg 579 bus 40, HET NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel te 1000 Brussel, Sint Jansstraat 32-38, DE LANDSBOND VAN LIBERALE MUTUALITEITEN, met zetel te 1050 Brussel, Livornostraat 25, DE LANDSBOND VAN ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN, met zetel te 1150 Brussel, Sint Huibrechtsstraat 19, DE LANDSBOND VAN DE NEUTRALE ZIEKENFONDSEN, met zetel te 1060 Brussel, Charleroisesteenweg 145, DE HULPKAS VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, met zetel te 1000 Brussel, Troonstraat 30, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Mr. H. Demeester, advocaat te 9000 Gent, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 12 mei 2006; het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 augustus 2006; de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 20 maart 2008, waarna de debatten gesloten werden. FEITEN EN RECHTSPLEGING Dokter M. D. is een gynaecoloog die tevens sedert 1999 aan het hoofd staat van een laboratorium voor klinische biologie gelegen (...) te Antwerpen en erkend door het Ministerie van Volksgezondheid. In dit laboratorium verstrekt Dokter D. met de hulp van een aantal laboranten prestaties van klinische biologie, verwant met zijn medische specialisatie in connexiteit. Voor de prestaties van het laboratorium werd door de verzekeringsinstellingen een tussenkomst verleend op basis van forfaitaire honoraria met verwijzing naar de bepalingen van artikel 2 § 2b van het koninklijk besluit van 24 september 1992 tot vaststelling van nadere regelen betreffende de forfaitaire honoraria voor sommige verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, alsmede de onderaanneming van deze verstrekkingen. Vanaf 1 oktober 1992 zijn, ingevolge dit koninklijk besluit, de terugbetaalde forfaits hoger voor de geneesheren, specialist voor klinische biologie of voor nucleaire geneeskunde in vitro en voor de apothekers en licentiaten in de wetenschappen, dan voor de geneesheren-connexisten. In artikel 2 § 2 van voormeld koninklijk besluit werd inderdaad een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de geneesheren, specialist in de klinische biologie of nucleaire geneeskunde in vitro, de apothekers en licentiaten in de wetenschappen en anderzijds de geneesheren-specialisten die voor de zieken die zij in het raam van hun specialisme verzorgen, de met dat specialisme verwante verstrekkingen mogen aanrekenen (de zgn. "connexisten" zoals appellant). Identieke medische prestaties (analyses) worden bijgevolg verschillend terugbetaald in functie van het soort laboratorium waar de prestatie wordt verricht. Wat deze laatste categorie van de geneesheren-connexisten betreft, werden aldus lagere forfaits vastgesteld die nadien nog werden verlaagd. Voormeld artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 werd door de Raad van State bij arrest van 18 oktober 2001 (nr. 99.920) op verhaal van o.m. Dokter D. vernietigd wegens schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Met dagvaardingsexploot van 17 oktober 2003 vorderen appellanten de veroordeling van de vijf verzekeringsinstellingen (L.C.M., N.V.S.M., L.L.M., L.O.Z. en L.N.Z.) en van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering tot betaling van de forfaitaire honoraria voorzien in het koninklijk besluit van 27 december 1994, zoals nader gepreciseerd in de dagvaarding, en vervolgens dat voor recht zou gezegd worden dat artikel 2 § 2 van ditzelfde koninklijk besluit van 27 december 1994, volgens hetwelk de geneesheren-connexisten zoals appellant worden uitgesloten van de betaling van forfaitaire honoraria, geen toepassing kan krijgen wegens schending van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel (schending van artikel 10 en 11 van de Grondwet), zodat zij recht hebben op de uitbetaling van de forfaitaire honoraria voor de verstrekkingen die werden verricht. De Arbeidsrechtbank Brussel oordeelde in het bestreden vonnis van 12 mei 2006 dat de vordering tot betaling van forfaitaire honoraria verjaard is gelet op artikel 174 van de gecoördineerde Z.I.V-wet in zoverre de verstrekkingen verleend werden voor 1 oktober 2001. Voor het overige werd de vordering ongegrond verklaard omdat, zelfs indien de regeling in de koninklijke besluiten onwettig is, de rechter enkel een onwettig besluit niet kan toepassen, wat inhoudt dat het K.B. voor de betrokkenen geen rechten noch verplichtingen oplevert; de rechter mag dus niet in de plaats van de regelgever een voordeel toekennen aan de gediscrimineerde categorie. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof door de heer M. D. en de B.V.B.A. M. D. op 11 augustus 2008, wordt hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis en wordt de oorspronkelijke vordering hernomen; tevens wordt in ondergeschikte orde op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek betaling gevraagd van de achterstallige forfaitaire honoraria op grond van fouten van de mutualiteiten en algemeen onbehoorlijk bestuur van de overheid. II.BEOORDELING Het hoger beroep is tijdig ingesteld en is ontvankelijk, wat overigens niet wordt betwist.
- a)De verjaring De door appellanten gevorderde bedragen blijken betrekking te hebben op de periode 1996-2001. Op blz. 6, in fine van het vonnis verwijst de eerste rechter naar de periode 1996-1999. Deze periode betreft blijkbaar enkel de verstrekkingen uitgevoerd door Dokter M. D.. Aangezien de dagvaarding dagtekent van 17 januari 2003, is de vordering in zoverre zij er toe strekt geïntimeerden te horen veroordelen tot vergoeding van geneeskundige verstrekkingen die voorafgaan aan 1 oktober 2001, verjaard overeenkomstig artikel 174 van de gec. ziektewet van 14 juli 1994. Artikel 174,lid 1, 3° bepaalt : "de vordering tot betaling van geneeskundige verstrekkingen verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin de verzorging is verstrekt of deze prestaties al dan niet betaald werden via de derde-betalersregeling"). Appellanten bewijzen niet dat zij de verjaring hebben gestuit. Het verhaal dat ingesteld werd bij de Raad van State teneinde de nietigverklaring te bekomen van het koninklijk besluit van 24 september 1992 stuit de verjaring niet. (vgl. Cass. 16 februari 2006 , N.J.W., 2006, 891 noot Baeck J., C.D.P.K. 2006, 722 noot Petitat. V, R.A.B.G. 2007, 332 noot Lebon C., R.W. 2005-06, 1618 noot Van Oevelen A.). Het door de rechtzoekende bij de Raad van State ingestelde beroep tot nietigverklaring is immers een objectief beroep dat niet de bescherming van een subjectief recht beoogt, maar dat strekt tot een legaliteitscontrole van de akten en de reglementen van de administratieve overheden en dat gericht is op herstel van de wettigheid; aldus schorst of stuit een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State niet de verjaring van een burgerlijke vordering voor de gewone rechtbanken. Dit is hier des te meer zo, daar appellanten een stuiting willen zien in hun beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State van het koninklijk besluit van 24 september 1992, maar deze procedure was niet gericht tegen de mutualiteiten, doch wel tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken. Het Cassatiearrest van 16 februari 2006 had betrekking op een vordering tot schadevergoeding lastens de regelgever, terwijl appellanten zich in deze procedure richten naar de mutualiteiten die de betrokken regelgeving dienen uit te voeren. Bovendien lijken appellanten zich in huidige procedure voornamelijk te beroepen op een ander koninklijk besluit, met name het koninklijk besluit van 27 december 1994 dat het artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 aangepast heeft; appellanten houden voor dat het koninklijk besluit van 27 december 1994 behept is met dezelfde onwettigheid als het koninklijk besluit van 24 september 1992, maar ze hebben dit koninklijk besluit van 27 december 1994 niet aangevochten. Appellanten gewagen ten onrechte van een "onbillijke" rechtspraak. Niets belette hen immers tijdig een vordering in te stellen bij de arbeidsrechtbank om hun rechten veilig te stellen. Evenmin kunnen appellanten een stuiting of schorsing vinden in de beweerde betalingen van sommige forfaits door de mutualiteiten ingevolge de nietigverklaring door de Raad van State van artikel 2 van het koninklijk besluit 24 september 1992. Appellanten stellen dat de verzekeringsinstellingen zouden overgegaan zijn tot de betaling van sommige forfaits die betrekking hebben op de in betwisting zijnde periode en die gefactureerd werden nadat de Raad van State artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 had vernietigd. Dat in 2003 prestaties werden gefactureerd die uitgevoerd werden in 1999 met aanduiding van het nomenclatuurnummer klinische biologie blijkt uit de voorgelegde stukken (stuk 1). In 2002 werden blijkbaar ook forfaits gefactureerd met betrekking tot prestaties uitgevoerd tijdens de periode 2000-2001 (stuk 4A). Dat de aangerekende forfaits daadwerkelijk werden uitbetaald door de verzekeringsinstellingen kan echter met veel minder zekerheid uit deze stukken opgemaakt worden. Geïntimeerden schijnen nochtans niet te betwisten dat er inderdaad betalingen werden uitgevoerd doch schrijven dit toe aan vergissingen. Aan eventuele betalingen die zouden verricht zijn kunnen evenwel weinig gevolgen verbonden worden. Gezien de verjaringsregeling waarvan sprake in artikel 174, 3e van de wet van 14 juli 1994 van openbare orde is (vgl. Cass. 18 september 1995, R.W. 1995-96, 1096) kunnen geïntimeerden er immers geen afstand van doen. Bijgevolg beroepen appellanten zich tevergeefs op de rechtsfiguur van de afstand van verjaring. De omstandigheid dat de verzekeringsinstellingen prestaties zouden uitgekeerd hebben zonder acht te slaan op de verjaring heeft enkel voor gevolg dat geen recht op terugvordering ontstaat (vgl. Cass. 22 september 1986, Arr. Cass. 1986-87,88). Terecht heeft de eerste rechter dan ook de oorspronkelijke vordering verjaard verklaard voor de periode voor 1 oktober 2001 en dit op grond van artikel 174 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet, daar appellanten niet aantonen dat deze verjaringstermijn geldig zou zijn gestuit of geschorst. In graad van hoger beroep stellen appellanten een nieuwe vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en deze zal hierna (onder C) worden besproken.
- b)Artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 en de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. In het arrest nr. 99.920 van 18 oktober 2001 heeft de Raad van State vastgesteld dat de connexisten evengoed als de geneesheren, specialist voor klinische biologie, in het raam van hun specialisme, gerechtigd zijn dezelfde technische prestaties inzake klinische biologie te verrichten, zodat het onderscheid in artikel 2, § 2 a en artikel 2 § 2 b van het koninklijk besluit van 24 september 1992 tussen de terugbetaling van de prestaties van de connexisten en de prestaties van de andere klinische biologen niet in rechte verantwoord was. In de overweging 4.2.3. van het arrest wordt vastgesteld dat het artikel 2 een geheel vormt, zodat het ook in zijn geheel wordt vernietigd. In de overweging 4.2.2.1 van het arrest van de Raad van State wordt voorgehouden: " De bewering dat de verwerende partij (de Belgische Staat) evengoed had kunnen bepalen dat de "connexisten" helemaal geen verstrekkingen inzake klinische biologie niet meer mogen verrichten, is niet pertinent. Dergelijke gebeurlijke uitsluiting van de connexisten zou immers evenzeer discriminatoir kunnen zijn". Appellanten steunen zich op deze overweging om voor te houden dat het koninklijk besluit van 27 december 1994 behept is met dezelfde nietigheid als het koninklijk besluit van 24 september 1992, omdat ze ervan uitgaan dat dit koninklijk besluit, dat ze nochtans niet bij de Raad van State hebben aangevochten, helemaal niet meer voorziet in de toekenning van forfaitaire honoraria aan de zogenaamde connexisten. Het koninklijk besluit van 24 september 1992, artikel 2 werd echter als volgt door de Koning gewijzigd: koninklijk besluit van 26 april 1994 (B.S. 30 april 1994) : het onderscheid tussen de forfaitaire honoraria voor de klinische biologen en de connexisten werd behouden, doch anders ingevuld, koninklijk besluit 27 december 1994 (B.S. 14 januari 1995) ook hier wordt het onderscheid behouden, anders dan wat partijen lijken te veronderstellen. koninklijk besluit 20 januari 1995 (B.S. 11 februari 1995); het is slechts in dit koninklijk besluit dat het onderscheid tussen de klinische biologen en de connexisten wegvalt, in de zin dat van deze laatste categorie geen sprake meer is. koninklijk besluit 7 augustus 1995 (B.S. 26 augustus 1995 : zelfde vaststelling nationaal akkoord geneesheren ziekenfondsen 3 november 1997 (B.S. 9 december 1997) : er wordt melding gemaakt van een nieuw onderscheid zonder dat er sprake is van de connexisten koninklijk besluit 21 maart 2000 (B.S. 30 maart 2000) : de regeling van het nationaal akkoord van 3 november 1997 wordt in het koninklijk besluit opgenomen koninklijk besluit 24 augustus 2001 (B.S. 30 augustus 2001) : rechtzetting in verband met de cijfers; Vervolgens wordt artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 om hoger vermelde redenen vernietigd door het arrest van de Raad van State nr. 99.920 van 18 oktober 2001. Ingevolge dit arrest zal artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 december 2002 (B.S. 24 december 2002) het vernietigde artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 vervangen en dit na advies van de Raad van State gegeven op 5 december 2002 onder nummer 34.481/1; ingevolge artikel 4 van dit koninklijk besluit treedt het slechts in werking op 1 januari 2003. Uit dit overzicht mogen blijken dat het koninklijk besluit van 27 december 1994 zeker geen rechtsgrond kan bieden aan appellanten om terugbetaling van prestaties te bekomen die werden uitgevoerd tussen 1 oktober 2001 en februari 2002. Anderzijds rijst de vraag welke de gevolgen zijn van het vernietigingsarrest van de Raad van State van 18 oktober 2001, ondermeer op het koninklijk besluit van 27 december 1994 waarop appellanten hun vordering wensen te steunen. Door de nietigverklaring door de Raad van State van het integrale artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 wordt dit artikel geacht niet te hebben bestaan(R.v.St. V.Z.W. Gerfa nr. 49.988, 8 september 1994); ook de gevolgakten, m.n. de wijzigingen aan de regelgeving, die niet tot doel hebben de onwettigheid te herstellen, volgen het lot van deze nietigverklaring; het koninklijk besluit van 18 december 2002, dat de onwettigheid diende te herstellen, heeft slechts uitwerking vanaf 1 januari 2003 zodat het ook niet dienstig kan zijn aan appellanten voor hun vordering. De vraag blijft dan nog in hoeverre de rechter bij een schending van het gelijkheidsbeginsel de vastgestelde ongelijkheid ongedaan mag maken. Bij schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel door de Koning wordt de rechter, bij toepassing van de exceptie van onwettigheid van artikel 159 van de Grondwet niet zelf bevoegd om het gemiste voordeel toe te kennen aan wie door de discriminatie wordt benadeeld (Cass. 17 maart 2003 en J.T.T. 2003, 457 met noot, R.W. 2003-2004, 1542) en de niet toepassing van het koninklijk besluit op grond van artikel 159 van de Grondwet levert voor de betrokkenen geen rechten noch verplichtingen op (Cass. 12 december 2003, R.W. 2004-05 met noot P. Popelier, N.J.W. 2004, 1203 noot F. Judo en R.A.B.G. 2004, 845 noot V. Dooms). De scheiding der machten verhindert immers dat de rechter in de plaats van de regelgever treedt (P. Popelier Lacunes in verordend optreden, R.W. 2004-05, 979) maar zelfs indien men zou voorhouden dat men op de benadeelde categorie dezelfde regeling kan toepassen als op de leden van de bevoordeelde categorie, dan nog moet hier vastgesteld worden dat de Raad van State het volledige artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 heeft vernietigd, zodat de nietigverklaring niet beperkt is tot de regeling voor de connexisten. In zoverre de vordering van appellanten dus gesteund is op de uitvoeringsbesluiten van de gecoördineerde ziekteverzekeringswet is zij dan ook ongegrond, ook voor de periode die niet verjaard is. C. Schadevergoeding In graad van hoger beroep bereiden appellanten hun vordering uit en vragen ze schadevergoeding. Het vernietigingsarrest van de Raad van State geldt erga omnes en bindt de burgerlijke rechter; er kan mogelijk schadevergoeding worden gevorderd, die in ingeval van causaal verband tussen de geleden schade en de door de Raad van State gesanctioneerde onwettigheid kan worden toegekend lastens de overheid (Cass. 19 december 1980, Arr. Cass. 1980-81, 449 met conclusie Advocaat-generaal F. Dumon; Cass. 13 mei 1982, J.T.T. 1982, 772 met conclusie Advocaat-generaal Velu; A. Alen Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen 1995 nr. 721, pag. 713 en D. Van Heuven en F. Van Volsem Publiek Procesrecht artikelsgewijze commentaar Raad van State wetsartikel 14 lid 1 - 68). Maar een dergelijke procedure dient lastens de overheid zelf te worden ingesteld en ze kan bezwaarlijk gevoerd worden lastens andere partijen die gehouden zijn de overheidsreglementering uit te voeren (appellanten hebben klaarblijkelijk geen schorsingsvordering ingesteld bij de Raad van State m.b.t. het door hen bestreden besluit) Ook de rechtsleer die appellanten inroepen betreffen een mogelijke vordering lastens de Belgische Staat; men ziet niet in hoe aan geïntimeerden een vorm van onbehoorlijk bestuur zou kunnen worden ten laste gelegd; alleszins tonen appellanten dit niet aan. De uitbreiding van de vordering tot schadevergoeding, waarvan de toelaatbaarheid niet wordt betwist, is dan ook ongegrond. Geïntimeerden vorderen veroordeling van appellanten tot hun gerechtskosten à rato van het maximumbedrag maar er worden geen argumenten aangedragen om dit te verantwoorden zodat de gerechtskosten dienen te worden vereffend op het basisbedrag. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, Gelet op de wet van 156 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gelet op het geschreven advies van de heer J.J. André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 27 maart 2008 en de repliek van geïntimeerden neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 11 april 2008; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt derhalve het bestreden vonnis; Recht doende op de uitbreiding van de vordering verklaart deze ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt appellanten tot de kosten van het hoger beroep en vereffenen deze aan de zijde van appellanten op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 5.000 EURO en aan de zijde van geïntimeerde op kosten betekening 164,30 EURO en 108,32 EURO en rechtsplegingsvergoeding hoger beroep herleid tot 5.000 EURO. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op acht mei tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : de heer L. LENAERTS, Raadsheer de heer J. VAN HOLM, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER L. LENAERTS H. SILON J. VAN HOLM PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080508.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div