id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 15 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080515.12 Rolnummer: 45.088 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-10-22 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 17:29 Fiche Het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers opzichtens de onder het gerechtelijk akkoord handelende schuldenaar belet enkel dat er uitvoeringshandelingen zouden worden gesteld die een schending van de rechten van de andere schuldeisers zouden meebrengen; de rechterlijke beslissing over de rechtsvordering om een schuldvordering te doen vaststellen (en een uitvoerbare titel te verlenen) is echter geen beslissing over de tenuitvoerlegging (Arb. Hasselt 14 november 2001 met verwijzing naar Cass. 24 maart
- R.W. 1977-78, 383; Cass. 30 april 1979, R.W. 1979-80, 970 en Cass. 4 februari
- J.T.T. 1981, 50). De schuldeiser behoudt tijdens het gerechtelijk akkoord het recht om nog verder een uitvoerbare titel te bekomen ten laste van de schuldenaar (E. Dirix. Posities van schuldeisers en hun zekerheidsrechten, in H. Braekmans. Dirk en Wijmeersch, Faillissement en gerechtelijk akkoord : het nieuwe recht. Antwerpen, kluwer, 1998, 373). UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Andere Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHREID DER WERKNEMERS ALGEMENE REGELING — bijdrageregeling — betaling van de bijdragen — nastreven van een uitvoerbare titel tijdens gerechtelijk akkoord Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 23 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN MEI TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Sociale Zekerheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak: P. A., appellant, vertegenwoordigd door Mr. A. Sierens, advocaat te 3060 Bertem, Tegen : de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. I. Henderickx loco Mr. P. Pelgrims, advocaat te 3200 Aarschot, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 23 juni 2003; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 9 februari 2004; - de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 17 april 2008, waarna de debatten gesloten werden. FEITEN EN VOORGAANDEN Op 19 juli 2001 dagvaardde de R.S.Z. appellant in verband met de niet betaling van achterstallige sociale zekerheidsbijdragen en aanhorigheden voor een totaal bedrag van 21.671,99 EURO ingevolge de rekeninguittreksels 161, 164, 165 en 305, die betrekking hebben op het eerste kwartaal 2000 (jaarlijks vakantiebijdrage), de periode derde kwartaal 1998 tot en met eerste kwartaal 1999, het vierde kwartaal 2000, het vierde kwartaal 1999 en het eerste kwartaal 2000 (wijziging jaarlijkse vakantiebijdrage. Appellant baatte in eigen naam een bakkerij uit met twee winkels in het Leuvense en hij zou zijn handelsactiviteit thans hebben gestopt en tewerkgesteld zijn bij De Lijn. Appellant had financiële moeilijkheden en vroeg op 9 november 1999 een gerechtelijk akkoord aan bij de Rechtbank van Koophandel te Leuven die deze aanvraag afwees en hem ambtshalve failliet verklaarde bij vonnis van 23 november
- Hiertegen tekende appellant beroep aan en het Hof van Beroep te Brussel heeft bij arrest van 28 juni 2006 het bovenvermelde vonnis vernietigd en het gerechtelijk akkoord toegestaan met een voorlopige opschorting van betaling van zes maanden. Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Leuven van 7 december 2000 werd het herstelplan goedgekeurd en werd de definitieve opschorting toegekend voor een periode eindigend op 30 december 2002; deze periode werd verlegd tot 30 december 2003 bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Leuven van 29 oktober
- In het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank van Leuven van 23 juni 2003 onderzocht de eerste rechter de draagwijdte van de gevolgen van het gerechtelijk akkoord ten aanzien van de vordering van de R.S.Z. en stelde vast dat dit gerechtelijk akkoord niet verhindert dat de R.S.Z. een uitvoerbare titel tracht te bekomen ten laste van de schuldenaar, omdat het gerechtelijk akkoord een gelijkheid van de schuldeiseres op de verdeling van het maat-schappelijk vermogen meebrengt, maar deze gelijkheid heeft enkel betrekking op de uitvoeringshandelingen. Wat betreft de beweerde betaling op het rekeninguit-treksel 164 stelde de eerste rechter dat de heer P. geen afdoende bewijs van betaling voorbracht. Aldus werd de vordering van de R.S.Z. gegrond verklaard. Het vonnis van de Arbeidsrechtbank Leuven van 23 juni 2003 werd betekend op 9 januari 2004 en appellant tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd op 9 februari
- BEOORDELING Partijen houden voor dat het vonnis van de eerste rechter betekend werd op 9 januari 2004, zodat het hoger beroep van 9 februari 2004 tijdig werd ingesteld; de tijdigheid en de ontvankelijkheid van het hoger beroep worden overigens niet betwist. Appellant maakt opmerkingen omtrent de uitvoeringsprocedure die de R.S.Z. lastens hem voert gelet op het feit dat de eerste rechter het vonnis uitvoerbaar verklaarde met betrekking tot het rekeninguittreksel 164 (bijdrage 4de kwartaal 2000). De eerste rechter heeft op goede gronden, die hier worden hernomen, vastgesteld dat appellant geen bewijs van betaling voorbrengt, waaruit zou voortvloeien dat de schuld van het rekeninguittreksel 164 gekweten werd. Het bedrag van 959,77 EURO dat de heer P. betaalde op 22 juni 2001 werd immers in de inleidende dagvaarding van 19 juli 2001 in mindering gebracht op het rekeninguittreksel. Wat betreft de rekeninguittreksels 161, 165 en 305 heeft de eerste rechter op goede gronden vastgesteld dat wel degelijk een uitvoerbare titel kon worden gevraagd tijdens het gerechtelijk akkoord. (vgl. Antwerpen 27 januari 1997, R.W. 1997-1998, pag. 781; Gent 13 maart 1987, R.W. 1986 -1987, pag. 2587 en Arbeidsrechtbank Hasselt 14 november 2001, J.T.T. 2002, 378). Het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers opzichtens de onder het gerechtelijk akkoord handelende schuldenaar belet enkel dat er uitvoeringshandelingen zouden worden gesteld die een schending van de rechten van de andere schuldeisers zouden meebrengen; de rechterlijke beslissing over de rechtsvordering om een schuldvordering te doen vaststellen (en een uitvoerbare titel te verlenen), is echter geen beslissing over de ten uitvoerlegging (zie Arbeidsrechtbank Hasselt 14 november 2001 met verwijzing naar Cass. 24 maart 1977, R.W. 1977-78, 383; Cass. 30 april 1979, R.W. 1979-80, 970 en Cass. 4 februari 1980, J.T.T. 1981, pag. 50). Terecht heeft de eerste rechter dan ook besloten dat de schuldeiser tijdens het gerechtelijk akkoord het recht behoudt om nog verder een uitvoerbare titel te bekomen ten laste van de schuldenaar (met verwijzing naar E. Dirix, Posities van schuldeisers en hun zekerheidsrechten, in H. Braeckmans, Dirix en Wijmeersch, Faillissement en gerechtelijk akkoord: het nieuwe recht, Antwerpen, Kluwer 1998, 373). De rechtsleer die appellant hier tegenover wil stellen (Dursain E. en Demeester K., De toepassing van de wet op het gerechtelijk akkoord: enkele knelpunten in Bijttebier K., De Batselier E., Janssens E., Faillissement en gerechtelijk akkoord herbekeken, Antwerpen Maklu 2004 doet hieraan geen afbreuk, daar deze auteurs pleiten voor een wetgevend optreden en dus enkele beschouwingen geven de lege ferenda. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. Wat betreft de gerechtskosten in hoger beroep kan rekening gehouden worden met de geringe financiële draagkracht van appellant, zodat de rechtsplegingsvergoeding beperkt kan worden tot het minimum bedrag. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen; Veroordeelt appellant tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze begroot als volgt aan de zijde van appellant niet begroot en aan de zijde van geïntimeerde begroot op 2.000 EURO en door het Hof herleid tot 1.000 EURO. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op vijftien mei tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : de heer L. LENAERTS, Raadsheer de heer I. VAN DAMME, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer J.P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER L. LENAERTS J.P. VAN CONINGSLOO I. VAN DAMME PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080515.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.