← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080515.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 15 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080515.4 Rolnummer: 50.198 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-05-29 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 17:29 Fiche De artikelen 49 en 50 van het E.G.-Verdrag die de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verbieden ten aanzien van onderdanen der lidstaten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht, vinden geen toepassing op louter interne aangelegenheden van een lidstaat. Het arrest van het hof van Justitie van 9 november 2006 in de zaak C/433/04 Commissie t/Koninkrijk België heeft enkel betrekking op de bepalingen van de fiscale Belgische wetgeving inzake niet geregistreerde in het buitenland gevestigde aannemers. Wanneer de betwisting een zuiver interne aangelegenheid betreft tussen een Belgische onderneming en een Belgische socialezekerheidsinstelling, zijn de artikelen 49 en 50 van het E.G.-Verdrag niet in het gedrang. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Hoofdelijke aansprakelijkheid Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKENMERS - ALGEMENE REGELING - niet geregistreerd aannemer - strijdigheid van artikel 30 bis van de RSZ-wet met de artikelen 49 en 50 van het E.G.-Verdrag Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 30 bis - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN MEI TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Sociale zekerheid Bijdragen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: B.V.B.A. B.S.I. CONSTRUCT, waarvan de zetel gevestigd is te 1950 Kraainem, J. Van Hoevestraat 54, appellante, vertegenwoordigd door Mr. E. Nieuwdorp, advocaat te 1060 Brussel, Tegen : de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, waarvan de zetel gevestigd is te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. De Kerpel loco Mr. P. Derveaux, advocaat te 1930 Zaventem, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 11 juni 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 30 augustus 2007; - de besluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 13 maart 2008, waarna de debatten gesloten werden. FEITEN EN RECHTSPLEGING Appellante heeft tot 31 december 1997 voor de uitvoering van bouwwerken in verschillende panden beroep gedaan op de SPRL Batiment et Technique die voor de toepassing van artikel 30 bis van de wet van 27 juni 1969 niet geregistreerd was. Deze vennootschap wordt op 7 april 1998 failliet verklaard. Tot en met het 4de kwartaal 1997 bleef de gefailleerde vennootschap aan geïntimeerde verschuldigd : - volgens rekeninguittreksel van 7 april 1998 : 2.897,04 EURO (bijdragen, opslagen en intresten tot 7 april 1998) - waarop in mindering te brengen is een bedrag van 321,74 EURO (betaald op 26 mei 1999) en een bedrag van 482,33 EURO (betaald op 16 augustus 2005, als dividend uit het faillissement) - hetzij een totaal van : 2.092,97 EURO Het totaal bedrag van de facturatie van de gefailleerde vennootschap aan appellante in 1997 beliep anderzijds 1.078.600 BEF of 26.737,80 EURO. Krachtens artikel 30 bis van de wet van 27 juni 1967 acht geïntimeerde appellante hoofdelijk aansprakelijk ten belope van 50 % van de facturatie, dit is 539.300 BEF of 13.368,90 EURO. Aangezien de SPRL Batiment et Technique op heden slechts schuldenaar is van de R.S.Z. tot en met het 4de kwartaal 1997 voor een bedrag van 2.092,97 EURO vordert de R.S.Z. betaling van voornoemd bedrag. Appellante heeft verder nagelaten de bij artikel 30 bis § 3 van de wet van 27 juni 1969 verplichte inhoudingen van 15 % te doen bij de betalingen die werden verricht aan de medecontractant. Bij gebreke van uitvoering van deze inhoudingen is appellante aan geïntimeerde een bijslag verschuldigd gelijk aan het dubbel van de te verrichten inhouding; hetzij 26.737,80 EURO x 15 % x 2 = 8.021,34 EURO. Geïntimeerde vordert van appellante een totaal bedrag van 2.092,97 EURO + 8.021,34 EURO = 10.114,31 EURO Appellante werd tevergeefs aangemaand tot betaling over te gaan bij brieven van 6 april 1999 en 28 juni

  1. Op 27 oktober 1999 ging de R.S.Z. tot dagvaarding over van appellante in betaling van bovenvermeld bedrag van 10.114,31 EURO. Appellante riep vijf argumenten in om de vordering van de R.S.Z. te betwisten met name :
  2. ze is te goeder trouw en er is in haren hoofde onoverwinnelijke dwaling
  3. de regeling, zoals vervat in artikel 30 bis van de wet van 27 juni 1969 is discriminatoir gelet op artikel 10 en 11 van de Grondwet
  4. het 4de kwartaal 1997 is verjaard
  5. artikel 30 bis van de wet van 27 juni 1969 kan enkel toegepast worden op facturen voor effectief uitgevoerde werken
  6. gelet op de hoofdelijkheid dient de schuld te worden verdeeld over andere aannemers die mogelijk ook gehouden zijn. De eerste rechter weerlegde al deze argumenten, als volgt :
  7. er is geen onoverwinnelijke dwaling, want een opdrachtgever beschikt over gemakkelijk te consulteren verificatiemiddelen
  8. de ingeroepen discriminatie werd reeds voorgelegd aan het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) die de grondwettelijkheid van artikel 30 bis bevestigde en de B.V.B.A. toont niet aan dat de werken betrekking hadden op een individuele woongelegenheid
  9. de verjaring werd geschorst omwille van de faillissementsprocedure van de SPRL Batiment et Technique tijdens de periode tussen de aangifte van schuldvordering en het afsluiten van het faillissement
  10. de voorschot facturen hadden eveneens betrekking op reeds uitgevoerde werken
  11. ingevolge de hoofdelijkheid kan de R.S.Z. kiezen welke hoofdelijke schuldenaar hij uitkiest om betaling te eisen. De eerste rechter verklaarde de vordering ingesteld door de R.S.Z. dan ook gegrond. Bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 30 augustus 2007 tekende de B.V.B.A beroep aan tegen dit vonnis. Beoordeling Het beroep ingesteld tegen te tegensprekelijk vonnis van de 8ste kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 11 juni 2007, met verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof te Brussel op 30 augustus 2007, is tijdig en regelmatig naar vorm. Het beroep is ontvankelijk. De eerste rechter heeft accuraat en correct de argumenten van de B.V.B.A. beantwoord en het Hof beschouwt deze argumentatie als zijnde hier hernomen. In het verzoekschrift tot hoger beroep kondigt appellante aan dat zij haar beroepsargumenten in de loop van de procedure nader zou aanvullen en preciseren, doch ze beperkte zich tot het neerleggen van een verzoekschrift tot hoger beroep waarin melding gemaakt wordt van het feit dat artikel 30 bis van de R.S.Z.-wet discriminatoir zou zijn en dat er in hoofde van de B.V.B.A. nog een situatie van onoverwinnelijke dwaling zou bestaan hebben. Het verzoekschrift gaat wel dieper in op een mogelijke strijdigheid van artikel 30 bis met het Europees Gemeenschapsrecht. Schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie. Appellante die voorhoudt dat het gelijkheidsbeginsel zou geschonden zijn, laat na aan te geven waarin de artikelen 10 en 11 van de Grondwet precies zouden geschonden zijn door artikel 30 bis van de R.S.Z.-wet. Het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) gaf anderzijds in het verleden reeds te kennen dat artikel 30 bis § 1, lid 1,van de R.S.Z.-wet in de versie vóór de wijziging bij K.B. van 26 december 1998, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt(Arbitragehof 126/2002, 10 juli 2002, Arbitragehof 46/2002, 13 maart 2002, Arbitragehof 188/2002, 19 december 2002). Appellante kan dan ook niet bijgetreden worden. Onoverwinnelijke dwaling Appellante verduidelijkt niet in welk opzicht zij het slachtoffer zou geweest zijn van onoverwinnelijke dwaling. Nergens blijkt uit dat appellante niet in de gelegenheid zou geweest zijn te verifiëren of de aannemer waarop zij beroep deed, geregistreerd of nog geregistreerd was. Appellante kan niet gevolgd worden. Strijdigheid met het gemeenschapsrecht. Appellante houdt voor dat artikel 30 bis strijdig zou zijn met de artikelen 49 en 50 van het E.E.G.-verdrag en zij leidt dit af uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 2006 in de zaak C/433/04 Commissie tegen Koninkrijk België. Artikel 49 en 50 van het E.E.G.-verdrag luiden als volgt : " Artikel 49 In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de gemeenschap zijn gevestigd. Artikel 50 In de zin van dit Verdrag worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voorzover de bepalingen, betreffende het vrij verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn. De diensten omvatten met name werkzaamheden : a) van industriële aard, b) van commerciële aard, c) van het ambacht, d) van de vrije beroepen. Onverminderd de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt". Het arrest van het Hof van Justitie , waarnaar appellante verwijst, heeft betrekking op de fiscale bepalingen in zake niet geregistreerde in het buitenland gevestigde aannemers. De Commissie, die de procedure inleidde heeft deze beperkt tot de fiscale bepalingen en heeft deze niet uitgebreid tot artikel 30 bis van de R.S.Z.-wet, zodat appellante te snel de zaken wil voorstellen alsof de regelingen identiek zijn. Zoals volgt uit de overwegingen 36, 37,38,42 van het arrest is de draagwijdte ervan beperkt tot opdrachtgevers en aannemers die een beroep doen op niet in België geregistreerde buitenlandse aannemers. Juist op dit punt voorziet artikel 30 bis in een uitzondering in § 4, 4° : "Wanneer de niet geregistreerde aannemer een niet in België gevestigde werkgever is, die geen sociale schulden in België heeft, en waarvan alle werknemers in het bezit zijn van een geldig detacheringsbewijs, zijn de inhoudingen bedoeld in het eerste en het tweede lid niet van toepassing". Gelet op deze uitzondering begrijpt men dat de Europese Commissie haar vordering beperkte tot de fiscale wetgeving en deze niet uitbreidde tot artikel 30 bis, zodat appellante te snel het arrest van 9 november 2006 in deze zaak wil inroepen. Bovendien zijn de artikelen 49 en 50 van het E.E.G.-verdrag niet van toepassing op louter interne aangelegenheden van een lidstaat, daar artikel 49 uitdrukkelijk verwijst naar " onderdanen der lidstaten die in een ander land van de gemeenschap zijn gevestigd". Het non-discriminatiebeginsel dat uitgedrukt wordt in artikel 49, 1ste alinea, en artikel 50, 3de alinea van het E.G.-Verdrag heeft rechtstreekse werking doch enkel voor zover deze bepalingen strekken tot opheffing van alle discriminaties ten opzicht van degenen die diensten verricht, op grond van nationaliteit of de omstandigheid dat hij woont in een lidstaat dan die waar de dienst moet worden verricht (vgl. K. Lenaerts en P. Van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, Maklu, 2003, blz. 237, nr. 223). Activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in één enkele lidstaat afspelen zijn bijgevolg niet onderworpen aan de Verdragsbepalingen inzake het vrije dienstenverkeer (H.V.J., 16 februari 1995, Aubertin e.c., C-29 tot C.- 35/94, 1995, I-301, r.o.9). Aangezien de voorliggende betwisting een zuiver interne aangelegenheid betreft tussen een Belgische onderneming en een Belgische sociale zekerheidsinstelling en er aldus bezwaarlijk kan voorgehouden worden dat de artikelen 49 en 50 van het E.G..-Verdrag in het gedrang zouden zijn, is het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie, zoals gesuggereerd door appellante, niet aangewezen. In casu heeft een Belgisch bedrijf, met name appellante, beroep gedaan op een in België gevestigde niet geregistreerde aannemer, zodat artikel 49 en 50 van het E.E.G.-Verdrag niet spelen (vgl. met overweging 33 van het arrest van het Hof van Justitie van 1 april 2008 in zaak C-212/06 in zake de Vlaamse zorgverzekering). Ten onrechte roept appellante dan ook een mogelijke strijdigheid in ten aanzien van het Europees Gemeenschapsrecht en er bestaat geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gelet op het eensluidend geschreven advies van de heer André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 20 maart 2008, waarna appellante liet weten geen repliek te zullen voeren. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen, Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, deze begroot aan de zijde van geïntimeerde op 297,45 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op vijftien mei tweeduizend en acht. Waar aanwezig waren : de heer L. LENAERTS, Raadsheer de heer J. VAN HOLM, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer D. REGA, Raadsheer in Sociale zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER L. LENAERTS D. REGA J. VAN HOLM PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080515.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.