id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 16 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080516.5 Rolnummer: 50.014 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-06-02 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-07-03 11:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Daar niet blijkt dat het bedrag van 250 EUR beantwoordt aan kosten die door de werkgever moeten worden gedragen, maakt het een voordeel uit dat in de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding moet worden opgenomen. De werkgever kan niet weerleggen dat alle uitgaven door hem werden betaald, o.m. via de betaalkaarten die ter beschikking werden gesteld. De behandeling pro fisco van de onkostenvergoeding is niet determinerend. Bij de waardering van het voordeel van de firmawagen (Renault Espace), dient de besparing voor de werknemer in aanmerking genomen te worden. Een bedrag van 400 EUR per maand, dat het gebruik van de tankkaart omvat, is passend. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Opzeggingsvergoeding - Berekeningsbasis - Forfaitaire kostenvergoeding - Privégebruik wagen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
- Een ander gedeelte van de korte inhoud is gerangschikt onder VII G art. 9 (K.B. van 30/03/1969), art.
- Gepubliceerd in JTT 2008, p.
- Fiche 2 Het loon dat niet onderworpen is aan sociale zekerheidsbijdragen komt niet in aanmerking voor de berekening van het vakantiegeld, noch tijdens, noch bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De patronale bijdrage in de groepsverzekering en in de hospitalisatieverezekering noch het voordeel van het privégebruik van de firma wagen komen in aanmerking voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Jaarlijkse vakantie - Vakantiegeld Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - JAARLIJKSE VAKANTIE - Vakantiegeld - Bedienden - Berekeningsbasis - Toepassing. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 9 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Koninklijk Besluit - 30-03-1969 - 38 - ** Link Justel databank 19690330-** Nota: Gerangschikt onder VII G art. 9 (K.B. van 30/03/1969), art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art.
- Gepubliceerd in JTT 2008, p.
- Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux du travail - - 2008(332-334) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 MEI
- 3 DE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + heropening der debatten In de zaak: Mevrouw H.V.D.S. , wonende te [xxx], Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Van Dael loco Mter R. Swennen, advocaat te 1731 Zellik; Tegen : DE V.Z.W. FEDERAUTO, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1140 Brussel, Jules Bordetlaan, 164, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Dreesen loco Mter J. Hofkens, advocaat te 1000 Brussel; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, meer bepaald op: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (12de Kamer) op 25 mei 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 4 juli 2007; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie, respectievelijk op 31 oktober 2007 en 4 februari 2008; - de besluiten voor appellante neergelegd ter griffie op 3 januari 2008; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 3 april 2008; - de bundel met stukken neergelegd door appellante partij ter griffie op 11 april 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 18 april 2008, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I.RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING. Mevrouw H.V.D.S. trad op 1-1-1989 als algemeen secretaris in dienst bij de Belgische Federatie der Rijtuigmakerij en bijhorende ambachten, (FEBELCAR). Op 26-2-1994 werd de V.Z.W. FEDERAUTO opgericht waarvan de volledige benaming luidde: Belgische Confederatie van de Autohandel en Reparatie van de Aanverwante sectoren. Daarin waren 16 groeperingen vertegenwoordigd behorend tot verschillende sectoren , genaamd Auto, Onderdelen-Uitrusting, Land- en Tuinbouw, Tweewielers en burgerlijke Bouwkunde en Goederenbehandeling. FEBELCAR was één van die groeperingen.Elke groepering behield zijn autonomie. Bij haar oprichting nam FEDERAUTO het personeelsbestand over van de federaties die aan de basis lagen van haar ontstaan en o.m. dit van FEBELCAR. Mevrouw H.V.D.S. kwam op die manier in dienst bij FEDERAUTO. Zij cumuleerde vanaf dan de functie van directeur bij FEBELCAR en deze van directeur, Quality Manager bij FEDERAUTO. Haar taak als Quality Manager bestond in -het coördineren en opvolgen van de interne procedures, -het opstellen van een kwaliteitshandboek voor het behalen van een ISO 9001 certificaat, -het standaardiseren en archiveren van documenten, -het opstellen en updaten van interne procedures voor elk departement, -het opstellen en updaten van het kwaliteitshandboek Federauto, -de standaardisatie van informatiestromen en de invoering en update van een geinformatiseerd archiveringsstysteem, -interne auditeur ISO
- Als groepsanimator bij FEBELCAR vertegenwoordigde en animeerde zij die groepering binnen FEDERAUTO. Zij had als taak: -de dagelijkse opvolging van de activiteiten van de groepering, -het animeren van vergaderingen: het vastleggen van de agenda, de logistiek, het opmaken van de verslagen, -het oprichten en leiden van commissies en werkgroepen over specifieke onderwerpen, -de belangen van de groepering verdedigen t.o.v. verschillende betrokken instanties, lobbying, -het samenwerken met de studiedienst voor het opzoeken van informatie, het opmaken van studies of dossiers over specifieke problemen, -de verslaggeving over de activiteiten van de groepering aan de organen van Federauto, -te zorgen voor de naleving van alle wettelijke en statutaire aangelegenheden Zij fungeerde als aanspreekpunt en bemiddelaar voor beide organisaties. Het uitvoerend Comité van FEDERAUTO besliste tijdens de buitengewone vergadering van 15-6-2006 met éénparigheid van stemmen van de stemgerechtigde leden en in aanwezigheid van de heer Guy Laenen, voorzitter van FEBELCAR Mevrouw H.V.D.S. te ontslaan met onmiddellijke ingang. Het proces-verbaal vermeldde als reden voor het ontslag: "Sinds geruime tijd trachten wij de relatie tussen Febelcar en Federauto te verbeteren en moeten wij tot het besluit komen dat deze toenadering wordt tegengewerkt door de directeur van Felbelcar mevrouw H.V.D.S. " Bij aangetekende brief van dezelfde dag werd het ontslag aangezegd aan Mevrouw H.V.D.S. en werd zij uitgenodigd om contact op te nemen met de raadsman van FEDERAUTO om in gezamenlijk overleg het bedrag van de opzeggingsvergoeding te bepalen. Op 19-6-2006 kwam de Raad van bestuur van FEBELCAR samen en " herstelde " zijn vertrouwen in mevrouw H.V.D.S. en herbevestigde haar in haar functie van directeur van FEBELCAR. Met een brief van 26-6-2006 stelde FEDERAUTO de heer Schets voor als nieuwe directeur van FEBELCAR. FEDERAUTO verwees daarbij naar artikel 23 van de statuten waarin was voorgeschreven dat de directeur van FEBELCAR een personeelslid van FEDERAUTO moest zijn zodat het ontslag van Mevrouw H.V.D.S. onmiskenbaar gevolgen had voor FEBELCAR. FEBELCAR ging niet in op het voorstel van FEDERAUTO en op 18-7-2006 besliste zijn Raad van Bestuur om zich van FEDERAUTO af te scheuren en onafhankelijk te worden. De beslissing werd door de Algemene Vergadering bekrachtigd op 22-8-
- Partijen bereikten geen akkoord over het bedrag van de opzeggingsvergoeding van Mevrouw H.V.D.S. zodat deze bij dagvaarding van 7-9-2006 een geding aanspande voor de Arbeidsrechtank. Zij vorderde de veroordeling van de V.Z.W. FEDERAUTO tot betaling van volgende bedragen: - 193.322,52 euro ten titel van verbrekingsvergoeding, - 25.000,00 euro ten titel van schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, - 10.000,00 euro ten titel van schadevergoeding wegens niet-betaling van de vakantiegelden op de contractueel toegestane voordelen, - 5.000,00 euro ten titel van schadevergoeding voor kosten gedragen voor de tussenkomst van een raadsman. en tevens tot betaling van de wettelijke en de gerechtelijke intresten op voormelde bedragen en tot de verbetering van de motivering van het formulier C-4 en eveneens tot de afgifte van alle wettelijk voorziene sociale en fiscale bescheiden m.b.t. de voormelde bedragen en bij gebreke van deze afgifte, haar te veroordelen tot het betalen van een vervangende schadevergoeding van 25 euro per dag vertraging en per ontbrekend document en tevens geïntimeerde te veroordelen tot alle kosten van het geding, waarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding. Op 18-9-2006 ging FEDERAUTO over tot betaling van een opzeggingsvergoeding waarvan het nettobedrag 80.298 Euro bedroeg. Op 16-2-2007 stortte FEDERAUTO nog een bijkomend bedrag van 7.634,10 Euro netto. FEDERAUTO betaalde onmiddellijk na het ontslag ook het loon voor de maand juli 2006 uit, het vakantiegeld einde dienstbetrekking en de pro rata 13de maand. Met het bestreden vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond: Zij veroordeelde de V.Z.W. FEDERAUTO tot betaling aan Mevrouw H.V.D.S. -van een bedrag van 10.663,26 Euro als aanvullende opzeggingsvergoeding en de wettelijke en gerechtelijke intresten op het daarmee overeenstemmende nettobedrag -van een bedrag van 1.432,16 Euro als intrest op de reeds betaalde opzeggingsvergoeding en legde de kosten van het geding ten laste van FEDERAUTO. II. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP Mevrouw H.V.D.S. is het niet eens met de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Zij verzoekt het Hof haar oorspronkelijke vordering volledig in te willigen De V.Z.W. FEDERAUTO stelde bij conclusie incidenteel hoger beroep in. Zij vordert dat het Hof het bestreden vonnis zou vernietigen en de vorderingen van Mevrouw H.V.D.S. ontvankelijk doch ongegrond zou verklaren In ondergeschikte orde verzoekt zij het Hof het vonnis te bevestigen wat de termijn betreft waarop de opzegvergoeding moet worden berekend doch het te verbeteren wat de berekening van de aanvullende opzegvergoeding betreft en deze te beperken tot een bedrag van 3.029, 15 Euro bruto, het vonnis te bevestigen wat de overige vorderingen betreft en wat de intresten betreft, het K.B. van 3-7-2005 buiten beschouwing te laten in toepassing van artikel 159 Grondwet en te zeggen dat de intresten berekend moeten worden op de verschuldigde nettobedragen; Het bestreden vonnis te hervormen wat de begroting van de intresten op de reeds betaalde opzegvergoeding betreft en het bedrag ervan te herleiden tot 767,41 Euro. In uiterst ondergeschikte orde verzoekt zij dat de veroordeling zou worden beperkt tot een aanvullende opzeggingsvergoeding van 63.670 Euro maximum, het bestreden vonnis te hervormen wat de begroting van de intresten op de reeds betaalde opzegvergoeding betreft en het bedrag ervan te herleiden tot 767,41 Euro, het vonnis te bevestigen wat de overige vorderingen betreft en mevrouw H.V.D.S. te veroordelen tot de kosten van het geding. III. BEOORDELING. 1.Ontvankelijkheid. Nu geen betekeningsakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep. 2.Ten gronde. De opzeggingsvergoeding De betwisting tussen partijen betreft zowel de termijn waarmee de vergoeding dient overeen te stemmen als het in aanmerking te nemen loon. - Het basisloon. Er is betwisting met betrekking tot de opname daarin van volgende posten: -de forfaitaire onkostenvergoeding t.b.v. 250 Euro per maand. De vennootschap stelt dat deze vergoeding een aantal kosten dekte verbonden aan de representatieve functie van Mevrouw H.V.D.S.. Mevrouw H.V.D.S. meent dat het om loon gaat daar al haar kosten werden terugbetaald door de vennootschap. Het Hof neemt aan dat bepaalde kosten en uitgaven die verband houden met de beroepsuitoefening en waarvoor het voorleggen van rechtvaardigingsstukken moeilijk of omslachtig is op forfaitaire wijze kunnen worden vergoed, doch meent dat er in voorliggend geschil geen reden toe is het forfaitair maandelijks uitbetaald bedrag van 250 Euro als kosten te aanvaarden die normaal ten laste zijn van de werkgever. Uit geen enkel stuk blijkt immers welke kosten deze "vergoeding" geacht werd te dekken. Verder blijkt dat Mevrouw H.V.D.S. de beschikking had over een firmawagen waarvan alle kosten door de werkgever werden vergoed. Mevrouw H.V.D.S. beweert dat al haar andere uitgaven door de werkgever werden betaald o.m. via de betaalkaarten die haar ter beschikking werden gesteld. Dit wordt door de vennootschap niet op afdoende wijze weerlegd. De omstandigheid dat Mevrouw H.V.D.S. pro fisco steeds aanvaard heeft dat het een onkostenvergoeding betrof, acht het Hof niet beslissend. Het Hof van Cassatie oordeelde reeds meermaals dat artikel 39 W.A.O. waarin bepaald wordt dat de opzeggingsvergoeding wordt berekend op het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst een dwingende bepaling is waarvan niet mag worden afgeweken in het nadeel van de werknemer (Cassatie, 4.1.1993, J.T.T. 1993, 329; Cassatie, 29.1.1996, J.T.T. 1996, 188). Wanneer derhalve niet blijkt dat het bedrag beantwoordt aan werkelijke kosten die door de werkgever moeten worden gedragen, maakt het een voordeel uit dat in de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding moet worden opgenomen. De vennootschap kan de niet ingehouden bedrijfsvoorheffing niet terugvorderen van mevrouw H.V.D.S.. De verplichting de bedrijfsvoorheffing in te houden rust op de werkgever (artikel 272 W.I.B.). Het niet-inhouden van de bedrijfsvoorheffing heeft voor gevolg dat het voordeel van de werknemer groter is. Het Hof acht niet bewezen dat de forfaitaire maandelijkse betaling kosten betrof in verband met de beroepsuitoefening die normaal ten laste waren van de werkgever, zodat het uitbetaalde bedrag als een tegenprestatie van de in het raam van de arbeidsovereenkomst uitgevoerde prestaties en derhalve als loon moet worden beschouwd. -waarde privé- gebruik bedrijfswagen. Mevrouw H.V.D.S. kreeg de beschikking over een wagen Renault Espace met tankkaart. Mevrouw H.V.D.S. raamt dit voordeel op respectievelijk 450 Euro en 150 Euro per maand, terwijl de vennootschap een bedrag van 147,58 Euro per maand als vermeld op de loonfiche redelijk acht aangezien zowel partijen als de fiscus dit bedrag hebben aanvaard. Het Hof wijst erop dat bij de waardering van het voordeel de besparing voor de werknemer in aanmerking dient genomen te worden en acht het door de Arbeidsrechtbank weerhouden bedrag van 400 Euro per maand, met inbegrip van het gebruik van de tankkaart passend. -tussenkomst privé telefoon en GSM. Mevrouw H.V.D.S. beweert van dit voordeel te hebben genoten doch begroot dit voordeel niet. De vennootschap acht niet bewezen dat zij ook voor privé-doeleinden van de GSM gebruik maakte. In die omstandigheden meent het Hof hiermee geen rekening te kunnen houden. Het jaarloon bedroeg bijgevolg: - Basisjaarloon : 5.768,70 euro x 13,92 80.300,30 euro - Privé-gebruik bedrijfswagen : 400.00 euro x 12 = 4.800,00 euro - Maaltijdcheques : 4,46 euro x 230 = 1.025,80 euro - Groepsverzekering : 402,93 euro x 12 = 4.835,16 euro - Forfaitaire kostenvergoeding : 250 Euro X 12 = 3.000,00 euro Totaal jaarloon : 93.961,26 euro - De termijn waarmee de vergoeding dient overeen te stemmen. Krachtens artikel 39 W.A.O. dient de opzeggingsvergoeding te worden berekend overeenkomstig de opzegtermijn die had dienen in acht genomen te worden. Volgens artikel 82§3 W.A.O. wordt de opzeggingstermijn van de bedienden wier loon het in die bepaling vermelde grensbedrag overschrijdt bij gebreke aan een overeenkomst tussen partijen bepaald door de rechter. Deze is gehouden door de bepaling van artikel 82§2 dat de door de werkgever te geven opzeggingstermijn niet korter mag zijn dan de in §2, eerste en tweede lid bepaalde termijnen die gelden voor de bedienden waarvan het loon onder het daarin bepaalde grensbedrag ligt. De rechter bepaalt de in acht te nemen opzeggingstermijn voor het overige soeverein( Cass.,19-6-‘77, R.W. ‘76-‘77, 1831). Artikel 82§ 4 vermeldt nog dat de opzeggingstermijnen moeten berekend worden volgens de verworven anciënniteit op het ogenblik dat de opzegging ingaat. Uit de samenlezing van die bepaling en deze van artikel 82§2 kan worden opgemaakt dat de wetgever zowel het loon als de anciënniteit belangrijke criteria achtte ter bepaling van de opzeggingstermijn of de daarmee overeenstemmende vergoeding. Dit wordt bevestigd door de voorbereidende werken waaruit blijkt dat men via het criterium anciënniteit de trouw van de bediende aan de werkgever wilde belonen (concl. adv.gen. Lenaerts voor Cass., 10-1-1983, R.W. ‘82-‘83, 2065). De rechtspraak vulde de criteria voor de vaststelling van de opzeggingstermijn verder in. Overeenkomstig een vaststaande cassatierechtspraak die algemeen wordt gevolgd, wordt de opzeggingstermijn of de met die periode overeenstemmende vergoeding vastgesteld met inachtneming van de op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging of van de afdanking zonder opzegging bestaande kans voor de bediende om spoedig een gelijkwaardige en passende betrekking te vinden, rekening houdend met zijn leeftijd, zijn anciënniteit, het belang van zijn functie en het bedrag van zijn loon, volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 3-2-1986, J.T.T. 1987,58; Cass., 4-2-1991, R.W. ‘90-‘91, 1407) . In een arrest van 6-11-1989 heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt dat met gegevens eigen aan de zaak werd bedoeld die gegevens die van invloed konden zijn op de mogelijkheid voor de werknemer om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden (Pas.1990, I,283) In een later arrest van 3-2-2003 heeft het Hof van Cassatie dit nogmaals onderlijnd (Cass., 3-2-2003, nr S020090N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10). Er mag dan ook geen rekening worden gehouden met tekortkomingen van de bediende (Cass., 22-6-1977, Pas. 1977, I, 1078; A.H. Luik, 16-9-2005, J.T.T. 2006, 46.) Deze hebben immers geen invloed op zijn kansen op hertewerkstelling. Evenmin mag rekening worden gehouden met omstandigheden die zich na het ontslag voordoen (Cass., 6-9-‘82, Pas. ‘83, I, 12, J.T.T. ‘83, p. 94l). De opzeggingstermijn of de opzeggingsvergoeding wordt immers op forfaitaire wijze bepaald op het ogenblik van het ontslag. In een arrest van 19-5-1994, heeft het Hof van Cassatie aangegeven dat de rechter daarbij rekening kan houden met het belang van beide partijen (Cass., 19-5-1994, Soc.Kron.'94, 233 noot, ook reeds Cass., 19-6-‘77, R.W. ‘76-‘77,1831). Het arrest van ‘77 had betrekking op een door de werknemer gegeven opzegging. Het Hof meent dat derhalve geen rekening kan worden gehouden met de vermeende "deloyale houding" van Mevrouw H.V.D.S. die FEDERAUTO als reden van het ontslag aanvoert, noch met haar herstel in functie door FEBELCAR kort na het ontslag. Rekening houdend met de in aanmerking te nemen criteria: de leeftijd van mevrouw H.V.D.S. (geboren op 10 oktober 1959,haar anciënniteit van 17 jaar en 6 maanden, haar jaarloon, zoals hierboven bepaald en haar functie, acht het Hof een opzeggingstermijn van 18 maanden passend. Het Hof is van oordeel dat de door Mevrouw H.V.D.S. uitgeoefende functie een brede waaier aan mogelijkheden biedt op de arbeidsmarkt. De verschuldigde opzeggingsvergoeding bedraagt bijgevolg: 93.961,26 euro x 18 : 12 = 140.941,88 euro . Daarop dienen volgende bedragen in mindering te worden gebracht: -80.298 Euro, betaald op 18-9-2006 -7.634,10 Euro, betaald op 16-2-2007 Het saldo bedraagt bijgevolg : 53.009,78 euro . Mevrouw H.V.D.S. heeft derhalve nog recht op een saldo opzeggingsvergoeding gelijk aan: 53.009,78 euro . De vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht - algemene overwegingen. Het recht voor beide partijen om éénzijdig een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur mits naleving van de wettelijke bepalingen inzake opzegging is een wezenlijk kenmerk van het arbeidsrecht, zoals kan worden afgeleid uit artikel 7 van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 (W.A.O.) en raakt volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie zelfs de openbare orde (Cassatie, 30 september 1991, R.W. '91-'92, 777; Cassatie, 31 oktober 1975, A.C. '76, 287). De uitoefening van het ontslagrecht is begrensd door het algemeen rechtsbeginsel dat verbod inhoudt van rechtsmisbruik en in het overeenkomstenrecht aan het beginsel dat de overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, vervat in artikel 1134 Burgerlijk Wetboek dat de partijen een matigingsplicht oplegt in de uitoefening van de uit hun overeenkomst voortvloeiende rechten (zie o.m. Cassatie, 18 juni 1987, J.T. 1988, 8; Cassatie, 30 november 1989, A.C. '89-'90, 442; Cassatie, 30 januari 1992, A.C. '91-92, 497, Cassatie, 20 februari 1992, J.T. '92, 454). Het Hof van Cassatie omschreef het rechtsmisbruik als het gebruik van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van een normale uitoefening van dit recht door een normaal bedachtzaam en voorzichtig persoon (zie Cassatie, 10 september 1971, R.W. '71-'72, 321 conclusies Procureur-generaal Ganshof Van Der Meersch; Cassatie, 16 december 1982, Pas. 1983, I, 332; Cassatie, 10 maart 1983, A.C. '82-'83, 847; Cassatie, 16 januari 1986, J.T. '86, 404; Cassatie, 20 november 1987, A.C. '87-'88, 359). Bij de beoordeling zal de rechter rekening houden met de concrete elementen eigen aan de zaak (Cassatie, 30 januari 1992, A.C. '91-'92, 497). Dat rechtsmisbruik een foutieve uitoefening van het recht veronderstelt, brengt met zich mee dat de titularis van dat recht over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt bij de uitoefening ervan en dat de rechter slechts een marginale controle uitoefent (D. Cuypers, Misbruik van ontslag en willekeurig ontslag, Die Keure, vol. 2, p. 517). Het bestaan van schade is op zichzelf onvoldoende om tot rechtsmisbruik te besluiten. Zij is immers inherent aan de verbreking van de overeenkomst en wordt op forfaitaire wijze vergoed door de opzeggingsvergoeding. De wet legt de ontslaggevende partij niet op het ontslag te motiveren. De werknemer die rechtsmisbruik inroept, dient het bewijs te leveren zowel van het beweerde misbruik als van de schade die hij hierdoor heeft geleden en die niet adequaat werd vergoed door de opzeggingsvergoeding. - toepassing op voorliggend geschil. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de samenwerking tussen FEBELCAR en FEDERAUTO moeilijk verliep en dat er binnen FEBELCAR ongenoegen heerste over beslissingen van FEDERAUTO i.v.m. de regionale werking en die na het ontslag van Mevrouw H.V.D.S. zelfs leidden tot een afscheuring van FEBELCAR. Zo maakt het verslag van de Algemene Vergadering van 22-8-2006 melding van een verschil in visie en prioriteiten. Febelcar zou prioriteit verlenen aan de belangen van zijn leden terwijl bij Federauto eerder het imago en de structuur van de financiën prioritair zou zijn. Het ontslag van Mevrouw H.V.D.S. leidde finaal tot de vertrouwensbreuk daar er geen voorafgaande raadpleging gebeurde van de Raad van Bestuur van Febelcar. In het verslag van Luc Schets van 12-6-2006 stelt deze vast dat Mevrouw H.V.D.S. in het jaarverslag de regionale werking van Federauto bekritiseert en hem vroeg de logo's van Federauto te verwijderen uit de presentatie van de Nationale Dag. Zij zou hem bovendien als lid van het management geen passende plaats hebben voorbehouden tijdens het diner op zaterdagavond hetgeen hij als een gebrek aan respect aanzag en een oplossing voor regionale samenhorigheid uitermate moeilijk maakte. Nu Mevrouw H.V.D.S. zowel de belangen van FEBELCAR moest verdedigen als deze van FEDERAUTO was haar positie daardoor zeer moeilijk. De moeilijkheden waren inherent aan de door partijen opgezette constructie waarbij FEDERAUTO een aantal groeperingen overkoepelde en hun belangen verdedigde en bij haar ontstaan het personeel overnam van die groeperingen die een eigen autonomie behielden en wier belangen niet altijd overeenstemden met deze van de ander groeperingen. Volgens de statuten van Febelcar diende de Raad van Bestuur in overleg met de directeur generaal van Federauto een directeur te benoemen waarvan hij de bevoegdheden, taken en vergoeding zou vaststellen en mocht deze slechts vervangen worden mits akkoord van de Raad van Bestuur. In die context is het begrijpelijk dat FEDERAUTO het niet langer wenselijk achtte dat Mevrouw H.V.D.S. bij de vereniging de directiefunctie bleef bekleden waarbij zij diende te handelen in overeenstemming met de principes, normen en waarden van de confederatie, zodat Federauto geen misbruik van ontslagrecht kan worden verweten. Dat Mevrouw H.V.D.S. nog kort voordien felicitaties had gekregen i.v.m. haar accuraat optreden dat bijdroeg tot het welslagen op de op 13-6-2006 ingerichte dag is daarmee niet in tegenspraak. Dat FEDERAUTO daarbij geen opzeggingstermijn in acht nam, geeft overeenkomstig artikel 39 W.A.O. enkel aanleiding tot betaling van een opzeggingsvergoeding. Dat alle leden van FEDERAUTO op de hoogte werden gebracht van de beslissing kan evenmin als een uiting van misbruik worden gezien. Het Hof deelt de zienswijze van de Arbeidsrechtbank dat geen bijzondere fout vanwege FEDERAUTO wordt aangetoond bij het ontslag , noch dat Mevrouw H.V.D.S. een bijzondere schade zou hebben geleden die niet reeds vergoed wordt door de opzeggingsvergoeding. De vordering is op dit onderdeel derhalve ongegrond. Schadevergoeding voor kosten raadsman. De wet van 21-4-2007 en haar uitvoeringsbesluit van 26-10-2007 verhoogde op substantiële wijze de rechtsplegingsvergoeding om op forfaitaire wijze ook de erelonen en kosten verbonden aan de tussenkomst van een advocaat te dekken. Partijen kunnen vanaf 1-1-2008, datum vanaf dewelke die wet van toepassing is niet meer worden aangesproken tot vergoeding van advocatenkosten boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Wat de voorafgaande periode betreft meent het Hof dat Mevrouw H.V.D.S. evenmin aanspraak kan maken op een vergoeding voor tussenkomst van haar raadsman, nu de vordering, in de mate ze gegrond is slechts betrekking heeft op de opzeggingsvergoeding die op forfaitaire wijze zowel de materiële als de morele schade dekt die uit het ontslag voortvloeit en deze volgens artikel 82§3 van de wet door de rechter wordt vastgesteld indien partijen daarover geen overeenstemming bereiken hetgeen geen ruimte laat voor een schadevergoeding naast de opzeggingsvergoeding. De intresten. De vennootschap stelt - in hoofdorde- geen intresten verschuldigd te zijn. Ze wijst erop dat er onderhandelingen aan de gang waren tussen partijen met betrekking tot de te betalen vergoeding, hetgeen verklaart dat deze niet onmiddellijk werd betaald, doch dat de betaling in ieder geval vrij snel gebeurde en wel reeds in september
- De opzeggingsvergoeding is verschuldigd op het ogenblik dat de overeenkomst een einde neemt. De onderhandelingen tussen partijen vormden in ieder geval geen beletsel voor de betaling van hetgeen de vennootschap verschuldigd achtte. In ieder geval was de bij artikel 82§2 W.A.O. voorziene minimumopzeggingsvergoeding verschuldigd. Het Hof is derhalve van oordeel dat de wettelijke intresten verschuldigd zijn op het na de beëindiging van de overeenkomst betaalde bedrag. Wel treedt het Hof de in ondergeschikte orde door de vennootschap voorgehouden stelling bij dat de intresten slechts verschuldigd zijn op de netto verschuldigde bedragen. Mevrouw H.V.D.S. vordert intresten op de bruto verschuldigde vergoedingen op basis van de wet van 26-6-2002 op de sluiting van de ondernemingen en op het K.B. van 3-7-2007, waarbij uitvoering wordt gegeven aan art. 81 en 82 van die wet met betrekking tot de intresten. Dat K.B. bepaalt niet enkel de datum van inwerkingtreding van de wet doch stelt eveneens dat de intresten op de brutoloonbedragen slechts verschuldigd zijn voor de lonen verschuldigd vanaf 1-7-05, waarmee het K.B. ingreep op de werking van de wet in de tijd. Daartoe was kennelijk geen bevoegdheid verleend aan de Koning. Het K.B. heeft een reglementair karakter, zodat overeenkomstig artikel 3§ 1n 1° van de Raad van State wet van 12-1-1973, het ontwerp vooraf voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State had dienen te worden voorgelegd. Dit is niet gebeurd, zonder dat enig motief van hoogdringendheid werd vermeld in de preambule van het K.B. De verplichting tot het inwinnen van advies raakt de openbare orde. Het Hof van Cassatie is van oordeel dat de hoven en rechtbanken, zo nodig ambtshalve moeten weigeren een organiek of reglementair besluit toe te passen dat, tenzij omwille van behoorlijk gemotiveerde hoogdringendheid, niet werd voorgelegd aan het voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat deze consultatie die voorgeschreven werd door een wet van openbare orde, een substantieel vormvoorschrift is waarvan de niet naleving de onwettigheid van het besluit meebrengt (Cass. 10.03.55 Pas ‘55, I p. 760, A.H.Luik 6-1-2004; AR 7.304/2003, C.D.S./S.R.K. 2004, nr
- Geïntimeerde roept terecht in dat het KB van 3-7-2007 onregelmatig is, zodat er geen rekening mee kan worden gehouden en er moet van uitgegaan worden dat aan art. 81 en 82 van de sluitingswet van 26-6-2002 geen uitvoering werd gegeven. (in die zin o.m. A.H. Antw. 25-4-2007, J.T.T. 2007, 369; O.Deprince en L. Dear, intérêts sur rémunération, le net, et non pas le brut, J.T.T. 2007; 101). De intresten zijn derhalve slechts verschuldigd op de met de verschuldigde vergoedingen overeenstemmende netto-bedragen. De intresten dienen te worden herleid tot een bedrag van 767,41 Euro. De sociale documenten. De vennootschap is ertoe gehouden sociale documenten af te leveren in overeenstemming met deze beslissing. Schadevergoeding overeenstemmend met het vakantiegeld op de in geld waardeerbare voordelen Het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk geoordeeld dat voor de berekening van het vakantiegeld het algemeen arbeidsrechtelijk loonbegrip in aanmerking diende te worden genomen. Dit is het loon en de voordelen door de werkgever toegekend als tegenprestatie voor de in het raam van de arbeidsovereenkomst gepresteerde arbeid (Cass., 4-2-2002, R.W. 2001-2002). Bij K.B. van 18-2-2003 werd in het vakantiebesluit een artikel 38 bis ingevoegd waarvan de tekst luidt:"Voor de toepassing van deze afdeling wordt het deel van de bezoldiging dat niet als basis dient voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen bedoeld in artikel 38§2 of 3 van de wet houdende algemene bepalingen van de sociale zekerheid voor werknemers niet in aanmerking genomen voor het berekenen van het bedrag van het vakantiegeld." Daaruit volgt dat het loon dat overeenkomstig artikel 2 van de loonbeschermingswet en het vakantiebesluit niet onderworpen is aan sociale zekerheidsbijdragen niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden, noch tijdens, noch bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het verslag aan de Koning bij dit Koninklijk Besluit stelde dat dit besluit een verduidelijking beoogde aan te brengen aan de bestaande reglementering m.b.t. de berekeningsbasis van het vakantiegeld van de bedienden, door daarin uitdrukkelijk te bepalen dat geen rekening moet worden gehouden met het deel van de bezoldiging dat niet als basis dient voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen en om de rechtsonzekerheid te herstellen die was ontstaan door het arrest van het Hof van Cassatie van 4-2-2002, waarin een andere zienswijze werd gehuldigd dan deze van het Ministerie van sociale Voorzorg en de Sociale inspectie. In een arrest van 26 september 2005 oordeelde het Hof van Cassatie dat aan dit K.B. een retroactieve werking diende te worden verleend, aangezien het een interpretatief K.B. betrof (Nj.W. 2006, noot J. Plets). Derhalve komt noch de patronale bijdrage in de groepsverzekering en in de hospitalisatieverzekering (uitgesloten van sociale zekerheidsbijdragen op grond van artikel 19§2,21° van het K.B. van 28-11-1969 en onderworpen aan een bijzondere bijdrage van 8,86% op basis van artikel 38§3 ter van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid) noch het voordeel van het privé-gebruik van de firmawagen (onderworpen aan de solidariteitsbijdrage van 8,86 % op basis van artikel 38§3 quater van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid ) in aanmerking voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden. Het onder vorm van een onkostenvergoeding betaalde loon t.b.v.250 Euro per maand komt wel in aanmerking voor de berekening van het vakantiegeld. Mevrouw H.V.D.S. dient haar vordering die zij voorlopig had begroot op 10.000 Euro, evenwel eveneens berekend op patronale bijdragen groeps- en hospitalisatieverzekering en voordeel wagen, nog correct te begroten. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt : Veroordeelt de V.Z.W. FEDERAUTO tot betaling aan Mevrouw H.V.D.S. van volgende bedragen: -53.009,78 euro als saldo opzegginsvergoeding gelijk aan 18 maanden loon en de wettelijke en gerechtelijke intresten op het overeenstemmend nettobedrag, -767,41 Euro als intrest op de reeds betaalde opzeggingsvergoeding, - 1 Euro provisioneels als schadevergoeding wegens niet- betaling van vakantiegeld op het als forfaitaire kostenvergoeding benoemde loon, Veroordeelt de V.Z.W. FEDERAUTO tevens tot afgifte van de sociale documenten overeenkomstig deze uitspraak, Beveelt de heropening der debatten om Mevrouw H.V.D.S. toe te laten de vordering m.b.t. schadevergoeding wegens niet betaald vakantiegeld te begroten. Stelt deze heropening der debatten vast op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op 28 oktober 2008, Datum voor neerlegging en overlegging van berekeningsnota of conclusies van appellante uiterlijk op 16 juli 2008, Datum voor neerlegging en overlegging van eventuele conclusies van geïntimeerde uiterlijk op 16 september
- Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 16 mei 2008, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Kamervoorzitter, Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer M. WEYNS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, G. BALIS, S. ALAERTS. M. WEYNS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080516.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div