id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 29 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080529.6 Rolnummer: 49.904 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 17:34 Fiche Luidens artikel 3 § 1 lid 1 van het Koninklijk Besluit van 6 mei 1985, zoals vervangen door het Koninklijk Besluit van 8 december 1999 is het Fonds niet gehouden de aanvullende vergoeding verschuldigd aan de bejaarde ontslagen werknemers te betalen aan de werknemers die er recht op hebben krachtens een buiten een paritair orgaan gesloten collectieve arbeidsovereenkomst die neergelegd is bij het Ministerie van Tewerkstelling en arbeid minder dan zes maanden vóór de sluiting. Art 3 § 1 lid 2 bepaalt evenwel dat het beheerscomité van het Fonds kan beslissen de aanvullende vergoeding te betalen wanneer de collectieve arbeidsovereenkomst ten laatste vóór het neerleggen ervan, ondertekend is door een representatieve werkgeversorganisatie of wanneer ze werd goedgekeurd door de Minister van Tewerkstelling en arbeid, na eenstemmig advies van de Commissie bedoeld in artikel 9 § 5 tweede lid van het Koninklijk Besluit van 16 november 1990 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen. Art. 3 § 1 lid 2 voormeld verleent echter geen discretionaire bevoegdheid aan het (beheerscomité van) het Fonds. Het woord 'kan' betekent hier dat de tussenkomst van het Fonds aan bepaalde voorwaarden gebonden is. De omstandigheid dat het Fonds 'een beslissing' neemt bepaalt de aard van de bevoegdheid van het Fonds niet. Het ligt bovendien niet in de opdracht van het Fonds om de goedkeuring van de C.A.O. te vragen; Evenmin trouwens om het advies van de Commissie te bekomen. De Minister vraagt dit advies. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Sluitingsvergoeding Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING — SLUITING VAN ONDERNEMINGEN — tussenkomst van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers in de betaling van de aanvullende vergoeding verschuldigd aan sommige oudere ontslagen werknemers --collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten buiten een paritair orgaan die neergelegd werd bij het Ministerie van Tewerkstelling en arbeid minder dan zes maanden véér de sluiting. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1967 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1967063005 Koninklijk Besluit - 06-05-1985 - 3 §1 - 30 ELI link Pub nr 1985012231 Nota: V E II art 6 K.B. van 6 mei 1985, art 3 §1 Gepubliceerd in J.T.T. 2008, 403 Annotaties Publicaties: J.T.T. - - 2008, 403 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Sluiting van ondernemingen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V. B. F., appellant, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr. L. Christiaens loco Mr. H. Ketsman, advocaat te 1080 Brussel. Tegen : FONDS TOT VERGOEDING VAN DE IN GEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN WERKNEMERS, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. T. De Smet, advocaat te 9200 Dendermonde. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de toepasselijke wetgeving, in het bijzonder : Het Gerechtelijk Wetboek. De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De wet van 12 mei 1975 tot verruiming van de opdracht van het Fonds. Gelet op de stukken van rechtspleging, in het bijzonder : Het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel op 23 april 2007, dat op 3 mei 2007 aan de Heer V. B. betekend werd. Het verzoekschrift tot hoger beroep, door de Heer V. B. neergelegd op 31 mei
- Het dossier door Mr. Ketsman neergelegd ter griffie op 27 februari
- De besluiten door de Heer V. B. neergelegd op 13 december
- De besluiten en tweede besluiten door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers neergelegd ter griffie op 15 oktober 2007 en 9 januari
- Gehoord de partijen ter openbare terechtzitting van 6 maart 2008, waarna de debatten gesloten werden. Gelet op het overeenstemmend schriftelijk advies van de heer André, Substituut-generaal, neergelegd op 14 maart
- Gelet op de repliek van de Heer V. B. , neergelegd op 21 maart
- Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, en is derhalve ontvankelijk. I. DE BESLISSING Met de beslissing van 10 december 2004 beslist het Fonds dat : De Heer V. B. geen aanspraak kan maken op een tussenkomst van het Fonds inzake aanvullende vergoeding brugpensioen in toepassing van de collectieve arbeidsover-eenkomst (C.A.O.) van 29 maart
- Het Fonds meent inderdaad dat deze C.A.O. neergelegd werd binnen de zes maanden voor de sluiting van de onderneming, zodanig dat het Fonds de vergoedingen niet hoeft te betalen. II. HET VONNIS De Heer V. B. stelt beroep in bij de Arbeidsrechtbank. Met het vonnis van 23 april 2007 verwerpt de Arbeidsrechtbank de vordering. III. HET HOGER BEROEP De Heer V. B. tekent hoger beroep aan. Hij vordert : Het Fonds te veroordelen tot de aanvullende vergoedingen brugpensioen, provisioneel geraamd op 10.000 EUR. Het Fonds vordert het vonnis te bevestigen. IV. DE FEITEN De Heer V. B. is op 3 juli 1950 geboren. Hij is tewerkgesteld bij de n.v. Euro Cooler, krachtens een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Op 29 januari 2004 wordt een collectieve arbeidsovereenkomst (C.A.O.) getekend, tussen de werkgever en twee vakverenigingen. Op 9 maart wordt de C.A.O. neergelegd bij de algemene directie Collectieve arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg en op 22 maart geregistreerd. Krachtens de C.A.O. wordt een aanvullende vergoeding toegekend aan de ontslagen werknemers, die : op datum van de C.A.O. in dienst zijn krachtens een overeenkomst van onbepaalde duur, tijdens de duurtijd van de C.A.O. de leeftijd van 53 jaar bereikt hebben, beantwoorden aan de vereisten van de werkloosheidsreglementering, geen aanspraak maken op de bepalingen voorzien in een tweede C.A.O. van 29 januari 2004, inzake begeleidingsmaatregelen, zich schriftelijk akkoord verklaren met een verkorte opzeggingstermijn. De C.A.O. geldt vanaf 1 januari tot en met 31 december
- Op 1 april 2004 wordt de Heer V. B. ontslagen, met een opzeggingstermijn van 30 maanden. Op 7 april wordt de werkgever erkend als een onderneming in moeilijkheden. Bijgevolg wordt hij vrijgesteld van de vervangingsplicht bij brugpensioen en kan er voorzien worden in een leeftijdsvoorwaarde van 53 jaar. Op 2 juni 2004 wordt de onderneming failliet verklaard. Op 13 september 2004 vordert de Heer V. B. de tussenkomst van het Fonds. V. DISCUSSIE
- Volgens de collectieve arbeidsovereenkomst n° 17 gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 10 september 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen ("conventionele brugpensioen"), algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 : aan de werknemers van zestig jaar en ouder die worden ontslagen, een aanvullende vergoeding boven de werkloosheidsuitkeringen betaald, ten laste van hun laatste werkgever. Volgens art. 1 van de wet van 12 mei 1975 tot verruiming van de opdracht van het Fonds, betaalt het Fonds aan de werknemer uit, bij het in gebreke blijven van de werkgever : De aanvullende vergoeding waarop de werknemer ten laste van zijn werkgever recht heeft, krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan of die op een onderneming van toepassing is, en die in soortgelijke voordelen voorziet, als de aan sommige oudere ontslagen werknemers toegekende aanvullende vergoeding, die wordt bedoeld in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Nationale Arbeidsraad. Volgens art. 1, § 2 van de wet: kan het Fonds slechts tussenkomen voor de categorieën van werknemers die door de Koning worden aangewezen. Volgens art. 1 van het koninklijk besluit van 6 mei 1985 tot aanwijzing van de categorieën van werknemers voor wie het Fonds tussenkomst in de betaling van de aanvullende vergoeding verschuldigd aan ontslagen bejaarde werknemers, is het Fonds maar gehouden de aanvullende vergoeding te betalen, voor de voordelen bepaald bij een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair comité of die van toepassing is op de onderneming, die in soortgelijke voordelen voorziet als die van de collectieve arbeidsovereenkomst n° 17 vanaf het ogenblik waarop de begunstigde van deze vergoeding de leeftijd van 55 jaar bereikt. Volgens art. 3 § 1 lid 1 van het koninklijk besluit van 6 mei 1985, zoals vervangen bij het koninklijk besluit van 8 december 1999 : is het Fonds niet gehouden de aanvullende vergoeding te betalen, aan de werknemers die er recht op hebben, krachtens een buiten een paritair orgaan gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, die neergelegd is bij het Ministerie van Tewerkstelling en arbeid minder dan zes maanden vóór de sluiting. Volgens art. 3 § 1 lid 2 kan het beheerscomité van het Fonds nochtans beslissen de aanvullende vergoeding te betalen wanneer de collectieve arbeidsovereenkomst : ten laatste voor de neerlegging ervan, ondertekend is door een representatieve werkgeversorganisatie, of wanneer ze werd goedgekeurd door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, na eenstemmig advies van de commissie bedoeld in art. 9 § 5 tweede lid van het koninklijk besluit van 16 november 1990 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen.
- De Heer V. B. werpt de onwettigheid niet op van art. 3 zoals bij het koninklijk besluit van 8 december 1999 vervangen. Dit artikel, zoals het werd vervangen, zal dan ook toegepast worden. De eventuele onwettigheid van de vroegere bepaling, die in 2004 niet meer van toepassing was, speelt hier geen rol. Art. 1 van het koninklijk besluit van 6 mei 1985 staat los van art. 3; de eventuele onwettigheid van art. 1 speelt dan ook evenmin een rol. Art. 3 stoelt inderdaad rechtstreeks op art. 1, § 2 van de wet van 12 mei 1975, en bepaalt een autonome categorie van werknemers waarvoor het Fonds niet kan tussenkomen.
- Art. 3 § 1 lid 2 van het koninklijk besluit verleent geen geen aan oudere ontslagen werkemers en lenen aan een andere instelling opgerichte commissie, en dan nodiscretionaire bevoegdheid aan (het beheerscomité van) het Fonds. Het Fonds volgt de beslissing van de Minister tot (niet)goedkeuring van de C.A.O., en de Minister zelf volgt het eenstemmig advies van de Commissie. Het woord "kan" ("Het Fonds ‘kan' beslissen de aanvullende vergoeding te betalen wanneer ...") betekent hier dat de tussenkomst van het Fonds aan bepaalde voorwaarden gebonden is. Het feit dat het Fonds een "beslissing" neemt bepaalt de aarde van de bevoegdheid van het Fonds niet. Zoals alle instellingen van sociale zekerheid, verleent of weigert inderdaad het Fonds zijn tussenkomst, in alle gevallen bij beslissing (art. 10 van het Handvest van de sociaal verzekerde - wet van 11 april 1995)
- In voorliggend geval is de C.A.O. buiten een paritair orgaan getekend, is zij niet door een representatieve werkgeversorganisatie getekend, en werd zij minder dan zes maanden vóór de sluiting neergelegd. Het blijkt niet uit het dossier dat de CAO door de Minister goedgekeurd is. Het ligt niet in de opdracht van het Fonds om de goedkeuring van de C.A.O. te vragen. Het ligt evenmin in zijn opdracht om het advies van de commissie te bekomen : de Minister vraagt dit advies. De voorwaarden van artikel 3 van het koninklijk besluit van 6 mei 1985 zijn dan ook niet vervuld. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Recht doende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Legt de kosten ten laste van geïntimeerde, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant 297,45 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel als volgt samengesteld:. Waar aanwezig waren : mevrouw M. DELANGE, Raadsheer de heer J. VAN HOLM, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier M. DELANGE J. VAN HOLM G. DE SAEDELEER H. SILON De heer J. VAN HOLM die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen verkeert in de onmogelijkheid om te ondertekenen. Overeenkomstig het artikel 785 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest getekend door Mevrouw M. DELANGE en de heer H. SILON. G. DE SAEDELEER, Griffier Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op 29 mei 2008 door M. DELANGE, bijgestaan door G. DE SAEDELEER, Griffier. M. DELANGE G. DE SAEDELEER PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080529.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div