← België

ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080610.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080610.1 Rolnummer: 49.328 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-06-19 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-02 17:37 Fiche Een advocatenassociatie, partnership naar Engels recht, zonder rechtspersoonlijkheid, kan als verweerder in rechte optreden door middel van een vertegenwoordiger, krachtens een zelfs stilzwijgend mandaat. Van de in casu gedaagde advocaat-vennoot wordt niet aangetoond dat hij over zo'n mandaat beschikte. De vordering is aldus onontvankelijk in zoverre zij tegen de associatie als materiële procespartij is gericht. De vordering is wel ontvankelijk in zoverre de advocaat-vennoot in rechte wordt aangesproken in verhouding tot zijn aandeel in de verbintenissen van de vereniging. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Verschijning van partijen - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING-GERECHTELIJK RECHT - Feitelijke vereniging - Advocatenassociatie - Materiële en formele procespartij. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 728 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 JUNI 2008. 3e kamer bediendecontract Tegensprekelijk Definitief. In de zaak: M.G.L.B., voorheen wonende te [xxx], doch thans te [xxx], Appellante, vertegenwoordigd door Mr. A. Verhaegen, advocaat te 1000 Brussel; Tegen: K. H., zowel in eigen naam als in zijn hoedanigheid van deelgenoot-vennoot van de advocatenassociatie Freshfields Bruckhaus Deringer, partnership naar Engels recht, met zetel te Londen (Verenigd Koninkrijk) en met vestiging in België, met KBO nummer 0538 335 152 en gevestigd te Brussel, Marsveldplein 5, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. P. Michielsen loco Mr W. van Eeckhoutte, advocaat te 9051 Gent; Na beraad spreekt de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: -Het eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 13 november 2006 door de 12de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel met A.R.: 04598/05. -Het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof te Brussel op 19 december 2006. -De besluiten, aanvullende en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 2 februari 2007, 16 maart 2007 en 1 juni 2007 -De besluiten en aanvullende besluiten voor appellante neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 30 april 2007 en 6 juli 2007. -Het bundel van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 16 november 2007. Gehoord partijen in hun middelen en verdediging tijdens de openbare terechtzitting van 13 mei 2008. De Raadsman van appellante legde een stukkenbundel neer. De debatten werden gesloten. De zaak werd in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op 10 juni 2008.    1. De feiten De appellante was in de periode van 25 februari 2002 tot en met 19 (of 26?) maart 2004 met de nv Excel Interim, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 326/49, verbonden door (119?) opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid. Zij werd quasi-ononderbroken als secretaresse ter beschikking gesteld van de Brusselse vestiging van de advocatenassociatie Freshfields Bruckhaus Deringer. Als reden van de overeenkomsten werden zowel "vervanging voor opschorting contract" als "toename van het werk" vermeld. 2. De procedure in eerste aanleg Bij dagvaarding, betekend op 18 maart 2005, stel­de de appellante een vor­de­ring in te­gen de geïntimeerde, ertoe strek­ken­de 1)te zeggen voor recht dat zij als werknemer -bediende bij de geïntimeerde en/of zijn vereniging, als werkgever, in dienst was met een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor onbepaalde tijd vanaf 25 februari 2002; 2)de geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van a)7.500 euro provisioneel als "verbrekingsvergoeding", "met raming van de eis op 12.500 euro" ; b)2.000 euro provisioneel als "achterstallig loon, aankleven en voordelen voor de periode van 25 februari 2002 tot en met 19 maart 2004, alsmede als schadevergoeding voor de contractuele wanprestaties" van de geïntimeerde in die periode, "met raming van de eis op 5.000 euro"; c)500 euro provisioneel als "bijkomende schade", "met raming van de eis op 2.500 euro"; alle bedragen te vermeerderen met vergoedende intrest vanaf 19 maart 2004 (bedrag vermeld onder

  1. a)of 25 februari 2002 (bedragen vermeld onder b en
  2. c)alsook met gerechtelijke intrest; 3)de geïntimeerde te veroordelen tot de afgifte van sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging vanaf de betekening van het vonnis; 4)de geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens de tussenkomst van een raadsman, van 1.000 euro provisioneel, "met raming van de eis op 1.500 euro", vermeerderd met vergoedende en gerechtelijke intrest; 5)de geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van de kosten van het geding. Zij vorderde het vonnis voorlopig uit­voer­baar te verklaren ondanks elk verhaal en zonder borg­stelling en met uitsluiting van de mogelijk van kantonnement. Bij conclusie, op 9 september 2005 neergelegd ter griffie van de arbeids­recht­bank, vroeg de geïntimeerde dat de vordering als onontvankelijk minstens ongegrond zou afgewezen worden. Zij vroeg de verwijzing van de appellante in de kosten van het geding. Bij conclusie, op 10 maart 2006 ter griffie van de arbeids­recht­bank neergelegd, vroeg de appellante subsidiair dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot de overlegging van een "volledig dossier terzake de verloning en voordelen voor de bedienden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, binnen de week na het tussen te komen vonnis, en onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging nadien gevolg te geven aan het bevel". Bij eindvonnis, op 13 november 2006 op tegenspraak gewezen, werd de vordering onontvankelijk verklaard. De appellante werd veroordeeld tot het betalen van de kosten van het geding, aan de zijde van de geïntimeerde begroot op de dagvaardingskosten en de vaste rechtsplegingsvergoeding. De eerste rechter was inzonderheid van oordeel: -dat de appellante als uitzendkracht ter beschikking werd gesteld van de advocatenassociatie Freshfields Bruckhaus en Deringer, een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid; -dat derden niet de vereniging maar al haar leden moesten dagvaarden; -dat zij zich uitzonderlijk tegen een lasthebber konden keren; -dat de appellante aldus alle leden van de vereniging had moeten dagvaarden, zijnde (in België) 19, tenzij één van hen uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst had bekomen of een mandaat had gekregen om de vereniging in rechte te vertegenwoordigen; -dat de appellante niet aantoonde dat de geïntimeerde hetzij in eigen naam hetzij als deelgenoot -vennoot, als lasthebber was aangesteld; -dat de statuten niet werden overgelegd. 3. De procedure in hoger beroep In haar akte van hoger beroep vordert de appellante dat het arbeidshof het hoger beroep "tijdig, ontvankelijk en gegrond" zou verklaren en het bestreden vonnis zou vernietigen. Zij vraagt dat het arbeidshof 1)zou zeggen voor recht dat zij als werknemer-bediende bij de geïntimeerde en/of zijn vereniging, als werkgever, in dienst was met een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor onbepaalde tijd vanaf 25 februari 2002; 2)de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van a.7.500 euro provisioneel, "met raming van de eis op 12.500 euro", als "verbrekingsvergoeding waarvan niet-betaling, misdrijf is"; b.2.000 euro provisioneel, "met raming van de eis op 5.000 euro", als "achterstallig loon, aankleven en voordelen voor de periode van 25 februari 2002 tot en met 19 maart 2004, "waarvan niet-betaling, misdrijf is", alsmede als schadevergoeding voor de contractuele wanprestaties" van de geïntimeerde in die periode, "die ook strafrechtelijk gesanctioneerd zijn"; c.500 euro provisioneel als "bijkomende schade", "met raming van de eis op 2.500 euro"; alle bedragen te vermeerderen met vergoedende intrest vanaf 19 maart 2004 (bedrag vermeld onder
  3. a)of 25 februari 2002 (bedragen vermeld onder b en
  4. c)alsook met gerechtelijke intrest; 3)de geïntimeerde zou veroordelen tot de afgifte van sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging vanaf de betekening van het vonnis (sic); 4)de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens de tussenkomst van een raadsman, van 1.000 euro provisioneel, "met raming van de eis op 2.500 euro", vermeerderd met vergoedende en gerechtelijke intrest; 5)haar akte zou verlenen van haar vordering tot kapitalisatie van het geheel van de op 12 mei 2006 vervallen intrest; 6)de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van de kosten van het geding. Subsidiair vraagt zij dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot de overlegging van -een "volledig dossier terzake de verloning en voordelen voor de bedienden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur"; -"de statuten van de feitelijke vereniging Freshfields Bruckhaus Deringer en, indien bestaande, ook deze van de Belgische vestiging van deze vereniging", "binnen de week na kennisgeving per gerechtsbrief c.q. betekening van het tussen te komen vonnis, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging nadien gevolg te geven aan het bevel". In zijn conclusie, op 2 februari 2007 ter griffie neergelegd, vraagt de geïntimeerde dat de vordering tot overlegging van stukken af te wijzen. In zijn conclusie, op 16 maart 2007 ter griffie neergelegd, vraagt de geïntimeerde dat het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond zou bevonden worden, met verwijzing van de appellante in de kosten van de beide aanleggen. In haar conclusie, op 30 april 2007 ter griffie neergelegd, vraagt de appellante dat het arbeidshof 1)zou zeggen voor recht dat zij als werknemer -bediende bij de geïntimeerde en/of zijn vereniging, als werkgever, in dienst was met een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor onbepaalde tijd vanaf 25 februari 2002; 2)de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van a)7.500 euro provisioneel als "verbrekingsvergoeding waarvan niet-betaling, misdrijf is", "met raming van de eis op 12.500 euro"; 2.000 euro provisioneel als "achterstallig loon, aankleven en b.2.000 euro provisioneel, "met raming van de eis op 5.000 euro", als voordelen voor de periode van 25 februari 2002 tot en met 19 maart 2004, "waarvan niet-betaling, misdrijf is", alsmede als schadevergoeding voor de contractuele wanprestaties" van de geïntimeerde in die periode, "die ook strafrechtelijk gesanctioneerd zijn"; c.500 euro provisioneel als "bijkomende schade", "met raming van de eis op 2.500 euro"; alle bedragen te vermeerderen met vergoedende intrest vanaf 19 maart 2004 (bedrag vermeld onder
  5. a)of 25 februari 2002 (bedragen vermeld onder b en
  6. c)alsook met gerechtelijke intrest; 3)de geïntimeerde zou veroordelen tot de afgifte van sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging vanaf de betekening van het vonnis; 4)de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens de tussenkomst van een raadsman, van 2.500 euro provisioneel, "met raming van de eis op 4.000 euro",vermeerderd met vergoedende en gerechtelijke intrest; 5)haar akte zou verlenen van haar vordering tot kapitalisatie van het geheel van de op 12 mei 2006 en 30 april 2007 vervallen intrest; 6)de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van de kosten van het geding. Subsidiair vraagt zij dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot de overlegging van -een "volledig dossier terzake de verloning en voordelen voor de bedienden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur"; -"de statuten of vennootschapsovereenkomst of overeenkomst tussen vennoten, van de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid Freshfields Bruckhaus Deringer, partnerschip naar Engels recht, en ook deze van de Belgische vestiging van dit partnerschip naar Engels recht indien daarvoor een afzonderlijke tekst zou bestaan", "binnen de week na kennisgeving per gerechtsbrief c.q. betekening van het tussen te komen vonnis, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging nadien gevolg te geven aan het bevel". De partijen worden in de uiteen­zetting van hun mid­de­len en con­clu­sies gehoord op de openbare te­rechtzitting van 13 mei 2008. 4. De grieven van het hoger beroep De appellante acht zich gegriefd door het bestreden von­nis. Zij stelt inzonderheid: -dat de eerste rechter haar ten onrechte heeft veroordeeld tot de betaling van de dagvaardingskosten aan de geïntimeerde, nu de appellante die kosten evident zelf had voorgeschoten; -dat hij de vordering niet onontvankelijk kon verklaren omwille van een gemis van hoedanigheid bij de geïntimeerde; -dat, zo de geïntimeerde niet zelf als werkgever zou worden beschouwd, hij dan toch in een dubbele hoedanigheid werd gedagvaard, inzonderheid ook als deelgenoot/vennoot van de vereniging/vennootschap-werkgever; -dat de leden van een dergelijke (burgerlijke) vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (in casu een "partnerschip" naar Engels recht) hoofdelijk gehouden zijn ten overstaan van derden; -dat de aangeklaagde feiten bovendien een misdrijf vormen zodat om die reden een hoofdelijke aansprakelijkheid van de daders vaststaat; -dat de appellante zich aldus kan keren tegen elk van de vennoten voor al hetgeen haar verschuldigd is; -dat de vordering wel degelijk ontvankelijk is. 5. Bespreking 5.1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm inge­steld. Het is ontvankelijk. De geïntimeerde verduidelijkt trouwens niet waarom dit niet het geval zou zijn. 5.2. De gegrondheid van het hoger beroep 5.2.1. De ontvankelijkheid van de vordering 5.2.1.1. De geïntimeerde werd gedagvaard "in eigen naam" alsook "in zijn hoedanigheid van deelgenoot-vennoot van de advocatenassociatie Freshfields Bruckhaus Deringer, partnership naar Engels recht". De advocatenassociatie Fresfields Bruckhaus Deringer is een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid en geen vennootschap, ook geen vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (zoals een maatschap). Zij werd opgericht als een "partnership" naar Engels recht, in overeenstemming met de Partnership Act 1890 (zie stuk II/5 van de geïntimeerde), en kennelijk niet als een "limited liability parnership", in overeenstemming met de Limited Liability Partnerships Act 2000. Zij heeft haar zetel te Londen doch zij beschikt over tal van afdelingen ("branche offices"), waaronder één in Brussel, waar inzonderheid een aantal advocaten-vennoten actief zijn, allen ingeschreven aan de balie te Brussel. 5.2.1.2. Een feitelijke vereniging kan als zodanig niet optreden in rechte, noch als eisende partij noch als verwerende partij (zie TAELMAN, P., "Het optreden in rechte van (privaatrechtelijke) entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en rechtspersonen voor de judiciële rechtscolleges", in VAN EECKHOUTTE, W., (ed.), Rechtspersonenrecht, Gent, 1999, 33, nr. 2). Wie een feitelijke vereniging in rechte wil dagvaarden, dient bijgevolg in beginsel al haar leden te dagvaarden. Wanneer deze vereniging een groot aantal leden telt, inzonderheid enkele tientallen, honderden of duizenden, kan deze weg in de praktijk niet bewandeld worden. In dit geval is het voor een eisende partij materieel onmogelijk al de leden van de feitelijke vereniging in rechte te dagvaarden, zelfs wanneer zij hun identiteit zou kennen of zou kunnen kennen. In casu heeft de Belgische afdeling van de advocatenassociatie volgens de geïntimeerde maar een twintigtal vennoten maar "worldwide" zijn dat er in elk geval een paar honderd. Zelfs wanneer de appellante, wanneer zij zich tegen de feitelijke vereniging wilde keren (en dat is toch duidelijk zijn bedoeling geweest), zich had kunnen beperken tot de vennoten, werkzaam te Brussel, wat helemaal niet zeker is (en de geïntimeerde zou niet hebben nagelaten haar daarop te wijzen), dan nog was het voor haar zeer moeilijk uit te maken wie op elk ogenblik (of in welke periode) advocaat-vennoot was en wie niet (meer). Bovendien is het proceseconomisch niet te verantwoorden enorme dagvaardingkosten te maken wanneer de waarde van het geschil relatief gering is, zoals in casu. De geïntimeerde kan aldus niet in redelijkheid voorhouden dat de enige wijze waarop de appellante het "partnership" kon aanspreken, het dagvaarden van al haar (Belgische) leden was. Een feitelijke vereniging (materiële procespartij) kan ook in rechte optreden door middel van een vertegenwoordiger (formele procespartij) en een derde kan de feitelijke vereniging in rechte dagen door zich (uitsluitend) tegen die vertegenwoordiger te keren (zie TAELMAN, P., l.c., nr. 5). Deze laatste dient hiervoor dan wel over een - zelfs stilzwijgend - mandaat te beschikken, wat door de derde, in casu de appellante, moet worden aangetoond. De appellante dient aldus aan te tonen dat de geïntimeerde door de feitelijke vereniging waarvan hij lid was, op enigerlei wijze werd gemandateerd om in rechte op te treden in geschillen waarin die vereniging zou betrokken worden, desnoods enkel in arbeidsrechtelijke geschillen. Welnu, zoals de eerste rechter heeft geoordeeld, toont de appellante niet aan dat aan de geïntimeerde een dergelijke (algemene of bijzondere) lastgeving werd gegeven. Zulks blijkt niet alleen uit geen enkel door de partijen overgelegd stuk. Bovendien maakt de appellante niet waarschijnlijk dat door middel van een onderzoeksmaatregel hieromtrent enige zekerheid zou kunnen bekomen worden. Zelfs al is het waar dat de wijze van samenwerking tussen de partners van een advocatenassociatie op schrift moet zijn gesteld, dan nog is het in hoge mate onwaarschijnlijk dat dit geschrift enige bepaling zou bevatten waaruit het bestaan van een dergelijk mandaat aan de geïntimeerde blijkt. Er is eigenlijk ook geen reden waarom de geïntimeerde over een dergelijk mandaat had moeten beschikken. Mogelijk was dat wel het geval met de "office managing partner", de heer Michael Schütte (zie stuk 8 van de appellante), maar het is niet deze laatste die in casu werd gedagvaard. Anderzijds is het toch wel zo dat, wanneer een fysieke persoon door een feitelijke vereniging belast wordt met het sluiten van een arbeidsovereenkomst, het uitoefenen van het werkgeversgezag en het geven van ontslag, en deze persoon hiervoor een (zelfs stilzwijgend) mandaat van de leden heeft ontvangen, deze persoon ook de hoedanigheid bezit om de feitelijke vereniging in rechte te vertegenwoordigen met betrekking tot de geschillen die over deze arbeidsovereenkomst zouden kunnen gevoerd worden (vgl. met TAELMAN, P., l.c., nr. 6; VANANROYE, J., "De vorderingsbevoegdheid van de vertegenwoordigers van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid", noot onder Rb. Brussel, 13 november 1997, R.W., 1997-98, 989, nr. 2). Welnu, uit niets blijkt dat aan de geïntimeerde enig mandaat dat specifiek op arbeidsovereenkomsten betrekking had, werd gegeven. Het was integendeel kennelijk een aangestelde, mevrouw Blommaerts, "head of HR", die met indienstnemingen was belast. De vordering is aldus onontvankelijk in zoverre zij de veroordeling van de advocatenassociatie Freshfields Bruckhaus Deringer als materiële procespartij beoogt. 5.2.1.3. De geïntimeerde werd ook "in eigen naam" gedagvaard. Ook als zodanig mist hij echter de vereiste hoedanigheid om in rechte op te treden (in tegenstelling tot wat de appellante beweert, kan ook het gebrek aan hoedanigheid van de verwerende partij, de onontvankelijkheid van de vordering met zich meebrengen) en mist de appellante het vereiste belang om zich tegen hem te keren. De appellante toont niet aan dat de geïntimeerde zelf haar werkgever kan zijn geweest, hetzij door rechtstreekse aanwerving, hetzij door een verboden terbeschikkingstelling. Het is niet omdat een fysieke persoon, werkzaam binnen een vereniging (of welk bedrijf dan ook), de facto gezag uitoefent over een werknemer, inzonderheid door opdrachten te geven of het werk te controleren, dat die persoon ook de werkgever van de betrokken werknemer wordt. Dit laatste kan in casu ook niet worden afgeleid uit het feit dat, zoals de appellante in elk geval beweert, de geïntimeerde het gezag over een hele verdieping uitoefende of dat zij hoofdzakelijk opdrachten voor hem heeft uitgevoerd. De eerste rechter heeft de vordering bijgevolg ook terecht onontvankelijk verklaard in zoverre de geïntimeerde "in eigen naam" werd gedagvaard. 5.2.1.4. De eerste rechter heeft evenwel niet expliciet onderzocht of de vordering ontvankelijk was in zoverre de geïntimeerde werd gedagvaard "in zijn hoedanigheid van deelgenoot-vennoot van de advocatenassociatie Freshfields Bruckhaus Deringer, partnership naar Engels recht". In een feitelijke vereniging is elk lid aansprakelijk voor de verbintenissen van deze vereniging doch in beginsel enkel maar voor zijn aandeel (vandaar dat een derde natuurlijk niet veel te winnen heeft bij het dagvaarden van één lid van die vereniging). Niets belet de appellante nochtans zich tegen de geïntimeerde te keren in zijn hoedanigheid van lid van de vereniging. De geïntimeerde zelf is hier dan wel zowel de formele als de materiële procespartij. De appellante toont niet aan op welke wettelijke grondslag de geïntimeerde verantwoordelijk zou kunnen zijn voor méér dan zijn (voorlopig onbekend) aandeel. De partijen verliezen wel uit het oog dat niet met zekerheid kan gesteld worden dat in casu enkel het Belgisch recht toepasselijk kan zijn. De geïntimeerde is lid van een "partnership "naar Engels recht, ongeacht de plaats waar het "branch office" is gevestigd. Over de regels van internationaal privaatrecht die toelaten het toepasselijke recht te bepalen, hebben de partijen het niet gehad. De kwestie kan nochtans relevant zijn nu het arbeidshof in artikel 9 van de (niet overgelegde) Partnership Act 1890 ("every partner in a firm is liable jointly with the other partners (...) for all debts and obligations of the firm incurred while he is a partner") prima facie een mogelijke hoofdelijke aansprakelijkheid ("jointly") meent te kunnen ontwaren. De partijen zouden hierover ambtshalve dienen te worden gehoord, tenzij dit niet relevant zou zijn omdat de geïntimeerde zelfs niet voor een deel aansprakelijk kan gesteld worden voor de verbintenissen die de feitelijke vereniging tegenover de appellante heeft aangegaan, gewoon omdat die verbintenissen gewoon niet bestaan (zie inderdaad 5.2.2). 5.2.1.5. Ten slotte weze opgemerkt dat, wanneer de appellante zich op de delictuele aansprakelijkheid van de geïntimeerde wil beroepen, zij van deze laatste weliswaar een volledige schadevergoeding voor de geleden schade zou kunnen bekomen, ook wanneer er andere "daders" (al dan niet in het geding zijnde) zijn geweest, maar dat zij dan eerst wel én het materiële én het morele bestanddeel van het misdrijf dient te bewijzen, wat zij zelfs niet probeert te doen (vgl. met DORSSEMONT, F., "De arbeidsovereenkomst in de schoot van een feitelijke vereniging", Soc. Kron. 1999, 110). De appellante haalt zelfs geen enkele strafrechtelijk gesanctioneerde bepaling aan die de geïntimeerde zou hebben kunnen overtreden. Het komt het arbeidshof niet toe om hiernaar op zoek te gaan. Hoogstens kan aangenomen worden dat de appellante het niet-betalen van een opzeggingsvergoeding als een misdrijf aanziet. Welnu, de niet-betaling van een opzeggingsvergoeding is géén misdrijf dat door artikel 42, 1°, van de Loonbeschermingswet (of enige andere wet) wordt gesanctioneerd (Cass., 5 december 1977, R.W., 1977-78, 1936, noot J.R.R.; Cass., 25 januari 1988, R.W., 1987-88, 1334; Cass., 17 februari 1997, R.W., 1997-98, 912; Arbh. Gent, afd. Brugge, 2 september 1983, J.T.T., 1985, 15; Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 2 oktober 2001, Limb. Rechtsl., 2003, 39; LINDEMANS, A., "De verjaring van de burgerlijke vordering op grond van een misdrijf", in X, Aanwerven, Tewerkstellen, Ontslaan, 2002, O 1003 323). 5.2.2. De gegrondheid van de vordering 5.2.2.1. De appellante houdt voor dat tussen de feitelijke vereniging Fresfields Bruckhaus Deringer en haarzelf een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan omdat de gebruiker haar heeft tewerkgesteld in strijd met artikel 21 van de Uitzendarbeidwet, te weten aan andere dan tijdelijke arbeid bedoeld in artikel 1 van deze wet (zie immers artikel 20, 2°, Uitzendarbeidwet). De appellante moet dan wel aantonen dat zij door de advocatenassociatie niet werd "gebruikt" om te voorzien in de vervanging van een vaste werknemer, meer bepaald voor de tijdelijke vervanging van een werknemer wiens arbeidsovereenkomst in haar uitvoering is geschorst (art. 1, § 1 en 2, 1°, Uitzendarbeidwet), dan wel om te beantwoorden aan een tijdelijke vermeerdering van werk (art. 1, § 1, Uitzendarbeidwet). Enkel de eerste en de derde arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid maken gewag van een "toename van het werk". De laatste van deze overeenkomsten eindigde al op 8 maart 2002. De appellante heeft nog meer dan 2 jaar als uitzendkracht gewerkt bij de feitelijke vereniging. Zij toont niet aan dat er in de korte periode eindigend op 8 maart 2002, géén "toename van het werk" is geweest (het arbeidshof ziet overigens niet in hoe zij dat zou kunnen doen noch hoe de geïntimeerde zou kunnen aantonen dat er wél een toename van werk is geweest). Alle andere overeenkomsten voor uitzendarbeid maken gewag van "vervanging van opschorting contract". De wet legt de partijen niet op de naam van de vervangen werknemer in de overeenkomst te vermelden (zie art. 9 Uitzendarbeidwet). De uitzendkracht moet wel tot dezelfde beroepscategorie behoren, zijnde de bedienden (art; 1, § 3, Uitzendarbeidwet) doch moet niet hetzelfde werk als de vervangen werknemer doen (vgl. met Cass., 28 januari 2002, Soc. Kron., 2002, 245). De appellante toont niet aan dat er in werkelijkheid geen sprake is geweest van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van een werknemer of werknemers die zij heeft vervangen. Zij toont inzonderheid niet aan op welke wijze het overzicht dat de geïntimeerde als zijn stuk II/4 overlegt, niet met de werkelijkheid overeenstemt. De feitelijke vereniging was niet de werkgever van de appellante en geen van haar leden kan in rechte aangesproken worden omwille van die hoedanigheid. Geheel ten overvloede weze gesteld dat, zelfs wanneer de feitelijke vereniging wél door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de appellante zou verbonden zijn geweest, quod non, deze laatste slechts aanspraak zou kunnen maken op de opzeggingsvergoeding in artikel 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wanneer zij er zou in slagen te bewijzen dat haar werkgever de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft beëindigd. Welnu, in casu is er geen spoor van een dergelijk ontslag. De appellante toont niet aan dat zij de wens heeft geuit nà 19 (of 26?) maart 2004 verder tewerkgesteld te worden door de advocatenassociatie en dat deze laatste heeft geweigerd op dit verzoek in te gaan. 5.2.2.2. De appellante toont ook niet aan dat de feitelijke vereniging enige contractbelofte niet zou zijn nagekomen, meer bepaald wat het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd betreft, of dienaangaande een aanbod zou hebben gedaan. De vordering is ongegrond. 5.3. De gerechtskosten 5.3.1. Terecht stelt de appellante dat de eerste rechter haar ten onrechte heeft veroordeeld tot het betalen van de kosten van dagvaarding. Het hoger beroep is op dit punt gegrond. 5.3.2. Het nieuwe artikel 1022 Ger. W. en het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007 zijn op 1 januari 2008 in werking getreden. Zij zijn van toepassing op de zaken die "hangende zijn" op deze datum. De nieuwe bepalingen kunnen enkel worden toegepast op de gerechtskosten verbonden aan de procedure in hoger beroep, niet op deze verbonden aan de procedure in eerste aanleg, die op 1 januari 2008 definitief was beëindigd (zie LINDEMANS, J., "De toepasselijkheid van de Wet Verhaalbaarheid Erelonen op ‘hangende' geschillen", R.W. 2007-08, 1387; VAN DROOGHENBROECK, J.-Fr., en DE CONINCK, B., "La loi du 21 avril 2007 sur la répétiblité des frais et honoraires d'avocat", J.T., 2008, 37, nr. 104bis). De begroting van de gerechtskosten door de eerste rechter, gesteund op en in overeenstemming met de vroegere wetgeving, kan aldus niet meer in vraag worden gesteld. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding (voor de procedure in hoger beroep) is gelijk aan 2.000 euro. Er is geen reden om de vergoeding die aan één der partijen toekomt, te verhogen tot een bedrag van (hoogstens) 4.000 euro. Op de "complexiteit van de zaak" kan geen der partijen zich beroepen nu de zaak relatief eenvoudig is. De complexiteit van de zaak wordt trouwens niet afgemeten aan het aantal pagina's conclusies van de partijen. Geen der partijen toont "het kennelijk onredelijk karakter van de situatie" aan. Uit de woorden "kennelijk" kan worden afgeleid dat de rechter hier maar een marginaal toezicht heeft. Bovendien zou dit criterium veeleer een verlaging en geen verhoging van de rechtsplegingsvergoeding toelaten (zie VAN DROOGHENBROECK, J.-Fr., en DE CONINCK, B., l.c., nr. 104bis). Nu geen der partijen geheel in het gelijk werd gesteld (de appellante had deels gelijk, wat de ontvankelijkheid van de vordering betreft alsook wat de beslissing van de eerste rechter over de gerechtskosten betreft), zijn er redenen om de kosten van de procedure in hoger beroep over hen om te slaan. 5.4. De vergoeding voor kosten van bijstand door een raadsman Het laatste lid van het nieuwe artikel 1022 Ger. W., in casu toepasselijk, bepaalt dat geen partij boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij. De vordering is ongegrond. * * Om deze Redenen HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bovenstaande gronden Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in ge­rechtszaken en inzonderheid op artikel 24. Recht doende op tegenspraak. Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het op te­gen­spraak gewezen eindvonnis van de twaalfde kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel van 13 november 2006 (A.R. nr. 4.598/05), in zoverre het de vordering impliciet onontvankelijk verklaart in zoverre zij is gericht tegen de geïntimeerde "in zijn hoedanigheid van deelgenoot -vennoot van de advocatenassociatie Freshfields Bruckhaus Deringer, partnership naar Engels recht" alsook in zoverre de appellante wordt veroordeeld tot het betalen van 120,87 euro kosten van dagvaarding, als deel van de kosten van het geding, begroot in hoofde van de geïntimeerde. Opnieuw wijzende, verklaart de vordering ontvankelijk in zoverre zij is gericht tegen de geïntimeerde "in zijn hoedanigheid van deelgenoot -vennoot van de advocatenassociatie Freshfields Bruckhaus Deringer, partnership naar Engels recht". Trekt de zaak tot zich overeenkomstig artikel 1068 Ger. W.. Verklaart de vordering ongegrond. Slaat de gerechtskosten van de procedure in hoger beroep over de partijen om en zegt dat de geïntimeerde slechts recht heeft op 3/4 van zijn rechtsplegingsvergoeding van 2000 euro. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op 10 juni tweeduizend en acht. G. Balis: Kamervoorzitter, aangeduid bij bevelschrift van 10 juni 2008, ter vervanging van de heer J. Herman, Raadsheer in het Arbeidshof te Gent, aangeduid bij beschikking van de Eerste Voorzitter van het Arbeidshof te Brussel dd. 9 mei 2008,en aangewezen bij K.B. van 3 december 2007, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerech­telijk Wetboek). J. Lindemans: Raadsheer in sociale zaken als werkgever M. Wampers: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer - bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer R. vandenput, Raadsheer in Soci­ale Zaken als werknemer - bedeinde, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerech­telijk Wetboek). I. Hurkmans: Gedelegeerd Adjunct- Griffier. G. Balis I. Hurkmans J. Lindemans M. Wampers PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080610.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.