id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080610.2 Rolnummer: 43.170 Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Internationaal privaatrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-06-20 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-02 17:38 Fiche 1 De dagvaarding die aan een in het buitenland gevestigde vennootschap wordt betekend op een onjuiste zetel, is slechts nietig wanneer de gedaagde partij bewijst dat de onregelmatigheid haar belangen httft geschaad, quod non. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Belangenschade Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Dagvaarding - Vennootschap - Verkeerde zetel - Nietigheid - Belangenschade. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 861 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: I A art.
(2)Is de lex contractus in casu wel het recht van het eiland Man, en is de arbeidsovereenkomst die de appellant met de tweede geïntimeerde afsloot, een arbeidsovereenkomst, dan behield de appellant toch de bescherming die hij genoot op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge § 2 van artikel 6 van de Wet van 14 juli 1987 bij gebrek aan rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn, zijnde het Belgische recht, nu de appellant ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in België (zie 5.3.2.3). De Uitzendarbeidwet, inzonderheid zijn artikel 31, behoort tot deze dwingende bepalingen (Arbh. Brussel 21 oktober 1998, Soc. Kron., 1999, 181). Dat betekent dat de appellant zich in voorkomend geval kan beroepen op artikel 31, § 3, van de Uitzendarbeidwet wanneer blijkt dat hij, in strijd met artikel 31, § 1, van de Uitzendarbeidwet, door de tweede geïntimeerde ter beschikking zou zijn gesteld van een in België gevestigde gebruiker (zie TILLEMAN, F., "Het sluipend gevaar van de terbeschikkingstelling", Or., 1997, 126). 5.3.
- De verboden terbeschikkingstelling 5.3.5.
- Volgens artikel 31, § 1, van de Uitzendarbeidwet is verboden, de activiteit, buiten de in de hoofdstukken m.b.t. de tijdelijke arbeid en uitzendarbeid voorgeschreven regels, door een rechtspersoon uitgeoefend om door hem in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die deze werknemers gebruiken om over hen enig gedeelte van het gezag uit te oefenen dat normaal aan de werkgever toekomt. Het huidige tweede lid van deze bepaling was nog niet ingevoerd toen de overeenkomst in casu eindigde en kan dus in genen dele door de eerste geïntimeerde worden ingeroepen. Volgens de derde paragraaf van voornoemd artikel 31 wordt, wanneer een gebruiker arbeid laat uitvoeren door werknemers die ter beschikking worden gesteld in strijd met de bepalingen van paragraaf 1, die gebruiker en die werknemers beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin van de uitvoering van de arbeid. De appellant beroept zich niet op de nietigheid in artikel 31, § 2, van de Uitzendarbeidwet. 5.3.5.
- Het is natuurlijk niet omdat de raadkamer van de correctionele rechtbank te Brussel in een beschikking van 13 december 2005 heeft geoordeeld dat er geen voldoende bezwaren waren om de eerste geïntimeerde te vervolgen wegens "inbreuken op de regeling inzake de organisatie van de arbeidsbetrekkingen" en dat de tewerkstelling van de appellant hierbij werd onderzocht (zie stukken 27 en 29 van de eerste geïntimeerde), dat de arbeidsgerechten niet meer zouden kunnen beoordelen dat er in casu wel degelijk een verboden terbeschikkingstelling is geweest. Niet alleen was de appellant geen verdachte of burgerlijke partij in casu maar een beschikking van een onderzoeksgerecht heeft nu eenmaal geen enkel gezag van gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter (Luik 14 september 1998, J.T., 1999, 170; Gent 15 april 1999, T. Gez., 2002-03, 21; Arbrb. Oudenaarde 6 november 1997, T.G.R., 1998, 48; WYLLEMAN, A., "Het gezag van gewijsde: uitdrukking van het rechterlijk gezag", T.P.R., 1988, 33, nr. 63). Bovendien kan de eerste geïntimeerde, die zich op de resultaten van een strafonderzoek beroept, er geen genoegen mee nemen om een paar nietszeggende stukken uit dit onderzoek over te leggen. Wanneer dit onderzoek haar stelling ondersteunde, diende zij alle relevante stukken ter zake over te leggen, wat zij niet doet. 5.3.5.
- Dat de appellant door de tweede geïntimeerde in dienst werd genomen om hem ter beschikking te stellen van de eerste geïntimeerde die hem daadwerkelijk heeft gebruikt om over hem enig gedeelte van het gezag uit te oefenen dat normaal aan de werkgever toekomt, staat vast. Vooreerst blijkt het opzet van de terbeschikkingstelling voldoende uit de overeenkomst zelf. Vervolgens oefende de eerste geïntimeerde, terwijl hij de appellant "gebruikte", inderdaad minstens een deel (en zelfs een zeer groot deel!) van het werkgeversgezag over de appellant uit. Zulks blijkt voldoende uit wat hierboven onder 5.3.3 werd gezegd. Ten overvloede merkt het arbeidshof op dat in de preambule tot de overeenkomst tussen de eerste geïntimeerde en Parc Aviation Ltd was vermeld dat de eerstgenoemde "shall have authority to direct the work of the Personnel", d.w.z. de bevoegdheid zou hebben om het werk van het personeel te leiden", wat de stelling dat er gezagsuitoefening was, enkel maar kracht bijzet. De partijen waren aldus verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat de appellant met de tweede geïntimeerde door een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd was verbonden, kan hieraan geen afbreuk doen (MORENO, O., Tijdelijke arbeid, uitzendarbeid en terbeschikkingstelling, Mechelen, 2005, nr. 238). 5.3.
- Het voorwerp van de vordering 5.3.6.
- De opzeggingsvergoeding De appellant maakt aanspraak op een opzeggingsvergoeding overeenkomstig artikel 40, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet omdat de eerste geïntimeerde de overeenkomst voor een bepaalde tijd op een onregelmatige wijze heeft beëindigd. Hij kan echter enkel maar aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding op grond van artikel 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, toepasselijk op arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. De regel in de Arbeidsovereenkomstenwet dat aan een arbeidsovereenkomst slechts een einde kan worden gemaakt door middel van een regelmatige opzegging en met het in acht nemen van een opzeggingstermijn, op straffe van het verschuldigd zijn van een opzeggingsvergoeding in de zin van artikel 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, maakt deel uit van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge § 2 van artikel 6 van de Wet van 14 juli 1987 bij gebrek aan rechtskeuze op de appellant van toepassing zou zijn. De appellant toont echter niet aan dat de eerste geïntimeerde de overeenkomst die hem met de appellant verbond, op een onregelmatige wijze heeft beëindigd. Het is de tweede geïntimeerde die de (arbeids)overeenkomst voor een bepaalde tijd die haar en de appellant verbond, eenzijdig heeft beëindigd. Van een eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst die de appellant en de eerste geïntimeerde verbond, op initiatief van deze laatste, is er echter geen spoor. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de tweede geïntimeerde bracht niet ipso facto de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de eerste geïntimeerde mee. De appellant heeft zich na het einde van de overeenkomst met de tweede geïntimeerde eenvoudigweg niet meer op het werk bij de eerste geïntimeerde aangeboden. Evenmin heeft hij deze laatste ertoe aangemaand de overeenkomst die hem met haar verbond, verder uit te voeren. Als er aan de arbeidsovereenkomst een einde is gekomen, dan is het even goed omdat de appellant zich (ten onrechte) niet meer in dienst beschouwde en dan is hij zelf de oorzaak van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het is natuurlijk niet omdat de eerste geïntimeerde een tewerkstellingsattest (stuk 4b van de appellant) afleverde, dat hieruit enige conclusie kan worden getrokken met betrekking tot de wijze van beëindiging van de overeenkomst. De vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding is ongegrond. De nietigverklaring van enig in het Engels gesteld stuk van de eerste geïntimeerde omwille van strijdigheid met het Nederlands Taaldecreet kan niet tot een andere conclusie leiden. 5.3.6.
- Het vakantiegeld De Wet Jaarlijkse Vakantie maakt deel uit van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge § 2 van artikel 6 van de Wet van 14 juli 1987 bij gebrek aan rechtskeuze op de appellant van toepassing zou zijn (zie Cass. 16 november 1994, J.T., 1995, 297; Arbh. Gent 21 december 1988, J.T.T., 1989, 127; Arbh. Brussel 25 maart 2005, Soc. Kron., 2007, 386). De Jaarlijkse Vakantiewet heeft hetzelfde toepassingsgebied als de RSZ-Wet (zie 5.3.6.4) (zie GYBELS, N., "Jaarlijkse vakantie en grensoverschrijdende tewerkstelling", in RYCX, D., en NIETVELT, J. (eds.), Actuele problemen van jaarlijkse vakantie, Antwerpen, 2001, 56-57). Als de appellant voorhoudt dat hij minder vakantiegeld heeft genoten dan hem op grond van de Belgische wet zou toekomen, dient hij zelf een nauwkeurige berekening te maken en dient hij de voordelen die hij effectief heeft genoten te laste van de tweede geïntimeerde, in rekening te brengen. Vakantieattesten kunnen pas afgeleverd worden zodra hierover duidelijkheid bestaat. Naar het oordeel van het arbeidshof waren de aan de appellant verschuldigde en betaalde bedragen overigens bruto- en geen nettobedragen, zoals de appellant voorhoudt. De appellant was er duidelijk zelf mee belast indien gewenst zijn sociale zekerheid te financieren en eventuele belastingen te betalen, iets waarvoor hij de tweede geïntimeerde zelfs moest vrijwaren. Een deel van de overeengekomen vergoeding kan ook specifiek bedoeld zijn om socialezekerheidsbijdragen te financieren en aldus buiten het loonbegrip vallen (Cass. 10 januari 2005, J.T.T., 2005, 334; Cass. 21 november 2005, J.T.T., 2006, 24). Er is geen reden tot "brutering". De partijen zullen hieromtrent opnieuw concluderen. De zaak is op dit punt niet in staat van wijzen. Er is geen reden enige provisie toe te kennen. 5.3.6.
- De schadevergoeding wegens niet-betaling van bedrijfsvoorheffing De appellant toont niet aan dat hij schade heeft geleden door het niet-betalen van bedrijfsvoorheffing door de eerste geïntimeerde. Niet alleen heeft hij daadwerkelijk sommen overeenstemmend met de niet-verrichte inhoudingen ontvangen. Maar uit de stukken blijkt zelfs niet dat de appellant in België enige vorm van inkomstenbelasting heeft betaald, zelfs niet dat hij enige aangifte heeft gedaan. Men mag er van uit gaan dat de appellant zelfs in het geheel ontsnapt is aan de betaling van welke belasting dan ook op de sommen die hij van de tweede geïntimeerde heeft ontvangen, en dat zulks hem heel goed is uitgekomen. De vordering is ongegrond. 5.3.6.
- De schadevergoeding wegens niet-inhouding van RSZ -bijdragen De RSZ -wet is van toepassing op werknemers die in België in dienst zijn van een in België gevestigde werkgever, zoals de eerste geïntimeerde (art. 3 RSZ-Wet). Men mag aannemen dat het ten onrechte niet onderwerpen aan de van openbare orde zijnde RSZ-Wet een fout kan zijn die de appellant schade kan hebben berokkend. De appellant beroept zich dan wel op de delictuele aansprakelijkheid van de eerste geïntimeerde zodat hij zowel het moreel als het materieel element van het misdrijf moet bewijzen. Met een eventuele regularisatie op initiatief van de RSZ of met het al dan niet bestaan van een vorderingsrecht van de werknemer tegen de werkgever tot betaling van de bijdragen zelf, heeft dit anderzijds niets te maken. Over de omvang van de schade bestaat thans evenwel geen enkele zekerheid. Het blijkt zelfs niet aan welke socialezekerheidsregeling de appellant voor en na zijn tewerkstelling bij de eerste geïntimeerde was onderworpen en op welke voordelen hij meent geen aanspraak te (hebben) kunnen maken of te zullen kunnen maken (behalve kennelijk op een rustpensioen). Het arbeidshof wijst erop dat de appellant ook een voordeel heeft genoten doordat hij bedragen gelijk aan de volgens de Belgische wetgeving verschuldigde inhoudingen, daadwerkelijk heeft ontvangen. Het arbeidshof werpt ook de vraag op in hoeverre RSZ -bijdragen verschuldigd waren op sommen die de eerste geïntimeerde niet heeft betaald en die zij ook niet moest betalen, gelet op de overeenkomst die zij zelf had afgesloten met Parc Aviation Ltd en gelet op de overeenkomst tussen de appellant en de tweede geïntimeerde. De partijen zullen over dit alles bijkomende conclusies neerleggen. Vooralsnog dringt zich er geen onderzoeksmaatregel op. De zaak is ook op dit punt niet in staat van wijzen. Van de toekenning van enige provisie kan er geen sprake zijn. 5.3.6.
- De vordering tot afgifte van sociale en fiscale documenten De Sociale Documentenwet, met zijn verplichting een afschrift van de individuele rekening af te geven, maakt deel uit van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge § 2 van artikel 6 van de Wet van 14 juli 1987 bij gebrek aan rechtskeuze op de appellant van toepassing zou zijn (zie Cass. 16 november 1994, J.T., 1995, 297). Vraag is wel welke bedragen daarop zouden moeten worden vermeld nu de eerste geïntimeerde zelf geen loon aan de appellant heeft betaald. Hetzelfde geldt trouwens voor de vakantieattesten. De partijen dienen zich ook uit te spreken of de verplichting tot afgifte van de andere sociale en fiscale documenten die wordt gevraagd, voortspruit uit soortgelijke dwingende bepalingen, alsook over de vraag wat hierop, gelet op de specifieke situatie van de partijen, hierop zou moeten worden vermeld. De zaak is op dit punt niet in staat van wijzen. . * * * HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bovenstaande gronden Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonderheid op artikel
- Recht doende op tegenspraak. Alle andere en strijdige conclusies verwerpende. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel, tweede kamer, d.d. 28 februari 2002 (A.R. nr. 19.643/00), in al zijn onderdelen, behalve in zoverre de appellant werd veroordeeld tot het betalen van de begrote kosten van de tweede geïntimeerde. Opnieuw wijzende, Zegt voor recht dat de Belgische arbeidsgerechten geen internationale rechtsmacht hebben om van de vordering tegen de tweede geïntimeerde kennis te nemen. Stelt de tweede geïntimeerde buiten de zaak. Veroordeelt de appellant overeenkomstig artikel 1017, eerste lid, Ger. W. tot het betalen van de kosten van de tweede geïntimeerde, begroot op 1.000 euro rechtsplegingsvergoeding. Verklaart de vordering tegen de eerste geïntimeerde ontvankelijk. Verklaart de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding en tot betaling van een schadevergoeding wegens het niet-betalen van bedrijfsvoorheffing ongegrond. Zegt dat de zaak niet in staat van wijzen is in zoverre zij betrekking heeft op de andere onderdelen van de vordering en verstuurt haar naar de bijzondere rol van de derde kamer. Houdt de beslissing over de overige gerechtskosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op 10 juni tweeduizend en acht. G. Balis: Kamervoorzitter, aangeduid bij bevelschrift van 10 juni 2008, ter vervanging van de heer J. Herman, Raadsheer in het Arbeidshof te Gent, aangeduid bij beschikking van de Eerste Voorzitter van het Arbeidshof te Brussel dd. 9 mei 2008, en aangewezen bij K.B. van 3 december 2007, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). J. Lindemans: Raadsheer in sociale zaken als werkgever M. Wampers: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer - bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer R. vandenput, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer - bedeinde, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). I. Hurkmans: Gedelegeerd Adjunct- Griffier. G. Balis I. Hurkmans J. Lindemans M. Wampers PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080610.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div