id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080630.1 Rolnummer: 49.391 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-07-03 06:38 Fiche De opvang van het hele gezin in een opvangcentrum is niet de meest aangepaste hulpverlening voor de evenwichtige groei van een kind dat de Belgische nationaliteit heeft doch waarvan de ouders , broer en zus illegaal op het grondgebied verblijven. De regel van artikel 5 § 2, 1e van de organieke wet van 8 juli 1976 is niet van toepassing op het kind dat de belgische nationaliteit bezit en volledige maatschappelijke dienstverlening kan genieten. Het is voor een evenwichtige en harmonische ontwikkeling van het kind uitgesloten dat het van de overige gezinsleden zou worden gescheiden. Zulks zou trouwens strijdig zijn met de grondrechten waarop het aanspraak kan maken. (o.m. op grond van het Verdrag inzake de rechten van het kind dat de harmonische ontplooiing van zijn persoonlijkheid van het kind in zijn gezin poogt te waarborgen en waarvan art 9 en 10 beogen het gezinsleven van het kind met zijn ouders te beschermen en van art 8 EVRM) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Vreemdelingen OCMW Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG — OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - maatschappelijke dienstverlening - vreemdelingen ouders die illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven — kind dat de Belgische nationaliteit bezit. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57 § 2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: X E art 57 §
- Eveneens gepubliceerd in SRK 2010, p. 85 + noot. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Leefloon Tegensprekelijk Definitief In de zaak: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BRUSSEL, met zetel te 1000, Hoogstraat 298 a, appellant, vertegenwoordigd door Mr. N. Dujardin loco Mr. S. Wahis, advocaat te 1060 Brussel, Tegen : M. P. C., in eigen naam en in haar hoedanigheid van wettelijke beheerder van J. C. P. geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. A. Goethals, advocaat te 1050 Brussel, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, meer Bepaald : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 29 november 2006 waarvan aan partijen kennis werd gegeven overeenkomstig artikel 792, 2° en 3° lid bij gerechtsbrief van 7 december 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 4 januari 2007; - de besluiten voor geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit Hof op 15 januari 2008; - de besluiten voor appellant ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 februari 2008; - beide partijen leggen hun dossier neer op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 29 mei 2008, waarna de debatten gesloten werden. Gelet op het schriftelijk advies van de heer J.J. André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie op 4 juni 2008 en de repliekconclusies van appellant neergelegd op 20 juni 2008; RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING Mevrouw P. is samen met haar echtgenoot, J. A. C. L. en haar twee minderjarige kinderen, I. S. en M. E., allen van Ecuadoraanse nationaliteit in september 2002 in Brussel aangekomen. Op 29-9-2003 kreeg zij een derde kind, J., geboren in België, die de Belgische nationaliteit heeft. Het gezin vroeg machtiging tot verblijf aan op grond van art 9 § 3 van de vreemdelingenwet. Aangezien niemand van het gezin aan de voorwaarden voldeed om officieel in België te werken kon het gezin na een tijdje niet meer in zijn basisbehoeften voorzien en werd op 14-10-2004 steun gevraagd aan het OCMW te Brussel. Bij beslissing van 8-11-2004 weigerde het OCMW steun te verlenen. Mevrouw P. stelde bij verzoekschrift van 16-11-2004 een verhaal in tegen die beslissing en verzocht de Arbeidsrechtbank te zeggen voor recht dat zij in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon J. gerechtigd was op een financiële toelage gelijk aan het leefloon van een alleenstaande, minstens ten bedrage van de gewaarborgde kinderbijslag vanaf 14-10-
- Bij vonnis van 21-4-2005 wees de Arbeidsrechtbank de vordering als ongegrond af daar zij meende dat het gezin niet behoeftig was. Het gezin zou hebben geleefd van de opbrengst van straatmuziek en van allerhande klusjes in het zwart. Dit vonnis werd in hoger beroep bevestigd bij arrest van 13-2-
- Intussen werd de echtgenoot van mevrouw P. vanuit Nederland gedwongen gerepatrieerd naar Ecuador zodat mevrouw P. alleen instond voor haar drie minderjarige kinderen. OP 31-1-2006 diende zij een nieuwe steunaanvraag in bij het OCMW te Brussel. Het OCMW stelde aan mevrouw P. voor om de nodige stappen te ondernemen voor de huisvesting van het gezin in een federaal opvangcentrum, hetgeen ze weigerde. Bij beslissing van 27-2-2006 weigerde het OCMW opnieuw om de steun toe te kennen om volgende redenen : " Aangezien de hulp aan personen die illegaal in het land verblijven, beperkt is tot de dringende medische hulpverlening. Aangezien U op de hoogte werd gebracht van de toepassing van artikel 57, § 2/2 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, evenals van het Koninklijk Besluit van 24 juni 2004 betreffende de toepassingen en voorwaarden waaronder een materiële hulp toegekend wordt aan een minderjarige vreemdeling die illegaal in het land verblijft, waardoor uw kin(eren) en uzelf de materiële hulp in een federaal opvangcentrum kunnen genieten. U heeft het voorstel van opvang in een federaal opvangcentrum geweigerd waarbij uw kinderen en uzelf kunnen gehuisvest worden in een onthaalcentrum. Bijgevolg kan u geen enkele andere vorm van sociale hulp worden toegekend, eventuele dringende medische hulp uitgezonderd. Uw administratieve situatie laat u immers niet toe om een andere vorm van steun te genieten als deze voorzien door artikel 57 § 2 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn". Deze beslissing werd aan mevrouw P. ter kennis gebracht op 31-3-
- Mevrouw P. stelde tegen die beslissing een verhaal in bij verzoekschrift dat op 2-6-2006 ter griffie werd neergelegd. Zij verzocht de Arbeidsrechtbank het OCMW te veroordelen tot betaling van financiële steun ten bedrage van het leefloon voor de categorie persoon met gezin ten laste en ten bedrage van de gewaarborgde kinderbijslag vanaf 31-1-2006 in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon Josue. In ondergeschikte orde vorderde zij dat het OCMW ertoe zou worden veroordeeld de huurgelden ten laste te nemen en de kosten voor gas, water en elektriciteit, voeding, kleding, hygiëne, de medische en farmaceutische kosten en de vervoerkosten voor het kind. Mevrouw P. diende een vestigingsaanvraag op grond van art 40 § 1 en § 6 van de vreemdelingenwet van 15-12-80, in haar hoedanigheid van ascendent van een Belg waarna zij een attest van immatriculatie ontving geldig van 1-6-2006 tot 31-10-
- Op 7-11-06 weigerde de Dienst Vreemdelingenzaken die aanvraag en de beslissing zou op 12-12-06, samen met een bijlage 20 aan mevrouw P. betekend zijn. Daarop diende mevrouw P. een verzoek tot herziening in overeenkomstig art 63,4° van de vreemdelingenwet en die procedure zou tot op heden nog niet afgerond zijn. Sinds 28-3-2007 is mevrouw P. in het bezit van een bijlage 35 die regelmatig wordt verlengd. Met het bestreden vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond in volgende mate: Zij vernietigde de beslissing van het OCMW van 27-2-2006 en veroordeelde het OCMW tot betaling aan mevrouw P. van de financiële steun t.b.v. het leefloon in de categorie persoon met gezin ten laste en ten bedrage van de gewaarborgde kinderbijslag vanaf 31-1-2006,behalve voor de maanden juni, juli, augustus, september en oktober
- Het OCMW kende immers bij beslissing van 10-7-2006 steun toe voor die maanden daar mevrouw P. intussen in het bezit was van een attest van immatriculatie geldig tot 31-10-
- Zij veroordeelde het OCMW tevens tot betaling van de wettelijke en gerechtelijke intresten op het verschuldigd bedrag en tot de kosten van het geding. De echtgenoot van mevrouw P. is volgens een recent uittreksel uit het nationaal register sinds 13-6-2007 opnieuw op het adres van het gezin ingeschreven. Het OCMW ondersteunt het gezin sinds juni
- VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP Het OCMW Brussel kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Het verzoekt het Hof deze te niet te doen en de oorspronkelijke vordering als ongegrond af te wijzen. In ondergeschikte orde meent het slechts veroordeeld te kunnen worden tot betaling aan mevrouw P. van steun in eigen naam. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het vonnis overeenkomstig artikel 792 § 2° en 3° lid Gerechtelijk Wetboek. Het is derhalve ontvankelijk. 2.Ten Gronde De betwisting in hoger beroep heeft betrekking op de periode van 1-2-2006 tot 30-5-
- Tijdens die periode verbleef mevrouw P. illegaal in het land, samen met haar twee oudste kinderen. Het jongste kind van Belgische nationaliteit verbleef wettig op het grondgebied. Voor de vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft beperkt art 57 § 2,1° van de organieke wet van 8-7-76 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de taak van het OCMW tot het verlenen van dringende medische hulp. Deze regel is in principe van toepassing op mevrouw P.. Deze regel vormt een uitzondering op de algemene regel van art 1, 1ste lid en art 57 §1 organieke wet dat een ieder recht heeft op maatschappelijke dienstverlening in de meest passende vorm, zonder beperkingen, teneinde een leven te kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Voor vreemdelingen jonger dan 18 jaar die illegaal op het grondgebied verblijven is het recht op maatschappelijke dienstverlening op grond van art 57 §2,2° organieke wet beperkt tot materiele hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en die uitsluitend wordt verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning. Zowel uit die wettelijke bepaling als uit de bewoordingen van het Koninklijk Besluit van 24-6-2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiele hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouder illegaal in het Rijk verblijft en uit de Omzendbrief van 16-8-2004 blijkt dat die regel beperkt is tot minderjarige vreemdelingen. Deze regel is in principe van toepassing op de twee andere kinderen van het gezin doch niet op het jongste kind dat de Belgische nationaliteit heeft en derhalve de volledige maatschappelijke dienstverlening kan genieten. Het Grondwettelijk Hof bevestigde in verschillende arresten dat een kind van Belgische nationaliteit recht heeft op volledige maatschappelijke dienstverlening krachtens art 1,1ste van de organieke OCMW-wet en de omstandigheid dat zijn ouders onwettig op het grondgebied verblijven verhindert niet dat zij in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger de maatschappelijke hulpverlening ontvangen waarop het kind recht heeft. (Grondwettelijk Hof arrest nr. 32/2006 van 1-3-2006; nr 35/2006 van 15-3-2006 en nr 66/2006 van 3-5-2006). Aangezien het gezin, met uitzondering van Josue, die de Belgische nationaliteit heeft illegaal in het land verbleef, is het OCMW van mening dat de enige manier om rekening te houden met het administratief statuut van alle leden van het gezin en de familie verenigd te houden was om het ganse gezin naar een federaal opvangcentrum te oriënteren. Het OCMW vindt voor dit standpunt steun in verschillende rechterlijke beslissingen. Daarenboven stelt het OCMW dat er geen enkel bewijs voorligt m.b.t. schulden die tijdens die periode zouden zijn gemaakt en is het van mening dat uit het arrest van het Hof van Cassatie van 7 december 2007 niet kan worden afgeleid dat maatschappelijke dienstverlening altijd retroactief moet worden toegekend. Het meent dat het OCMW of de rechter nog steeds de meest passende middelen voorstelt om in de behoefte aan dienstverlening te voorzien en deze erin kunnen bestaan de op het ogenblik van de beslissing nog bestaande gevolgen te verhelpen van een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid in zoverre die de betrokkene beletten een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Ondergeschikt herhaalt het OCMW zijn subsidiair verzoek, indien het Hof van mening zou zijn dat er gronden zijn om steun toe te kennen, deze aan de moeder toe te kennen in toepassing van de rechtspraak van de Arbeidsrechtbank te Brussel die zij aanhaalt. Het Hof is van oordeel dat de stelling van het OCMW i.v.m. de opvang in een federaal opvangcentrum, erop neerkomt dat hierdoor aan het minderjarig kind met de Belgische nationaliteit de rechten worden onthouden waarop het krachtens de Belgische wetgeving aanspraak heeft. Het is voor een evenwichtige en harmonische ontwikkeling van het kind uitgesloten dat het van de overige gezinsleden zou worden gescheiden. Zulks zou trouwens strijdig zijn met de grondrechten waarop het aanspraak kan maken. (o.m. op grond van het Verdrag inzake de rechten van het kind dat de harmonische ontplooiing van zijn persoonlijkheid van het kind in zijn gezin poogt te waarborgen en waarvan art 9 en 10 beogen het gezinsleven van het kind met zijn ouders te beschermen en van art 8 EVRM) Men kan niet buiten beschouwing laten dat het gezin zich gelet op het illegaal verblijf van de ouders in een zeer precaire situatie bevondt. Des te belangrijker is het in dat geval dat de affectieve banden behouden blijven die aan de gezinsleden, en bovenal aan de kinderen geborgenheid en veiligheid bieden. Het Grondwettelijk Hof onderlijnde dat het feit dat de ouder met illegaal verblijf van een kind dat wettig op het grondgebied verblijft geen eigen recht heeft op volledige maatschappelijke dienstverlening niet impliceert dat geen rekening dient te worden gehouden met de specifieke gezinssituatie bij de toekenning van hulpverlening aan het kind en dat het OCMW, en bij betwisting de rechter het meest geëigende middel moet kiezen om het hoofd te bieden aan de reële en huidige behoeften van de minderjarige om hem de vrijwaring van zijn gezondheid en ontwikkeling te verzekeren en dat aangezien bij de toekenning van maatschappelijke dienstverlening alle behoeften van het kind in aanmerking dienen te worden genomen, voor de vaststelling van de aan dat kind toe te kennen maatschappelijke dienstverlening rekening moet worden gehouden met de gezinssituatie van het kind.." (arrest 32/2006; 35/2006; 66/2006 voormeld) Het Hof treedt de zienswijze van mevrouw P. bij dat materiële hulp in een federaal opvangcentrum die afwijkt van een normale gezinssituatie de ontwikkeling van de kinderen niet ten goede zou komen. De kinderen zijn het gewoon om samen met hun ouders op een appartement te leven. Zij lopen school in het vlak bij gelegen St.Jan Berchmanscollege waar zij naast het Nederlands ook onderwijs krijgen in het Spaans, hun moedertaal, en ze zijn er goed geïntegreerd. Het gezin is ook in de buurt goed geïntegreerd. Uitgaande van die realiteit acht het Hof de opvang in een federaal centrum zeker niet de meest aangepaste hulpverlening voor een evenwichtige groei van het kind. De kleine vertrouwde gezinssfeer lost dan op in een collectief georganiseerde manier van samenleven. Meer dan waarschijnlijk moest het kind dan ook van school veranderen en ook de banden met de omgeving zouden worden verbroken. Het zijn ingrijpende veranderingen in de leefwereld van een kind die zijn ontwikkeling zouden kunnen schaden. De concrete mogelijkheden daartoe waren op het ogenblik van de beslissing van het OCMW bovendien nog niet onderzocht zodat mevrouw P. niet met kennis van zaken een beslissing kon nemen die de kinderen ten goede zou komen. In zijn advies onderlijnde de Advocaat-generaal terecht dat het verstrekken van materiële hulp aan kinderen in een federaal opvangcentrum in principe tijdelijke situaties beoogt ten aanzien van vreemdelingen die illegaal in het Rijk verblijven en het niet bevorderlijk zou zijn voor de ontwikkeling en opvoeding van een kind dat de Belgische nationaliteit heeft en wettig op het grondgebied verblijft, een langdurig verblijf in een opvangcentrum op te leggen zodat de ouders van dit kind deze opvang van de hand kunnen wijzen. Het Hof is derhalve van mening dat de Arbeidsrechtbank de juiste beslissing heeft getroffen. Aangezien de beslissing van de arbeidsgerechten - zoals doorgaans het geval is- betrekking heeft op een periode in het verleden, dient de vraag te worden beantwoord of mevrouw P. aanspraak kan maken op achterstallige financiële steun. Dat mevrouw P. niet over de middelen beschikte om het kind Josue een opvoeding te kunnen geven die beantwoordde aan de normen van de menselijke waardigheid is niet betwist. De betwisting handelde enkel over de aard van de steun die verleend moest worden. In zijn arrest van 17-12-2007(S.07.0017.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071217.3) overwoog het Hof van Cassatie dat geen enkel wetsvoorschrift bepaalde dat geen maatschappelijke dienstverlening kon bekomen worden voor de periode tussen de aanvraag en de rechterlijke beslissing. Mevrouw Picusai legt stukken voor waaruit blijkt dat gedurende verschillende maanden de huur en de kosten niet konden worden betaald, zodat zij aangezien zij geen inkomsten had, op het ogenblik dat de steun wel werd toegekend een aanzienlijk schuldbedrag diende af te lossen, waarvoor ze aantoont leningen te hebben aangegaan. De nadien toegekende steun kon ternauwernood volstaan om ervoor te zorgen dat het kind een menswaardig leven kon leiden. Indien daarmee achterstallige schulden worden terugbetaald, kan het niet anders dan dat het menswaardig bestaan daarmee in het gedrang komt. Mevrouw P. had immers geen inkomsten en was voor voeding en kleding aangewezen op humanitaire hulp. Het Hof is derhalve van oordeel dat mevrouw P. wel degelijk aanspraak kan maken op de steun die verschuldigd was tijdens de periode tussen 31-1 en 1 juni 2006 en er geen enkele reden is om deze niet toe te kennen. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer J.J.André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie op 4-6-08; en op de repliek van appellant, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond Bevestigt het bestreden vonnis. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van het OCMW Brussel. Deze werden tot op heden niet begroot door partijen. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : mevrouw G. BALIS, Voorzitter de heer G. JACOBS, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider Bijgestaan door mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. BALIS G. JACOBS G. DE SAEDELEER H. SILON En uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op 30 juni 2008 door : Mevrouw G. BALIS, Voorzitter Bijgestaan door Mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier. G. BALIS G. DE SAEDELEER PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080630.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071217.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div