id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 29 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080829.1 Rolnummer: 50.083 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-22 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 17:50 Fiche Voor de schuldvorderingen in het sociale zekerheidsrecht heeft de wetgever in de regel geopteerd voor korte verjaringstermijnen. Hij heeft aldus voor de rechtszekerheid gekozen. In de Z.I.V. wetgeving heeft de wetgever de gevolgen van het stellen van bedrieglijke handelingen uitdrukkelijk geregeld. Hij heeft het vertrekpunt van de verjaringstermijn echter niet verschoven tot aan de datum van de kennisname van het gepleegde bedraog en de onverschuldigde betaling.. Hij voorzag in een dubbele verjaringstermijn. In geval van fraude wordt de verjaringstermijn verlengd. Het vertrekpunt blijft hetzelfde : de opeisbaarheid van de schuld (vgl. tevens art 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en artikel 16 van de wet van 27 februari 1987 betreffende tegemoetkomingen aan personen met een handicap). De verjaringstermijn waarin art. 174 van de ziektewet voorziet loopt derhalve vanaf de opeisbaarheid van de schuld en niet vanaf de kennisname van de schuld. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Controle - geschillen - Verjaring Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE-EN INVALIDITEITSVERZEKERING - verjaring van de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde prestaties - vertrekdatum. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 174 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENENTWINTIG AUGUSTUS TWEEDUIZEND EN ACHT 7de KAMER Ziekte- en Invaliditeitsverzekering Tegensprekelijk Heropening van de debatten In de zaak: LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, waarvan de zetel gevestigd is te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 479 bus 40, appellant, vertegenwoordigd door Mr. V. en O. Van Obberghen, advocaten te 1800 Vilvoorde. Tegen : RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Ph. Roels loco Mr. M. Van Bever, advocaat te 1850 Grimbergen. Gelet op de toepasselijke wetgeving, in het bijzonder op : Het Gerechtelijk Wetboek. De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering. Gelet op de stukken van rechtspleging, in het bijzonder op : Het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 9 februari
- Het verzoekschrift tot hoger beroep van de L.C.M., ontvangen ter griffie op 20 juli
- De besluiten en aanvullende besluiten door het R.I.Z.I.V. neergelegd op 16 oktober 2007 en 29 januari
- De besluiten door de L.C.M. neergelegd op 8 januari
- Het schriftelijk advies van advocaat-generaal André, toen substituut-generaal, ter griffie neergelegd op 15 mei
- De repliekbesluiten van de L.C.M. ter griffie neergelegd op 4 juni
- Deze repliekbesluiten werden laattijdig neergelegd, gelet op het feit dat de termijn hiertoe verstreek op 2 juni 2008.Die worden dan ook uit de debatten geweerd. Gehoord partijen ter openbare terechtzitting van 8 mei
- De zaak is op 2 juni 2008 in beraad genomen. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld en is derhalve ontvankelijk. I. DE FEITEN Mevrouw M. is lid van de L.C.M. In 1993 doet een werkgever aan de R.S.Z. aangifte van de tewerkstelling van Mevrouw M.. Hij betaalt socialezekerheidsbijdragen wegens deze tewerkstelling. In mei 1993, en dan vanaf 1 juni 1993 tot 13 maart 1994 geeft Mevrouw M. aan de L.C.M. aan dat zij arbeidsongeschikt is. De L.C.M. betaalt haar 11.056,62 EUR uitkeringen wegens arbeidsongechiktheid. Op 1 mei 1999 zou de laatste betaling geschied zijn. Uit een onderzoek van de Rijksdienst voor sociale zekerheid (R.S.Z.) blijkt echter dat Mevrouw M. onrechtmatig aan de sociale zekerheid onderworpen is. In werkelijkheid heeft zij in 1993 bij de werkgever niet gewerkt. Aldus zijn haar 11.056,62 EUR uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid ten onrechte betaald. Op 9 december 2002 wordt de R.S.Z. in kennis gesteld van de fraude. Hij annuleert de aangegeven prestaties van Mevrouw M., schrapt de aangiftes van de werkgever, en verwittigt het R.I.Z.I.V. Op 7 februari 2003 verwittigt het R.I.Z.I.V. de L.C.M. Hij geeft de L.C.M. als opdracht de eventuele regularisaties door te voeren en de verjaring bij angetekende brief te stuiten. De L.C.M. vordert geen terugbetaling van Mevrouw M. en stuit de verjaring niet. In juli 2004 voert het R.I.Z.I.V. een controle uit bij de L.C.M. Het stelt vast dat de L.C.M. de uitkeringen niet teruggevorderd heeft. II. DE BESLISSING Met de beslissing van 9 juli 2004 n°003104CE00067800 beslist het R.I.Z.I.V. dat : de L.C.M. "het geval van Mevrouw M. dient te regulariseren" en de 11.056,62 EUR in 1993 en 1994 onverschuldigd betaalde uitkeringen van Mevrouw M. dient terug te vorderen. De L.C.M tekent beroep aan tegen deze beslissing bij de arbeidsrechtbank te Brussel. III. HET VONNIS Met het vonnis van 9 februari 2007 wijst de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van de L.C.M. af. IV. HET HOGER BEROEP De L.C.M. tekent hoger beroep aan. Hij vordert : De beslissing van het R.I.Z.I.V. te vernietigen. Hem vrij te stellen van 11.056,62 EUR ten onrechte betaalde uitkeringen van Mevrouw M. terug te vorderen. Het R.I.Z.I.V. vordert het vonnis te bevestigen. V. DISCUSSIE
- Krachtens art. 174, 5° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 met betrekking tot de gezondhseidszorgen en de uitkeringen (de Z.I.V.-Wet), bedraagt de verjaringstermijn 5 jaar, wanneer het te onrechte verlenen van prestaties het gevolg is van bedrieglijke handelingen. De verjaringstermijn begint te lopen op het einde van de maand waarin de prestaties zijn uitbetaald. De L.C.M. meent dat zijn vordering tot terugbetaling tegen Mevrouw M. in 2002 reeds verjaard was. Hij stelt dat de verjaringstermjn van vijf jaar aanvangt vanaf het einde van de maand waarin de prestaties uitbetaald zijn. Het R.I.Z.I.V. meent integendeel dat de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling, pas op 9 december 2002 is beginnen te lopen, hetzij op de datum waarop de R.S.Z. in kennis werd gesteld van de onrechtmatige onderwerping van Mevrouw M. aan de sociale zekerheid. Op 9 juli 2004 was volgens het R.I.Z.I.V. de schuldvordering van de L.C.M. tegen Mevrouw M. nog niet verjaard.
- In de regel loopt de verjaring vanaf de opeisbaarheid van de schuldvordering (Cass., 6 november 2002, P. 01.1773.F, juridat.be ; A. Van Oevelen, "Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaat recht", T.P.R., 1987, p. 1781, nr 24). Art. 2257 van het Burgerlijk wetboek (B.W.) past deze regel toe in de gevallen die hij regelt. De schuldvordering die van een voorwaarde afhangt is niet opeisbaar, zolang de voorwaarde niet vervuld is. Krachtens artikel 2257 B.W. loopt dan ook de verjaring van de schuldvordering die van een voorwaarde afhangt niet, zolang die voorwaarde niet vervuld is. De prestaties zijn nooit terecht aan mevrouw M. verleend. Mevrouw M. heeft inderdaad in 1993 bij de vermelde werkgever niet gewerkt. De (frauduleuse) betaling van de sociale zekerheidsbijdragen heeft geen recht laten ontstaan : Mevrouw M. was geen werkneemster en had dan ook geen recht op prestaties van de sociale zekerheid voor werknemers. De schuldvordering tot betaling van ten onrechte betaalde uitkeringen hangt van geen voorwaarde af. De schuldvordering bestaat, en is opeisbaar, vanaf de ten onrechte betaling. De verjaring loopt dan ook in de regel vanaf de betaling, en overeenkomstig art. 174 5° van d Z.I.V.-Wet, vanaf de laatste dag van de maand waarop de betaling geschiedde (zie m.b.t. de terugvordering van ten onrechte betaalde sociale zekerheidsbijdragen: Cass., 18 januari 1982, Arr. Cass., 1981-82, p. 621; de vordering tot betaling van kinderbijslagen: Cass., 18 april 1983, Arr. Cass., 1982-83, p. 985).
- In de Europese rechtssystemen spreekt men meer en meer van de kennisname als vertrekpunt van verjaringstermijnen(I. Claeys, "Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkende feit als vertrekpunt van de verjaring", in I. Claeys, Ed., Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt, Kluwer, 2005, p. 37). De verjaringsregelingen zijn getroffen zowel in het belang van verweerders (gemoedrust; beperking van de verplichting tot behoud van bewijsstukken)als in het belang van eisers (redelijke termijn om zijn rechten te doen gelden) als in het algemeen belang, in het bijzonder in het belang van de rechtszekerheid (I. Claes, o.c., pp. 33-35). Het komt aan de wetgever toe om een bepaald evenwicht te kiezen tussen die drie tegengestelde belangen. Het feit dat de verjaringstermijn vanaf de opeisbaarheid begint te lopen vindt zijn verklaring in het belang van de rechtszekerheid (I. Claeys, o.c., p. 49) Het verschuiven van het vertrekpunt tot aan de kennisname verlengt de verjaring en verbetert de bescherming van eisers. Het vermindert evenwel de rechtszekerheid en de bescherming van verweerders.
- In België heeft de wetgever, na de belangrijke arresten van het Hof van Cassatie van 13 januari 1994 (J.T., 1994, p. 291) en van het Arbitragehof van 25 maart 1995, art. 2262bis in het Burgerlijk wetboek ingevoerd. Uitsluitend voor de rechtsvorderingen tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, wordt met deze bepaling een dubbele verjaringstermijn ingevoerd : de vordering verjaart vijf jaar na de kennisname van de schade en van de identiteit van de verantwoordelijke, met een maximum van twintig jaar vanaf het schadeverwekkend feit (art. 2262bis §1 lid 2 en 3 B.W.) Voor alle andere schuldvorderingen, duidt art. 2262bis geen vertrekpunt aan. Er wordt aangenomen dat de verjaring begint te lopen vanaf de opeisbaarheid van de rechtsvordering (I. Claeys, o.c., p. 46).
- In geval van fraude zou het vertrekpunt van de verjaring kunnen verschoven worden, tot op de dag dat de schuldeiser kennis neemt van het bestaan van de schuldvordering. Dit zou een toepassing kunnen worden van het adagium fraus omnia corrumpit (I. Claeys, o.c., pp. 82-83). M.b.t. de rechtsvorderingen tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid van art. 2262bis §1 lid 2 en 3, heeft de wetgever er aan verzaakt het geval van het bedrog uitdrukkelijk te regelen (ibidem). M.b.t. andere schuldvorderingen heeft de wetgever wel ingegrepen (b.v. art. 34, §1, tweede lid van de Verzekeringswet). Bepaalde auteurs waarschuwen tegen de risico's voor de rechtszekerheid (onzekerheid van het begrip kennisname ; onzekerheid van de datum van kennisname; risico van verlies van bewijsstukken, enz. - moeilijkheden worden vermeld in de toepassing van art. 34, §1 tweede lid van de verzekeringswet - M. Marchandise volgens La prescription libératoire en matière civile, Larcier, 2007, p. 64). Er wordt gepleit voor een restrictieve invulling van het begrip: de toepassing van het adagium dient beperkt te worden tot de gevallen waarin het bedrog de verjaring tot doel heeft (I. Claeys, o.c., p. 83).
- Voor schuldvorderingen in het sociale zekerheidsrecht heeft de wetgever in de regel korte verjaringstermijnen gekozen. Hij heeft aldus voor de rechtszekerheid gekozen. In deze rechtstak komt bedrog tamelijk vaak voor. Werkgevers stellen bedrieglijke handelingen om hun schuld aan sociale bijdragen te omzeilen, sociale verzekerden om van prestaties te kunnen genieten waar zij geen (of niet volledig) recht op hebben. In vele regelingen, en onder andere in de Z.I.V.-Wet, heeft de wetgever de gevolgen van het bedrog uitdrukkelijk geregeld. Hij heeft het vertrekpunt van de verjaringtermijn tot aan de kennisname niet verschoven, maar wel een andere oplossing gekozen : een dubbele verjaringstermijn. Hij heeft in het algemeen korte verjaringstermijnen ingesteld, bv. van twee of drie jaar. In geval van fraude heeft hij langere termijnen bepaald, bv. vijf jaar. Al deze verjaringstermijnen lopen vanaf hetzelfde vertrekpunt : de opeisbaarheid van de schuld (zie art. 174 van de Z.I.V.-Wet, art. 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en art. 16 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap). Zodoende heeft de wetgever, zelfs in het geval van bedrog voor de rechtszekerheid gekozen, met een iets ruimere bescherming van de schuldeiser.
- Samengevat loopt de verjaringstermijn van artikel 174 van de Z.I.V.-Wet vanaf de (laatste) dag (van de maand) van de opeisbaarheid, zelfs in geval van bedrog. Het vertrekpunt van de verjaring wordt niet verschoven tot aan de kennisname van de schuld.
- De L.C.M. stelt dat zij de laatste bedragen aan Mevrouw M. op 1 mei 1999 betaald heeft. De terugvordering van deze bedragen was niet verjaard in februari 2003, wanneer het R.I.Z.I.V. de L.C.M. verzocht heeft om de schuld terug te vorderen en de verjaring te stuiten. De debatten worden dan ook heropend, om de partijen toe te laten aan het hof te laten kennen : De datums van de betalingen aan mevrouw M.. De eventuele schorsingen van de verjaring, die geschied zouden zijn binnen de verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de laatste dag van de maand van elk betaling. De gevolgen van het feit dat de L.C.M. de verjaring niet gestuit zou hebben na fébruari 2003, als dit nog mogelijk was. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het arbeidshof te Brussel Recht doende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Alvorens op de grond van het hoger beroep recht te doen, Heropent de debatten om voormelde redenen op de openbare terechtzitting van donderdag 2 oktober 2008 om 14u
- Bepaalt de totale duur van de pleidooien op 15 minuten. Houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door : Mevrouw M. DELANGE,Raadsheer, De heer I. VAN DAMME, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, De heer J.P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in Sociale Zaken, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier M. DELANGE I. VAN DAMME L. HERREGODTS. J.P. VAN CONINGSLOO En uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op negenentwintig augustus tweeduizend en acht door : Mevrouw M. DELANGE, Raadsheer Bijgestaan door L. HERREGODTS, Griffier. M. DELANGE. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080829.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div