id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080908.13 Rolnummer: 49.644 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 17:52 Fiche Onder de zorgen verschuldigd aan het slachtoffer dienen, krachtens artikel 28 van de wet van 10 april 1971, te worden verstaan alle zorgen van aard het slachtoffer te herstellen (en te behouden) in een fysieke staat die zoveel mogelijk de staat van vóór het ongeval benadert. Het is niet vereist dat de behandeling van aard is de arbeidsongeschiktheid te herleiden. Pijnbestrijding is een middel om het slachtoffer te herstellen in de staat die deze van voor het ongeval benadert, vermits voor het ongeval het slachtoffer gevrijwaard was van de pijnen die het gevolg zijn van het ongeval. Zonder belang is daarbij of de geneeskundige zorgen verleend worden voor of na de consolidatie. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Betaling Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SEKTOR - Kosten van geneeskundige verzorging die ten laste moeten genomen worden door de verzekering. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 28 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 SEPTEMBER
- 5DE KAMER Arbeidsongeval Tegensprekelijk Aanstelling college van deskundigen In de zaak :
- V.J. , wonende te [xxx]. Appellant, vertegenwoordigd door Mr. F. GROETAERS loco Mr. T. HOSCHET, advocaat te Leuven.
- LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met burelen gevestigd te 1030 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 - PB
- Appellant, vertegenwoordigd door I. HENDERICKX loco Mr PELGRIMS, advocaat te Aarschot. Tegen: N.V. K.B.C.-Verzekeringen, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3000 LEUVEN, Waaistraat
- Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. K. GEERTS, advocaat te Leuven. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Leuven op 19 december 2006; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 13 maart 2007; de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 16 juni 2008 waarna de debatten gesloten werden. Gehoord de heer D. SOETEMANS, Eerste Advocaat-Generaal in zijn mondeling advies gegeven op diezelfde openbare terechtzitting. Partijen zien af van hun recht op repliek op dit advies. Partijen zien af van het houden van een installatievergadering. Gelet op de neergelegde stukken.
- DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING
- Eerste appellant is op 11 februari 1991 het slachtoffer geworden van een arbeidsongeval waarbij hij een letsel opliep aan de rechtervoet. De erkenning van dit ongeval als arbeidsongeval evenals de realiteit van het opgelopen letsel (Südeck-atrofie) zijn niet betwist. Betwisting bestond wel tussen partijen over de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het ongeval en de ten laste name van bepaalde zorgen. Bij vonnis van 13 januari 1994 werd, na vrijwillige verschijning van partijen, door de Arbeidsrechtbank te Leuven een deskundig onderzoek bevolen en werd Dr. Tordeurs aangesteld als deskundige. De deskundige heeft op 14 juli 1994 een ontwerp van verslag bezorgd aan partijen. Daarin bepaalde hij de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid (die als dusdanig nooit betwist zijn geworden), de datum van consolidatie (13 september 1993) en een economische arbeidsongeschiktheid van 25 %. Met betrekking tot de geneeskundige zorgen, en met name de pijntherapie die appellant op dat ogenblik volgde, preciseert de deskundige: " Wat betreft de eventuele verdere behandeling na de consolidatie, deze behandeling zou kunnen beschouwd worden als nuttig voor de subjectieve lasten, doch deze dienen niet als noodzakelijk aanzien te worden voor de gevolgen van het ongeval van 11 februari 1991". Op verzoek van partijen heeft de deskundige, alvorens zijn verslag neer te leggen, nieuwe aanvullende onderzoeken laten uitvoeren. Ingevolge deze onderzoeken heeft hij in zijn eindverslag, zoals neergelegd voor rechtbank, de economische arbeidsongeschiktheid geraamd op 30 %. Met betrekking tot de medische zorgen concludeert hij thans: " Eventuele verdere behandeling na de consolidatie wordt niet aanzien als noodzakelijk voor de gevolgen van het ongeval van 11 februari 1991". Op vraag van partijen heeft de deskundige, ook na neerlegging van zijn verslag, nog aanvullend verslagen gemaakt met betrekking tot de door appellant gevolgde pijnbehandeling. In een verslag van 21 mei 1996 stelt hij dat "deze behandelingen zouden kunnen beschouwd worden als nuttig voor de algemeen verspreide subjectieve lasten over heel het lichaam doch deze kunnen niet als noodzakelijk aanzien worden voor de gevolgen van het ongeval van 11 februari 1991". In een verslag van 4 november 1996 past hij zijn conclusie in die zin aan dat gepreciseerd wordt dat het gaat over de subjectieve lasten " inbegrepen deze van het ongeval".
- Bij tussenvonnis van 26 juni 2001 heeft de Arbeidsrechtbank te Leuven de conclusies van de deskundige bevestigd voor wat betreft de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, de consolidatiedatum en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid. Met betrekking tot de problematiek van de behandelingen na consolidatie heeft de Arbeidsrechtbank een aanvullend deskundige onderzoek bevolen en heeft zij dit onderzoek toevertrouwd aan Dr. Van Gerven. Deze had als opdracht aan te duiden welke behandelingen het gevolg waren van het arbeidsongeval, te preciseren welke behandelingen ingevolge het ongeval nodig waren in de zin van artikel 28 van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen en desgevallend de kosten ervan te bepalen. De rechtbank preciseerde daarbij dat in de zin van artikel 28 van de wet van 10 april 1971 kosten als nodig moeten beschouwd worden als zij van aard zijn de toestand van het slachtoffer te herstellen zodanig dat deze zoveel mogelijk de vroegere toestand benadert, zonder dat vereist is dat de zorgen uiteindelijk de ongeschiktheid verminderd hebben.
- In haar eerste verslag van 14 januari 2003 concludeert deze deskundige: " De behandelingen voor het rechter onderste lidmaat, gegeven tot de consolidatiedatum van 13 september 1993, waren nodig ingevolge het arbeidsongeval van 11 februari
- Sinds de consolidatiedatum zijn de behandelingen ter hoogte van het rechter onderste lidmaat niet meer noodzakelijk om de gevolgen van het arbeidsongeval van 11 februari 1991 te stabiliseren. De uitgevoerde behandelingen ter hoogte van het linker onderste lidmaat zijn geen gevolg van het arbeidsongeval van 11 februari 1991 en dienen niet ten laste genomen te worden".
- Bij vonnis van 20 februari 2004 heeft de Arbeidsrechtbank te Leuven aan de aangestelde deskundige dokter Van Gerven een bijkomende opdracht gegeven en met name gevraagd haar definitieve besluitvorming opnieuw te onderzoeken in het licht van een verslag van dokter Ceulemans van 20 augustus
- Op 21 december 2005 heeft de deskundige haar aanvullend verslag neergelegd. Daarin bevestigt zij de conclusies van haar vroegere verslag.
- Bij vonnis van 19 december 2006 heeft de Arbeidsrechtbank te Leuven de conclusies van het deskundig verslag bevestigd en geoordeeld dat vanaf de consolidatiedatum de behandelingen, gevolgd door eerste appellant ter hoogte van het rechter en linker onderste lidmaat, niet nodig waren ingevolge het arbeidsongeval van 11 februari
- Eerste appellant heeft op 12 maart 2007 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Eerst appellant voert tot staving van dit beroep o.m. aan dat :
(1)de tweede deskundige niet geantwoord heeft op de door de rechtbank gestelde vraag vermits zij telkens spreekt over behandelingen die "noodzakelijk" zijn en niet over behandelingen die "nodig" zijn, zoals door de rechtbank in zijn tussenvonnis gepreciseerd was; eerste appellant voert daarbij aan, met verwijzing naar rechtspraak, dat het volstaat dat de zorgen voor het slachtoffer nuttig kunnen zijn opdat deze in de zin van artikel 28 van de wet van 10 april 1991 ten laste dienen genomen te worden door de verzekeraar arbeidsongevallen;
(2)het tegenstrijdig is de pijnbehandelingen, die vóór en na de consolidatiedatum dezelfde waren, wel als nodig te beschouwen vóór de consolidatiedatum doch niet meer erna;
(3)de conclusies van de nieuwe deskundige tegenstrijdig zijn met de conclusies van dokter Tordeur die wel een oorzakelijk verband zag tussen de pijnbehandeling en het ongeval;
(4)de nieuwe deskundige haar besluit mee gesteund heeft op de overweging dat de door de eerste deskundige vastgestelde invaliditeitpercentages te hoog waren, terwijl deze invaliditeitpercentages definitief waren ingevolge het vonnis van de Arbeidsrechtbank.
(5)de pijnbehandeling uitgevoerd wordt in een universitair centrum (U.Z. Leuven) hetgeen een garantie is voor de degelijkheid en wetenschappelijkheid van de uitgevoerde behandeling. Eerste appellant vraagt in hoofdorde dat het Arbeidshof zou beslissen dat de betwiste kosten wel degelijk ten laste genomen moeten worden door geïntimeerde. In ondergeschikte orde vraagt hij de aanstelling van een nieuwe deskundige of college van deskundigen. Tweede appellant, die als verzekeraar ziekte en invaliditeit de betwiste kosten gedeeltelijk ten laste genomen heeft en voor de terugvordering van deze kosten is gesubrogeerd is in de rechten van zijn verzekerde, heeft bij besluiten incidenteel beroep aangetekend. Tweede appellant vraagt dat de nieuw aan te stellen deskundige(n) gedetailleerd zou bepalen welke kosten ten laste dienen genomen te worden door geïntimeerde. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het vonnis van 19 december 2006 zodat het beroep geacht wordt tijdig te zijn ingesteld. III. BEOORDELING.
- Zoals reeds gesteld werd door de eerste rechter in zijn tussenvonnissen en in zijn eindvonnis van 19 december 2006 dient de verzekeraar arbeidsongevallen, overeenkomstig artikel 28 van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen, alle kosten ten laste te nemen die nodig zijn ingevolge het ongeval. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naargelang deze kosten zich situeren voor of na de consolidatiedatum. De consolidatiedatum houdt enkel in dat er medisch mag van uitgegaan worden dat de arbeidsongeschiktheid niet meer zal evolueren, maar sluit geenszins uit dat na consolidatie verdere medische zorgen noodzakelijk zijn om een verergering van de letsels te voorkomen of om de gevolgen van de letsels te verzachten. Onder de zorgen verschuldigd aan het slachtoffer dienen, krachtens artikel 28 van de wet van 10 april 1971, te worden verstaan alle zorgen van aard het slachtoffer te herstellen in een fysieke staat die zoveel mogelijk de staat van vóór het ongeval benadert. Het is niet vereist dat de behandeling van aard is de arbeidsongeschiktheid te herleiden (Cass.5.04.2004, Soc. Kron.2005, 397). Pijnbestrijding is een middel om het slachtoffer te herstellen in de staat die deze van voor het ongeval benadert, vermits voor het ongeval het slachtoffer gevrijwaard was van de pijnen die het gevolg zijn van het ongeval.
- Bij de lezing van de verschillende verslagen van de deskundigen en de medische verslagen die daaraan toegevoegd worden dringen een aantal bedenkingen zich op die van aard zijn minstens twijfel op te wekken over het antwoord dat de deskundigen uiteindelijk geven op de door de rechtbank gestelde vragen. 2.
- In zijn eerste (voorverslag) van 14 juli 1994 is de deskundige Tordeurs van oordeel dat de betwiste behandelingen ook na consolidatie, als nuttig kunnen beschouwd worden voor het slachtoffer, maar niet als noodzakelijk. In het licht van een correcte interpretatie van artikel 28 van de wet van 10 april 1991 moet daaruit afgeleid worden dat de pijnbehandeling ten laste dient genomen te worden door de verzekeraar arbeidsongevallen. In de conclusie van het eindverslag van deze deskundige is geen sprake meer van het nuttig karakter van de behandeling maar wordt enkel vermeld dat de behandelingen na de consolidatie niet noodzakelijk zijn. Waarom het nuttig karakter van de behandelingen na consolidatie niet meer in de conclusies hernomen wordt blijkt echter niet uit het verslag. In de bespreking van het verslag wordt, met verwijzing naar een onderzoek dat op vraag van de deskundige werd uitgevoerd door de heer Quintens, geoordeeld dat de oorspronkelijke vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 25% op 30 % dient gebracht te worden omwille van het aanhoudend pijnsyndroom, dat als dusdanig de invaliditeit verhoogt. Daaruit volgt dat deze deskundige in ieder geval de realiteit van de pijnen zonder twijfel aanvaardt, vermits hij op die basis de invaliditeitsgraad verhoogt. Uit de aanvullende verslagen van deze deskundige, ingevolge een minnelijke heropening van de expertise, blijkt dan weer dat volgens de deskundige de behandelingen na consolidatie zouden kunnen beschouwd worden als nuttig voor de algemeen verspreide subjectieve klachten over heel het lichaam, inbegrepen deze van het ongeval. 2.
- In het eerste verslag van dokter Van Gerven wordt bevestigd dat de behandelingen voor de rechtervoet tot aan de consolidatiedatum nodig waren ingevolge het arbeidsongeval van 11 februari
- Vanaf de consolidatie datum zouden deze behandelingen echter " niet meer noodzakelijk zijn om de gevolgen van het ongeval te stabiliseren". Uit het verslag blijkt niet waarom deze deskundige een onderscheid maakt tussen de behandelingen vóór en na de consolidatie en blijkt evenmin wat de deskundige precies bedoelt met de zin dat de behandelingen niet meer noodzakelijk zijn om de gevolgen van het ongeval te " stabiliseren". In het verslag wordt ook niet uitdrukkelijk onderzocht of de pijnbehandeling op enig ogenblik enig effectief nut gehad heeft voor de eerste appellant. De bespreking op pagina 20 van het verslag en met name de eerste alinea van de bespreking waarin enkel sprake is van de uitbreiding van de Sudeck-atrofie naar het linker onderste lidmaat geeft verder de indruk dat de deskundige haar onderzoek vooral toegespitst heeft op de vraag of er ook sprake was van een aantasting van dit lidmaat, in plaats van op de vraag of de behandeling, die ingesteld was voor de rechtervoet en waarvan nooit betwist geworden is dat er zich oorspronkelijk een Sudeck-atrofie heeft voorgedaan. Verder sluit de opmerking van de deskundige dat na jaren de omtrekmetingen en de mobiliteit van de beide enkels vergelijkbaar zijn "dankzij of ondanks de gevolgde behandelingen" uitdrukkelijk niet de hypothese uit dat de ingestelde behandelingen wel een effect kunnen gehad hebben, minstens t.a.v. de rechtervoet. In het tweede verslag van Dr. Van Gerven wordt in de bespreking het volgende vermeld : " In verband met het ‘nuttige en redelijke' van de toegediende pijnstelling: de juridische discussie wanneer een behandeling ‘nuttig of noodzakelijk' laat zij over aan de wijsheid van de arbeidsrechter. Inderdaad kan men zich terecht afvragen of de toch toegediende therapieën nuttig of noodzakelijk zijn geweest: zij hebben niet geleid tot vermindering van het toegekende percentage blijvende arbeidsongeschiktheid, de functionele status is met of zonder deze behandelingen dezelfde en betrokkene heeft sinds het arbeidsongeval geen officieel bezoldigde functie meer bekleedt". Deze opmerking van de deskundige wekt minstens de indruk dat zij ervan uitgaat dat een behandeling enkel nodig is in de zin van artikel 28 van de wet van 10 april 1991 wanneer zij er toe leidt de arbeidsgeschiktheid of de functionele status van de betrokkene te verbeteren, zonder in aanmerking te nemen dat deze behandeling desgevallend bij kon dragen tot de verlichting van de pijnen van de betrokkene en aldus van aard was om de toestand van het slachtoffer te herstellen in een staat die deze benadert van vóór het ongeval, d.w.z. een status zonder pijnen. 2.
- Uit de lezing van de verschillende behandelingsverslagen zoals die onder meer gevoegd zijn bij het laatste deskundig verslag (bvb. de verslagen van 11 juni 2002, 6 augustus 2002 en 7 januari 2003) blijkt dat het slachtoffer steeds een gunstig en zelfs een zeer gunstig effect signaleert van de ingestelde behandeling (zogenaamde "Bierblocks") : na de behandeling is hij steeds vier tot vijf weken pijnvrij. Dat de behandeling een gunstig effect lijkt te ressorteren blijkt verder te volgen uit een grote therapietrouw en dit ten aanzien van een behandeling die als dusdanig belastend is (en in ieder geval meer belastend is dan het nemen van gewone pijnmedicatie). In dit verband merkt eerst appellant terecht op dat de omstandigheid dat de behandeling wordt ingesteld in een universitair pijncentrum in ieder geval een zekere garantie inhoudt dat het om een wetenschappelijk verantwoorde behandeling gaat, zelfs indien er discussie zou kunnen bestaan over de waarde van de behandeling, eventueel post hoc. In dit kader is de allusie van de deskundige op pagina 26 en haar verslag op andere behandelingen zoals acupunctuur en inname van voedingssupplementen niet overtuigend.
- In het licht van deze elementen is het Arbeidshof van oordeel dat ondanks de omstandigheid dat reeds verschillende expertises werden uitgevoerd, een bijkomend deskundig onderzoek nuttig is. Daarbij dient in de eerste plaats gepreciseerd te worden dat uit de standpunten ingenomen door de raadsgeneesheren van eerste appellant in het kader van de expertiseonderzoeken, blijkt dat niet langer aangevoerd wordt dat de pijn in het linker onderste lidmaat het gevolg zou zijn van het arbeidsongeval. Het deskundig onderzoek dient daar dan ook niet verder betrekking op te hebben. Verder dient gepreciseerd te worden dat het nuttig karakter van een behandeling essentieel dient beoordeeld te worden op het ogenblik dat zij wordt ingesteld en niet post factum. De deskundigen zullen met andere woorden moeten oordelen of de ingestelde pijnbehandeling redelijkerwijze als nuttig voor de verzachting van de letsels van het arbeidsongeval kon beschouwd worden in de ganse periode waarin zij werd uitgevoerd, rekening houdend met de dat op het ogenblik bestaande kennis. In de mate dat de deskundigen oordelen dat de ingestelde pijnbehandelingen nuttig zijn of konden zijn, zullen zij, zoals gevraagd door partijen dienen te preciseren welke behandelingen kunnen beschouwd worden als verband houdend met het ongeval, waarbij o.m. het onderscheid zal moeten gemaakt worden tussen de behandelingen aan het rechter en linker lidmaat. Het Hof preciseert daarbij echter dat de opdracht van de deskundigen een opdracht van medische aard is en dat partijen zelf de afrekeningen en stukken moeten verzamelen en behoorlijk voorbereiden die de deskundigen moeten toelaten op basis van het medisch dossier na te gaan welke behandelingen desgevallend in verband staan met het ongeval. Gelet op de diverse aspecten van de problematiek en de reeds vroeger uitgevoerde expertises lijkt de aanstelling van een college van deskundigen noodzakelijk, bestaande uit een orthopedisch chirurg, een geneesheer fysische geneeskundige en een anesthesist met ervaring in pijnbestrijding. De partijen hebben ter zitting verklaard af te zien van de installatievergadering voorzien in artikel 972 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 13 mei
- OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Gehoord in zijn eensluidend mondeling advies, de heer D. Soetemans, Eerste Advocaat Generaal; Verklaart het hoger beroep en het incidentele hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond : Vooraleer recht te spreken over de behandelingskosten van eerste appellant na de datum van consolidatie, stelt als deskundigen aan Dr. P.P. CASTELEYN, A.Z.-V.U.B. Laarbeeklaan 101, 1090 Brussel; Dr. M. VAN MELKEBEKE, Burgemeester Wautersstraat 14, 2600 Berchem en Dr. H. CAMU, Bergstraat 30 te 9320 Nieuwerkerken (Aalst) met als opdracht : Na de heer V.J. , wonende te 3020 HERENT, Wittevrouwstraat 49, onderzocht te hebben, na kennisgenomen te hebben van alle medische documenten van partijen en de vroeger uitgevoerde deskundigen onderzoeken: De behandelingen te beschrijven die heer V.J. ondergaan heeft ingevolge zijn ongeval van 11 februari 1991, meer bepaald de behandelingen inzake pijnbestrijding, Advies te geven over volgende vragen : 1.Houden de ingestelde behandelingen, meer bepaald de pijnbehandelingen, verband met het arbeidsongeval waarvan de heer V.J. op 11 februari 1991 het slachtoffer werd, rekening houdend met de vaststelling dat niet meer aangevoerd wordt dat de pijnen in het linker onderste lidmaat verband houden met het ongeval ? 2.Kunnen deze behandelingen als ‘nodig' in de zin van artikel 28 van de wet van 10 april 1971 beschouwd worden, d.w.z. waren deze behandelingen, volgens de stand van de wetenschap op het ogenblik dat ze uitgevoerd werden van aard, of konden zij dit zijn, om de toestand van het slachtoffer te herstellen in een staat die deze benadert van voor het ongeval, meer bepaald met betrekking tot de pijnen die het gevolg zijn van het letsels ? 3.(Op basis van de medische dossiers en de door partijen voorgelegde afrekeningen): welke zijn in detail de behandelingen die beantwoorden aan de voorwaarden bepaald onder nrs. 1 en 2 ? Zegt dat de deskundigen alle nuttige inlichtingen dienen te verschaffen die kunnen bijdragen tot de beslechting van het geschil; Aanvang der werkzaamheden: Zegt dat de deskundigen hun werkzaamheden zullen aanvatten op een door hun na raadpleging van partijen en raadslieden te bepalen plaats, datum en uur doch binnen twee maanden nadat zij door de griffie van dit Arbeidshof van hun opdracht in kennis werd gesteld en deze opdracht hebben aanvaard. Noodzaak technische raadgevers Machtigt de deskundigen de bijstand in te roepen van iedere andere deskundige waarvan zij de tussenkomst noodzakelijk achten mits zij partijen voor de aanvang van de eigenlijke tussenkomst hiervan op de hoogte brengen; Raming algemene kostprijs en berekeningswijze Zegt dat de deskundigen aan de partijen zelf een raming van de algemene kostprijs van het deskundig onderzoek zullen doen toekomen of tenminste van de manier waarop hun kosten en erelonen en deze van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden; Zegt dat de deskundigen ertoe gehouden zijn hun ereloon prestaties en de kosten gedateerd, gedetailleerd, per eenheid en per aantal controleerbaar bij te houden en partijen op geregelde tijdstippen, minstens om de drie maanden een overzicht van de ereloonprestaties en kosten te bezorgen; Voorschot Bepaalt het voorschot dat ter griffie van dit Arbeidshof op het rekeningnummer 679 - 2009068 - 04 wordt geconsigneerd, hetzij wanneer partijen onderling overeenkomen dit bedrag te storten op een andere bankrekening, voorlopig op euro 1.000 per deskundige; bedrag te betalen door geïntimeerde binnen de maand vanaf de kennisgeving van dit arrest; Vrij te geven deel van het voorschot Bepaalt het vrij te geven deel van het voorschot op euro 500 per deskundige; Redelijke termijn voor opmerkingen op het voorlopig verslag dat moeten worden overgemaakt aan partijen, hun raadslieden en het Arbeidshof Zegt dat deze termijn door de deskundigen zal worden bepaald zoals voorzien in artikel 976 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat een bijkomende doch kortere termijn kan worden bepaald, waarbinnen partijen repliek kunnen geven op de door de andere partij gemaakte opmerkingen. Termijn voor neerlegging van het eindverslag: De termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op zes maanden vanaf de dag waarop de deskundigen hun werkzaamheden zullen hebben aangevat. Het eindverslag van de deskundigen dient volgende bemerkingen te bevatten: - de datum - de aanwezigheid van partijen bij de werkzaamheden en van hun raadslieden - een opgave van de overhandigde stukken en nota's waarvan de tekst slechts mag worden overgenomen in zoverre dat nodig is voor de bespreking; Het eindverslag wordt op straffe van nietigheid door de deskundigen ondertekend, met dien verstande dat hun handtekening wordt voorafgegaan door de volgende eed : "ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb". De minuut van het eindverslag, de stukken en de nota's van de partijen en een gedetailleerde staat van de kosten en erelonen van de deskundigen worden ter griffie van het Arbeidshof neergelegd. De gedetailleerde staat van kosten en erelonen van de deskundigen vermelden afzonderlijk: - het uurloon - de verplaatsingskosten - de bedragen die aan derden zijn betaald - de verrekening van de vrijgegeven bedragen Op de dag van de neerlegging van het verslag zendent de deskundigen bij een ter post aangetekende brief, een afschrift van het verslag en een gedetailleerde staat van de kosten met erelonen aan de partijen en bij gewone brief aan hun raadslieden. Wijzen de deskundigen op artikel 509 quater van het strafwetboek dat luidt : "met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van euro 200 tot euro 1.500 of met een van deze straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding." Houdt de beslissing nopens de gerechtskosten aan. Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heren : F. KENIS : Raadsheer, P. KESSELS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, D. REGA : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Griffier, P. KESSELS D. REGA D. DE RAEDT F. KENIS De heer D. REGA die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig art. 785 van het Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door de heren F. KENIS en P. KESSELS. En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 8 september 2008 door : De heer F. KENIS : Raadsheer, En bijgestaan door : D. DE RAEDT: Griffier, D. DE RAEDT F. KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080908.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div